Blame | Letzte Änderung | Log anzeigen | RSS feed
<?phpnamespace Faker\Provider\nl_NL;class Text extends \Faker\Provider\Text{/*** Project Gutenberg's Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes, by Nescio** This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with* almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or* re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included* with this eBook or online at www.gutenberg.org** Title: Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes** Author: Nescio** Release Date: August 17, 2009 [EBook #29719]** Language: Dutch** *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DICHTERTJE - DE UITVRETER ***** Produced by Mark C. Orton and the Online Distributed* Proofreading Team at http://www.pgdp.net/** Nescio** Dichtertje** De Uitvreter** Titaantjes** J. H. de Bois - Haarlem.** "Dichtertje" is hier voor het eerst gepubliceerd.* "De Uitvreter" verscheen in "De Gids" van Januari* 1911. "Titaantjes" in "Groot-Nederland" van Juni 1915.** @see http://www.gutenberg.org/cache/epub/29719/pg29719.txt** @var string*/protected static $baseText = <<<'EOT'DICHTERTJE.In 't derde oorlogsjaar.Bellum transit, amor manet.I.Tweemaal schudde de God van Nederland zijn eerbiedwaardig hoofd entweemaal schoven z'n eerbiedwaardige grauwe bakkebaarden heen en weerover z'n vest.'t Klopte niet. Ergens moest een fout zijn. Een dichter met nergenshaar, dat was heel vreemd. Sedert dertig jaar hield de God vanNederland niet van dichters. Je wist niet meer, wat je er aanhad. Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, je kon er niet uit wijs. En nu dit."Hij heeft gezegd, dat hij vol van mij is. Vroeger kon je daar op aan."God zuchtte. Hij zou er morgen eens met Potgieter over spreken. Jehad tegenwoordig niets dan narigheid aan je hoofd.Daar beneden in de Leidsche straat liep een meisje. Met vaderlijkwelgevallen zag God op haar neer. Het meisje was als honderde anderemeisjes dien zomer, heelemaal in 't wit, zijden blouse, korte frottérok, witte kousen, fijne enkeltjes en lage witte schoentjes en hadlieve oogen als honderde andere meisjes in Amsterdam. Oogen die kijkenalsof ze iets heel bijzonders weten. Dat vonden ze ook weer nietgoed. Nooit had ons Lieve Heer daar vroeger iets bij gedacht. En nuhatti kwestie. 't Was begonnen met versjes over "wetende oogen." Toenzei er één, dat 't allemaal bedrog was, een vroom bedrog van God. Datze niets wisten en alleen maar keken alsof, zonder dat ze 't kondenhelpen. Nooit had God er over nagedacht.Tegenwoordig brachten ze hem over alles aan 't denken. En 't was tochzoo noodig, dat de hoofden bij de zaken werden gehouden. De keizer had't nog onlangs weer gezegd: "Der Tüchtigkeit ist die Welt".Maar als je eenmaal over iets aan 't prakkizeeren raakte kwam je erzoo makkelijk niet weer af. Nu i er eenmaal op lette, zag i honderde,duizende van die meisjes, telkens weer anderen en telkens weerdezelfden. Zoodat i soms niet meer wist of i er tienduizend had gezienof één, tienduizendmaal. "Heer in den hemel had hij al die meisjesgeschapen? Of was 't een grapje van den duivel, al die wetende oogen?"Kijk, daar gaat 't dichtertje. Toch wel een knap, jong ventje,zoo slank, zoo'n aardig gladgeschoren jongensgezicht, alleen eenpaar stutten voor de ooren, en zoo verbrand door de zon. Hij groetiemand. Z'n strooien hoedje lichtten-i even op van zijn kort geknipteharen.Raar toch, zoo kaal, maar 't was toch vast wel een dichtertje, wantGod begreep niets van 'm en Potgieter ook niet. En professor Volmerverachttenem.En hij leed ijselijk van die wetende oogen, zooals geen rechtschapenmensch. De duivel hattem leelijk te pakken. Hij was een zwakdichtertje, kindsch werti er van. Hij bleef fatsoenlijk van zwakte. Datwas weer zoo iets raars, waar God vroeger nooit over gedacht had,fatsoenlijk was fatsoenlijk en daarmee uit. 't Dichtertje wist nietop wie hij verliefd moest worden. Als hij in twee wetende oogenhad gekeken, zag hij er dadelijk weer twee. Hij was zoo zwak, zoolekker zwak. Maar als i 't vijfentwintigste meisje zag, voeldeni zooiets raars in z'n hersens. Hij had al eens in 't voorbijloopen op 'tterras van een café een stoeltje omgeschopt van kwaadaardigheid. Wanthij wist wel, dat ze niets wisten, dat ze dom giggelden, alleen alals i z'n hoed voor hen af nam, of strak keken, omdat ze stonken vanburgerjuffrouwen-ingebeeldheid. En toch kon i 't niet laten. En danmoest i vluchten naar ergens, waar geen vrouwen waren en dan maaktenizich kwaad op God en den duivel tegelijk en zei datti idioot werden datti nog eens met open mond jaren lang kwijlen zou, een leerenslabbetje voor, zonder datti 't zelf wist. Maar den volgenden dagkeeki weer en dacht daarbij: "Mon âme prend son élan vers l'infini."Potgieter zei dat de vent gek was en dat in den tijd van PietHein........Dichtend vervolgde 't dichtertje z'n tocht door de woestenijen vanAmsterdam. Zoover 't oog reikte, niets dan Nederlandsche menschen. Weergroette-n-i iemand, een heer met hoogen hoed en gekleede jas, uiteen stuk van Verkade. Nu spraken ze elkaar aan. Daar stonden ze, op't plein voor 't Centraalstation.Op den beganen grond liep God nu met z'n gelen strooien deukhoed,z'n wandelstok met zilveren greep, z'n jas hing slobberig en breeden ondefinieerbaar bruinig over z'n rug, op z'n kraag lag roos,z'n broekspijpen waren te wijd en te lang en lagen met plooien opz'n schoenen. Z'n bakkebaarden kon je van achteren zien en toen ibezadiglijk de twee treden opstapte om in 't station te gaan, glomde lage avondzon in Gods gepoetsten linkerschoen."Wie was die meneer?" vroeg 't dichtertje. "God" zei de duivel ende knobbels op z'n voorhoofd werden grooter. 't Dichtertje sprakniet. "Jouw God, de God van je baas en van je schoonvader en van jebaas z'n boekhouder en van den gérant van de "Nieuwe Karseboom". DeGod van je tante, die zei, dat je moest groeten als je langs 'thuis van je baas kwam in Delft of Oldenzaal, waar was 't ook weer,ook al zag je niemand, je kon nooit weten wie 't zag. Van je tante,die je zuster altijd liet breien. "Een vrouw mag niet stilzitten." DeGod van al die menschen, die zullen zeggen: "Dat had ik van jou nietgedacht," als je nog eens probeert te leven en die zullen zeggen:"Dat had ik altijd wel gedacht, dat kon niet goed gaan," als jelater in 't werkhuis moet. De God, die niet hebben kan, dat je 'sZaterdagsmiddags vrij bent, de God van meneer Volmer, hoogleeraar in't boekhouden en de bedrijfsleer, die vindt, dat je veel te veelnaar de lucht kijkt. De God van allen die geen andere keus hebbendan werken of vervelen. De God van Nederland, van heel Nederland,van Surhuisterveen en Spekholzerheide, donateur van den Bond vanhoofden van groote gezinnen en van de Vereeniging tot opheffing vangevallen vrouwen. Dat noemen ze vallen. Ik ben ook gevallen.""De beeldspraak is inderdaad gebrekkig", zei 't dichtertje, absent.Hij had al dien tijd gekeken naar een dame, die daar stond tewachten. Naar de aardige scherpe achterkantjes van haar beenen,vlak boven de lage witte schoentjes. Natuurlijk had ze lage witteschoentjes aan met korte rokken en erg open geweven kousen, waar haarbeenen wit doorheen schemerden. "Nu vallen", dacht 't dichtertje."Mon âme prend son élan vers l'infini," zei de Duivel en glimlachteironisch, zooals hij een eeuwigheid lang geglimlacht had.Toen zag 't dichtertje 't stationsplein weer en den duivel en hoordewat die gezegd had."Duivel" zei-di, "mij belazer je niet."De duivel haalde even z'n schouders op en keek naar destationsklok. Tien minuten over zevenen. Hij gaapte achter z'nhand. De eeuwigheid schoot niet op. En eigenlijk hatti ook al zooveeldichtertjes gekend. Waarom sprak i nog zooveel?'t Dichtertje liep naar huis en keek in de hoogte naar 't gevleugeldewiel, dat midden op de leuning van de hooge spoorbrug over dewestelijke doorvaart op een kleine ijzeren zuil staat en vliegenwil en nooit van z'n plaats komt en gezien wordt uit vertetjes waar't nooit komt, wel heel van de Torensluis, 't Singel af. De blauwelucht was er nog zoo hopeloos ver boven. Zelfs de palen met debooglampen, aan 't begin en 't eind van de brug, staken hoog boven't wieltje uit. 't Geeft niet veel of je op een spoorbrug staat opeen ijzeren zuiltje. Je kunt er hoogstens van aan 't denken rakenen dat deugt heelemaal niet. En 't dichtertje dacht, dat je beterzoo'n wiel kunt wezen dan een dichtertje. Zoo'n wiel is van ijzer,maar een dichtertje niet.Onderwijl zat God alleen in een coupé eerste klas in den trein naarDelft en staarde uit 't raampje, maar zag niets. Uitkijken deed hijnooit. In z'n hand hielti een rapport. Naast 'm lagen dossiers.De God van Nederland dacht. Het was een rare tijd. Weer las God:"Het lot van den mensch is verdriet te hebben, wanneer hij z'n doelniet bereikt en wanneer hij z'n doel bereikt heeft."Er is geen troost in de deugd en er is geen troost in de zonde."Daarom laat blijmoediglijk af van alle verwachting. Stel uw hoop opde eeuwigheid: uit dezen droom is geen ontwaken."Het was wel een rare tijd. Zoo kon 't niet goed gaan. En nou hattinog wel gezegd, dat een nieuw tijdvak was aangebroken. De tijd van het"ironisch dilettantisme" was voorbij, een nieuwe tijd van "baanbrekendoptimisme" en "frissche daadkracht" was begonnen. Dat hatti zoo maar's gezegd. En weer zuchtend begon God toen 't manuscript te lezenvan een dik boek over 't Taylor systeem.II.'t Dichtertje was nooit gevallen.Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Als 't dichtertje er overdacht, wat hij eigenlijk 't liefst zou willen, dan was 't dat. Dewereld ééns te verbazen en ééns een liaisonnetje te hebben met eendichteres. Jarenlang had hij dit telkens weer gedacht, naïvelijk.'t Dichtertje was fatsoenlijk getrouwd met een lief, jong, levendig,natuurlijk vrouwtje. Natuurlijk was hij onmiddellijk verliefd geworden,toen hij de wereld begon te zien. 's Morgens zag hij haar als hij naarkantoor ging en zij naar school, en 's middags om kwart over eenen "in't beursuur", als hij op straat mocht en zij uit de melkinrichtingkwam, waar zij haar boterhammen met een glas melk at en soms eenroomhorentje of een taartje met slagroom, haar boterhammen.En ze was wat kwaad op 'm, omdat i daar altijd zoo stond, gewoonbespottelijk. De andere meisjes noemden 'm "'t Ideaaltje", omdati een keep droeg en zulk mooi zwart haar had, (toen liet-i 't nogniet kortknippen). En ze keken naar 'm, als ze met hun drieën gearmdlangs hem heen liepen, heel even keken ze en giggelden tegen elkaar,de beide buitensten de hoofden gebogen naar de binnenste, die ookgiggelde en naar den grond keek. Maar zij liep statig voorbij en zaghem niet en zei tegen Mien Bus datti om haar kwam en dan lachten zeallemaal, want ze wist wel beter. Op den grond stampte ze met haarschoolmeisjesvoetje van zeventien jaar. "Om mij? die engert?" enhield haar hoofd achterover.En hij was ongelukkig en telde de uren. 's Avonds om elf uur keeki naar de lucht, de helft was om tusschen 's middags half twee en's morgens half negen. En hij dichtte.Hij maakte gedichten naar Heine, Hollandsche en Duitsche, en naarHéléne Swarth en naar Kloos en van Eeden. "De Uren":"Hoe gaan de uren zoo zwaar met loggen tred"."Die Kreuzfahrer":"Dort unten lag die heilge Stadt in ihrer Glorie".Dat was zij. Maar de poorten waren dicht. En hij vroeg zich af waaromhij verder leefde. En hij werd opstandig tegen God."Mijn God, zal dan mijn kwelling nimmer einden?"En de lui op kantoor kon i niet zien en hooren, als i om kwart overnegenen op kantoor kwam hatti er wel een willen slaan, zoo maar. Envan somber werti extatisch. En dichtte weer. "Mijn heilig lief". "Nuis de wereld een groot zomerland"."God gooide de poorten des hemels open,Mijn zoete lief zat op een gouden troon".Dat duurde zoo elf maanden. Daar kwamen nog drie maanden bij dattibuiten was, een klein betrekkingkje had in een stadje, waar ze nunog praten over dien mallen kerel.Toen kreeg i haar. Negentien jaar was i. Hij schreef haar een briefjedatti twee dagen in Amsterdam was en datti haar graag wilde spreken. Zekenden elkaars namen, Amsterdam is ten slotte ook maar een dorp. Zehattem die honderd dagen erg gemist en ze kwam. Haar moe vond 't goed,"als 't een nette burgerjongen was en ze hield van 'm....., maargeen scharrelpartij." Ze kwam, 's avonds bij de Muiderpoort en hijzei dat ze zeker wel begreep, watti haar vragen wou. 't Was zoo raar,zoo gewoon, hij kon heelemaal niet dichten. En ze zei natuurlijk datze 't niet begreep, maar toch liepen ze samen maar de Sarphatistraatop. 't Gesprek liep wat moeilijk, wat moest je mekaar vertellen, jekende mekaar nog zoo heelemaal niet. Hij had gedacht, dat i wonderwat zeggen zou, dat de woorden zóó maar zouden komen met geweld,zooals de breede Waal jaagt langs de schuitjes van den ponton-steigerbij Nijmegen.En nu spraken ze over z'n betrekking in dat stadje en over hunouders. En voor haar huis namen ze afscheid en hij gaf haar een zoen,heel links, op haar voorhoofd. En ze was wat in haar schik, ze had eenvrijer en zoo'n knappe, wat zou Loe wel zeggen. Jammer datti buitenwoonde. Zoo vervelend, vooral 's Zondagsmiddags als i dan niet overkwam, dan moest je thuis blijven.Den tweeden avond mochti boven komen, 't moest gauw gaan, want hijhad maar twee dagen vrij.Z'n pa was bij haar vader op bezoek geweest en nu mochtibovenkomen. Daar zaten haar vader en de zijne en haar moeder en eengrootmoeder en een tante. Haar twee kleine zusjes waren vroeg naarbed gestuurd. En toen kreeg i haar en de tante zei later "wat eennette jongen".'s Zondagsmiddags natuurlijk zij op visite bij hem thuis en daarwas toevallig een nicht met scheeve schouders in een scheeve groenehobbezak en een lorgnet op, die bier dronk en Coba was allerliefstvoor haar aanstaande schoonmoeder en die was allerliefst voor Coba."Wat heb je daar een snoezig taschje." "Uit 't City-magazijn?" "Nee,van Liberty". "Je ziet tegenwoordig heel veel van die taschjes meteen klein taschje buitenop." "Nee, die vind ik om de waarheid tezeggen niet zoo aardig." "Och, ieder z'n smaak. Onze Riek heeft zooéén en die vind ik ook heel aardig". En hij zat er bij en begreep erniets van. Had hij 's nachts op straat geloopen en gezegd, dat Godde poorten des hemels open gooide? Wat raar.Maar ze was heel lief, jong, levendig en natuurlijk en zoende 'm nietop z'n voorhoofd, maar flink op z'n lippen en op zij in z'n nek, inden gang, voor ze de kamer binnen gingen. Daar moest ze voor op haarteenen gaan staan en z'n schouders beetpakken. En ze ging heel veel van'm houden en hij hield ook veel van haar en drukte haar tegen zich aan.Maar de zaak bleef 'm duister en dichten deedi niet meer tot igetrouwd was.En nu waren ze zes jaar getrouwd en hadden een kindje, een meisje vanvijf jaar, een snoes die door alle tantes geknuffeld werd. Zij hadeen beetje geld en hij had een beetje geld en hij had in Amsterdameen baantje gevonden, datti niet al te slecht waarnam en ze warenten naaste bij gelukkig.Maar daar i een echt dichtertje was, moest hem iets ontbreken. Wat isvoor een dichtertje iets dat hij heeft? Datti zoo maar heeft, dag in,dag uit. Al die dagen. En altijd getrouwd is zoo erg lang. En eenheel lief, jong, levendig en natuurlijk vrouwtje, dat veel van haarman houdt en zijn manuscripten in 't net schrijft, maar tweeduizendnachten naast 'm heeft geslapen en weet datti niet tegen tocht kanen 's morgens niet uit zijn bed kan komen en niet van de jam af kanblijven, al is i een dichter, dat is nu echt iets voor den Duivel.III.Een groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit watvan, want als je een dichtertje bent, dan loopen de mooiste meisjesaltijd aan den overkant van de gracht. En zoo werd z'n heele levenéén gedicht, wat ook vervelend wordt.In de tram zat hij en dichtte zoo stilletjes voor zich heen, metz'n twee handen op den knop van z'n wandelstok zatti te staren enonderwijl te denken, datti zulke mooie blanke, fijne en slanke handenhad, zooals dichtertjes dat doen. 't Was Zondagavond in Novembertegen zessen, de straten waren donker en verlaten. Een dame van eenjaar of zes en twintig kwam de tram binnen, statiglijk, rijzig inhaar bruine mantelpak, de opstaande kraag, manchetten en onderkantvan mantel en rok afgezet met zwart bont, de handen in een groote,afhangende mof van 't zelfde bruine laken met 't zelfde bont bezet,klein bruin hoedje met zwart bont op 't fijne gezichtje. Alles echtlijn 2, Museumkwartier.'t Dichtertje keek even op, recht in haar oogen, maar zij zag alleen't leege plaatsje in den hoek en ging hem voorbij, statiglijk. Achterhaar kwam haar man, gladgeschoren, in 't zwart, met een hoogen hoedop z'n grijzend, kort geknipt haar.Toen ze zat kon 't dichtertje haar niet zien, want hij zat op dezelfde bank vooraan en er waren vier menschen tusschen.Meneer zat correct rechtop tegenover haar, keek op z'n horloge enzei iets, hoe laat 't was natuurlijk. Daarna spraken ze niet meer. Zewaren ongetwijfeld getrouwd.'t Dichtertje dacht, dat ze op bezoek waren geweest en naar huis gingenom te eten. En of ze een kindje zou hebben of kindertjes. En of haarman zich correct zou gedragen in de slaapkamer. God liet 't gebeuren,dat hij hem duidelijk voor zich zag, daar in die tram, in z'n enkelehemd en sokken, een jaegerhemd, ja natuurlijk jaeger, grijs, nietmooi wit, hij was zeker in de veertig en met wat malle, uitstekendehaartjes op z'n bloote beenen, en z'n hooge dop op. Jammer dat iniet brilde. En hij hoorde hem vragen met z'n correcte Museumkwartiergeluid: "Zal ik 't licht aan laten, Clara?" Want ze heette natuurlijkClara, de schitterende. En 't dichtertje dacht datti "pardon" tegenhaar zou zeggen op een gegeven oogenblik. Ja, God laat de gedachtenvan een mensch raar dolen en er komen vreemde passages voor in zoo'ngedicht zonder eind.Toen keek 't dichtertje op door 't ruit van de tram tegenover hem. Dehuizen waren alle donker en de dames die dit lezen weten wel, dat jedan alle passagiers heel duidelijk weerspiegeld ziet, buiten.En de peinzende oogen van 't dichtertje zagen toen recht in depeinzende oogen van Clara, de schitterende, die keken alsof ze ietsheel bijzonders wisten, wat bedrog is. Even werden de vier peinzendeoogen grooter en schitterden, toen dorst 't dichtertje niet meer,want hij was een welopgevoed mannetje, al hatti rare kronkels in z'neindelooze gedicht en hij keek naar 't bruine laken en 't zwarte bonten naar den vagen vorm van haar beenen in den rok en toen keek hijmet geweld naar een onderhuis, waar een melkboer woonde, 't gordijnwas neer om den Zondag. Als je wilt kun je door die weerspiegelingheen kijken en de P. C. Hooftstraat is erg achteruitgegaan, jarengeleden had je daar geen melkboer, nu is er zelfs een aardappelenen groentenwinkel.Maar toeni daarna weer keek hoe een van haar haren los was gegaan envoor haar linkerslaap hing, zoo lief, zoo gegolfd, toen ontmoetten hunoogen elkaar weer, even. "Ik vind jou mooi, vind jij mij mooi?" "Ikwil je hebben als ik durf, wil jij mij hebben als je durft?" "Evenwil ik een levend mensch zijn, even vrij, een Godin, geen dame van 'tMuseumkwartier, geen dochter van die, zuster van die, vrouw van die,moeder van die, vriendin van Mevr. die. Even, in mijn gedachten. Mijngedachten gaan naar jou door mijn oogen, mijn gedachten kunnen wijden zijd gaan, vooruit en achteruit in den tijd, door alle bedekselsgaan mijn gedachten. Niemand kan hen vatten of deeren, naar jou gaanmijn gedachten door mijn oogen."En zoo gingen zijn gedachten naar haar, door zijn oogen in de harein deze luttele seconden. En niemand wist er van.En een hooge toren verrees uit zijn geest en een hooge toren uitden hare. En ze zagen wijd en zijd over alles heen en alleen elkaarzagen ze.Zoo dichtte 't dichtertje z'n eindelooze gedicht verder en de domstevrouw kan dat meedichten.Maar bij elkaar komen konden ze niet en dat was misschien juist't mooie.Bij de Hobbemastraat keek haar man even naar den conducteur en directging die z'n hand naar de schel. En ze stond op en liep achter haarman door de tram, correct en statig en zag niemand.Maar terwijl meneer afstapte en zij wachten moest op 't balcon voorden ingang, haar linkerschouder naar 't dichtertje, en toen 't bijnagedaan was, toen overwon ze nog even één ondeelbaar oogenblik 'tMuseumkwartier en keek."Ik vind je mooi en jij vindt mij ook mooi. Mijn hart zingt in mijnlijf en m'n hersens zingen onder m'n haren. Mooi haar, hé?"En 't dichtertje dichtte z'n gedicht voort, eindeloos. Maar 't werd eensomber gedicht, zoolang 't duurde, en Amsterdam was donker en ledig.Als een echt belachelijk dichtertje heeft i daarna nog een paar maal's middags in 't Museumkwartier gedwaald, waar i zich altijd erg armvoelde en nooit zeker was of z'n das wel goed zat en z'n boordje welschoon was en of i er heelemaal wel beschaafd genoeg uitzag. Maar hijzag haar natuurlijk niet meer, mogelijk woonde ze heelemaal niet eensin Amsterdam. Er was een huis op een hoek met een klein tuintje erom en daar groeide een klimstruik tegen den muur. Die bloeide in 'tzachte Novemberweer zonder blad, met kleine gele sterbloemetjes. Enhij maakte voor zich zelf uit, dat ze daar woonde en de bloeiendestruik noemde hij "Clara".Toch hield i wel van z'n vrouwtje en z'n vrouwtje hield veel van hemen ze lieten 't mekaar aan niets ontbreken.Waarom heeft God ook een mensch tot dichtertje gemaakt?IV.De duivel heeft altijd schik in lieve, jonge, natuurlijke vrouwtjes,die veel van hun wettigen man houden. Als ze een jaar of wat getrouwdzijn krijgen ze een vreemd heimwee naar een land, dat ze kennen. Maarze zijn er toch nooit geweest. Hoe kunnen ze verlangen naar iets dat zeniet kennen? Hoe kun je iets kennen dat je toch niet kent? Vreemd, watmissen ze? En zingende zetten ze in den voorjaarsmorgen de balkondeurenopen en ineens zijn ze weer vaag droevig. Waarom toch? C'est là,c'est là qu'il faut être. La? Waar? "'k Ben mal". En ze drukken hunkindje tegen zich aan en zoenen 't erg.Coba zit op 't terras van de "Beursbengel", op 't Damrak, aan zoo'ntafeltje met zwaar rond marmeren blad, met een koperen band om denkant. Haar kindje zit tegenover haar, de bloote beentjes van het kindjemet witte halve kousjes bengelen voor haar stoeltje. Het krijgt eentaartje met een glas melk. 't Eet met haar kleine vingertjes, haarlekkere oogen zijn zoo groot en kijken zoo overal heen. 't Kindjeis onder den indruk van zoo iets heerlijks en al die menschen, maar't is erg blij. Moedertje kijkt of 't kleintje niet morst en helpthaar zachtjes, maar zegt niet veel.In den hoek zit de duivel en draait z'n snor op. Eens heb ik eenvrouw hooren zeggen, een hoogstaande vrouw: "Zoo'n vent, wat verbeeldtzich die wel? Een man die denkt dat ik verliefd zal worden, omdat izich zelf aan een brok haar trekt, bah." Vertrouw die vrouw niet teveel. Nu ligt ze 's nachts wakker en bijt in haar natte kussen.Coba trekt haar manteltje uit, legt 't over haar knieën, 't is tewarm voor een blauw cheviotten mantelpakje. Een wit bloesje heeft zeaan, haar armen schijnen er door, zoo rose-bruin en 't allerbovenstevan haar rug en borst. Je ziet waar haar hemd eindigt en dat 'tmet kanten strooken van haar schoudertjes hangt. Nu trekt ze haarbovenlip even naar binnen en maakt haar onderkaak langer en strijktmet de rechterhand haar haar glad, ze draait even met haar hoofd en't puntje van haar tong komt te zien en strijkt langs haar bovenlip enverdwijnt schielijk. De duivel draait aan z'n snor. Nu praat ze liefmet haar kindje, ze lacht, al haar tanden laat ze zien; ze heeft eensterk gebit, alle tanden staan aangesloten en ze zijn schitterend wit,om haar zoo je hand voor te houden, dat ze er in bijten kan, aan denbuitenkant tusschen pink en pols. Het is in 't begin van Mei. Voor 'teerst van 't jaar heeft ze een bloese aan die driehoekig is uitgesnedenen ook haar borst is wit, zoo erg wit, dat de duivel moet denken aanhet licht uit den hemel. En de hoeken van haar sleutelbeenderen bij 'tkuiltje van haar hals staan zoo pittig. Met haar slanke vingers strijktze langs den rand van haar bloese. Nu veegt ze de handjes van haarkindje af en haar toetje, met haar zakdoekje, dat een opengewerktenrand heeft. En ze neemt 't handje van 't kind in haar twee handenen drukt 't en geeft haar een zoentje op haar groote oogjes en 'tkindje vraagt: "Maatje, waarom doet u dat?" En ze kleurt en vraagt:"Wat, Bobi?" "Waarom zoent u me ineens?" "Maar kindje, maatje zoentje toch wel meer ineens? Wil Bobi nog een taartje? Maar dan moetje je niet zoo vuil maken, hoor. Zal mammi 't zelf gaan uitzoekenvoor kindje? Zoet blijven zitten hoor!" En maatje gaat naar binnen,haar heupen draaien heel even en haar blauw cheviotten rok gaat heenen weer. En dan komt ze terug met 't taartje op een schaaltje en uitde deur lacht ze tegen haar kindje en ze gaat weer zitten. De duiveldraait aan z'n snor. En dan in eens wordt ze bang. Als i haar eensaansprak? Wat moest ze doen? "Kom Bobi, maak voort, wacht, zal ik jehelpen?" En op de punt van 't vorkje steekt ze haar 't halve taartje in't mondje, 't is of de dikke dame naast haar draait. 't Kindje heeft't toetje vol slagroom. "Bah, wat een vies kindje." "Mammi, dat doeje zelf." Daar is Pa. Hij groet en neemt z'n hoed af voor den duivelen de duivel neemt z'n hoed af voor Pa. Maatje kleurt weer, nu tot't kuiltje van haar hals. Maar 't dichtertje ziet dat niet, hij iste lang getrouwd.Ze staat op en helpt 't kindje van haar stoel. "Wil je meteen weg?" "Ikmoet nog wol koopen om mijn manteltje af te breien. Ik kan nergens dekleur krijgen. 'k Ben in wel vier winkels geweest en toen dacht ik,ik zal maar eerst hier naar toe gaan, want 't werd zoo laat." De oogenvan 't kindje worden heel groot en kijken naar boven naar maatje. "Nouvooruit dan maar, heb je betaald? aanneme!" Dichtertje dopt, de duiveldopt, maatje knikt stijf. Bobi wuift met haar handje en zegt met eenhoog stemmetje: "Dag meneer." De duivel knikt en lacht en knijpt eenoog dicht. "Maatje, die meneer heeft al dien tijd naar u gekeken."Gelukkig, 't dichtertje hoort niets, zijn gedicht zonder eind is weerin een stadium datti er stapel zot van wordt. Hij ziet op dat terras aldie vrouwen zitten en er gaan er voorbij op straat. "O God," denkt i,"als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens in eens van al dievrouwen al de kleeren afvielen?" Een dichtertje dat den waanzin nabijis denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijnlezeressen..... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken.V.Zes jaar waren ze getrouwd. En terwijl zij iederen morgen brood sneeden boterhammen smeerde en thee schonk voor hem, voor kleine Bobi, voor't dienstmeisje en soms voor de werkster.... Snijd eens één keer brooden smeer eens boterhammen voor vier kinderen, als je 't niet gewendbent, wat de ongelukkige schrijver van deze geschiedenis eens gedaanheeft, volslagen uitzinnig word je d'r van. Op d'n duur zal 't welwennen, maar o lieve Heer, op den duur moet 't toch ook afgrijselijkvervelend wezen, als je 't ongeluk hebt er over na te denken.Nu dan, terwijl zij voortdurend dit alles weer deed, behaagde 'tGod, den echten God van hemel en aarde, Dora, haar zusje, te doenopgroeien en vrouw worden, zoo mooi als een renpaardje. Zij was eenvan die twee zusjes, die in bed waren gestopt, toen i voor 't eerstboven mocht komen.Het duurde lang voor hij haar zag. Maar zij had hem allanggezien. Vijftien jaar was ze toen. Hij was pas getrouwd, iets meerdan een jaar en kwam van een reis terug, heelemaal verbrand. Eenlicht grijs pak had hij aan en bruine schoenen en een wit hoedjemet heelemaal neergeslagen rand. Toendertijd gooiden ze je in deReinwardtstraat nog met steenen als je den rand van je hoed heelemaalneergeslagen had, nu mag 't. Zijn schoonouders woonden toen op 'tland, ergens bij den IJsel in een wit huisje met een serre, en eenweranda langs de bovenverdieping. Ze was nog nauwelijks meer dan eenkind, haar rokje kwam maar halverwege tusschen knie en enkel. Nuloopen de volwassen vrouwen zoo. Ze had een jurkje aan met bandenover de schouders, met dikke roode strepen verticaal, daartusschensmalle witte strepen. De schouderbanden waren enkel rood. In dithooge jurkje dat over de borsten reikte, droeg ze een wit bloesjemet stijven opstaanden kraag. Ook haar gezichtje was gebruind. 'tDonkere haar droeg ze met een scheiding en van achteren loshangendin een zwarten strik. Ze was blootshoofds en speelde op 't gras voor't huis als een kind diabolo, voor 't laatst, maar dat wist ze niet.'t Was in 't begin van Juni, de hooge boomen achter en op zij van't huis waren een groene berg, massief. Hier en daar stond er eenbruine beuk tusschen. De roode meidoorn was uitgebloeid, de roodebloemen van de kastanjes waren afgevallen, de ijle kaarsjes, die ervan waren overgebleven, stonden rechtop. De accaciá's bloeiden ende jasmijn. De serre en alle drie de deuren aan de weranda stondenwijd open. Er was een klein rond vijvertje voor 't huis met bladenen witte bloemen van de waterlelie er in en riet en gele irissen aanden kant. Voor den tuin liep de grindweg en aan den overkant vanden weg en ook aan deze zij er van, links en rechts van den tuin,stond alom de groene rog manshoog.Met de geheven armen wijduit ving ze de diabolo op 't touw, maar hijviel en toen ze zich bukken wilde zag ze den man van haar zuster."Dag Dora, ken je me niet meer?"Hij zag een kind en 't grasveld, en 't vijvertje en 't witte huis ende hooge boomen en de accacia's en jasmijn in bloei, op zij. Hij waspas getrouwd en nog niet begonnen aan z'n gedicht zonder einde. Maarzij zag hem, haar oogen werden groot, 't bloed gutste in haar lijfnaar boven. Waarom vloog ze haar zwagertje niet om z'n hals en zoende'm? Dat had ze altijd gedaan, want hij was een lief zwagertje, diebonbons en brochjes meebracht en rumboonen, de rumboonen stilletjes."Dag Ee," zei ze en gaf 'm een hand."Dora, wat zie je d'r lief uit, is m'n schoonmama thuis en m'nschoonvader?" Hij wilde in haar wang knijpen, zooals hij dat "dekinderen" altijd gedaan had, maar ze liep hard weg en viel 't huisbinnen. "Daar is Ee."De diabolo lag op 't pad en de stokjes met 't touw op 't grasveld. Hijraapte ze op en zoende z'n schoonmoeder en schudde den ouden heer dehand met geweld. "Hier zusje, daar heb je je speelgoed! Is Em nog opde kostschool?" En schoonmama, die graag zag zoenen in eer en deugd,vroeg: "Hebben jelui mekaar al behoorlijk goeien dag gezegd?" Maarzij ging haastig de kamer uit met 't speelgoed en liep naar boven enstond op haar kamertje voor 't open raam. Gek, ze hijgde anders nooit,nu haalde ze diep adem. En ze voelde met haar handen dat haar borstengroot werden. En 't grasveld voor 't huis en 't vijvertje met de bladenen de witte bloemen, met 't riet, dat zachtjes heen en weer ging en degele lissen en links aan den kant van den tuin de bloeiende accacia'sen de jasmijn bij het rhododendronboschje, dat uitgebloeid was en derogge over den weg, die golvend glansde, al die dingen leken zoo nieuwen zoo mooi. De leeuwerikken zongen overal, een reiger vloog, de luchtwas zoo hoog en de boomen ruischten om 't huis en 't licht--kun je 'tlicht pakken en aan je drukken en in je? Ze deed haar handen samen omhaar achterhoofd en voelde haar borsten optrekken. Toen rekte ze zichheelemaal uit. De armen wijduit omhoog, als bij 't diabolospel. Enze voelde de lucht doordringen tot onder in haar longen.Kalm kwam ze de trap af en zong 't koor uit de Maccabeeën: "Dag vollicht en hemelgloed," wat ze vaak had gezongen, zonder er veel bijte denken. Toen ging ze de kamer binnen en zei: "Dag Ee", en gingop haar teenen staan en rekte zich uit en zoende 'm op z'n mond, alsvroeger, zusterlijk. En hij, die een gesprek had met z'n schoonvaderover lijnolie, pas van de reis terug, wat moet een dichtertje al nietdoen, hij zei enkel:"Kind, wat wor je groot, ik hoef je waarachtig niet eens meer opte tillen."En toen hield ze al zooveel van 'm, dat ze niet eens kwaad was omdatie dat zei. "Haar borsten werden immers al groot, wacht maar.""Dora, de melk kookt over, Maartje is naar 't dorp." En Dora vlugnaar de keuken om 't stel uit te draaien.VI.Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten doorm'n vrouw worden overgeschreven en dat ze de poëzie in dit verhaalniet begrijpt. Dat Coba coquetteerde vindt ze niet zoo erg, dat kwamdoordat 't dichtertje haar verwaarloosde. Die dame in de tram hadeen klap op haar gezicht moeten hebben en 't dichtertje ook. Gek,in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet zoo erg. 'k Denk dat't komt doordat ik dit geschreven heb. Ze moet toch den auteur wetente onderscheiden van meneer Nescio, maar dat gaat haar te hoog. Desituatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk geluk is ietwat gestoord,toch ga ik door.Daar wandelt de God van Nederland weer op 't Damrak over 't gloeiendeasfalt. Weer heeft hij 't zelfde bruinige pak aan en denzelfden hoedop en schilfertjes op z'n kraag. Nu heeft hij een zakdoek om z'nboordje gelegd, voor 't zweten. Z'n wandelstok zetti een heel eindvan z'n lichaam neer. Z'n grauwige bakkebaarden wandelen mee.God van hemel en aarde, van land en zee, neem deze benauwenis van mijweg, schep 'm op uw ééne hand van 't Damrak en leg 'm zoetjes neerop een belt, bij blauwe pannen zonder bodems en vertrapte blikjes enverroeste hoepels van vaten en asch en garnalendoppen, ergens waarik nooit kom.Nu kan mijn geest mijn verdomde zelf verlaten en recht naar bovengaan als blauwe rook in een stillen zomeravond, als een verre koeklagelijk loeit.En nu is alles weg dat geweest is en ik ben Dora en in een nieuwewereld, die dezelfde is als de oude, maar gezien van de voeten desVaders, van waar ik ook neerzie op Dora, die ikzelf ben, een vrouw nu,een meisje, zoolang de genade duurt.En zooals de wereld thans nieuw is voor mij, zoo lag ze nieuw enmaagdelijk en goedertieren uitgespreid voor Dora na dien dag. O,ze aanvaardde 't wonder, maar ze begreep 't niet en ze begreep zichzelven niet, zooals de aarde zich zelve niet begrijpt, waaruit 'tkoren groeit, dat groen is en geel wordt en wordt gemaaid en de hoogegarven staan op de gele stoppels en de aarde weet er niet van.En haar borsten werden grooter, ze bewogen bij 't loopen. Toch wasze een tenger meisje met een duidelijk kuiltje in haar hals, metduidelijke peesjes en 't begin van haar sleutelbeenderen duidelijkafgeteekend, net als haar zuster. En als ze 't hoofd op zij deed, zagje een diep kuiltje op haar schouder als ze haar losse kiel aan had,die vierkant was uitgesneden. In haar bruine gezichtje waren haar oogenzoo wit en zoo donker blauw. Het wit was zooals ik eens de bevrorenZuiderzee gezien heb. Maar uit 't blauw scheen al de warmte van haarlijfje, dat toch niet koeler werd. En als ze dan met haar handjes ophaar rug stond, stevig op de beenen, de voeten een eindje van elkaar,dan zag je de punten van haar schouderbladen en een holte daartusschen,als een gedicht, die de gedachten trok naar verten, als een rivier,die gestrekt ligt, ver, en zich dan wendt en waarvan je 't eind nietziet. En als ze haar hals boog, ze droeg 't haar nu opgenomen, dankeek de God van hemel en aarde even op van z'n eeuwige contemplatieder eeuwige landen en zeeën en leunde z'n hoofd op z'n rechterhand,die steunde op z'n dij, de duim onder den kin en de wijsvinger langszijn wang en aanschouwde het bruine knobbeltje boven de holte, dieeen gedicht was en de kleine haartjes die glinsterden in de zon englimlachte. Daarna keek hij weer ernstig langs z'n voeten en zag zijnRijn wenden tusschen zijn bergen en peinsde: "Hoe was hij er ook weertoe gekomen, 't Duitsche rijk te laten stichten? Die Pruisen....."En z'n edel, hareloos gelaat versomberde, er kwamen twee diepe plooienboven z'n rechten sterken neus.Maar zij dacht aan geen Pruisen. Zij dacht hoe een lieven man haarzuster had en dat 't goed was van haar zwager te houden. Hij was tochhaar broer. En een dichter. Dat had Coba haar verteld. En een dichterdat was een van hen, die God lief had. Dat had ze in een boek gelezen.Ze was nu zoo oud, dat ze verheven boeken las met een mondje volchocola en de rest van de reep op 't tafeltje.Als zij ook eens dichten kon of--schrijven. Een boek over jongeliefde. Jonge liefde, daar las je toen veel van. En als ze 's avondsaan den IJseldijk lag, de fiets naast haar plat in 't gras, met eengrasje in haar mond, dat ze om en om draaide en over 't water keek,waar 't zeil van een tjalk met geraas zakte langs den mast en slapviel, dan probeerde ze het. Maar er kwam niet veel. Ze werd wel heelweek van binnen, haar hartje en haar longetjes werden zoo groot enzoo weemoedig vol. Ze voelde 't avondlandschap in haar ruggestrengvan boven tot onder. De koeien, die in 't water stonden en dronkenen zichzelf zagen, 't rammelen van de ankerketting, 't licht datopgetrokken werd aan den mast van de tjalk, ze brachten tranen inhaar groote oogen. Maar er kwam niets. 't Grasje in haar mond spleetze in de lengte met haar twee nageltjes, maar er kwam niets.Ze stond op. Aan de bleeke lucht schenen de sterren, 't water rimpeldeen warrelde en draaide en stroomde alsof er geen Dora stond in denkleureloozen zomeravond. Een zware wagen kraakte moeizaam over dengrindweg in de verte. Weemoed steeg op uit 't duisterende land,'t water hield nog wat licht.Toen strekte ze de handen uit, maar er was niemand die antwoordde. Toenwist ze niet of ze sterven wilde of leven en reed langzaam op haarfiets naar huis terug, waar moeder zat te gapen met 't Nieuws van denDag onder de petroleumlamp en haar bril op de punt van haar neus. Zookeek ze Dora strak aan. Daarna zette ze haar bril af, vouwde 'm op,voelde op de krant naar 't huisje er van en bukte omdat 't andere stukwel onder tafel zou liggen. "Hier moe." Toen stond moe op, vouwdegapend de krant dubbel, keek op 't wekkertje dat op den schoorsteenstond en zei geeuwend: "Kwart-over tienen."Op haar kamertje kleedde Dora zich uit en rook de geur van haar eigenwarme schoone lichaampje. En een groot verlangen vulde haar opnieuw,zooals 't avondlijke land haar met een groot verlangen had vervuld,en ook de donkere rivier, die uitliep in een punt, die even lichttewaar i zich wendde en verdween. Maar wat 't was, wist ze niet.En in eens zag ze alles weer voor zich in 't donker van de kamer,'t water met de tjalk die geankerd lag met z'n licht in de mast,de koeien aan 't water aan den overkant, dichterbij. Ze zag dat deavond niet viel, maar opkroop uit 't land, voor 't eerst gaf ze zichdaarvan rekenschap. En ze zag vooral 't end van de rivier, de bocht,die in een punt uitliep, waar een groenige lichte plek in 't waterwas, daar waar de oever rondboog. En ze hoorde 't verre kraken vanden zwaren wagen over den grindweg."God, als 't eens waar was, dat U mij lief heeft," zei ze kinderlijk.En ze droomde dien nacht, dat Ee wandelde met Coba op een wei, zijin een wit linnen mantelpakje en hij heelemaal in wit flanel, met eenomgeslagen rand aan zijn broek en een platten stroohoed op en bruineschoenen. En dat ze tegen elkaar lachten en hij haar zoende op haarmond, vier zoenen achter elkaar en dat ze zich lachend losmaakte. Endat zij, Dora, op haar zuster toeliep en haar armen om haar halssloeg en haar hoofd tegen haar schouder legde en zei: "Coba wat benje toch lief." En toen stond daar in eens haar moeder, nu met haarbril boven op haar voorhoofd en zei, "dertien minuten over half twee."VII.Intusschen liep 't beminde dichtertje kalmpjes als een netburgerheertje zijn wegje af naar z'n graf en op 't Damrak en op't Rokin en in heel Amsterdam en overal ging 't verkeer z'n gang,alsof er aan 't dichtertje niets gelegen was.Hij maakte wat promotie in z'n betrekking en erfde een kleinigheid,veranderde gaandeweg van kleermaker en schoenenwinkel, kocht toen ookdat witte flanellen pak, rookte geregeld sigaren van vier cent inplaatsvan tweeëneenhalf, had ten slotte zelfs een kistje in huis, droeg fijneoverhemden en niet meer van die dikke wollen sokken, waschte z'n handenvoor en na 't eten, en gaf iedere week enkele guldens uit in cafés,alleen en met z'n vrouw. Hij verheugde zich in den beleefden groetvan z'n sigarenwinkelier en in de eerbiedige familiariteit van denconducteur op lijn twee. Op kantoor werti door de jaren wat ijveriger,begon wat van z'n werk te maken en het gebeurde zelfs datti 's avondsterugkwam, ofschoon z'n baas de lui daar nooit om vroeg. De conciergerespecteerde hem steeds meer, hield 'm voor een heele geleerde. Zelfszijn tante uit Delft of Oldenzaal begon tegen 'm op te zien en kniktegoedkeurend als Coba haar verhaalde hoe haar neef vooruitging. Hij zelfsprak er nooit over. Hij was nu geabonneerd op 't Volk, 't Handelsbladen de Groene, lid van de Partij en den Algemeenen Nederlandschen Bondvan Handels en Kantoorbedienden. Op vergaderingen kwam i niet, maarals ze bij hem kwamen met een steunlijst voor een werkstaking of om eenuur loon voor de Partijkas, dan gaf hij hun een sigaar en Coba schonkeen kopje thee en dan praatte-n-i heelemaal niet uit de hoogte met zeen teekende voor een riks of vijf gulden en bracht ze tot de trap entrok de deur voor hen open. Hij was toch zelf ook maar in loondienst enhad als jongen ook zoolbeslag en hoefijzers onder z'n schoenen gehaden heel vroeger in een huis gewoond waar de buren altijd de trapdeuropen lieten staan en aan tafel gezeten met een pan rijst, voor datz'n vader dat werk had gehad waar i zoo aardig aan had verdiend.En toen i weer opslag had gekregen aten ze voortaan iederen dag soepvooraf en Coba kocht drie zilveren servetringen, voor Bobi ook één,en wilde voortaan geen brood meer meenemen als ze 's Zondags de staduitgingen, wat ze nog heel lang gedaan hadden.Ook z'n vrinden waren vooruitgekomen in de wereld. Bonger, de dokteren Graafland, die hoofdcommies was bij de post en 't boekenschrijvenhad opgegeven en van der Meer, die in automobielen dee en 't dichtenverachtte. Die niet vooruitgekomen waren zag je heelemaal nietmeer. Daar had je Kool, die altijd z'n brood met z'n twee handen aten die zoo lang had geprakkizeerd om de wereld te hervormen, dattikoloniaal was geworden. God weet waar die nu zat, eerst hadden zemekaar geschreven, maar toen had dat opgehouden, je wist niet meer watje schrijven moest. Hein hatti een tijdje geleden nog eens ontmoet. Diemoest en die zou schilderen. De ziel der dingen schilderdeni, maar't bracht nix op en toen z'n vader was gestorven hatti heelemaalnix. In jaren had 't dichtertje hem niet gezien.Op een dag loopti door de Pietervlamingstraat en daar ziet i 'm, alskraai verkleed. Hein, die één maal geexposeerd had: "Portrait d'unjeune homme poitrinaire et syphilitique," theosofisch "opgevat." Ermoest een groenteboer begraven worden. De kraaien stonden op de kleinesteentjes te wachten, ze hadden parapluies bij zich, Hein ook. 't Wasdruilerig weer. Scheef op z'n kop stond een rouwhoogehoed, die 'm teklein was. Z'n gekleede rouwjas met tressen hatti dicht geknoopt. 'tDing was veel te nauw en barstte haast open en zat vol malle plooienom z'n ribbekast. "Jonge," zegt Hein, "wat ben jij een fijne mangeworden." Meteen dragen ze, Goddank, den dooien groenteboer z'n deuruit. 't Is niet zoo makkelijk iets te wezen in de wereld, ook al ben jeeen dichtertje en heb je jezelf wel zoo wat in de gaten. Hij liep tochal niet zoo graag meer in die straten, na dien tijd kwam i er lieverheelemaal niet meer. En dan moet je mee uit eten genomen worden en eenspijskaart voor je krijgen waar geen regel op staat die je begrijpt. Endan neem je den eersten keer overal te veel van omdat je niet preciesweet wat er komt en nooit weet hoe ver je bent. En de volgende maalzal je 't beter doen en dan krijg je lang niet genoeg en moet eengroote zware sigaar rooken met een leege maag. Dan wensch je dat jevader je maar bij de stadsreiniging had gedaan indertijd, om met eenblauwe kiel en een ratel en een glimmende leeren pet met een koperennummer op een stil, zonnig grachtje te loopen ratelen in de vroegte,zonder er wat bij te denken, op schoenklompen met dubbele zoolen.En achtentwintig jaar voor hem uit, op 't wegje naar z'n graf zag i't grijze hoofd van z'n vader loopen, dien 't ook altijd goed wasgegaan en die ook nooit iets bijzonders had bereikt. Hij zag zichzelfal loopen over 28 jaar, met net zoo'n hoofd en kreeg 't gevoel of iz'n eigen vader was. En drieentwintig jaar achter 'm liep z'n dochter,nu nog z'n dochtertje. Z'n Bobi van nu zou over drieentwintig jaarnergens wezen en toch zou ze den weg afloopen dan, dezelfde en tocheen ander. En 't dichtertje vond 't een zinnelooze optocht, die'm droefgeestig maakte.Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nogiets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar doodwou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht,om te staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aanal 't onverschillige levende en doode, dat maar dee of hij er nietwas en zich wederom zat wilde vreten tot 't alles opgevreten had enalleen over was met 't niet.Maar daar hij niet wist hoe i beginnen moest, kwam er nooit ietsvan. Hij bracht 't niet verder dan dat nu en dan één van z'n gedichtenin een tijdschrift werd opgenomen en dat 't Handelsblad 'm prees, maardat prijst zooveel, en dat meneer Scharten hem, Goddank "veelbelovend"noemde. En z'n vrienden, die ernstige mannen waren geworden, zeiden eenenkel waardeerend woord er over, als ze 'm bij gelegenheid eens zagen,die dweepten niet meer. En de afleveringen der tijdschriften begonnenlangzaam te vergaan, zooals 't leven van 't dichtertje en overigensgebeurde er niets. De lui op kantoor lazen geen tijdschriften en hijschreef trouwens toch onder een anderen naam.Eens op de Zaandammerboot zat een verloofd stel naar 't water tekijken, hij had zijn rechterarm om haar schouder en hield haarrechterpols vast en zij legde weer haar linkerhand op zijn rechteren zoo zaten ze dicht tegen elkaar aan. 't Dichtertje keek naar hen,zoo'n net verloofd stel is zoo aardig om te zien. Dat die kinderenonrustig zijn omdat ze meer willen en zich warm maken om wat ze nietkunnen en niet durven en nooit weten waar ze zullen ophouden, dat zieje niet en daar denk je niet over. 't Was heel aardig en misschienwaren ze nog maar pas verloofd en tevreden met elkaar vast te houdenen te dwepen. Toen keken ze elkaar lachend aan en hij zei:"Ik kijk van terzij in je groote oogen.En zie een blauw' en een gouden vonk"en zoende haar op haar mond. Zij bloosde: "Die meneer keek net."Dat was de eenigste keer dat 't dichtertje zijn leven voelde levenin 't hoofd van een ander mensch en toen werti nog verlegener dan't meisje en bloosde ook en gaf een kwartje aan den man die geld kwamophalen voor de muziek.Daarna was noch aan de doode, noch aan de levende dingen meer temerken, dat ze weet hadden van wat 't dichtertje beleefd had in z'ndichterhoofd, datti meedroeg op weg naar z'n roemlooze graf.'t Dichtertje kreeg er genoeg van. Hij had nog iets heel moois liggen:"Mijn doode hart is zoo zwaar te dragen". Dat gooideni maar in 'tkeukenfornuis, de haard brandde niet, want 't was zomer.En toen werti zoo kwaad op alle levende en doode dingen, datti z'neindelooze erotiek onderbrak en een grimmig boek schreef, dat 'm ineens beroemd maakte. Maar dat was later pas, dat komt straks.Voorloopig deeti alleen nog maar z'n gave tanden en kiezen op elkaaren daarna zeidi, alleen in z'n kamer, hardop: "Een groot dichterworden en dan vallen, Godverdomme." Z'n schoenen hatti losgemaakten i schopte er één van z'n voeten datti een slag gaf, waar mevrouwbeneden van schrikte.VIII.Dat was in den zomer en in 't najaar was 't dichtertje zoo verdatti "onmogelijk" van kantoor weg kon. Z'n tante had reden tottevredenheid. Haar neef "hattet druk". Drie, vier avonden in de weekzat i op kantoor. Hij had een week bij haar zullen logeeren in Velp,waar zij tegenwoordig stil leefde, de zaak had ze verkocht. Maar hijkon niet weg, als een heusche heer.'s Zondags las i thuis de mail, om toch maar vooral niet te denkenen als er visite kwam, zei Coba: "Ik geloof uit Shanghai, is 'tniet Shanghai, Eduard?" En tante zag in gedachte al een circulairewaarin stond "dat wij onzen langjarigen medewerker, met ingang van1 Januari,--dat is wat gauw, met ingang van 1 Juli tot mededirecteurhebben benoemd."Maar 't kwam even anders.Pa was dood. Pa had altijd buiten willen wonen. Vier jaar lang hattikippen gehouden en de pauw voer gegeven en vruchtboompjes geplant,die dood waren gegaan. En boekgehouden. Als de eieren in 't dorp zescenten kostten in 't winkeltje, kwamen ze hem op acht. Maar als i dekeuken binnenkwam met zes eieren en z'n voeten naveegde op de mat,vontti dat je voor die twaalf centen meer, ook waar kreeg.En moe had zich geschikt en zoo veel mogelijk meegeleefd en nixlaten merken, als een echte goeie ouwerwetsche moe. En 's avonds,alleen onder de lamp, op d'r krant gestaard over haar bril en aan deLinnaeusstraat gedacht. Zij kon niet om negen uur naar bed. Ze zag detrams rijden in den avond over 't pleintje bij de Mauritskade, waarze op uitkeek van haar bovenwoning, ze zag de lichten schuiven. Ende boomen van het Muiderbosch, die bladerloos heen en weer gingenlangs de donkere lucht, met de zwarte kraaiennesten. Dan kon je zooecht naar 's zomers buiten verlangen. En ze dacht aan de winkels opZaterdagavond en de drukte van 't winkelen en hoe ze zelf door devan Swindenstraat liep met 't boodschappenmandje onder haar schort,in den tijd dat 't hun nog niet zoo goed ging.Zoo echt gezellig kon je dan nog eens praten. Hè jà, en deDapperstraat met twee rijen karren, groenten en visch en kaas enkopjes en schoteltjes, met olielampen, die walmden en rustig witlicht in witte ballonnetjes van eigengemaakt gas. En overal herrieen geraas. Toen ze al lang deftig waren geworden, ging ze nog wel's Zaterdagsavonds gerookte aaltjes koopen aan de kar met al diezwarte stangen rechtop, met van die genoegerige koperen knoppen. Toteen meisje met een groot bont schort en gekapt hoofd, zonder hoed,had gezegd: "Jeisis, de raakdom komt oltjes kaupe." Zoo'n flodder,met bruine schoenen aan.En dan begon moe te soezen in de suizende stilte en met haar bril inhaar rechterhand zat ze te knikkebollen, tot ze wakker werd doordatze te veel voorover knikte. "Hè, mensche, 'k dacht waarachtig dattikde tram hoorde bellen."Onderwijl schreef Dora op haar slaapkamer in schoolschriften van eendubbeltje proza over "Hem" en maakte zichzelf wijs dat hij iemandwas, dien ze niet kende en die komen moest. En die schriften werdenweggestopt in een la, waar niemand in kon, ze bloosde, ofschoon zealleen was en niemand er van wist.Em was verloofd, met een boekhouder in Amsterdam en praatte over haarhuis, dat nog gezocht moest worden en dacht aan een kindje. Raar, zoo'nvrijer, die "op stuk van zaken" en "eventueel" zei en met een scherpeplooi in z'n zwarte kamgaren broek bij 't kippehok stond. En altijdhatti 't weer met pa over "de Bovenkerken," meneer Bovenkerk, die insteenkolen dee en mevrouw Bovenkerk, die 's zomers in Zandvoort woondeop "Mon Désir", en den jongeheer Bovenkerk, die eindexamen vijfjarigezou doen. En de rest. Em was erg kwaad geworden, omdat Dora eens hadgezegd: "Daar heb je Bovenkerk". "Vrij jij met den IJseldijk", had zegezegd en bijna had ze er bij gezegd: "Ouwe kneut." Dora was een jaarouder. Maar haar opvoeding was haar gelukkig de baas gebleven. Dora haderg gekleurd en niets teruggezegd. "Zou ze in één van m'n schriftenhebben gekeken? Ik laat er toch nooit één zwerven." Jasses wat eenzwager. En als i z'n witte vest aan had! En die oogen. Zoo echt eenheer, die bij den weg naar nix anders kijkt dan of i ook een kennistegen komt. En zoo slap. Hoe kon Em tegen zoo'n man aanstaan! Zijleunde nog liever tegen een dennestam. Nee dan was Coba heel watbeter af. Zoo'n man als een zee! En meteen kreeg ze een visioen vanwit zand en zon en golven en branding, en roode en blauwe badpakjes enwitte jurken en witte en roode parasols. En van duinen met uitgeholdeflank, met helmsprieten, gebogen waaiend, er bovenop. En van een golfdie haar omsloeg in 't water, ze proefde zout.Nu was pa dood en zouden ze verhuizen. Moe ging weer in deLinnaeusstraat wonen, over 't Oosterpark. Em zou 't volgend jaartrouwen en Dora moest maar naar kantoor. Zoo'n beetje helpen in 'thuishouden en nu eens hier logeeren en dan eens daar en eigenlijk nixdoen maakt maar ongedurig. Ze zou nog eerst een paar weken naar eenvriendin gaan bij Berg en Dal om wat te bekomen van al de narigheiden dan kon ze meteen naar Amsterdam in 't nieuwe huis trekken.Ee zou haar wegbrengen. Hij kon wel moeilijk nog een dag van kantoorweg, maar hij zou 't er dan maar afnemen.Dora keek al eens naar 'm: wat praatte n-i-raar.In den trein waren ze beleefd en welwillend voor elkaar, maar ergstil. Ze reden over den IJsel en over den Rijn en Dora staarde metgroote stille oogen naar de rivieren, rechtop in haar zwarte jurk,de handjes in haar schoot, tot zij ze niet meer zag en ook daarnazat ze en staarde.En hij keek zoo nu en dan naar haar gezichtje en dan weer naar buiten,om haar vooral niet te hinderen. En dan probeerde 'n-i of hij haarzien kon in z'n verbeelding, eerst telkens een brok, haar voorhoofd,en hoe de haren er boven waren, golvend, en haar oogleden en haarlange donkere wimpers en dan haar zwarte wenkbrauwen daar boven, evengebogen en dan dat alles bij elkaar en haar oogen, haar oogen vooral,die zag hij telkens boven de akkers, en 't neusje dat nauwelijkswipte, zoo fijn en haar kleinen mond, dicht gesloten de roode lippen,en de kleine oortjes, die rose doorschenen, met 't haar er boven enlosse haren er voor en haar onderkaak, zoo edel lang, met een spitskinnetje, waar een zoenkuiltje in was. En dan moesti telkens weerkijken naar de twee rechtoppe richeltjes onder haar neusje.Hij sloot even z'n oogen en zag 't heele gezichtje duidelijk voor zich,de bruine wangen nu ook. En daar was 't ook heel duidelijk buiten,voor de rij populieren, die nog maar weinig blad hadden. Want 't wasal October. Hij moest even lachen om de menschen, die hem voor eendegelijk heer hielden."Zeg is 't waar, dat je tegenwoordig iederen avond op kantoor zit?" Hijknikte. "Moet dat?" Hij haalde z'n schouders op. "Waarom doe je 'tdan?" Hij lachte weer. "Om vooruit te komen in de wereld. 't Wordtje niet cadeau gedaan." 't Leek haar nix prettig... "Wat zou jijdan willen?""Kijken... en denken... en schrijven," zei ze en bloosde heeleven... "ten minste als je dat kunt."Hij glimlachte akelig wijs. "Nix gedaan, Doortje. Je wordt er nixbeter van, 't stomste vee is 't beste af. Geloof je niet dat Bovenkerkeen gelukkige kerel is?" Haar groote oogen gingen wijd open in stilleontzetting. "Hè, schrijven wat je denkt is zoo fijn, zoo roef, roef,je weet zelf niet hoe je 't doet. 't Staat er ineens precies zooals't er staan moet. En als je 't dan naderhand leest, dan leef je ineens weer je eigen leven van toen en toch weet je niet, of je datnu zelf bent of een ander." Haar oogen schitterden, er waren tranenin. Ze bloosde niet meer over zichzelf. Ze zat stil met haar hoofdjeop haar rechterhand, haar elboog op de richel voor 't raampje enstaarde naar buiten. En 't dichtertje dacht: "dat is een echte,"en dat ze hem nu voor een degelijk heer hielden.Maar hij bleef grimmig en wijs, "God brengt ons op een hoogte, omons te laten afdalen. De weg over den top is kort, maar de dalen zijnlang. Die op den top is geweest, slijt zijn dagen in verdriet."Zij schudde langzaam haar meisjeskopje, zoo lief en toch zoonadenkelijk: "Ik leef altijd op den top."Hij wou zeggen: "Goed zoo," maar hij zei niets. Zij staarde in denWaal. "Mooi hè?" En in eens stond ze op, nam haar hoed uit 't rek,stak er vlug de pennen door en met haar beide handen aan haar hoed, devoeten wat van elkaar om stevig te staan, lachte ze in eens overmoedigmet al haar tanden, als een kwaaie meid, haar oogen in de zijne:"Aan mijn lijf geen Bovenkerk." Toen leunde ze haar bovenlijf uit't raampje en keek naar Nijmegen, dat daar lag op de heuvels aan derivier, zoo on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen enboomen boven boomen, en zong tegen den wind en 't gerammel van dentrein over de brug.IX.Een groot dichter zijn en dan vallen. In de volheid der tijden.'t Was wel een dag om eens even de 36" white shirtings en colouredsatteens te vergeten.Zij werden niet afgehaald. De vriendin kon niet van huis, want haarmoeder kon niet loopen en ze zaten zonder meid. Een meid is een zuster,niet van u of mij, maar van een letterzetter of een brievenbesteller,die bij u of mij op haar knieën door de kamer kruipt om den grond tevegen en 't vuilnisvat buiten zet en de kopjes breekt.Dora en 't dichtertje dronken dus koffie in Lent, over 't water,in 't gezicht van de stad en de heuvels. 't Was een stille,zonnige herfstmiddag geworden. De kastanjes waren al kaal, de gelevijfvingerige bladen met hun dikke kleverige stelen lagen op de aardeen dorre en gouden bladen lagen overal. Er was de geur van bladen,die vergaan, die 't dichtertje altijd zoo week maakte onder zijn vest,alsof i dood zou gaan en onsterfelijk wakker worden in net zoo'nstillen blauwen en gouden herfstdag, die niet zou eindigen. En hijstreek een herfstdraad van z'n voorhoofd. De lucht was zoo blauw enwolkeloos en zag zichzelf in 't water en de zon scheen gouden.En uit 't water steeg de stad naar de blauwe lucht, de kade en dehuizen en daarboven weer huizen, half of heel uit boven andere, metvele roode daken en ergens een kerk, groot, als een teeken voor Godom z'n stad te herkennen en twee spitse torens, die hoog en onmachtigzich rekten naar nog hooger. Zoo reikt een dichtertje uit de rivierzijner dichterlijkheid machtig en onmachtig naar God, die niet te zienkomt achter de blauwe lucht. Toen moest 't dichtertje toch weer evenlachen om 't wonder dat in zijn oogen was, die daar een monument vanheerlijkheid zagen, terwijl er niets was dan veel hokken vol miezerig,nog niet eens Hollandsch, maar Geldersch kleinsteedsch leven.Zij keken juist recht in een straat, die van de kade steil enrecht naar boven liep, er begon wat schaduw in te komen aan denrechterkant. En ergens in de hoogte was een groot plat met een ijzerenhek er om en ergens anders een waschtobbe op een ander plat en iemandzette, meer dan halfweg tusschen de rivier en God, een raam open,dat even de zon fel weerkaatste.En links van de stad was 't lage walletje der begroeide heuvels,een rechte lijn tot "ins grosse Vaterland".Een gouden laantje liep langzaam hellend, schuin naar boven. Degouden letters van het Fransche pensionaat "Notre Dame aux anges"blonken in de verte, hoog, aan het hooge huis, dat aan den voet vande heuvels staat, waar de grasvlakte eindigt."Notre Dame aux anges", onschuldig naakte engeltjes en onschuldige,geheel gekleede pensionnaires. De God van Nederland heeft wel gelijk,je weet nooit wat je aan die dichters hebt, zijn ze nou netjes ofniet netjes?Toen hervond 't dichtertje ineens de zwakke romantiek in dat heelegeval. God bedoelde er heelemaal niets mee. Hij speelde maar wat enhad maar eens een heel nieuwe ensceneering bedacht om die Leiden desjungen Werthers op te voeren, als hij daar lust in zou hebben.En zoo praatten zij en speelden met woorden en gedachten en fantasieënen zagen aan de schittering van elkaars oogen, als een nieuwe invaluit zou flitsen. En daarna stapten ze op en gingen de rivier over. Zijwilde datti een mooi cadeau voor Coba meebracht, als i 's avonds naarhuis ging. Dat zouden ze eerst samen koopen. Ze hing aan z'n arm,haar linker door zijn rechter en zoo hielden haar kleine handjes inzwarte glacétjes elkaar vast.Een zacht-lila, zijden sjaal met geknoopte franje moest i koopen,hè ja, daar zou Coba vast heel blij mee zijn. Toe, dan was i eenlief zwagertje. Ze keek in z'n oogen en drukte z'n arm, voor haarzuster. Er was geen valschheid in haar hoofdje, haar bloed joeg,maar in haar hoofdje was geen valschheid. "Kijk eens wat leuk". Zestonden in de laagte en keken naar boven onder de brug door, die daarin de hoogte naar de Belvédère voert. En de boog van de brug omlijstteeen schilderijtje. Een brok verlaten buitengrindweg, ietwat stijgend,aan weerszijden de blauwe band der voetpaden en kleine boompjes metschel oranjegele kruintjes, en de takken, door de bladen heen algoed zichtbaar en een paar lantaarns, ver van elkaar, met melkglasvan boven, fel wit, een prentje om "5 October" onder te schrijven.Er was geen valschheid in haar hoofdje toen ze in eens kalmer werddoor de afleiding, die dat prentje aan het gesprek gaf, ofschoonze 't zelf voelde. Maar ze begreep 't niet, zooals Adam en Eva hunnaaktheid niet begrepen en de "Anges" van Notre Dame hun engelenstaaten de pensionnaires hun geheel gekleedheid niet. Mijn God, wat iseen vrouw, die zichzelf begrijpt.Maar hij begreep zichzelf wel, akelig duidelijk en daarom gebeurdeer niets. Hij zag haar aan en de dichter in hem aanbad haar en hiefhaar ten troon naast den God van hemel en aarde en durfde haar nietaanraken.En te gelijk zat diep in 't dichtertje 't beest gedoken voor densprong, dat zich zat wilde vreten aan alles wat als een temptatie inonverschilligheid om hem heen had gestaan en langs hem was geloopenen hem niet erkend had. En haar eerst, 't mooie, 't beminde eerst, zoodat er geen pardon meer zou zijn voor al 't mindere. Haar te verheffenzoo hoog als de sterren in de winternacht en met haar 't ergste tegenieten en haar dan te laten vallen in 't zwarte grondelooze. Ophaar te wreken in 't genot de tempteerende onverschilligheid. En watzou een dichteres je ook beter verlangen, dan zóó te vallen?Dit dachtti terwijl een muschje van een paardevijg op den grindwegin een van de oranje boomen vloog. Maar hij zei: "Weet jij een goeiewinkel?"Ze kochten een heel mooie shawl, fijn en zwierig. Jammer, dat ze in't zwart was. Zij pastte zelf net zoo'n doek, maar een zwarte, omte zien hoe die viel en deed er haar bovenlijfje een klein beetjebij achterover. Maar die lila, die was prachtig. Coba zou vast eengilletje geven van plezier.En zoo was ze tegelijk en beurtelings dien dag zuster en vrouw endichteresje en courtisane en kende haar verdeeldheid niet en begreeper niets van.Maar wat een dag der dagen.Luid zong ze op den weg naar Beek, die ook verlaten was en ze liepsteigerend, ze kon 't niet laten, ze kon de heuvels vertillen vooreen lolletje en de zon met één hand van de lucht halen en over haarhoofd in den Waal gooien, datti siste.De electrische tram haalde hen in en trok een lange rij dorre engele bladen warrelend en schuifelend, ritselend achter zich aan,een lolletje Gods, datti zich wel veroorloven kon op zoo'n dag.Van Beek stegen ze naar Berg en Dal slingerend door de heuvels. Ende heuvels waren te laag en niet steil genoeg, hoe kon je daar moeworden? En moe moest ze worden of ze sprong uit elkaar van kracht, inscherven van dichteresje en vrouw en zuster en courtisane. Bovenopkeken ze in een dalletje met hellende zwarte en gele en groenerechthoekige veldjes en denneboschjes en eiken hakhout er tusschenop de hellingen. En daaroverheen in de vlakte, uren ver met nietsmarkants er in, alleen een recht brok rivier, dat breed van henwegliep, tot waar i zich in een bocht verloor. Daaraan, heel klein,de roode afdaken van steenbakkerijen en hun schoorsteenen, hoog entoch verloren in de wijdte.Daar stonden ze en op eens merkten ze dat ze niets konden dan weerweggaan.Maar 's avonds in bed kon ze niet slapen, in haar hoofdje wilde dehelderheid niet wijken. Ze doorleefde den heelen dag telkens opnieuw enzag alles weer heel duidelijk. En in eens werd 't onder haar schedelals de zon zelf: "Ik houd van hem. Ik kan niet anders. Ik wil. Godsta me bij." Ze ging uit bed en dronk haar karaf achter elkaar leeg.Den volgenden ochtend zat ze in haar pon op den rand van 't ledikanten keek naar haar enkels en prakkizeerde: "'t Zal wel zoo zijn,"maar de helderheid was geweken.Hij wilde niet denken. Als een net en degelijk heer zat i kalmpjesen gereserveerd in lijn twee en reed naar kantoor."Môgge, dames en heeren." En grimmig ging i aan z'n lessenaar zittenen schiftte de post.X.'t Was in 't laatst van Maart toen de tijden vol waren.Den heelen dag hadden ze drukproeven nagezien, Dora en hij, heel droogen zakelijk. Coba logeerde met Bobi in den Haag bij een rijke nichtuit Indië. Zij hadden beiden eenige dagen vrij genomen van kantoor.Om vijf uur had ze thuis gegeten en daarna was ze nog eventeruggekomen, om 't werk af te maken. Toen de schemering begon warenze klaar, 't pak lag op tafel, de brief voor den uitgever lag er naast,er moesten alleen nog maar postzegels op.'t Was in de stad op een bovenhuis, maar het was aan den kant, erwas een vaart voor 't huis en aan den overkant was 't weiland. Dorazat op een stoel voor den haard, mantel aan en hoed op en keek in't vuur en dacht aan de volheid der tijden, de volheid voor haarheel ver af. Hij lag plat op de rustbank, tusschen 't venster en denhaard, zoo plat dat ze hem nauwelijks zien kon in de donkere kamer,en keek naar 't gele licht van de straatlantaarn op 't plafond en naar't roode schijnsel van den haard op de vloer.Achter 't huis was de stad en 't lamplicht in vele vensters, maardat zagen ze niet, want ze zaten voòr en als Dora opkeek zag ze 'tland, waar 't laatste licht de hooge lucht verliet, over de aarde was't reeds donker.'t Dichtertje had nu van alles genoeg. Z'n boek was af, z'n gedichtzonder eind hatti vermoord, z'n positie in de maatschappij was eenfarce. Coba en Bobi hadden genoeg om te leven zonder hem, God zouhen troosten, de tijd heelt alle wonden. Dat was een wandtekst vanz'n tante in Velp.'t Was lente. Het leek nog winter, maar 't was lente. Het sneeuwdenog wat in die dagen, 't was nog wat koud en 't vroor nu en dan,maar dat was maar een aardigheidje en zoo erg niet gemeend.De dagen werden lang, om zeven uur deden de menschen de lichten aan. Enals om half zeven de gaslantaarns werden aangestoken op de gracht,stonden ze daar zoo bleek en verwonderd. Dan warrelde de sneeuw er watom heen in kleine voorjaarsvlokjes en smolt voor dat ze op straat viel.En ze dachten beiden aan de zomerregens, die komen zouden en hunneuzen van niet te rangeeren bohemiens, die zichzelf niet vermoordenkonden, rooken 't versche hooi. Hij, grimmig als de titel van z'n boek,"Djengis Kan," en grimmig als 't boek zelf en met de gedachte dattie't niet meer ruiken zou, datti ook dit koninklijk abandonneerde, zijvol vaag verlangen en zoo bewogen in haar hart. Haar handen vouwdeze op haar rok waar die gespannen stond tusschen haar knieën. Diehield ze van elkaar en zoo zat ze, voorovergebogen, op haar stoel.De koeien waren al in 't land geweest, op een zonnigen dag haddenzij ze gezien. Het land had de koeien direct herkend en ze stonden erheel vertrouwelijk in en de zon was er blijde om geweest. Naderhandwaren de dagen weer kouder geworden en de koeien moesten zoo langweer binnen. Maar de hagel kon de lente niet tegenhouden.De berkestammen waren toen zilverwit, maar mooier dan zilver. De taalis armoedig, doodarmoedig. Die de werken des Vaders kent, weet dit.De weilanden leken minder verzadigd van water, de landen werdengemest, de zon steeg hooger en was trager in 't zinken. En Doradacht hoe de zon groot, rood en koud had gestaan in December, laagboven de kim, om vier uur en verging in een kouden nevel en verdween,zwak en weerloos. Maar dat was lang geleden. En hoe in den winter demenschen om vier uur hun lichten aandoen en hopen dat 't nog weereens dag zal worden. Maar nu wist ze al weer zeker dat de zon zouopkomen den volgenden morgen. En dan, wat dan nog?Ze spraken nog altijd niet.Hij dacht aan den tijd toen i gewerkt had, wat men noemt "hardgewerkt." En hoe z'n familie gezegd had, datti wijzer begon teworden. En datti eens had geklaagd, datti 't zoo erg druk had endat allerlei dingen op kantoor tegenliepen en hij er 's nachts vandroomde. En dat toen z'n tante had gezegd: "Ja jongen, de ernst deslevens." Ze zou vast z'n boek lezen, hopen op een presentexemplaar,wachten of 't in de portefeuille zou komen. En er van willen schrikken,maar dat niet durven als allerlei menschen 't geprezen hadden. Hijzag zichzelf al circuleeren in de portefeuille in Velp, 't was welde moeite waard."En wat dan nog?" dacht Dora. De sneeuw had ze weer zien smelten ende knoppen wat grooter worden. En daarna werden de kruinen van dehooge boomen alom bruin.Het leek haar alsof ze dit heel lang geleden ook zoo gezien had, methaar handen gevouwen op haar rok, de knieën wijduit, voorovergebogenop haar stoel.De zon scheen weer, ze zag de huizen in 't licht en de boomen en dengouden schijn in 't water. Den treurwilg zag zij gelen, zijn takkenhingen, ze trokken naar 't water, in doodstille gele aanbidding hingenze er stom boven en zagen 't gele licht in den vijver. De wolligewitte wolken zeilden in den vijver, ze schoven voor den blauwen hemel,maar dekten hem niet. Zoo staan de treurwilgen in de stad in de vroegelente, materialisatie Gods tusschen de klompige huizen, die zoo hoogzijn, en ze wekken 't verlangen, dat geluk is en verdriet. Je komt denhoek om, een abjecten goren hoek bij een haringstalletje, dat stinktnaar gemarineerde haring en op eens gaat een slag van je oogen naarje hart, je ziet 't goud neerstorten als een zee en je staat en eenklein jongetje veegt z'n neus af met den rug van z'n hand en roept:"Kakmadam." Dat is Amsterdam, de hoofdstad van Nederland, in 'tvroege voorjaar.'t Was nu bijna nacht. De kolen in den haard rommelden plotseling,vlammetjes schoten uit en hun licht was in de kamer."Dora," zei hij in eens, "hoe vind je Penning?" Penning was ookeen vrind uit z'n jeugd. Jaren lang hatti 'm niet gezien, hij wistalleen datti ingenieur was geworden. En nu voor veertien dagen hatti 'montmoet en hij was een paar maal komen oploopen, terwijl ze bezig warenmet de drukproeven en had dan telkens een uurtje zitten praten. Hijwas een groote, frissche jongen, aardig op weg om carrière te makenen toch buiten z'n werk nog heelemaal een jongen. Hij had vertelddatti over enkele maanden voor een jaar of wat naar Zuid-Amerika zouvertrekken om ergens iets uit te baggeren of een pier te leggen ofiets dergelijks. 't Dichtertje hattem ook een keer meegenomen naarz'n schoonmoeder, die dadelijk erg met 'm ingenomen was. Em hieldniet vannem."Hoe vind je Penning?" "Gaat nogal," zei Dora absent. Stilte. In't schijnsel van de straatlantaarn op 't plafond zag je de schaduwenvan de sneeuwvlokjes die nu wat grooter vielen."Komende maand trouwt Em." Ze keek op. Wat praatte-n-i weer raar,hij leek wel Bovenkerk met Em. Ze gaf geen antwoord.Als een lang vergeten ding zag ze in eens een breede rivier voorzich, die naar zee stuwde. Zijn golven stuwden 't zonlicht naar zee,maar het water en het licht waren zonder einde. Op een blauwe engouden baan trok een klein sleepbootje een langen sleep. Nietig was't bootje, zijn pijp stak heel klein de lucht in, de rook was gering,z'n schor geroep ging verloren in de ruimte. Uren en uren ging ditdoor het water, tusschen de velden onder de ontzaggelijke lucht.En ze zag een langen weg vol stof en zon en verlatenheid. En weer watanders: een weide, eindeloos, en een laan van hooge boomen, er in dezon, van terzij, al wat lager en alles vol van levend goud en blauwelucht. En toen: een rivier, wat in de diepte, donker al in 't Oosten,in 't Westen stierf de dag, geel eerst, vol droevig, bleek groen erboven, de dag die niet sterven wilde, de duisternis die machtig steeg,van de landen in het Oosten steeg in de lucht en machtig trok naar 'tWesten, daar was de rivier rood en schreide en wilde 't licht houden,'t licht dat blijven wilde. Zoo vloeide de rivier, met 't licht naarde zee, die ze niet zag.Toen zei hij "Penning komt om jou". Ze schrok, 't Duurde even voordat ze begreep wat ze had hooren zeggen."Luister goed Dora, neem hem. Hij zal je vragen, ik weet 't. Neem hem,trouw met 'm. Verval niet aan de kunst of iets dat er op lijkt."Ze zat zoo als ze gezeten had. Alleen haar hoofdje hield ze wathooger, ze keek naar 't venster, dat donker glansde, met ergensenkele gele stipjes er in, van 't licht van den straatlantaarn. Eenvan de spaarzame groote sneeuwvlokken raakte 't glas en smolt. Zebegreep niet.Hij legde zijn hand om haar gevouwen handen, z'n vingers raaktende hare in hun geheele lengte. Toen steeg zoo een wild verlangenuit haar lijf naar haar hoofdje met haar bloed, dat al haar kleerenhaar onverdragelijk waren, één oogenblik. Maar ze stond kalm op, éénhand hield ze op de leuning van den stoel. "Ik trouw niet". Ze zei 'talsof ze vertelde dat de boekhouder z'n ontslag had genomen. Alsof hijniets gezegd had, kwam hij van de bank af. "Hier" zeidi, "wil je diensleutel meenemen? Die is van de straatdeur. Bonger zou tegen tienenbij jelui komen om 'm te halen. Hij zou vannacht hier slapen. Hijmoest vandaag van z'n kast af en kan pas morgen op de de nieuwe. 'kHad 'm gezegd dat ik niet zeker wist of ik thuis zou zijn.""Ga je dan nog uit?" Ze was nu volkomen rustig, voelde op tafel naarde lucifers en stak 't gas aan. Hè, ze konden nix zien. "Ga je dannog uit?" Hij haalde z'n schouders op. "Misschien." Ze keek 'm strakaan, maar aan z'n gezicht was nix byzonders te merken, zóó had hijde laatste dagen dikwijls gekeken, als i een goede plaats oplas uit"Djengis Kan" en ze even opzag van 't nakijken.Hij bracht haar tot de trap."Dag Ee, tot morgenavond bij moe". Hij drukte haar hand. "Dag Dora,au revoir camarade." Even hoorde ze iets in z'n toon, dat er altijd wasals i vertelde wat z'n tante had gezegd. Gek was dat. "Nou dag". "Daghoor," riep i haar na, alsof i een meisje van zestien jaar nadee. Toensloeg de deur dicht.XI.Ze stapte hard door, moest telkens uitwijken voor de plassen. Hetsneeuwen had bijna opgehouden, de natte vlokken die nog vielenwarrelden langzaam naar beneden, een enkele viel op haar gezicht,dat deed haar goed. In 't licht van een lantaarn zag ze de dikkeknoppen aan een van de kleine kastanjeboompjes op de gracht, metglinsterlichtjes waar ze 't dikst waren.Een gele, rechte streep licht was op den stam van boven naar beneden.Wat was er eigenlijk gebeurd? Alweer een plas, wat leek die diep metde weerspiegeling van de lucht er in, de weerschijn van een sterpinkte in een opening tusschen de wolken. Duizelig zou je er vanworden van aldoor zoo in die plassen te kijken, loopende. Ze kendeeen sentimenteel Duitsch liedje van 't geluk dat "Jenseits der Sterne"was. Of misschien diep in zoo'n plas, heelemaal onderaan. Malligheid,der stond mogelijk geen centimeter water. Haar dag zou ook komen. Zewou. Wat wilde ze? Kon zij iets willen?Fijn, zoo alleen te loopen in den avond en je gedachten te latenkomen en gaan en weer komen. En daar ze een dichteresje was citeerdeze Perk, terwijl ze op zij stapte voor weer een plas en haast in eenandere trapte: "Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden."De natte, zoele wind sloeg om haar heen, ze haalde diepadem. "Makkelijk praten". Waarachtig, daar liep ze bijna tegen een stelaan, dat onder een lantaarn stond te zoenen. En in eens voelde ze zichdame: "Wat een vulgair stel". "Der minnen vruchten ic u mildelijckgaf, Maer een ewich zuchten houde ic daer af". Weg was de dame, tochbloosde ze in haar eentje onder de donkere lucht om die "vruchten",die ze gegeven zou hebben. En in eens herinnerde ze zich dat gevoel,dat ze zooeven gehad had, God, nog geen tien minuten geleden, datal haar kleeren haar onverdraaglijk waren. Ze voelde haar wangenbranden. "'t Zal niet zijn." Meteen stond ze op haar stoep. Half acht."Dag moe, ik kom direct beneden".Maar toen ze op haar kamer was en hoed en mantel had afgegooid, toenwerd haar duidelijk wat er zooeven gebeurd was. Een groot gevoel vanverlatenheid en dat 't leven de moeite niet waard was kwam in haarhoofd. Ze begreep zichzelf niet.Waarom had ze niet z'n hand gepakt en gezegd: "Ik houd van jou". Waaromwilde ze niet, wat ze zoo erg wilde? Wat kon haar gebeuren, ergerdan deze dood levend om te dragen? Waarom was ze? Waarom moest zeongezoend dood gaan? Niet zoo maar 's gezoend, maar heel erg. Zegloeide overal, haar hart werd groot. Ze maakte haar goed open voorden spiegel en bekeek haar borsten, zoo wit in haar zwarte japon enhield ze op haar beide handen.Rein en onaangeraakt was zij. Ook een lolletje. En in haar grooteverwarring bad ze, dat God haar onteeren zou. "Zou ik gek worden?"Haar manteltje gleed van 't bed met een slag. Dat was de sleutel. Eengedachte schoot door haar hoofd als een vlam: "hij had afscheid vanhaar genomen, er was iets niet in orde, ze moest terug." Kalm waschteze haar gezicht wat en kleedde zich weer aan. "Ik heb iets vergeten,over een half uurtje ben ik weer terug."Om acht uur stond ze weer voor zijn deur en schelde. Geen gehoor. Zeschelde nog eens en maakte toen resoluut de deur met den sleutelopen. Nergens licht. Ze griezelde van 't leege, donkere, stille huis,haar hart klopte hevig, maar moedig ging ze naar boven. De deur vande voorkamer stond open, 't licht van de straatlantaarn scheen op 'tplafond, 't roode licht van den haard was in de kamer. "Ee, waar benje"? Wat klonk dat akelig. Ze liep door de kamers, bang en moedig. Toenging ze de tweede trap op. Door een kier van de slaapkamerdeur kwamlicht. Haastig gooide ze de deur open, bang dat ze zich omdraaien envluchten zou."Ee, wat doe je?" Hij zat heel stil op den rand van 't bed tusschenzijn knieën door naar 't kleed te staren. Hij stond op: "Dora". Indat eene woord was alles en ze hoorde 't.Toen vielen ze samen peilloos diep door 't licht en ze voelden hunlijven als zingende zonnen.Maar in z'n achterhoofd was een plek ijskoud en daar dacht hij:"Dit is de wraak, zij boet voor een wereld"...De Duivel zat in "de Kroon," in 't midden, bij een pilaar. Hij legdez'n dunne gouden horloge voor zich op 't tafeltje. De twee knobbelsop z'n voorhoofd waren grooter dan ooit."Kwart over achten. Consummatum est."Iemand tikte op z'n schouder.De God van hemel en aarde stond achter hem: "Consummatum est, ga meeen zie."XII.Om half elf vonden hem Bonger en Graafland. Bonger had den sleutelbij z'n schoonmoeder gehaald.Geheel naakt stond hij in 't midden van de kamer. Z'n linkerarm hinglangs z'n lijf, de vuist was gebald, de rechterarm was geheven en weesmet den wijsvinger naar boven. Er was een zwakke geur van lelietjes vandalen, op den grond lag een blauwe haarspeld. 't Bed lag in wanorde."Eduard" riepen ze beiden tegelijk."Ik ben God", zeidi. "Ik ben meer dan God. Ik ben de onwrikbare, deonbarmhartige. Ik ken geen goed of kwaad. Ik doe wat ik moet. Wat ikdoe is goed."Bonger nam een laken van 't bed en trad op hem toe."Ga weg", zeidi en deed een stap achteruit.Bonger bleef staan."Zei ik, dat ik God was? Ik ben 't eeuwige leven. Ik ben devruchtbaarheid. God heeft me gezonden. Bedek me niet".Weer stapte hij achteruit."Bedek me niet. Ik ben de vruchtbaarheid. Breng alle vrouwen hier,alle jonge vrouwen. Alle zeg ik. Ik ken je wel. Jij bent Bonger,die andere is Graafland. Ik ken jelui wel. Leg dat laken op bed. Zijmoet er op liggen. Leg haar er op, de eerste, heelemaal naakt. Deanderen hoeven niet weg te gaan. Ze moeten zien. Je kunt gaan Bonger,en jij ook, Graafland".Bonger legde z'n hand op z'n schouder. "Sta stil, doe je arm omlaag".De arm zakte en Bonger sloeg 't laken om hem heen. "Ga op dien stoelzitten". Hij ging zitten. Graafland zocht z'n kleeren bij elkaar,van 't bed, van de stoelen, van den grond."Kleed je aan".Toen trok hij gedwee en langzaam al z'n kleeren aan.'t Dichtertje is nu dood. Die lui daar in Delft of Oldenzaal hebbenschitterend gelijk gekregen. Hij was vast nooit goed bij z'n hoofdgeweest.Z'n boek is driemaal herdrukt, z'n verzamelde gedichten zijn uitgegevenmet een inleiding, van meneer Scharten of een ander. 't Fretje, dat 'tgebracht heeft tot financieel redacteur van de Provinciale Arnhemscheen Geldersche Courant vertelt overal, dat i met 'm op school geweestis. En alsi in Amsterdam komt, wat nog al eens gebeurt, dan schieti Bonger aan en begint telkens weer een gesprek over 't dichtertjeen z'n werk en doet erg zwaar op de hand en vertelt datti naast'm heeft gezeten op school.Coba is zachtzinnig en vergevingsgezind en natuurlijk, zooals zealtijd geweest was. Ze is godsdienstig geworden zonder wandtexten gaat iederen Zondag naar de Nederlandsch Hervormde kerk aan denBoezemsingel, want ze woont in Rotterdam, als straf omdat ze wel eensmet een ander heeft gecoquetteerd toen ze getrouwd was. Zachtzinnigen vergevingsgezind denkt ze er aan, hoe zij ook langs den rand vanden afgrond is gegaan.Dora is een "ongehuwde moeder". Zij is op kantoor in Rotterdam, haarbaas kent haar geschiedenis en veracht haar niet, integendeel. Watiets heel bizonders is voor een Rotterdammer.En ik denk dat om dezen éénen man deze wanstaltige stad mogelijk noggespaard zal blijven op den grooten dag. Wat weer een nadeel is.Ze woont met haar kindje bij Coba en Bobi en gaat rechtop en trotschen zwijgend door haar leven. Ze wil staatsexamen doen en dan in derechten gaan studeeren van 't geld van haar pa, die dood is. Vooralniet in de letteren. Werken wil ze en niet denken. Maar ik geloof niet,dat zij zich zelf zal kunnen vermoorden. Zij die God werkelijk liefheeft boven allen, moeten de last daarvan dragen tot het einde.Juni-Juli 1917.DE UITVRETER.I.Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond,heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen,als je 's avonds laat thuis kwam. Den uitvreter, die je sigarenoprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en jekasten nakeek en geld van je leende en je schoenen op-droeg en eenjas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest. Den uitvreter,die altijd wat liet halen op den naam van een ander; die als eenvorst jenever zat te drinken op 't terras van "Hollandais" voor decenten van de lui; die parapluies leende en nooit terugbracht; dieeen barst stookte in de tweede hands kachel van Bavink; die dubbeleboorden droeg van zijn broer en de boeken uitleende van Appi, enbuitenlandsche reizen maakte als-i z'n ouwe heer weer had afgezet,en pakken droeg, die hij nooit betaalde.Z'n naam was Japi. Z'n achternaam heb ik nooit geweten. Bavink kwammet hem aanzetten toen-i uit Veere terugkwam.Een heelen zomer had Bavink in Zeeland geschilderd. In Veere had-i Japivoor 't eerst gezien. Japi zat daar maar. Bavink had al enkele malengedacht: wat is dat toch voor een kerel? Niemand wist 't, altijd vondje hem ergens aan den waterkant. Daar zat hij maar, uren achtereen,onbewegelijk. Om twaalf uur en om zes uur ging i voor een uurtje naarbinnen om te eten; de rest van den dag zat i. Dat duurde een week ofdrie; toen zag Bavink hem niet meer.Een paar dagen daarna kwam Bavink van Rotterdam. Af en toe had hijbehoefte om veel menschen om zich heen te zien. Hij had enkeledagen in Rotterdam langs de havens gesjouwd en had er meer dangenoeg van. Aan boord van de boot tusschen Numansdorp en de Zijpe,daar zat i weer. Het woei nog al, dien ochtend; er stond een flinkkoudje wind en het water liep met witte koppen. Af en toe spatte't op 't voorschip over de verschansing. De glazen tochtdeuren op 'tvoordek waren dicht; op 't voorschip zat niemand. Alleen Japi zat daar,tuurde over de verschansing en werd deerlijk nat. "Kijk," dacht Bavink,"daar heb je waarachtig diezelfde kerel." Hij ging bij hem staan. Deboot rolde en steigerde. Japi zat op z'n bankje, hield z'n pet vast enliet zich nat worden. Het duurde nog al wat, voordat i merkte, dat eriemand bij hem stond. "Lekker weertje, meester", zei Bavink. Japi keek'm aan met z'n groote blauwe oogen en hield aldoor z'n pet vast. Meteenkwam er een plons water over boord, de droppels stonden op z'n gezicht."Nogal", zei Japi. Met een plof kwam 't voorschip op 't water neeren stootte. Een heer trachtte tevergeefs de deur van den glazensalon open te maken, waar de wind op stond. "We zijn mooi op tijd",zei Bavink, om wat te zeggen. "Zoo?" zei Japi, "ik weet van geen tijd."'t Gesprek hokte wat. Japi keek in de golven. Bavink keek naar degrijze pet van Japi en dacht wat dat toch voor een kerel zou zijn. Ineens zei Japi: "kijk eens, een regenboog in 't water." Je kon in 'twater een eindje regenboog zien, aan de lucht stond niets. Nog eenskeek Japi Bavink met z'n groote blauwe oogen aan en werd plotselingspraakzaam."Ik vind 't hier verdomd leuk", zei-i, "'t is jammer, dat 't zoo nietaltijd blijft." "Over een uurtje zijn we aan", zei Bavink."Moet u naar Zierikzee?" vroeg Japi."Dat wil zeggen", zei Bavink, "ik ga vanavond door naar Veere." "Zoo",zei Japi, "is u daar gelogeerd?""Ja, daar ben ik gelogeerd en is u niet die heer uit Amsterdam, diealtijd maar aan den waterkant zit?" Toen moest Japi lachen en zei:"Ik zit nog al eens aan den waterkant, altijd is een beetje sterk. 'sNachts lig ik op m'n bed, ik heb een uur noodig om me aan te kleedenen te ontbijten, een half uur zit ik aan mijn lunch en om zes uur moetik weer eten. Maar ik zit nog al eens aan den waterkant. Daarvoor komik naar Zeeland. Ik maak me nog veel te druk. Van de week ben ik naarAmsterdam geweest. Ik moest wel, m'n centen waren op.""Is u Amsterdammer?" vroeg Bavink. "Ja, Goddank", zei Japi. "Ikook", zei Bavink. "U schildert niet?" vroeg Bavink. Het was eenrare burgermansvraag, maar Bavink dacht aldoor maar: wat zou dattoch voor een kerel wezen? "Nee Goddank", zei Japi, "en ik dicht ookniet en ik ben geen natuurvriend en geen anarchist. Ik ben Goddankheelemaal niks."Dat kon Bavink wel bekoren.Het schip steigerde, kwakte, rolde en slingerde; het water spatteen plenste over de verschansing; niemand anders was aan dek tebekennen. Vóóruit was het water onafzienbaar, vol witte koppen, deschaduw van een groote wolk was een drijvend eiland; heel in de vertevoer stampend een zwarte vrachtboot voor hen uit. "Kijk", zei Japi,"de ""Stad Gent."" Je zag in de verte het water aan weerszijden vande boeg hoog opvliegen; om de schroef zag je het woelen en bruisen enschuimen. Hol liepen de golven met scherpe kammen, groen en blauw engeel en grijs en wit, al naar de diepte en de weerspiegeling van dewolken, nergens en geen oogenblik 't zelfde. Een klein sleepbootjesleepte een aak en twee tjalken."Nee", zei Japi, "ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nogveel te veel. Ik ben bezig te versterven. Het beste is, dat ik maarstil zit, bewegen en denken is goed voor domme menschen. Ik denk ookniet. 't Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag ennacht blijven doorzitten."Bavink begon 't geval interessant te vinden. Hij knikte maar. Nogaltijd hield Japi z'n pet vast met z'n rechterhand, z'n rechterarmsteunde op de verschansing. 't Woei zoo hard, dat Bavink z'n handopzij van z'n neus moest houden om adem te halen. Japi zat daar maar,alsof hij thuis was. Toen vertelde Japi dat i van plan was, nog enkeleweken in Veere te zitten, tot zijn geld op was.Schilderen leek 'm wel aardig, als je 't goed kon. Hij kon niks, endaarom deed i maar niks. Je kon toch de dingen niet zoo weergeven alsje ze onderging. Hij had maar één wensch: te versterven, onaandoenlijkte worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Dat waren je grootevijanden. Eeuwig en altijd moest je weer eten en slapen, moest jeweg van de kou, werd je nat en beroerd of moe. Zoo'n waterplas heeft't maar goed, die golft maar en weerspiegelt de wolken, is aldooranders en blijft toch gelijk. Heeft nergens last van.Al dien tijd stond Bavink schrap in den wind op z'n stok geleund enknikte Japi maar toe. Dat is zoo mal nog niet, dacht i. En droogjesweg vroeg i, of Japi ook door ging naar Veere. En zoo kwam 't gesprekop Zierikzee, op Middelburg, op Arnemuiden en al die oorden, waar zeallebei uit en te na hadden rondgeloopen en gestaan en gezeten. WantJapi had van z'n leven toch ook nog wel iets anders gedaan dan inVeere aan den waterkant gezeten. En toen merkte Bavink al gauw datJapi niet alleen loopen en staan en zitten kon, maar kijken ook. Enboomen honderd uit. En toen ze samen aan de Zijpe aan wal stapten, toenwees Japi naar 't Zuidwesten, naar den dikken toren van Zierikzee dieheel flauwtjes aan den horizon zichtbaar was en zei: "Dikke Jan, dieoue geduldige dikke Jan, hij staat er nog. Ik dacht 't wel. Ja hoor,hij staat er nog." En toen vroeg Bavink of i altijd zoo'n lol had entoen zei Japi: "Ja", meer niks. En toen ze in Zierikzee arriveerdenen uit de tram waren gestapt toen liet Japi zijn zoolen klepperenop de heete keien van een of ander schaduwloos straatje dat maarbakte en bakte in de zon en rekte zich uit en zei dat 't leven tochverduiveld lollig was. En toen dreigde i de zon met z'n wandelstoken zei: "Zoo'n zon toch, hij schijnt maar, maar i daalt, hij rijstniet meer, 't is over twaalven, hij moet onder; van avond is 't weerkoel. De lui zouden raar kijken als i niet daalde. Lekker warm hé,mijn goed plakt aan mijn lijf. De zeelucht stoomt mijn boordje uit."En toen bleek dat je dat versterven niet zoo letterlijk moest nemen.Aan tafel was Japi meer dan spraakzaam. Hij praatte voor drie, atvoor zes. "Die zeelucht graaft", zeggen ze in Veere. Hij dronk voorzes anderen en zong 't heele liedje van de Nancy Brig. Kortom hijwas zeer bedrijvig en luidruchtig, en Bavink dacht dat zoo'n kerelgoud waard was.En dat was i. 's Middags nam i Bavink mee naar de singels en liet'm driemaal Zierikzee rond loopen. Z'n mond stond niet stil en z'nwandelstok wees maar en als de Zierikzeeënaars bleven staan en keken,dan ging i op ze af en sprak ze aan met "jongeheer" en vroeg of zewel gezond waren en klopte ze op den schouder, dat Bavink zijn zijenhield van 't lachen. Dat kon Japi goed: met 't welwillende beschaafdeHollandsche publiek afrekenen, dat niemand duldt die er niet minstenseven dom en smakeloos uitziet als zij, en hoont en hardop over jepraat alsof niet zelfs op 't kleinste dorp sedert eeuwen domineesen pastoors bezig zijn 't volk op te voeden. Japi was een kerel alseen karrepaard en sloeg er op in als 't moest met een kracht en eenbedrevenheid waartegen de plompste kinkel 't moest afleggen. Zooverkwam 't in Zierikzee niet. De Zeeuwen zijn de beroerdsten niet. Japiplacht te zeggen: "'t Eenigste wat me spijt is dat je op Walcherenniet eens af en toe een relletje hebt."II.Twee dagen sjouwden Bavink en Japi in Veere rond en toen jijdenen jouwden ze elkaar al. Urenlang zaten ze samen op 't dak van 'tHospitaal en keken over Walcheren, over de Kreek en 't Veergat en deningang van de Oosterschelde en de duinen van Schouwen. En daar hadje dikke Jan ook weer, den toren van Zierikzee, nu in 't Noorden. Endaar had je Goes en Lange Jan, den toren van Middelburg, de spil vanWalcheren, het hart dier wereld. En 't tij kwam in en 't tij ging uit;'t water rees en viel. En iederen avond kwam de manke havenmeester enmaakte eerst 't groene lichtje aan op 't Noorderhoofd, de palenwering;en dan kwam i daar af, dan moest i om 't heele haventje heen en danzag je 'm weer bij den toren en dan maakte i het houten hek open enklom de houten trap op en stak ook 't licht aan den toren aan. En danzei Japi: "alweer een dag, meester", en dan zei de manke havenmeester:"Ja mijnheer, al weer een." En als je dan naar den kant van Schouwenkeek dan zag je 't draaiende licht aan en uitgaan. En een uur wegnaar zee lag de lichtboei en scheen en doofde. En 't water klotsteen rees en daalde, en door de nacht schoof de zon die je niet zagdoor 't Noorden. En 't laatste licht van den dag schoof mee door 'tNoorden en werd 't eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raaktede eene dag aan den anderen, zooals dat in Juni altijd is.Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide maar om z'nas en vervolgde z'n baan om de zon en had er geen weet van. Maarde menschen erop tobden met moeite en zorg en veel verdriet doorde dagen, alsof 't zonder die moeite, die zorg en dat verdriet geenavond zou worden.Japi wist wel beter. De zon kwam van zelf wel weer bij de Walcherscheduinen in zee terecht. Maar Bavink had 't bij tijden leelijk te pakken.Bavink was een kerel, die gemeenlijk hard werkte. De menschen dachtendat i nog al wat kon. Hij lachte er om. Als i niet moest verkocht iniets; zijn beste werk zette i weg, keek er niet meer naar om, altijdontevreden. Zoolang i werkte ging het goed, als i klaar was hatti erpijn van; bij tijden was i dood op. Als de menschen wisten hoe i dedingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn prutswerk,om zijn akelige knoeierige reproductie dier heerlijkheid. Bavinkhad heele tijden dat i niets deed, zich maar liet gaan, lekkertjesde dingen aankeek en er doorheen sukkelde, 't prettig vond dat deboel zoo "verdomd mooi was", zooals i dat zei. Dat i pijn in zijnschedel voelde als i dacht aan al zijn vergeefsche pogingen, aanzijn "verdienstelijke werk." Verdienstelijke werk! Spuwen moest ials i er aan dacht. "Verdienstelijke werk", zeiden ze. Ze wisten erwat van. Je kon wel merken dat de dingen hen niet te grazen haddengenomen en door elkaar geschud zooals hem.Hij wou dat i 't schilderen maar laten kon, maar dat gaat ook maarzoo niet; als 't er in zit wil 't er uit. En dan begon de martelingweer, werken, werken dag en nacht, daags schilderen, 's nachts erover piekeren, er bij blijven, doorwerken, zorgen dat je de dingen nugoed vasthield. Dan sliep en at i nauwelijks; in 't begin rookte i danenorm veel sigaren achter elkaar maar na den eersten dag hield dat ookop. Dan had i oogenblikken van 't hoogste geluk zooals zelfs het loomewegzinken in al dat "lekkere mooi" hem niet geven kon. En dan kwam diekijken, en die, en dan stonden ze met hun tweeën, met hun drieën, methun vieren achter hem en keken en knikten en wezen. En dan ineens was't uit. Dan zei i: "Verdomme", en ging op zijn brits liggen en lieteen klein spatje jenever halen, en deed niets meer. Dan werd na eenpaar dagen het doek bij de rest gezet. De dagen die daarop volgden wasi ellendig, moe, miserabel, onvatbaar, ziek, en ging i weer "sloffen"zooals i dat noemde: niets doen, luieren, rond loopen. Als i centennoodig had dan haalde i 't een of ander uit de "vullis", dan zochti een "doekje" uit waarvoor "ze wel 't een of ander zouden geven",en dat verkocht i dan. Niemand kon 'm van die manieren afbrengen. Hijwas nu eenmaal zoo. Z'n kracht en zijn zwakte hoorden onverbrekelijkbij elkaar. En als i wat had verkocht dan stopte i de centen los inzijn zak, dan rammelde i met de guldens en riksdaalders, dan liep iin de Kalverstraat een liedje te fluiten. Dan groette i joviaal metzijn hand boven zijn hoofd als je 'm tegen kwam.Dan kwam i vertrouwelijk bij je staan, liet je geheimzinnig de "spieën"zien, lachte hardop en zei: "De stakkers toch hè?" Papier nam i nooitaan: daar kon je niet mee rammelen. Goud moest i hebben en zilver,en als 't 'm te veel werd "kwam i de rest later wel eens halen."Dat was Bavink; en je begrijpt dat een heer die zich oefendein 't versterven hem degelijk interesseerde. Daar kon i wat vanleeren. Zoo'n kerel die 't prettig vond om zich te laten uitwaaien,zijn kleeren en zijn lijf te laten doortrekken van den natten zoutenwind, die zijn lippen proefde met zijn tong omdat i dien zeesmaak zoo"verdomde lekker" vond; die 's avonds aan zijn handen zat te snuffelenom de zee op te snuiven. Zoo'n kerel die tevreden was omdat i bestonden gezond was en genoegerig zich bewoog tusschen Gods hemel en Godsaarde, en 't dwaas vond dat de menschen zich zooveel moeite gaven,en hardop om ze lachte en die eeuwig met een besten glimlach zichstilletjes zat te verheugen in 't water en de lucht en de wolken en't veld en zich doornat liet regenen zonder 't te merken en dan zei:"ik geloof dat ik nat ben", en lachte. Een kerel die smakelijk duurkon dineeren en smakelijk dure jenever wist te drinken als de eerstein Nederland, en op andere tijden op marsch (want i zat niet altijd,hij was af en toe dagen op de been) dag in dag uit droge fijntjes aten tot tranen toe bewogen was omdat in 't veld "zoo'n brokkie broodzoo lekker smaken kon."En als Bavink werkte dan zat Japi er bij in 't gras of binnen,omgekeerd op een stoel en rookte. En als ze binnen waren dan had Japieen tweede stoel erbij slaan met een borreltje er op, waar i af en toede hand naar uitstak. En hij hield Bavink aan den gang. Tegen niemandanders had Bavink ooit een woord gezegd als i werkte; met Japi sprak i."Wat duvel", zei Japi, "'t dondert toch niet of 't goed is, je doet watje kunt, je bent nu eenmaal een stakker. Je moet schilderen. Je kunt't toch niet laten. 't Hindert immers aan de dingen niet of jij ze nouniet heelemaal zoo krijgen kunt als ze zijn. En de lui, die snappener toch niets van. Van de dingen niet en van je werk niet en van jouniet. Ik kon mijn tijd toch ook een boel beter besteden dan hier tezitten zuipen en naar die verfboel te koekeloeren. Word ik er mindervan?" "Neen, dat deugt niet", zei i dan, "veel te blauw; je weet tochwat we gisteren afgesproken hebben? Veel te blauw, kerel. Denk je dat't je zoo zou aangepakt hebben als 't die rare blauwe kleur had?"Japi was goud waard voor Bavink. Bavink sleepte 'm overal mee. Bavinkheeft Japi gemaakt tot wat i was, toen Bavink in Amsterdam met hemkwam aanzetten.Japi was al heel gauw erger dan schraal bij kas. Voor geen geld terwereld had Bavink hem laten gaan. Japi moest maar zelf in de "vullis"gaan zoeken. En dat vak verstond Japi gauw. Nooit had "de belt" zoogerendeerd. En sedert betaalde Bavink alles of bijna alles. Af entoe kreeg Japi een klein beetje geld van huis gestuurd. Maar dat wasde moeite niet, want bij tijden leefden de heeren als kapitalisten;als ze een bui kregen gingen ze voor een paar dagen naar Amsterdam,naar Brussel, naar Parijs, naar Luxemburg; veertien dagen zaten zein Normandië. Japi sleepte geregeld een klein beltje mee: een "jonkivan den grooten belt", zooals hij dat noemde. In Frankrijk en Belgiëklampte i de menschen op straat aan, schelde aan de huizen. Van niemandanders zou Bavink 't geringste van dien aard hebben geduld. Maarniemand anders verstond de kunst Bavink in 't leven te houden, zooalsBavink zei. Z'n conversatie was onuitputtelijk. En een geheugen hattivoor landschap dat aan 't wonderbaarlijke grensde. Langs de spoorlijnvan Middelburg naar Amsterdam kende i alles, elk veld, elke sloot,elk huis, elke laan, elke boomgroep, elk riggeltje hei in Brabant,elken wissel van 't spoor. Als je uren in donker had gereden en Japihad al dien tijd geslapen languit op de bank en je maakte 'm wakkeren je vroeg: "Japi waar zijn we?" dan moest je even wachten tot igoed wakker was en dan lag i even te luisteren naar den klank van 'trijden en dan zei i: "Ik denk dat we bij Etten-Leur zijn." En dan kwam't uit ook. Hij kon je precies vertellen hoe op dien en dien dag deschaduw van die en die boomen bij Zalt-Bommel op die en die laan vielen welke schepen toen en toen langs Kuilenburg vaarden in de Lek, toenje met Japi over de spoorbrug reed. En dan zat i maar bij 't raampjein afwachting: "nu komt dit, nu komt dat". Uren lang. En als i ietszag dat i bijzonder goed kende dan knikte i en lachte. Of hij zei:"Kijk, die boom is weg"; of: "Hé, nu zitten er appeltjes aan, die hebik den vorigen keer nog niet gezien." Of: "Voor veertien dagen stondde zon net achter de kruin van dien boom, nu staat i een eindje linkser van en wat lager, dat komt omdat we veertien dagen verder zijn enwe zijn ook 10 minuten te laat."III.En zoo kwamen ze met den winter naar Amsterdam en zat Japi op eenavond op mijn kamer en rookte de eene sigaar na de andere, die voor't wegnemen op mijn tafel lagen, mijn sigaren.Ik had dien avond juist den langen Hoyer op bezoek, die weer eens vanParijs was komen aanwaaien en nu zat op te hakken over z'n werk enover de meiden, met een stroohoed op, in November, en een zalmkleurigejas aan. Hij was bezig aan een onbegrijpelijk verhaal van een jongedame en een huurkoetsier en een mandje met paling, toen we op de trapgestommel hoorden. 't Was in een volksbuurt, je kon gewoonlijk zoomaar naar boven loopen, de straatdeur stond meestal open.Bavink kwam 't eerst binnen en zei: "Hoe maak je 't kerel? ja ikben 't zelf. Ha, ha, Hoyertje. Hoe gaat 't, Hoyertje, nog altijdeen ophakker? Nogmaals hartelijk gefeliciteerd hoor. En jij ook,Koekebakker, dat je er lang getuige van mag wezen." In de deur stondJapi. Een lucht van zoutwater en gras brachten ze mee. "Kom binnen,kerel, kom binnen!" inviteerde Bavink, op mijn zolder."Och mijnheer", zei Hoyer, "wees zoo goed de deur achter je dicht temaken." "Koekebakker", zei Bavink, "dit is Japi, een kerel waar jeplezier van kunt beleven. Hoyer is nog even welgemanierd als altijd,hoor ik". "Ga zitten Japi", inviteerde Bavink en liet zich meteen plof vallen op de eenige stoel die vrij was; "neem dat kistjemaar." Er stond een schavotkleurige matrozenkist, daar had ik eenschoon hemd in en de brieven van mijn zuster. "Wacht ik zal u helpen",zei ik. Toen schoven wij de kist bij tafel, Japi en ik, en toen zagJapi een leeg stijfselkistje staan van Hoffmann met een kat er op,daar had ik aard ingehad, maar er had niets in willen groeien. "Ziezoo", zei Japi "anders zit ik zoo laag." "Ik zal er maar eentje nemen",zei Bavink en stak een van mijn sigaren op. "Ga je gang maar Japi". EnJapi beviel dat wel. "Wat heb je daar?" zei Bavink. Op mijn tafel lag"Le Lys dans la Vallée" van Balzac. "Aha, Balzac. Geen kwajongen,die oue heer. Dood hè? Al lang dood. Natuurlijk. Waar kom je vandaan,Hoyer? Wat heb je daar een mooie jas aan. Ga eens staan. Te kort,kerel, veel te kort". Bavink was genoegerig. "Dat weet ik potdomeook", zei Hoyer. "Vertel liever eens waar jij gezeten hebt. En wieis die heer?"En toen kwam het verhaal, met begeleiding van Japi met knikken engrijnzen. En af en toe ging die hand naar mijn tafel en ook Hoyerwerkte als een fabriek en ik rookte maar niet meer. "Wacht", zeiBavink, "dat is waar ook." "Goeie hoor. Kamper Middelburgers, vanBessem en Hoogenkamp van de Lange Delft." "Bekend", zei ik."'s Jonge", zei Japi, en zat m'n hok rond te kijken; "'s jonge, "'tziet er hier gezellig uit. Waarachtig, 't is hier gezellig". Hij stondop en liep naar den muur. "Aha, Breitner. Heel goed. En wat hebben wedaar? 't Is hier een beetje donker. Zoo, mijn vriend Mauve. En daar hebje waarachtig ons stadhuis ook." 't Was een schetsje van 't raadhuisin Veere. "Bavink", zei Japi, "'k geloof, dat je daar kennis aan hebt;ik zoek zoo een baantje, als dat niet een dingetje van jou is.""Daar kom je goed af", zei Bavink. "Dat dacht ik wel", zei Japi enging weer zitten. "Nee maar, ik kom hier vast terug. Ik zit hier goed."Op dat oogenblik begon de gramophoon van den diamantslijperaan den overkant ter werken. "Klappen", zei Japi. En wij aan't applaudisseeren. Met z'n vieren stonden we bij 't open raam enapplaudisseerden honderd uit. Overal hoorde je op de waranda's deurenopengaan, de menschen kwamen buiten. Sommigen applaudisseerden mee;een kind begon te huilen; een hond jankte alsof binnen een maand 'theele blok zou komen uit te sterven. De diamantslijper hield prachtigvol. Een juffrouw aan den overkant riep: "Halve garen!" Een kleinmeisje schreeuwde enkele malen. "Papus", "Zeppelin!" Een jongetjeging op een mondharmonica spelen. "We moesten de straat maar opgaan",zei Hoyer.En zoo stommelden wij de trappen af. Drie- en tweehoog werd binnendruk gepraat. "Over ons", zei Japi. Eenhoog was niemand thuis. "ZegJapi" zei Bavink op straat, "nu moest jij eens een rondje geven." "Oja", zei Japi, "vooruit dan maar". En zoo leerde ik Japi dienzelfdenavond nog in zijn kwaliteit kennen. Hoyer had een theorie dat biernooit kwaad kon. Wij dronken er dus zeer aanzienlijke hoeveelhedenvan. Japi had geen cent; Hoyer verdomde 't; Bavink was zat, zatwezenloos te staren en te beweren dat "deze heer een verdomd goeiekerel was en dat hij een rondje gaf (dat was Japi), en dat de kelnerook een verdomd goeie kerel was." Ik kwam op negentien cent; Hoyer wasuitgeknepen. Ik besloot "'t geval" maar schuldig te blijven; de kelnerkende me; en om één uur liepen we met z'n drieën op 't Frederikspleinvreedzaam te jodelen. Die centen kreeg ik later van Bavink terug;hij wilde met geweld hebben dat ik ze aanpakte. Japi vond 't gevalkostelik, zat drie dagen later op den rand van mijn ledekant en lietzijn beenen bengelen; zei dat 't stom van Bavink was geweest om zichte bezatten, maar "die zaak kwam in orde." Toen hij wegging had hij"Le Lys dans la Vallée" te pakken.IV.Het was een maand later. Een veertien dagen had het wat gevroren,maar in 't begin van die week was 't weer plotseling omgeslagen. Ennu was 't avond en 't stortregende. Den heelen dag had het bijnazonder ophouden gestortregend. Het water liep bij stralen langsmijn ruiten. Ik voelde me behagelijk. Ik mocht dat wel. Ik hadgeen kachel en m'n demi stond nog bij Oome Jan. Een winterjas hebik nooit bezeten. Die vorst had me gehinderd: van armoede moest jenaar bed. Anders kon ik in dergelijke omstandigheden nog wel eens bijBavink terecht. Maar juist nu had die heer de aardigheid gehad om overdag te slapen en 's nachts bij den weg te loopen. Een heele nacht hadik moederziel alleen bij zijn kachel gezeten; hij had dat zoo willenhebben maar lollig was 't niet geweest. En nu zat ik te luisterennaar 't kletteren van den regen op 't dak en was blij dat 't dooide,hard dooide. Op tafel lag mijn brood, twee dikke pillen; mijn laatstebordje was den avond tevoren gebroken. En daarnaast lagen de centen:vier blauwe papiertjes, twee rijksdaalders, drie guldens en enkelecenten. En in den hoek op den grond stond mijn éénvlams stelletje enin 't kleine keteltje begon 't water te razen. Daarnaast stond m'ntheepot, zonder deksel, te wachten tot 't water zou koken; de theewas er al in. En ik zat met mijn beenen onder tafel uitgestrekt,met bloote voeten, in mijn hemd, mijn handen in m'n broekzakken enkeek naar m'n boterhammen, naar m'n lieve geldje, naar de vlam vanmijn olielamp, naar 't licht van mijn stelletje, en luisterde naarde regen en was tevreden.'t Was acht uur. 'k Legde m'n klokje op tafel naast m'n centen,'t klokje dat nu niet naar Oome Jan hoefde en zei: "Jij blijftvoorloopig bij Oome Koekebakker, klokje", en stak m'n hand weerin mijn zak. Dat converseeren met m'n dingetjes was ik zoo gewoon,omdat je met de meeste menschen zoo weinig praten kunt.Voorloopig was ik uit den brand, 't Lieve najaar had me nietbedrogen. Het vallen van de bladeren, de Zuidwestenwind die de boomenaan den Veerschenweg nog meer had doen krommen naar het Noordoosten,die 't klokkenspel van Lange Jan in flarden had gewaaid, die dentoren had doen zwiepen en trillen, bang onder de zwarte wolken, ikhad ze dan eindelijk in bank en zilver omgezet en daar zat ik enkeek er naar, naar mijn eigen geld, 't geld daar je op aan kunt,dat je nooit bedriegt en nooit in de steek laat. Doornat was ikeen uur geleden thuisgekomen, met een brood, een half pond boter,twee ons boterhammenworst, een half pond suiker, een ons thee en eenkistje sigaren, 25 sigaren van 4 cent, een rijkdom die ik sedertmijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden. Deboterhammenworst had ik weggezet, die was voor morgen. Ze haddeneen kastje voor me getimmerd, naast 't raam en daar lag op den bodemalles op een rijtje: de boter, de thee, de suiker, de worst, al diedingetjes die zoo lekker kunnen wezen, als je er een tijdje af bentgeweest. En 't aangesneden brood lag er boven, op 't plankje.En op den zolder van drie hoog hingen mijn kleeren te drogen: jas,vest, broek, onderbroek, overhemd en sokken. 't Water begon te koken,'t deksel van 't keteltje ging rammelend op en neer. Ik keek naar denstoom en begon plannen te maken om morgen m'n demi uit den lommerd tehalen en voor een keer niet in 't koschere restaurant te dineeren:biefstuk met appies 30 cent, erwtensoep met vleesch 35 cent. En ikbedacht juist dat ik er wel aan had kunnen denken om een druppeltjedrank in huis te halen, toen ik in mijn gepeinzen gestoord werddoor een zwaren stap buiten de deur. Er rommelde iemand aan mijndeur. Kloppen ging niet, want mijn deur was van behangselpapier op eenpaar latten geplakt, en als je klopte ging je er door. Dat wisten delui. "Zeker Hoyer", dacht ik, "die kan nooit den haak vinden." De haakzat van binnen maar de deur sloot niet; je kon net je vinger door dereet steken en zoo van buiten de deur openmaken. "Kom binnen", riep ik,te lui om op te staan. "Makkelijk praten", hoorde ik zeggen, "hoe zitdat?" "Die stem ken ik niet", dacht ik, "wie kan dat zijn?" Ik stondop en deed open, meteen liep een straal water over mijn hand. "Japi",zei de man. "Kom binnen", zei ik weer. Daar stond i; 't water liepvan alle kanten uit zijn kleeren en van z'n hoed."'t Regent nog al", zei Japi, "mag ik even mijn jas uitdoen? Wacht,dan zullen we dit eerst neerzetten." Onder z'n jas vandaan haalde ieen pak in een Handelsblad: boeken, dat kon je direct zien, en zette't op tafel. "Ziezoo, kan dit ergens uitgehangen worden?" zei i engaf me z'n jas. Z'n hoed zette i overeind tegen m'n stelletje."Een oogenblik, ouwe heer", zei ik en nam z'n jas en hoed mee, hingde jas bij m'n eigen natte kleeren, sloeg den hoed uit en legde dietoen plat op den grond in den hoek.Japi zat al, wrong de knieën van z'n broek uit en keek rond. "Watverschaft me het genoegen?" "Zeg maar Japi", zei i, maakte 'tpakje los en legde "Le Lys dans la Vallée" op tafel. "Zie hier,burger". "Mooi zoo", zei ik, "en wat hebben we daar?" "O", zei Japi,"boeken van Appi."--"Leest Appi tegenwoordig 't Handelsblad?" "Neen,"zei Japi, "die krant is van mijn ouwe heer, daar stond een advertentiein."--"Een advertentie?"--"Een advertentie; zie hier, daar even vanden ouwen heer gekregen."""Assistent correspondent gevraagd op druk exportkantoor", let wel,druk exportkantoor--"grondig bekend met de moderne talen, stenografieen machineschrijven. Zij die reeds in den export werkzaam waren(let op dat waren!) genieten de voorkeur. (Genieten de voorkeur, datgenieten kan me wel bekoren). Salaris f 3 à 400 per jaar. Brieven onderNo. 1296 bureau Alg. Handelsblad"--1296, slag op 't vlotje. Floris destijve springt over de Overtoom. Nooit van gehoord? En waarom hebbenze dan de Overtoom gedempt? 't Was geen gezicht om dien stijven kereler over te zien springen, dat wilden ze niet meer hebben. Die f 300à 400 bevallen me wel, de rest trekt me minder aan""Wilt u daarop schrijven?" vroeg ik--"Jij, als 't ublieft," zeiJapi. "Willen? Ik moet van de ouwe heer. Hij zegt: 't kan zooniet blijven doorgaan. Ik zie niet in, wat niet. Heeft hij lastvan me? In vijf weken heb ik maar twee maal thuis geslapen. Geencent zie ik van hem. Kijk eens hier." Hij stak z'n been uit. Ik zageen splinternieuwen, gelen schoen. "Wat bliksem, dien schoen kenik."--Waar zie je zulke gele schoenen?--"Ze zijn nu wat donker van't water", zei Japi, en zette den anderen voet bij den eenen. "VanAppi! En hoe komt dat? Ik ben m'n ouwen heer niet tot last. Ik looprond met mijn schoenen tot ze zoo lek zijn als een mand. Appi is eenfideele kerel. Schilderen kan i niet, zal i nooit leeren, dat zie ikwel, maar hij is een fideele kerel. Sokken hat i niet over de hand,ik zit met m'n bloote voeten in z'n schoenen", zei Japi, en liet heelgemoedelijk een stuk van z'n bloote been zien. "En boeken heeft i,in geen jaar kom ik er doorheen, al lees ik dag en nacht."Appi z'n vader had een goed beklante slagerij en kon 't doen. Dat Appinooit schilderen zou leeren heeft Japi goed gezien; z'n vader heefthem later in een huis-, reclame- en decoratieschilderswerkplaats gezet.Ik zette thee. Gehurkt bij mijn stelletje, goot ik 't water op en zette't theepotje op 't waterketeltje. Japi snoof."Goeie bullen", zei i, draaide zich heelemaal om en verschoof z'nstoel tot hij met z'n neus boven de theepot zat. "Ik heb mot gehadmet Bavink". zei i. "Is 't waarachtig?" zei ik. Van Hoyer had ik algehoord dat ze bij dag en bij nacht samen rondscharrelden, dat zein één bed sliepen, Japi onder 't laken en Bavink er boven, dat zeom beurten jenever hadden gedronken uit 't ééne bierglas dat Bavinknog had. "Ik heb z'n kacheltje kaduuk gestookt, Zondagavond."In één avond hatti 't kapot gestookt. Hij had maar zitten opladen enzitten poken, en naar den gloeienden pot zitten kijken en z'n pijpgerookt, de kachel zoo te zeggen tusschen z'n knieën. En niks gezegdhatti, tot Bavink plotseling gezien had dat er een groote scheur in denpot was en vreeselijk had opgespeeld. Japi had 'm laten uitrazen, hijwas opgestaan en had z'n stoel weggenomen, en Bavink had met de pook't schuifdeurtje open gemaakt en een gat gebrand in den grond met 'tuitscheppen van de gloeiende kolen. En toen Bavink was blijven razenhad Japie gezegd: "Verrek met je kachel", en was kalmpjes weggegaannaar 't huis van z'n ouwe heer en had een schoone boord omgedaan vanz'n broer, en van z'n moeder een stuk taart gekregen dat van 't dessertwas overgebleven. En had een nacht thuis geslapen en den volgendenmiddag was i op straat Loef tegengekomen dien i ook al kende. Loef dielater met zwemmen verdronken is, juist toen i er zoon beetje begon tekomen; en die had hem weer meegenomen naar Bavink en gezegd: "Bavinkik breng je kaduukstoker mee." En Bavink had om 't geval gelachen,En Japi was dadelijk naar 't plankje geloopen en had, op 't bekendeplaatsje "naast Dante", een nieuw kruikje Bols gevonden. En met z'ndrieën hadden ze 't een heel eind soldaat gemaakt en toen had Japidikke boterhammen gesneden van Bavink z'n brood en toen waren ze methun drieën naar 't Amstelveld gegaan en hadden voor 70 cent een nieuwkacheltje gekocht ('t was Maandag), een kachel van een voorwereldlijkmodel; en met z' drieën hadden ze die op een handkar naar huis gekruid.Ik presenteerde Japi een kop thee. Hij dronk uit een spoelkom, eenkopje had ik niet voor 'm, steunde behagelijk en zette de kom hardneer. "Nu wou ik wel een stukje brood hebben", zei i; "neem me nietkwalijk, ik geloof dat ik den weg al weet." Hij had m'n kast al in degaten gehad "Kerel", zei i, "weet je dat je worst in huis hebt?" Of ik't wist. Hij kwam er al mee aanzetten. "Boterhammenworst, een ordinairvolksvoedsel." Mijn worst, mijn rijkdom, zoo even nog het onderwerp vanmijn mijmeringen over mijn weelde, de worst die ik voor morgen wildebewaren. Japi wist er raad mee. En ik moet zeggen hij vergat mij niet,hij gaf me twee plakken op elke boterham. Er was toch genoeg. Japiat. Wat kon die kerel eten! Het brood lag naast 'm op tafel enhij sneed maar. Ik begon er schik in te krijgen. "Geneer je nietJapi, centen genoeg." Japi had ze nog niet gezien. "Goddome", zei i,"vetpot!" "Ze hebben zeker weer wat van je geplaatst". Ik knikte. "Zoomoet je maar doen", zei i, "die kerels zijn toch nergens anders goedvoor dan om ons de kost te geven. Ik heb van m'n leven ook nog eensiets geschreven." Hij propte z'n mond vol brood en worst en veegde z'nhanden af met 't Handelsblad, dat i daarna in elkaar frommelde. "Ikzal er maar niet op schrijven, ik deug daar toch niet voor."En toen kwam uit een binnenzak een oud vermolmd onwelriekend krantje,op de vouwen doorgesleten: "De Vlachtwedder Grensbode." Hij liet me eenartikeltje zien: "Brieven uit Amsterdam" stond er boven. Zes hatti ergeschreven, zei i, de vijf andere had z'n broer zoek gemaakt. Japi namnog een sneedje brood. "Moet je niet meer?" vroeg hij. Ik bedankte enJapi nam 't laatste van m'n twee ons worst, "'t Ordinaire volksvoedsel"ging er goed in. "'s Nachts gemaakt" zei Japi met z'n mond vol enwees met 't mes naar 't krantje. "Na kantoortijd, 's Avonds moest ikaltijd op kantoor terugkomen. Af en toe moest ik m'n hoofd onder dekraan houden om wakker te blijven. Ik zou je nu danken. Wat heb iker aan? Niks, moe word je er van. 'k Loop liever bij den weg en kijknaar de menschen en de wagens en de huizen. Speciaal kijk ik naar delieve jonge meisjes en de pas getrouwde vrouwtjes. Die pas getrouwdevrouwtjes pik je er zoo uit, die herken je dadelijk. En dan denk ikaan 't plezier dat ik van al die lieve diertjes niet heb. Dat doeik liever dan dat ik er over schrijf. Wat gaat 't die kaffers aan,wat ik zie. Zelf loopen ze bij de straat te sloffen en naar den grondte kijken en trekken vervelende gezichten omdat 't zoo ver is, en't leven zoo moeilijk, dat je er akelig van wordt. Doen zij iets voormij? Die paar centen kunnen ze houden."'t Artikeltje was wel aardig, maar Hoyer zei later dat i vast nietgeloofde dat 't van hem was."Nu zou ik wel een potje bier lusten", zei Japi en leundeachterover. "'t Spijt me kerel", zei ik, "ik heb niets in huis,geen bier en geen jenever en geen kleeren om over straat te gaan,maar steek een sigaar op."De regen kletterde op 't dak alsof i er door zou komen, de ruiten warenwit van 't water. Japi had geen zin er uit te gaan, dat zag ik wel. Hijstak een sigaar op, keek een poosje naar den rook en vroeg toen: "DieHoyer, wat is dat toch eigenlijk voor een kerel?" Hoyer en hij konden't niet goed vinden. Dat had ik wel gedacht. Hoyer was op de penningen een ruwe vent. "Die kerel deugt niet", zei Japi, "die moet vooralmaar veel met verf knoeien, voor iets beters is ie toch niet goed."Bavink was een dag uit de stad geweest: "voor zaken" zei Japi entoen was hij (Japi) van Houten tegengekomen op weg van kantoor naarhuis. Van Houten (een kennis van Bavink) was een kantoorbediendedie dacht datti schrijven kon. Hij had indertijd een dikken romangepubliceerd, waar de uitgever heel wat aan te kort gekomen was. Japihad zich door hem mee laten nemen en zich te eten laten nooden. Hoyerwas er ook en 't eerste wat i gezegd had was: "Zoo, uitvreter!" Japivond dat prachtig. We waren toch allemaal uitvreters. "De burgermanmoet ons toch allemaal de kost geven." En dienzelfden avond had hijHoyer een riks te leen gevraagd, enkel om te pesten. Want hij wistwel dat Hoyer toevallig geen geld bij zich zou hebben. Toch heeftzelfs de lange Hoyer er naderhand aan moeten gelooven. Japie heeftdie malle zalmkleurige jas van 'm geleend en nooit teruggebracht. Maarveel plezier heeft Japie er niet van gehad. Ieder oogenblik moest hijer mee in den slag, en in Ouderkerk op de brug hebben de pummels ereen mouw uitgetrokken."Kom", zei Japi, "kwart over negenen, ik stap op. Hoor dien regeneens." Hij ging voor 't raam staan. "Niks te zien", zei i. "Je kuntniks zien door dien regen. Foei ik ben rillerig geworden, mijn knieënzijn nog nat. Jammer dat je niks in huis hebt." Ik haalde zijn jas. Hijwas nog zwaar van 't water."Moet je ver door dat weer?" vroeg ik. "Ik kan wel naar de ouwegaan", zei Japi, "maar dat is ook nog een half uur. Dat is je nest,hè?" Japi schoof 't gordijn weg en ging op m'n ledikant zitten engaapte. "Ik geloof dat ik ziek ben", zei i; "weet je wat je doenmoest, haal voor mijn rekening een half maatje ouwe klare, ik zal't je bij gelegenheid wel teruggeven." Ik stond daar nog met z'n jasover m'n arm. "Trek mijn jas aan", zei i. Ik scharrelde naar zolder;m'n vest was tamelik droog. De tapper woonde vlak bij. Ik schoot Japiz'n jas over m'n vest. 't Natte ding maakte me koud en akelig. Zooging ik al die trappen af en de straat over. Bij den tapper was nikste doen, ik bleef geen tien minuten weg. Toen ik boven kwam lag Japite ronken, aangekleed, z'n schoenen nog aan. "Hallo", riep ik enschudde aan z'n schouder. Hij mompelde wat. "Hallo, jenever." Hijkeek me lodderig aan en kwam langzaam overeind. "O", zei i, "ik zie't al". Hij dronk een spatje. "Daar knap ik van op." "Zeg", zei i,"kan ik hier niet maffen? Ik ben vannacht niet op mijn bed geweest envandaag kon ik niet slapen." Wat moest ik doen? Hij kon wel op dengrond slapen, zei i, als i maar wat onder z'n hoofd had. "Goddank",zei i en smeet zijn twee schoenen tegelijk over den vloer. "Goddank,dat ik uit die natte krengen ben." Toen hing i z'n broek over deleuning van een stoel "om te drogen." Mijn stelletje schoof i op zij;in den hoek legde i de boeken van Appi, z'n jasje legde i er over heen,z'n vest hield i aan. Toen nam i mijn beste deken, rolde zich er in,dronk nog een spatje en ging met z'n hoofd op 't stapeltje liggen enzei: "Wel te rusten."En ik ging weer aan tafel zitten, keek naar mijn centen en duttein. Toen ik wakker werd knetterde de lamp, de olie was op. Ik kroop inmijn ledekant en sliep slecht, door de kou. Japi had nergens weet van.Toen de dag aanbrak en ik voor de zooveelste maal wakker werd, hoordeik hem rammelen. Hij was bezig thee te zetten, had zelf benedenwater gehaald, en zich aan m'n ontstelde buren voor een neef van mijuitgegeven. Hij had best geslapen, hij was alleen een beetje stijf. Hijhoopte dat i me niet wakker had gemaakt. "Ik heb al gegeten", zei i"ik geloof dat je niet al te veel brood meer hebt." Hij moest weg. Hijwilde Bavink nog spreken die toen gemeenlijk 's morgens om een uurof tien ging slapen. Hij bracht mij een kom thee in bed en stond bij't raam z'n kom leeg te slurpen. Met twee handen hield i die vast enkeek naar buiten. "Allemaal armoed", zeidi. "Nou bonjour hoor, mijnjas kan ik zelf wel van de lijn halen." Bij de deur draaide i zichnog even om. "'s Avonds ziet zoo'n hok er een boel gezelliger uit."Dat vond ik ook. Ik scharrelde mijn bed uit, koud en beroerd. Op tafellagen m'n centen nog. Hij zegt dat hij z'n ouwe heer niet noodig heeft,dacht ik, en de centen van den burgerman evenmin. Zegt u dat wel.V."Koekebakker", zei Japi, "ik voel me zoo raar van binnen." 't Was opeen middag bij Bavink. Ik had Bavink willen spreken, maar die wasuit. Japi zat aan tafel met een fleschje inkt van een stuiver en eenpak kranten voor zich. "Koekebakker, ik voel me zoo raar van binnen.""Je ruikt tenminste degelijk naar jenever", zei ik."Nee", zei Japi, "de jenever is 't niet. Ik geloof dat mijnziel te groot is." Zoo'n uitvreter toch! "Wat moeten die kranten,Japi?" vroeg ik. Japi gaf een klap op 't pak. "Nieuwzen van den Dag,Koekebakker, Nieuwzen van den dag. Er zijn er bij van een maandoud." "Moet je weer solliciteeren, Japi?" "Juist geraden man. 'tGaat zoo niet langer. Pak een stoel. Kijk eens aan, K H 14684Nieuws van den Dag. WelEdl. Heeren."--"De hoeveelste is dat?" vroegik.--"De eerste pas. Dat gaat niet zoo gauw. Dat komt, omdat jeluinooit in den handel zijn geweest, jelui weet niet, hoe 'n toer datis. Wat zal je drinken, kerel? Je neemt me wel niet kwalijk?" en hijdoopte z'n pen in de inkt en staarde op z'n papier. "Koekebakker",zei Japi, keek hulpeloos rond en legde z'n pen neer. "'t Gaat niet,ik ben er geen kerel voor. Eenmaal ben ik in den handel geweest. Ikdeug er niet voor. Ik weet 't bij ondervinding. Ik begrijp er niksvan. Waar is dat allemaal goed voor? Ik ben zoo best tevreden. Wezullen dat maar weer wegbergen." En hij nam het pak kranten en legde't zorgvuldig onder tafel."Zie zoo, nu zie ik ze niet meer. Jij weet niet wat handel is,Koekebakker, anders zou je der niet om lachen. Om te beginnen gaje tot je achtiende jaar op school. Heb jij ooit geweten hoeveelschapen er in Australië zijn en hoe diep 't Suezkanaal is? Nou juist,daar heb je het. Ik heb dat geweten. Weet jij wat polarisatie is? Ikook niet, maar ik heb 't geweten. De raarste dingen heb ik moetenleeren. Vertaal in 't Fransch: "onder benefice van inventaris." Ga dermaar tegen aan staan. Je hebt er geen begrip van, Koekebakker. Datduurt zoo jaren. Dan doet je ouwe heer je op een kantoor. Dan merkje, dat je al die dingen geleerd hebt om met een kwast papier nat temaken. Overigens is 't 't ouwe gedonderjaag, 's morgens om negen uurpresent en urenlang stil zitten. Ik vond dat ik op die manier nietopschoot. Ik kwam altijd te laat, ik probeerde wel op tijd te komen,maar 't wou niet meer, ik had 't zooveel jaren gedaan. En taai. Zezeiden dat ik alles verkeerd deed, daar zullen ze wel gelijk aangehad hebben. Ik wilde wel, maar ik kon niet, ik ben geen kerel om tewerken. Ze zeiden, dat ik de anderen van hun werk hield. Ook daarinzullen ze wel gelijk gehad hebben. Als ik klaagde, dat ik 't nikslollig vond en vroeg of ik daarvoor nu op school al die wonderlijkedingen had geleerd, dan zei de oue boekhouder: "Ja jongetje, hetleven is geen roman." Bakken vertellen, dat kon ik en dat vondenze leuk ook, maar ze waren er niet tevreden mee. De ouwe boekhouderwist al heel gauw niet wat hij met me doen moest. Als de baas er nietwas maakte ik dierengeluiden, zong komieke liedjes, die ze nog nooithadden gehoord. De zoon van den baas was een ingebeelde kwajongen;af en toe kwam i op kantoor om centen te halen. Hij sprak vreeselijkgemaakt en keek met een allerellendigst, door niets gemotiveerd vertoonvan superioriteit naar de bedienden van zijn pa. De lui lachten zicheen beroerte als ik dien jongeheer nadeed. Ik heb daar ook nog eenschrijfmachine bedorven en een boek weggemaakt. Toen hebben ze meaan een toestel gezet, dat ze de "guillotine" noemden. Daar moestik monsters mee knippen. Dagen lang heb ik daaraan gestaan: allemonsters werden scheef. De lui hadden 't wel in de gaten, ze haddenniets anders verwacht. Ze hadden me daar alleen maar aan gezet omerger te voorkomen. Die monsters werden weggegooid; die gingen nooitnaar de klanten. Toch had ik in die dagen nog gelegenheid om een briefverkeerd in te sluiten. Natuurlijk was 't erg; de man die den briefkreeg mocht niet weten, dat de baas zaken deed met den man waaraani geschreven was. De boekhouder was totaal van streek. Toen begreepik, dat ik maar liever heen moest gaan. Ik kreeg een poot van denbaas. Ik was zelf ook blij dat ik wegging en heb hem hartelijk dehand geschud. Ik heb gezegd, dat 't me speet, maar dat ik er nietsaan doen kon en ik geloof, dat 'k 't meende. Zie je, Koekebakker,dat is handel. Ik ben daarna nog drie weken volontair geweest op eeneffectenkantoortje, krantjes nakijken met een boek om te zien of destukken van de klanten waren uitgeloot. Je ergste vijand zal er voorbewaard blijven. Ze moesten me wegdoen. Ik moest daar ook copieeren. Erwas geen denken aan, dat ze uit 't copieboek konden wijs worden. Ikzag wel in dat 't zoo niet ging, ik kon er mijn hoofd niet bij houden."Mijn ouwe heer was ten einde raad. Hij hoopt nu, dat 't met de jarenwel beteren zal. Ik weet dat zoo niet. 't Lijkt er nog niet veelop. 'k Heb 't nog veel te goed zoo. Weet je dat Bavink pas een bomduiten heeft gemaakt? Een slootje bij Kortenhoef met een hooibergjeen een kalf. Als je blieft." En hij haalde zijn portemonnaie voorden dag. "Hij puilt van de centen. Koekebakker, jong, hij puilt vande centen. Harde riksjes. Morgen ga ik op reis.""Met Bavink?" vroeg ik. "Neen," zei Japi, "niet met Bavink, alleen. Ikga naar Friesland." "Midden in den winter?" Japi knikte. "Watdoen?" Hij haalde z'n schouders op. "Doen? Niks doen. Jelui kerelszijn zoo akelig wijs: alles moet een reden en een doel hebben. Ik ganaar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zinin heb."Den volgenden avond bracht ik hem weg, in donker, naar den sneltreinvan zevenen. Hij had een jas zonder knoopen aan, die hem veel tewijd was, een pet op, die hem een eind achter de ooren zakte en aanz'n voeten de nieuwe gele schoenen van Appi. In z'n hand hatti eenpapieren sigarenpijpje met een reclame. "Wacht even", zei i, toenwe al beneden waren. "Ik heb nog wat vergeten." Even daarna kwam iterug met een vischhengel.Hij was weinig spraakzaam dien avond. Ik kon niet uit hem krijgenwat hij met dien vischhengel wilde. Onderweg rookte hij in een halfuur vier sigaren uit zijn papieren sigarenpijpje, en toen ik aan hetportier van hem afscheid nam vroeg hij me of ik niet een beetje tabakvoor hem had.Na zes weken kwam hij terug met zes knoopen aan zijn jas en eenpaar rooie pluche pantoffels aan zijn voeten. Hij weigerde alleopheldering. Waar zijn vischhengel was? Oh, die had i uit den treinlaten vallen. Hij was ook nog een keer in 't water gevallen, zeii. Meer liet hij niet los. Blijkbaar had i zich al dien tijd nietlaten scheren, hij had een kleur van roode baksteen en een luchtvan koemest bij zich. Hij bracht twee pond tabak mee, die niemandrooken kon. Hij was er aan verslaafd en kwam in veertien dagen nietom een sigaar. Toen waren de twee pond op, plus een peukie dat hijook nog had meegebracht. Toen bleek dat hij nergens in Amsterdamdie tabak kon krijgen. Hij schreef er om naar Friesland, maar kreeggeen antwoord. Hij was er beroerd van. Maar na een paar dagen zagik hem toch weer bij Bavink zitten met een sigaar in 't hoofd, vanBavink natuurlijk.VI.Den zomer daarop was Japi weer verdwenen. Toen kwam ik hem tegen op denBoulevard du Nord in Brussel. Mijnheer was piekfijn, glad geschoren,een grijs hoedje, een goudgeel smal zijden dasje, een geruit overhemd,een gordel, een wit flanellen jasje met dunne blauwe streepjes, eenwitte linnen broek, van onderen onberispelijk omgestreken, bruinesokken met witte ruiten, lage schoenen.Hoe het ging? Patent. Wat hij daar deed? Op en neer loopen van hetGare du Nord naar het Gare du Midi over de boulevards. Of hij zichamuseerde? Uitstekend. Waar hij woonde? In Uccle. Wie hij uitvrat? Hijlachte, maar gaf geen antwoord. In het Maastrichtsche bierhuis opde Place Brouckère dronken wij ettelijke potjes zuur bier, waar hijverzot op was geworden. Eigenlijk dronk hij al die ettelijke potjesop een na, dat ik staan liet. Hij zat weer prinselijk achterover opzijn stoel en dronk met waardigheid en smaak, hield een beschouwingover asphalt, over de groote markt, over het mooie weer, zei toen dathij naar huis moest en vroeg waar ik logeerde. Dan zou hij mij eenskomen opzoeken. Daarna betaalde hij de potjes bier, en liet mij inverbazing achter.Begin Augustus kwam hij in Amsterdam terug met een verbondenhoofd. In Marchienne aux Ponts had hem een mijnwerker een geëmailleerdetens-pannetje op 't hoofd stukgeslagen. Hij was gesjochtener danooit, zijn ouwe heer hield hem schrikkelijk krap. Tot diep in Novemberdroeg hij zijn witte broek, die toen allang niet wit meer was. Hijwas de oude niet meer, hij sprak weinig en rookte veel minder. Alshij bij Bavink op 't hok kwam en Bavink legde zijn sigaren op tafel,dan liet i zich op zijn stoel vallen, hield zijn jas aan en zijnhoed op, nam moeizaam een sigaar, beet er langzaam het puntje af enhad moeite om de lucifers te vinden, knoeide met aansteken, rooktelangzaam en zelden meer dan één sigaar op een avond. Stak hij eentweede op, dan gooide hij een groot stuk weg, wat hij vroeger nooitdeed. Toen rookte i tot 't endje te klein werd om vast te houden,dan stak hij er een speld in en rookte 't zoo op. Het duurde nietlang of i rookte scheef. Eens liet hij bij Bavink de kachel uitgaan.Toen gaven wij hem op.En toen op een nacht dat het hard vroor, tusschen Kerstmis enNieuwjaar, toen kwam Hoyer dien wij in maanden niet gezien hadden,en nadat we een tijd hadden zitten kletsen, vroeg i naar Japi. En toenbegon i herinneringen op te halen. Of we nog wisten hoe Japi verledenzomer (dat was toen zoowat een half jaar geleden) 's nachts mee gingroeien op den Amstel. Hij zou in de punt gaan zitten om uit te kijken,want de Volharding voer toen alles kapot, had nog pas een tjalk inden grond gevaren aan den Omval. En Japi zat in het water te kijkennaar de weerkaatsing van de sterren en zat met zijn rechterhand inhet water en zag geen Volharding, zoodat de Volharding om voor onsuit te wijken bijna in de bocht aan den grond voer. De kerels werdentoen kwaad en een van hen kwam op de achterplecht en schold ons uitvoor nakende verdommelingen, en smeet met een steen die een heel eindvoor onzen boeg in 't water plofte. Toen had Bavink gezegd, dat hij't wel gedacht had en Japi zei: daar zijn we netjes afgekomen."Apropos", zei Hoyer toen plotseling (Hoyer werkte nog al metburgermanstermen). "Apropos, ik heb Japi in Veere gezien met eenFransche dame, een verdomd lief wijf. Den heelen avond hadden dietwee samen op 't steenen havenhoofd staan praten en over de balustradegekeken naar de lichtboei en 't draaiende licht van Schouwen en naarde branding geluisterd, en "bekgetrokken" zooals Hoyer 't ordinairuitdrukte. Bavink zei weer dat i 't wel gedacht had en ik zei: "ookstom, dat hadden we kunnen weten," en toen kwamen wij los over Japien dat hij niet meer zoo uitvrat als we dat van hem gewoon waren.'t Duurde nog een maand voor dat Japi los kwam. Zijn ouwe heerhad een betrekking voor hem gevonden en den eersten Maart zou hijaantreden. Hij zei niet dat ie 't beroerd vond. Hij zou eens zien wati er van maken kon. Hij zou vijftig gulden per maand verdienen. Dienavond vroor het weer hard. De sterren waren helder en ontzettendhoog. De kachel was niet aan. Wij zaten met ons drieën, jassen aan,kragen in de hoogte, hoeden op zoo als wij zoo vaak hadden gezetenals wij harder waren dan het kapitalistische gemoed en niets meerhadden om te verstoken.Toen begon Japi allerakeligst te boomen. Je zeilde maar met de aardedoor de ijzige donkere ruimte, de nacht zou niet meer ophouden, de zonwas weg en ging niet meer op. De aarde joeg voort in de duisternis,de ijzige wind huilde er achter aan. Al die werelden zeilden verlatendoor de ruimte. Als er een tegen je aan zeilde was je verloren,verloren met al die 1500 millioen ongelukkige menschen. Japi zat terillen in zijn jas, het vroor in de kamer.Toen begon i weer anders. De zon kon zoo mooi in de Waal schijnen. BijZaltbommel had i de zon in de Waal zien schijnen toen i de laatste maalmet den trein over de brug kwam. Tusschen de brug en de stad maaktede zon een groote lichtplek in het water. Het water stroomde maar,de zon scheen er maar in, honderd, duizend, honderdduizend maal. Voortweeduizend jaar scheen de zon er al in en stroomde het water maar. Godweet hoe lang al. Meer dan 700,000 maal was de zon sedert al opgegaan,meer dan 700,000 maal was i ondergegaan, al dien tijd had het watergestroomd. Hij werd beroerd van dat getal. Hoeveel regendagen zoudendaarbij geweest zijn? Hoeveel nachten zou het zoo hard gevrorenhebben als nu, en harder? Hoeveel menschen zouden dat water hebbenzien stroomen en de zon er in zien schijnen en al die sterren gezienhebben in de nachten dat 't zoo vroor? Hoeveel menschen die nu doodzijn? en hoeveel menschen zouden dat water nog zien stroomen? En 2000jaar was nog niets; duizende jaren langer had de aarde al bestaan,duizende jaren kon i nog bestaan. Duizende jaren kon het water nogstroomen, zonder dat hij het zien zou. En als de aarde verging danwas er eigenlijk nog niks gebeurd. Daarna kwam nog zooveel tijd,er kwam geen einde aan den tijd. En al dien tijd zou hij dood zijn.Japies tanden klapperden; er was geen spatje jenever in huis en nietsmeer te krijgen op de pof.Toen werd Japi week. Toen begon i te spreken over Jeanne, zondereenige aanleiding, alsof wij er alles van wisten. En dat haarhandjes zoo zacht en zoo warm waren, dat haar oogen zoo kondenschitteren. Donkere oogen had ze en zwart haar. Wij begonnen er meete zitten. Hij deed de akeligste confidenties, over een witte rok metkantjes, over een rok van lila zij; over haar kleine witte voetjes,over allerlei lichaamsdeelen waar men niet over schrijft.Op 't laatst begon i Fransch te praten, eenige tientallen malen hoordenwij het woord "chéri" en "chérie". De laatste "e" van chérie sprak iuit. Toen sprak i weer Hollandsch en werd zakelijker. Zij zou scheidenvan haar man, een misselijken droogpruimer, twintig jaar ouder danzij. Dat vonden wij nog al banaal. En 1 Maart moest i aantreden opkantoor. Toen wreef i zijn gezicht met zijn beide handen en zei:"Ik ga weg, geef me een poot." Op de trap stommelde i.Een Maart trad i niet aan. Het werd April voordat hij weer zooverwas dat hij aan het werk kon gaan. Uitvreten deed i niet meer.Maanden later op een avond zag Bavink hem zitten ergens drie hoogin een kantoorgebouw. Hij zat aan 't raam te werken en 't lokaalwas hel verlicht. Bavink liep naar boven. Hij zat alleen en wasdruk bezig. Bavink kon niets uit hem krijgen. Hij werkte maar enzei weinig. Bavink snorde overal rond, pakte hier en daar een boekuit de rekken, keek er in, zette 't weer weg, schudde zijn hoofd,zei enkele malen: "'s jonge, 's jonge", draaide aan de copieerpers,keek op straat, zette alle ramen open om te luchten.Buiten viel een fijne sneeuw. Vlokken woeien naar binnen. "Doe alsje blieft de ramen dicht", zei Japi en bleef schrijven. Toen kreegBavink een copieboek te pakken, bladerde en las er in, schudde weerherhaaldelijk zijn hoofd en kwam toen bij Japi staan, 't copieboekgeopend in zijn handen."Zeg, schrijf jij dat allemaal?" Japi keek nauwelijks op en zei enkel:"Niet allemaal." "Je bent toch een verdomd knappe kerel," zei Bavink,"die handel is niet makkelijk." Daarna ging Bavink weg.VII.Japi was een harde werker geworden. Kort na het bezoek van Bavinkzonden ze hem naar Afrika. Binnen de twee jaar was i terug: ziek, halfdood. Niemand hoorde iets van hem, tot ik hem op een November-namiddagzag staan achter den steenen wal bij het haventje van Wijk bijDuurstede. Daar stond i naar den modder te staren. Ik had eenigemoeite hem te herkennen. Hij stak in een enorm wijde grijze jas, diehem veel te groot was, een enorme grijze pet zat hem diep in de oogenen over de ooren. Hij had een paar enorme breede bruine schoenen aanmet stompe neuzen, en enkele jongens achter zich.Ik dacht: dat lijkt waarachtig Japi wel; en, ja hoor, het was 'm,wat bleek en mager en zonder baard of snor en met een wonderlijkstarende uitdrukking in zijn oogen, maar het was Japi ongetwijfeld.Japi zag niets, hoorde niets. Ik tikte 'm op zijn schouder en zei:"Wat doe jij hier, hoe gaat het, hoe kom je hier?" Hij gaf me een hand,zei niets, was niet verwonderd. "Ik sta maar te staren," zei i toen."Dat heb ik in de gaten," zei ik, "ga je mee een borreltjepakken?" "Goed," zei Japi. De pummels die op eenigen afstand,achterover tegen den steenen wal geleund, zich eenigen tijd geamuseerdhadden met zeer luide en onhebbelijke glossen, groetten nu zeereerbiedig, omdat ik nogal wat geld verteerd had in Wijk bij Duurstedeen 's Zondags den notaris op zijn schouder had geklopt.Na een borreltje kwam er wat leven in Japi. Gewerkt had i in Afrika,last gehad van de hitte en van de beesten en koorts geleden, meerkoorts geleden dan gewerkt of iets anders. Als een geraamte was ivan den zomer teruggekomen.Zijn Française leefde in Parijs met een Hollandsch jongmensch,sedert onheugelijke tijden volontair op een kantoor. Had nog eenvriend die kolonel was. Had hem in Parijs getracteerd en hem in haargebroken Hollandsch een "goeie beest" genoemd en uitgelachen. Had haarkousenband vastgemaakt waar hij bij was, zoodat hij een stukje vanhaar bloote knie had gezien. Had hem daarna weggestuurd. Hij moest erom lachen. Verliefd was i niet meer. Een licht blauwe zijden onderrokhad zij aan gehad. Een keer had i haar met den kolonel op het terrasvan een kroeg gezien. De kolonel deed zeer zelfgenoegzaam en keek woesten verwaten. Achter zijn rug om had ze Japi een oogje gegeven. Ze hadeen borstkwaal en haar maanden waren geteld. En altijd even opgewekt;maar loopen kon ze nog maar heel slecht.En wat Japi nu van plan was? of hij nog uitvrat? Z'n kantoor vrat iuit; iederen laatsten van de maand ging i zijn centen halen.Of i van plan was nog weer eens zoo'n woeste werker te worden?O nee. Te sappel had i zich gemaakt. Vijftien jaar ouder gewordenwas i in de laatste drie, vier jaar.Toen stak i een versche sigaar op, van mij, een sigaar van eendubbeltje, met een bandje, ik was toen in goeden doen. Het bandjedeed i er af.Geploeterd hatti, misère gezien hatti. In Marchienne aux Pontsen Charleroi was het begonnen. Voor de aardigheid was i daar metJeanne heen gegaan. Na drie dagen had ze er genoeg van gehad. Hij wasgebleven. Een portretje liet i mij zien; een grijnzend doodskopje,het dochtertje van een werkman uit een glasfabriek. Zeven kinderengehad, vijf dood, het zesde stierf terwijl hij er in den kostlag, daar was dat portretje van. Daar hatti leeren kijken, gezienwat werken was. Geld uitgeven hatti altijd verdomde leuk gekund,anderen brachten 't op. Te sappel hatti zich gemaakt. Socialist hadi willen worden. Voor z'n brood hatti gewerkt, voortgejaagd was i,voortgejaagd en gedrukt door menschen en de noodzakelijkheid zooals aldie anderen. Nachten hatti gewerkt: om één, twee uur was i in Amsterdamvan kantoor thuisgekomen en daarna hatti opgezeten, gepiekerd, gepend,heele romans hatti geschreven en de paperassen verbrand.Wat kon i doen? Wat bereikten ze met hun allen? Te sappel hatti zichgemaakt, gloeiende speechen, woeste artikelen hatti gefantaseerd,terwijl i op kantoor zat en werkte voor den handel van zijn baas,hard werkte en iedereen zich verwonderde over de massa's werk, diei verstouwde. De wereld was blijven draaien, draaide precies zooalsaltijd, zou wel blijven draaien zonder hem. Te sappel had i zichgemaakt. Hij was nu wijzer. Hij trok er zijn handen van af. Er warenkooplui genoeg en schrijvers en praters en lui die zich te sappelmaakten, meer dan genoeg.En altijd zaten ze in angst ergens voor en hadden verdriet ergensover. Altijd waren ze bang ergens te laat te komen of van iemand eenstandje te krijgen, of zij kwamen niet uit met hun tractement, of hunplee was verstopt, of ze hadden een zweertje, of hun Zondagsche pakbegon te slijten, of de huur moest betaald worden; dit konden ze nietdoen hierom en dát moesten ze laten daarom. In zijn jongen tijd wasi nog zoo dom niet geweest. Een sigaartje rooken, een beetje kletsen,wat rondkoekeloeren, je verheugen in het zonnetje als 't er was en inden regen als 't er niet was, en niet denken aan den dag van morgen,niets willen worden, niets te verlangen dan af en toe wat mooi weer.Je kon 't niet volhouden. Dat wist i wel. Het kon nu eenmaal nietbestaan of je moest een bom duiten hebben. En die hatti niet. Wat zijnouwe hem kon nalaten was de moeite niet waard. En hij, Japi, vond hetnu welletjes ook. Hij was nu bezig zijn tijd te verstaren. Bereiken konje toch niets. Hij scharrelde nog wat rond op de plaatsen waar i zichvroeger geamuseerd had. Speciaal hield i zich bezig met in rivierente staren. In Dordrecht had i enkele weken starende versleten. InVeere had i dagen lang boven op 't Hospitaal gekampeerd. Septemberhad i in Nijmegen doorgebracht.En toen met eenige variatie herhaalde i zijn oude rêverie over't water. Van 't water dat maar altijd naar 't westen stroomde,dat iederen avond naar de zon stroomde. In Nijmegen liep een ouwedokter rond, die drie-en-vijftig jaar lang 's morgens op 't zelfde uurdezelfde wandeling had gemaakt. Over 't Valkhof en aan de Noordzijdenaar beneden en de Waalkade af tot aan de brug. Dat is meer dan 19300maal. En altijd stroomde 't water naar het westen. En dat beteekendenog niets. Het heeft zeker honderd maal drie en vijftig jaar naardien kant gestroomd. En langer. Nu ligt de brug er over. Nog maarkort, nog maar wat jaren. En toch heel lang. Ieder jaar is 365 dagen,tien jaar is 3650 zonnen. Iedere dag is 24 uur, en ieder uur gaat ermeer door de hoofden van al die tobbende menschen dan je in duizendeboeken zou kunnen opschrijven. Duizende tobbers die de brug gezienhebben, zijn nu dood. En toch ligt i er nog maar kort. Veel, veellanger stroomde het water daar. En er was een tijd toen dat waterer niet stroomde. Die tijd is nog veel langer geweest. Dood zijnde tobbers gegaan bij honderde en honderde millioenen. Wie kentze nog? En hoeveel zullen er sterven na dezen? Ze tobben maar, totGod ze wegraapt. En je zou denken: God zou ze een lol doen als i zeplotseling te grazen nam. Maar God weet beter dan jij of ik. Tobbenwillen ze, blijven voorttobben. En onderwijl gaat de zon op en onder,de rivier daar stroomt naar 't Westen en blijft stroomen tot daarook een eind aan komt.Neen plannen hatti niet meer, en te sappel maken zou i zich nietmeer. Daarvoor zou Japi wel oppassen. Een diner accepteerde i dienavond nog wel. Zelfs zong i een komiek liedje en stak een malle speechaf, staande op een stoel.Eenige maanden heeft Japi nog verstaard. Met zijn gezondheid ginghet niet al te best en de toelage van zijn kantoor hield op. Denwinter bracht i in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren,mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten,al tobbende.In Mei trok i naar Nijmegen.Daar schreef i me op een briefkaartje, dat Jeanne aan haar borstkwaalgestorven was. Daar hatti op gewacht, schreef i.Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, ishij van de Waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in degaten. "Maak je niet druk, ouwe jongen," had Japi gezegd, en toenwas i er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten.Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was erafgestapt.Op zijn kamer vonden ze een stok die van Bavink had gehoord en aande muur zes briefjes met G.v.d. er op en één met "Ziezoo".De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschenzijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avondkrijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog.Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.TITAANTJES.I.Jongens waren we--maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijnnu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die malgeworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zoudenhun wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'nvijven. Alle andere menschen waren "ze". "Ze", die niets snaptenen niets zagen. "Wat?" zei Bavink, "God? je praat over God? Hunwarme eten is hun God." Op enkele "goeie kerels" na werd iedereendoor ons veracht. Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: "En niet tenonrechte," maar dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Jeweet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyervindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoorje niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die 'mop den slechten weg brachten. Maar toen waren we in de dagen onzerdwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu,alweer behalve Bavink en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zegtegen Hoyer: "we zijn er niet op vooruit gegaan." Maar Hoyer is alte ver heen, hij begint bij de bonzen van de S. D. A. P. te hooren,en maakt een gebaar van twijfel met z'n handen en z'n schouders.Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geweest. Ietszouden we doen. Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wildeafbreken, Ploeger wilde zijn baas z'n eigen klokken laten inpakkenen er bij gaan staan met een sigaar in z'n hoofd en vloeken op diekerels die nooit iets goed konden doen. Eéns waren we 't, dat we"eruit" moesten. Waaruit, en hoe? Eigenlijk deden we niets anders danpraten, rooken, drinken en boeken lezen. Bavink vrijde bovendien nogmet Lien. Achteraf bedenk ik, dat we een prachtig stel kerels geweestwaren om rijk te zijn, maar "centen hebben" vonden we verachtelijk;alleen Hoyer begon daar vrij gauw anders over te denken. Bavink begreepniet, waarom die kerels zoo maar in rijtuigen mochten rijden en durejassen aanhebben en andere lui commandeeren, die niet stommer warendan zij. Automobielen zag je toen zoo nog niet.Heele zomernachten stonden we tegen 't hek van 't Oosterpark te leunenen honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraanhebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Erwordt toch zooveel geschreven tegenwoordig.Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van 't trottoirzaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen enwaren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naarde sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z'nbaas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-iopstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte,zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, danzat Bavink met z'n hoofd in z'n handen, over de zon te praten, bij't sentimenteele af. En we vonden dat 't zonde was naar bed te gaan,dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook datzouden we veranderen. Kees zat te slapen.En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees,die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekkerwisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijkmet de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar dedansende gouden pijltjes die de zon in 't water maakte. Stapelmalwerd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, langeschitterende streep. Maar aan den kant van 't water bleef-i tochmaar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keeraan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kimstond. Bavink sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd en vloekte:"God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit." Nu zit-i ineen gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd nietszien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heelslecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die erbeter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te suffen en meerdan ooit naar de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinente staren en erger dan ooit naar zes uur te verlangen.Waar we ook heel sterk in waren, dat waren, na kantoor, tochten naarden Ringdijk. Daar zaten we in 't gras tusschen de boterbloemetjesbeneden aan den dijk en dan kwamen de nieuwsgierige koeien met hungroote oogen en keken naar ons en wij keken naar de koeien. En dan konje ervan opaan, dat Bavink over Lien begon. Op de een of andere maniermoeten die koeienoogen daar iets mee uit te staan gehad hebben. Endan begon 't te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging ervreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m'n eene voet lag bijnain de sloot. Andere hoorde je zachtjes, ver, heel ver weg. Een koe,die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je't gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien. Eenpaard holde heen en weer, je hoorde 't maar zag 't niet. De koe bijons blies en werd onrustig. Bekker zei: "'t Is hier goeie. Zoo moest't maar blijven." Bavink stond overeind en breidde z'n armen uit enluisterde, en ging daarna weer zitten en zei dat we der ook nooit ietsvan zouden snappen, hij zelf ook niet, en dat we eigenlijk niet veelbeter waren dan al die andere lui, en ik geloof, dat-i daar heel naaan de waarheid was.Neen, we deden eigenlijk niets. Ons werk op kantoor deden we nietal te best, en onze bazen verachtten we, behalve Bavink en Hoyer,die geen bazen hadden en niet begrepen, waarom we iederen dag weernaar die bazen toegingen.We wachtten maar. Waarop? Dat hebben we nooit geweten. Bekker zei:"Op 't koninkrijk Gods." Dat wil zeggen, dat heeft-i een keer gezegdzonder zich nader te verklaren. Bavink had 't altijd over "het einde,dat meteen 't begin zou wezen." Wij vonden dat allemaal volkomenduidelijk en weidden er niet verder over uit.II.Op den zolder van Kees kwamen we dien zomer bijna iederen avondbij elkaar. Kees had ook een "hok" moeten hebben. Zijn hok was 'tgrootste en voor allen makkelijk te bereiken. De buren vonden 't niksleuk iederen avond dat geloop op de trap. Kees z'n vader begreep erniks van. Tegenwoordig groet-i me heel beleefd en noemt me "mijnheerKoekebakker", omdat-i m'n naam in 't Handelsblad heeft gezien.Bekker had Kees gezegd, hoe-i 't doen moest. Ze hadden goedkoopbloemetjesbehangsel van 3 centen de rol gekocht en dat achterstevorentegen den muur geplakt, de effe groene achterkant buiten. Bekker hadeen spreuk geschreven met sier-letters en die aan den muur geplaktnaast de deur. "J'ai attendu le Seigneur avec une grande patience,enfin il s'est abaissé jusqu'à moi."Ik weet niet meer waar-i dat vandaan had gehaald. Kees kon 't nietlezen. Maar Kees had óók iets gedaan. Hij had een spa gemaakt en Bekkerhad die diagonaalsgewijs aan den muur geprakkizeerd in 't aangezichtvan de spreuk. Het was eerst niet duidelijk, wat dat moest beteekenen,maar naderhand bleek, dat Bekker zich in zijn hoofd had gehaald, dat-imetdertijd op de hei zou gaan wonen en daar een brokje land bewerken,dan hoefde-i niet meer naar kantoor. Bavink vond dat een mooi idee,maar-i was bang dat Lien er geen zin in zou hebben en Hoyer zat lieverin de kroeg.Daar zaten we dan en lieten niets heel. Tenminste niet veel. Ikherinner me, dat Zola en Jaap Maris tamelijk ongeschonden blevenen misschien nog wel de een of ander. Bekker las uit Dante voor,de Prediker en 't Hooglied en 't boek Job kende-i uit z'n hoofd. 'tWas heel indrukwekkend. Van de buitenwereld merkte je niet veel opdat hok. Het eenige raam was bijna schouderhoogte van den grond;als je aan tafel zat, zag je niet veel meer dan een stuk lucht,waar langzamerhand de kleur uitweek, en wat sterren, als 't donker was.Schilderen? Wie kon er nog schilderen, als je Bavink hoorde? Alleslieten de lui zich voorzetten, letterlijk alles. Ik moest maar eens eenschilderij maken. Dat was ik zelf, Koekebakker. Hij zou me zeggen watik doen moest. "Je schildert twee horizontale banen, onder elkaar, evenbreed, een blauwe en een goudgele en in 't midden van die blauwe baanmaak je een ronde goudgele vlek. En dan zetten we in den catalogus:No. 666 De Gedachte, schilderij. En dan zenden we 't in op mijn naam:Johannes Bavink, 2de Jan Steenstraat, nummer zooveel en we prijzen't voor f 800. Je zult eens zien wat ze er in ontdekken. Van alles,waar je zelf nooit een flauw benul van gehad hebt."Bavink was toen nog erg jong.--Naderhand kwam Lien daar ook en zettethee. Eén keer heeft ze den grond geboend en alles afgestoft; maardat was heel ongezellig. Kees kwam er door in verlegenheid, wanttegen die juffrouw had de ouwe heer bepaald bezwaar. En Bavink wasniet zooals we hem graag zagen, wanneer Lien er bij was en had eenneiging om haar voortdurend te knijpen. Dat was hinderlijk.Gelukkig liet hij haar al heel gauw weer thuis, omdat-i dacht, datLien mij oogjes gaf. Bekker zei: "Meiden, dat is niks" en rooktemet bizonder welbehagen z'n steenen pijpje toen ze er voor 't eerstweer niet bij was. Het was dien avond ook heel genoegelijk. Uren langzaten we in donker. De lamp was gaan zakken en daarna uitgegaan. Webleven maar zitten en rookten, uren lang. Af en toe zei iemand eenswat. Bavink vond schilderen 't stomste dat iemand doen kon. Keesbegreep er weer niks van. "Je moest zoo maar stilletjes blijvenzitten," zei Bavink en keek naar de lucht. Een groote groenachtige sterstond daar te donkeren. "Je moest zoo maar stilletjes blijven zittente verlangen zonder te weten waarnaar." En hij stopte een versche pijp.III.Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moetdie tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien,twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.Wij waren boven de wereld en de wereld was boven ons en drukte zwaarop ons. Heel in de diepte zagen wij de wereld vol bedrijvigheiden verachtten de menschen, de gewichtige heeren vooral, de heeren,die 't druk hebben en die denken dat zij 't aardig ver in de wereldhebben gebracht.Maar wij waren arm. Bekker en ik moesten 't grootste deel van onzentijd op kantoor doorbrengen en doen wat die heeren zeiden en hun dommeopinies aanhooren, als ze met elkaar spraken en verdragen, dat zijzichzelf veel flinker en knapper vonden dan ons. En als zij vonden,dat 't koud was, dan moesten alle ramen dicht en 's winters moest't licht veel te vroeg op en de gordijnen moesten neer, zoodat wijde roode lucht niet zagen en 't schemeren in de straat niet, en wijhadden niets te vertellen.En wij moesten in straten wonen, heel bekrompen, met uitzicht opde lancaster gordijnen van den overkant en de balletjesfranje en deaspedistra in een pot met een onbestaanbare bloem er op.O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooitgehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen,wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden. 'sZondags liepen wij uren en uren ver over wegen, waar zij nooitkwamen en op kantoor dachten wij aan de slootjes en de weilanden,die wij gezien hadden en terwijl de heeren ons bevalen dingen te doen,waarvan wij 't nut niet begrepen, dachten wij eraan, hoe Zondagavondde zon was ondergegaan achter Abcoû. En hoe wij woordeloos 't heelaldoordacht hadden, hoe God ons hoofd, ons hart en ons ruggemerg gevuldhad en hoe mal zij zouden kijken, als wij hun dat zouden zeggen. Enhoe zij met al hun geld en hun reizen naar Zwitserland en Italië enGodweetwaarheen en met al hun knapheid en bedrijvigheid dat nooitzouden kunnen beleven.Maar met dat al hadden ze ons toch in hun macht, ze legden beslag op't grootste deel van onzen tijd, zij hielden ons uit de zon en vande weilanden en den waterkant vandaan. Ze dwongen ons voortdurendonze gedachten bezig te houden met hun onbegrijpelijke zaken. Maardat ging zoo ver als 't voeten had. En zij gaven ons standjes; nikswaren wij op kantoor. "O, Bekker" zeiden ze tegen elkaar. Welopgevoedwaren de heeren; de juffrouw van tweehoog zei: "die halvegare",daar waren de heeren te welopgevoed voor. En ze waren knap, veelknapper dan de juffrouw van tweehoog, wier man lantaarnopsteker was,een leuk vak, waar weinig geleerdheid voor noodig is. M'n baas vroegme of ik misschien gedichten maakte. Bekker vond dat zoo'n man datwoord eigenlijk niet mocht uitspreken, dat moest niet mogen. "Watzei je tegen hem?" Ik had niks gezegd, ik had maar naar z'n gezichtgekeken en gevonden dat-i zoo'n dikken kop had en gedacht: "hij weetniet wien hij voor heeft, daar is hij te dom voor." En ze betaaldenons slecht de heeren.IV.En verliefd waren we. Bekker liep maanden lang iederen morgen overde Sarphatistraat waar hij niets te maken had. Hij hield van eenschoolmeisje van een jaar of zeventien en liep vijftig pas achterhaar of aan de overzij van de straat en keek naar haar. Hij heeftnooit geweten hoe zij heette, nooit een woord met haar gesproken. Inde Kerstvacantie was-i ongelukkig. In Februari nam hij een middagvrij om haar op te wachten, als de school uitging. Daar stond-i op 'tstille grachtje in de sneeuw en een vent reed voorbij op een wit paard,met een blauwe kiel aan en een stroohoed op. Wat raar dat je juist opzoo'n middag zoo iets geks moet zien. Maar om vijf minuten voor vierenging Bekker weg, hij dorst niet te blijven staan. Langzaam slenterde-iweg en op de Weteringschans haalde ze hem in. Ze lachte luid tegen eenvriendin. Ik geloof niet dat zij ooit geweten heeft dat Bekker bestond,Van mij wilde Bekker weten waar dat op uit moest loopen, dat kontoch zoo niet doorgaan. En 't ging ook zoo niet door, want na dezomervacantie kwam ze niet meer terug."Meiden," zei Bekker, "dat is niks gedaan... Ze veerde als zeliep." Hij draaide de lamp wat op en sloeg een blad om van 'tboek waar-i in las. "Waar zou ze nu zijn?" "Zou ze zoenen?" Eenstukje vuur uit zijn pijp viel op 't boek. Hij doofde 't met eenlucifersdoosje. "Verdomme, een gat, dat heb ik stom gedaan." "'t Isbeter zoo, meiden is niks gedaan, je schiet er niet mee op, ze leidenje maar af. Op een afstand zijn ze aardig, om gedichten op te maken."Hij las. Na een poosje keek hij weer op... "Weet je wat een raarding is? Toen ze me dien middag inhaalde ging ze rakelings langsme heen. Er was zoo te zeggen niks tusschen ons, een beetje kleerenvan haar en zoo goed als geen kleeren van mij." (Bekker liep zomeren winter met z'n overhemd op z'n bloote lijf). "Dat is niet veel,vind je wel?" Ik vond dat niet veel; tusschen den toren van Naardenen de kamer van Bekker b.v. was veel meer. "Tusschen den toren vanNaarden en deze snor," zei Bekker, "is veel minder, veel minder daner toen was tusschen haar schouder en de mijne. 't Haalt er niet bijKoekebakker." Hij sloeg weer een blad om, keek in 't licht, en zei:"zoo is 't" en ging door met lezen.V.Zoo was 't: God liet zijn aangezicht zien en verhulde 'tbeurtelings. Je schoot er niet mee op, ook al bewonderde je de meisjesalleen maar uit de verte en al liet je hun bekjes zoenen door anderen,door die gewichtige heeren, waar ze over 't algemeen meer mee op haddendan met ons. Die waren zooveel netter en praatten zoo aardig. En wijwaren armoedzaaiers.Van God was niets te hopen, die gaat zijn eigen weg en geeft geenrekenschap. Als we wat wilden moesten we 't zelf doen. Maar wij vonden,dat Bavink en Hoyer makkelijk praten hadden, die konden wat, die kondenlaten zien hoe 't moest, maar wij, Bekker en Kees en ik, wij kondenhoogstens "socialen" worden en dat leek toch wel wat erg armoedig,nadat je aan Gods tafel had gezeten, adressen te gaan schrijvenvoor drukwerk of lid te worden van de "vrije groep Kastanjeplein enomstreken." En van dat wonen op de hei zou ook wel niets komen, wantals Bekker een paar centen bij elkaar had, dan moesten zijn schoenengelapt worden. In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnengaan, maar toen we op een Zondag er heen waren geloopen, vier uurgaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure geleschoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds,in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, enz'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maarweer naar Amsterdam terug en liepen achter elkaar langs de Naardertrekvaart en zongen, en een boerenmeid zei tegen een boerenjongen:"D'r het niks van in de krant 'estaan jong, hoe vin je dat nou? wistjai d'r van?"VI.Dus deden we maar niks. Ja toch, in dien tijd maakte Bekker z'neerste gedicht.'k Weet 't nog heel goed, 't was op een Zondag, natuurlijk. Als eriets gebeurde, dan was 't op Zondag. Want de zes andere dagen van deweek droegen drie van ons onze ketenen van negen tot zes.Ik was uit solliciteeren geweest in Hillegom bij een bollenhandelaarmet dikke roode gladgeschoren wangetjes. En de anderen hadden ermeteen een uitgangsdag van gemaakt. Bavink, Hoyer en Bekker haddenalle drie al zoo vaak naar 't oudheidkundig museum in Leiden gewilden nu zou 't er dan van komen. En Kees moest mee, die deed wat deanderen deden. In Leiden zou ik hen vinden.'t Was in December. Ik stond achter op de tram, heelemaal achter op. Detram reed maar door 't land en stond stil en reed weer, uren duurde 't,de landen lagen eindeloos. En de lucht werd hoe langer hoe blauwer ende zon scheen alsof er bloemen moesten groeien uit de boerenkinkels. Ende roode daken in de dorpen en de zwarte boomen en de akkers, veel metriet gedekt, hadden het lekker warm, en de duinen stonden in de zonmet hun bloote hoofd. En de straatweg lag daar wit en pijnlijk in 'tlicht en kon de zon niet verdragen en de ruiten van de dorpslantaarnsflikkerden, ook zij verdroegen met moeite 't felle licht.Maar ik werd hoe langer hoe kouder. En zoo lang als de zon scheen,reed de tram. 't Is een lange rit van Hillegom naar Leiden en de dagis kort in December. En op 't laatst stond er een lijk op de tram testaren in die malle groote koude zon, die vlamde als of de revolutiemoest beginnen, alsof ze in Amsterdam bezig waren de kantoren af tebreken, en die geen vonkje leven in m'n koude voeten en dooie beenenkon brengen. En de zon werd steeds grooter en kouder en ik werd steedskouder en bleef even groot. En de blauwe lucht keek vreeselijk ernstig:"Wat moest ik toch op die tram?"Dien middag maakte Bekker z'n eerste gedicht. En toen ik met 'taansteken van de gaslantarens in Leiden aankwam en de onsterfelijkennaast elkaar op een lange bank vond zitten in de derde klaswachtkamer van 't station, bij de kachel, toen moest ik mee 't gedichtondergaan. 't Was heel mooi. Of 't geen naam had? Bekker schudde vannee. Maar Bavink en Hoyer schreeuwden, dat ze gezien hadden, dat eriets boven stond. Een burgerheer zei: "Opscheppers" tegen den man,die aan de deur z'n kaartje knipte. Bavink had 't papier te pakken,Wat stond er boven? Natuurlijk? "Aan haar." Dat had ik zóo wel geweten.Bavink vond dat er een schepje op de kachel moest, maar kon dekolenschep niet vinden. Ze nemen in die wachtkamers altijd denkolenschep mee, anders stookt 't publiek te hard.Toen gooide Bavink de steenkolen met z'n handen in de kachel en kreegmot met een kerel met een witte kiel aan.'t Was heel lollig dien avond. In den trein vielen Kees en Hoyer inslaap. Bavink zat te praten met een Haagsch juffertje en de luchtvan heliotroop op te snuiven die haar lieve leden ontsteeg.Toen begon Bekker weer over de hei te praten. Daar wilde-i stilletjeswonen en maar afwachten wat God met 'm voorhad. Doen kon je niks. Hijwas erg weemoedig. Ik had bezwaar tegen die hei: 't is er zoo droog. Enik vroeg Bekker waar-i van leven wilde, dat boeren van kantoorheerenlukt gemeenlijk niet al te best, behalve in Amerika, waar allerleileugens van geloofd worden. Maar hij maakte zich daarover geenzorg. Hij had niks noodig.Nu weet hij beter. God alleen heeft niks noodig. En dat is nu juist't groote verschil tusschen God en ons.Er is dan ook niks van gekomen van die hei.VII.Wij zaten met z'n vieren bij Zandvoort in 't fijne witte zand aan denvoet van 't duin en keken naar zee. Kees was er niet bij. 't Was in't laatst van Juli. Om zeven uur stond de zon nog hoog boven de zee,maakte, alweer, ik kan 't niet helpen, 't is God zelf die steedsin herhalingen vervalt, maakte alweer een lange gouden streep op't water en scheen op onze gelaten.Aan den gezichtseinder voer een sleepboot en rees en daalde; als-idaalde zag je enkel de stoompijp.Bekker zou den volgenden dag naar Duitschland gaan. Door zijn grootetalenkennis had-i een betrekking gekregen als correspondent op eenfabriek. En Hoyer ging naar Parijs, schilderen.Bekker vooral was weer erg weemoedig. Hij wou dat-i dat baantjemaar niet aangenomen had. Hij begreep niet goed meer waarom-i 'tgedaan had. Twee uur was-i in dat ellendige fabrieksstadje geweestom zich voor te stellen. Ziek was-i er geworden, heimwee had-i ergekregen. Zoo gauw mogelijk was-i naar 't station gevlucht. Daar lagengelukkig de rails nog, onafzienbaar, recht, tot aan den horizon, deweg naar Amsterdam. En zijn biljet had-i voor den dag gehaald. En erhad nog duidelijk opgestaan: "nach Amsterdam". En op tijd was de treingekomen en had 'm over de rails naar huis gereden. En toen-i aan 'tCentraal station was afgestapt, toen had-i in de volheid zijns gemoedseen praatje gemaakt met den machinist en hem een sigaar gegeven,een dure, en even de locomotief met z'n hand aangeraakt en gedacht:"aai locomotief". En toch had-i dat baantje aangenomen. 't Gaf een boelmeer dan-i hier verdiende. En nu moest-i weg en zou den Ringdijk nietmeer zien. En al dien tijd zouden die rails daar liggen, maar hij zouhoogstens daarginds op 't perron kunnen staan en er naar kijken en detreinen zien vertrekken, 's avonds, en 's Zondags den geheelen dag,vele malen.Nu was de zon lager en rood, de gouden streep was weg. 't Was eenwarme, stille avond. Het roode water rimpelde wat, de branding roldelangzaam en ruischte maar zacht.Bekker had een theorie, dat-i zou sparen en terugkomen en op de heigaan wonen. Maar hij geloofde er zelf niet aan in zijn hart. En wijprobeerden 't te gelooven, zelfs Hoyer probeerde 't en wij overtuigdenons zelf dat 't zoo gaan zou, maar wij geloofden 't niet. En 't isook zoo niet gegaan. Na een jaar is Bekker teruggekomen. Hij had eenpaar honderd gulden overgehouden en liep weer iederen morgen om halfnegen in de Linnaeusstraat met z'n brood in een zeiltje. Een menschheeft veel noodig.Maar dien avond dachten wij niet aan zeiltjes met brood. Wij deden ergons best om te gelooven, dat wij er nog heel wat van terecht zoudenbrengen. Verbazen zouden wij de wereld, zoo kalm en onaanzienlijkals wij daar zaten met opgetrokken beenen en onze acht handen omonze knieën. Hoyer had zich voorgenomen allerlei gemeene dingen teschilderen. In een tijdschrift had-i een artikel gelezen over desociale taak van den kunstenaar, hij was er nu achter. Hij begon eendispuut met Bekker over de hei. Het was mirakel geleerd. Hij probeerdeBekker te overtuigen, dat 't verkeerd was zich af te zonderen vande wereld en naar die hei te gaan, waar-i toch nooit naar toe zougaan. Een kunstenaar behoort te staan midden in 't moderne leven.Van mij wilde Hoyer weten hoe ik er over dacht. Ik zei maar, dat iker nooit over gedacht had. Ik begreep ook niet wat-i wilde, hij wist't immers, waarom moest-i nu nog weten hoe ik er over dacht.Alleen Bavink zei niets, hij zat met z'n kin op z'n knieën en ontvingde zon in z'n hart. De zon was nu zoo plat als een suikerboon en dofrood, hij was bijna weg.Hoyer kon er niet bij blijven zitten. Hij sprong op en nam Bekkermee. Zij wandelden langs 't strand, in de verte hoorde we Hoyerschreeuwen, blijkbaar wond-i zich op. Bavink en ik bleven nog evenzitten, toen drentelden wij zachtjes achter hen aan. 't Leek me nietsleuk een levensbeschouwing te hebben, Hoyer schreeuwde zoo.Bavink en ik stonden stil en keken naar de punten van onze schoenenen naar 't aanrollen van de verloopende golven. De zon was weg, deroode schijn op 't water begon te verbleken, in 't zuiden klom eenblauwige duisternis. Er was een geur van modder. In de verte, bij't dorp, gingen plotseling de booglampen aan bij 't strand."Begrijp jij dat," vroeg Bavink, "van die sociale taak?"Ik haalde m'n schouders op. "Wat zou dat voor 'n vent zijn, diedat artikel geschreven heeft? Heb jij verantwoordelijkheidsgevoel,Koekebakker?" Daar had Hoyer 't ook over gehad."Hoyer praat machtig mooi," zei Bavink. "Machtig mooi. Ik heb geenverantwoordelijkheidsgevoel. Ik kan me daar niet mee ophouden. Ik moetschilderen. Een lolletje is 't niet. Wat zei-di ook weer?" "Wie?" vroegik. "Die vent in dat boek, wat zei-di ook weer dat kunstenaarswaren?" "Gebenedijden, Bavink." "Weet je wat ik denk, Koekebakker? Dat't dezelfde vent is, die de spoorboekjes gemaakt heeft. Daar heb ikook nooit iets van begrepen, hoe iemand dat kon. Gebenedijden... Godis overal? Of niet, Koekebakker? Dat zeggen ze toch?"Ik knikte. De duisternis begon nu overal uit 't water te klimmen,in 't noordwesten hield de kim nog wat gelige en groenige gloed,boven onze hoofden trok 't laatste licht weg. Wolken waren er niet."Dus hij is overal," zei Bavink. "Daar en daar en daar." Metuitgestrekte arm wees hij om ons heen. "En daar achter die zee, in't land dat wij niet zien. En daar, bij Driehuis, waar de booglampenstaan. En in de Kalverstraat. Ga eens met je rug naar 't water staanen luister. Kan jij eruit blijven?""Waaruit?""Uit die zee?" Ik knikte van ja, dat kon ik best."Ik nauwelijks," zei Bavink. "'t Is zoo raar dat weemoedige geluidachter je. 't Is net of zoo'n zee wat van me wil. Daarin is Godook, God roept. 't Is waarachtig geen lolletje, overal is-i. Enoveral roept-i Bavink. Je wordt mal van je eigen naam, als-i zoodikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink schilderen. Dan moetGod op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink "God." Enzoo blijven ze mekaar roepen. Voor God is 't een spelletje, die isoneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar éen domhoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje tegelijk werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen enverf. Dan is God overal, behalve waar Bavink 'm hebben wil. En dankomt er een vent en schrijft dat Bavink gebenedijd is. En Hoyer leertdat uit z'n hoofd en loopt er over te zwetsen tegen Bekker. Zeg welgebenedijd. Weet je wat ik wou? Dat ik spoorwegboekjes kon maken. Zoo'nvent laat God met vrede, die is 'm de moeite niet waard."Ik presenteerde Bavink een sigaar en stelde voor naar Driehuis tegaan. Ik had trek in koffie. Ik vond het niet mooi van Bavink eenverdienstelijk heer zoo te kleineeren. Achter ons aan kwamen Hoyeren Bekker terug en hadden 't nog erg druk.Om elf uur stonden we dien avond nog weer aan 't strand in de nacht. Erwas wat wind komen opzetten, de golven ruischten. Een weinig drankhad de weemoed en de somberheid verdreven. Een nieuwe tijd zouaanbreken. Bekker zou in de eenzaamheid van zijn Duitsche kosthuisDante vertalen, zooals nog nooit iemand 't gedaan had. Bavink had eengroot doek in z'n hoofd, een gezicht op Rhenen, hij was daar eens eendag geweest, duidelijk zag hij alles voor zich. En Hoyer ging werkenaan z'n sociale taak; ze zouden er van opkijken. En ik probeerde't allemaal te gelooven.De koele wind woei om ons heen. De zee ruischte klagend, de zee, dieklaagt en weet niet waarom. De zee spoelt verdrietig aan 't land. Mijngedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen.Een nieuwe tijd zou aanbreken, nog konden wij groote dingen tot standbrengen. Ik deed mijn best 't te gelooven, héél erg mijn best.VIII.In Rhenen stond ik in de schemering op de brug over den spoorwegen keek naar 't Noorden. In de diepte lag de spoorlijn tot dengezichtseinder, aan beide zijden er van rees de berg steil op, begroeidmet lichtgroen gras en donkergroene brem vol gele bloemen. Ik keeker naar hoe de bergwanden geleidelijk lager werden, tot ze, heel ver,overgingen in de vlakte.Weer begon de duisternis geheimzinnig naar boven te kruipen uit deaarde, zooals ik dat zoo dikwijls gezien had. Bevreesd en bangelijk lag't laatste licht van den dag op den berg, de spleet was vol duisternis,een rood licht was opgetrokken aan een paal aan de spoorlijn. De luchtwas wat grijs beslagen en keek kleurloos neer op den verslagen dag.Zes jaar was ik weggeweest en nu stond ik daar, pas in Holland terug,op de plaats waaraan ik zoo vaak had gedacht, waarover ze mij in bijnaiederen brief hadden geschreven. (Bavink schreef me ieder jaar zekerwel twee keer en Bekker wat vaker), op den berg waarvan Bavink mijin den loop van den tijd zeven teekeningetjes had gestuurd en waaropBekker twee heel kleine versjes had gemaakt.Naar Holland was ik gekomen om armoe te lijden en artikeltjes enverhaaltjes te schrijven in 't buurtje waar ik zoo lang gewoond had. Enmijn laatste twee rijksdaalders wilde ik verteren in de stad die inmijn afwezigheid een korte poos de hoofdstad der wereld was geweest.In 't Noorden verslond de duisternis 't licht mateloos, nu was deberg weldra verzwolgen, 't laatste geleide van den dag vluchtte in't Noordwesten overhaast en ik stond op 't bruggetje aan 't niet,omspoeld door de oneindigheid.Ik legde mijn elboog op de leuning en hield m'n kin met m'n handvast en keek in de duisternis en dacht aan de platte roode zon,die, lang geleden, in de groene golven van den Atlantischen oceaanwas ondergegaan, de golven die opliepen met scherpe randen en holleflanken en vielen en opliepen en nu nog oploopen en vallen. En aande gele lichten in de armelijke buurtwinkeltjes in Amsterdam, dieik nu spoedig weer zou zien en die iederen avond hadden geschenen,terwijl de oceaan golfde.En de vage verwachtingen van vroeger stegen weer in mij op en hetverlangen, zonder te weten waarnaar.Doch er kwam een gevoel bij, dat ik vroeger niet gekend had. Voorbijwaren al die dagen gegaan en voorbij zouden nog vele dagen gaan,en al die dagen zouden mijn verwachtingen onvervuld blijven en mijnverlangens onbevredigd. Jaren had Bavink met tusschenpoozen gewerktaan zijn gezicht op Rhenen, aan de rivier, den berg, den Cuneratoren,de bloeiende appelboomen, de roode daken van 't stadje, de kastanjesmet hun witte en roode bloemen en de bruine beuken tusschen de huizenin de hoogte, en 't molentje ergens op den berg. Jaren had Bekker in't villaatje op den berg, dat Bavink gehuurd had, iederen ZondagDante vertaald en gedichtjes geschreven soms, jaren had ik over dewereld gezworven. En wat was er nu nog gebeurd? Wat beteekende datalles voor de wereld, voor God, voor ons zelf?Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten gezien, enmijn hart had naar de verte getrokken en naar de roode luchten in 'twesten. Doch al had ik van den toren kunnen vliegen naar de verten, danzou ik slechts gevonden hebben, dat de verte het nabije was gewordenen opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben. En wat baatmij de wijsheid, die mij leert dat 't niet anders kan en zoo blijvenzal in eeuwigheid?Iederen dag hadden wij verlangd zonder te weten waarnaar. En eentonigwas 't geworden. Eentonig werd 't opgaan van de zon en 't ondergaan en't schijnen van de zon in 't water en 't schuiven der witte wolken. Enook de donkere luchten werden eentonig, en 't bruin en geel wordenvan de bladen, en de bladerlooze kruinen en de armoedige drassigeweilanden in den winter, al die dingen die ik zoo vaak gezien haden waaraan ik zoo vaak had gedacht in mijn afwezigheid en die ik zoovaak weer zou zien, als ik niet stierf. Wie kan z'n leven doorbrengenmet te kijken naar al deze dingen, die zich steeds herhalen, wie kanblijven verlangen naar niets? Hopen op een God die er niet is?En nu bloeiden weer de brem en de seringen en de appelboomen en dekastanjes en de zon had al weer fel gebrand. En vol ontroering hadik dit alles weergezien.En terwijl ik daaraan dacht, weken de vage verwachtingen en verlangens.God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinenstaan er vol schoone bloemen, die niet sterven en statige vrouwenwandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder enschijnt laag en hoog en weer laag en 't eindelooze gebied is eindeloos't zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen erdoor met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't lichtnaar de zee.En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijken rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie't water stroomen, voortdurend stroomen naar 't onbekende.En 't onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen deschoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor dewind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid,dat dit alles bestaat, omdat ik 't zoo verkies te denken. En ik bendankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aanen voel mij God, de oneindigheid zelf.Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.IX.Toen ik den volgenden ochtend tegen negenen in Amsterdam aankwam en op't plein voor 't Centraalstation stond, zag ik allerlei electrischetrammen die ik daar nog nooit gezien had en huurauto's en agenten vanpolitie met petten op inplaats van helmen. Maar 't Damrak hadden ze nogniet gedempt, ik zag de achterkanten van de huizen van de Warmoesstraatweer vlak aan 't water staan en den toren van de Oudekerk aan 't einder boven uit. Dat was dus nog in orde.En daar liepen ook weer diezelfde nette heeren, wier haar altijd evennetjes zit, die nooit een kreukel in hun jas of een spatje modderop hun schoenen hebben. En ze zagen er weer uit als of ze 't nogaltijd enorm goed wisten, en vonden dat ze vrijwel geslaagd waren in't leven. En vriendelijk en beleefd waren ze weer tegen elkaar. Hunkleeding was een kleinigheid anders dan een jaar of wat geleden, maarnog even degelijk. En je kon zien dat zij nog altijd met alles in't reine waren. Een jas was nog altijd een jas en een vest een vest,en een fatsoenlijke vrouw een fatsoenlijke vrouw en een meid eenmeid. Het kwam allemaal nog precies uit. Ook wisten ze nog precieswie en wat beneden hun stand was; ik twijfelde er niet aan. En ook't Rokin zou wel gedempt komen als ze er aan toe waren.Met lijn twee reed ik over de Nieuwezijds Voorburgwal. Het was maargoed dat ze die gedempt hadden lang geleden, anders had de tram daarallicht niet kunnen rijden en je kon nu ook overal makkelijk van deneenen kant naar den anderen oversteken.Met lijn twee, de lijn bij uitnemendheid der nette en gewichtigeheeren. Een paar vreeselijk gewichtige heeren waren in de tram, nietswas ik daarbij. Vroolijk scheen het zonnetje op den Voorburgwal,'t groen der boompjes was nog wat licht en ik zag dat de schaduw vande Nieuwe kerk den overkant der straat niet raakte, lang niet. Enik herinnerde me, dat ik jaren geleden, ook in 't laatst van Meidezelfde schaduw precies zoo gezien had. En dat ik op een zonnigenwinterdag, toen over de Voorburgwal nog geen tram reed, door deschaduw van die kerk geloopen had, die toen de heele breedte van destraat bedekte. Nu raakte hij de rails niet, de tram reed in de zonvoorbij de kerk. En over enkele maanden zou dezelfde wagen (hij wasnog heel nieuw) op dezelfde plaats door die schaduw rijden. En toenik weer naar die twee vreeselijk gewichtige heeren keek vond ik,dat al dien tijd dat Rhenen de hoofdstad der wereld geweest was,er eigenlijk al heel weinig in die wereld veranderd was.En ik dacht, wanneer die twee heeren dood zouden gaan en naakt zoudenaankomen voor de rechtbank des Heeren, en hier vergeten zouden zijn. Endat er vreeselijk gewichtige heeren na hen zouden komen. En of ze hunstomme aplomb zouden bewaren, als ze daar boven zouden aankomen zonderhun gepoetste schoenen? En hoe 't gaan zou met die nette scheidingenin hun haar? En of ze dan zouden uitkomen met hun stupide vertoon vanmeerderheid, of er niet een kleinigheid op die gezichten te lezen zouzijn, als ze daar die andere, nog gewichtiger heeren zouden ontmoeten,die ze zooveel jaren hadden hooggeacht, ook naakt?En hoeveel idealistische jongelingen in dien tijd opstellen geschrevenen gedichtjes en schilderijtjes gemaakt en zich opgewonden en gedweeptzouden hebben. En gezoend. En daarna ook gewichtig zouden zijn gewordenmisschien, en ook vergeten.Toen kwam er een meisje met een viool in de tram en keek met haarzwarte oogjes naar de puntjes van haar schoentjes, en ik keek naarde ronding van haar zomermanteltje en vergat die nette heeren.X.Hoyer vond ik thuis. Hij woonde heel netjes in een straatje vanden tweeden rang, achter 't Concertgebouw. Hij ontving me in eenzitkamer, waar ik niet durfde loopen, er lag zoo'n duur kleed. Zijngordijnen waren van pluche, z'n stoelen bekleed met geel moquette,op den schoorsteen stond een zwarte pendule met candelabres en ikmeen dat ik ook nog ergens een bronzen paard heb gezien, allemaaldingen uit dure bazars. Goed zitten durfde ik ook niet, ik zat aldien tijd op de punt van een stoei, maar ik geloof niet, dat Hoyerdaar iets van gesnapt heeft.Hoyer had kolossaal geboft. Ze hadden de ouwe stomme streek uitgehaaldeen naaktfiguur van hem te weigeren. De Wellust had hij de damegenoemd en ze was inderdaad, laat ik maar zeggen, omdat ik voor eenfatsoenlijk tijdschrift schrijf "heel lief." En nu woonde Hoyer heelduur op gemeubileerde kamers, bij een nette weduwe met drie namen,waar ook een vrouwelijke advocaat in huis was en een assistent-residentmet verlof, met vrouw en kind. En hij at buitenshuis, want de weduwewas veel te net om voor eten te zorgen. Schoenen poetsen was extra.En ik zat al dien tijd op de punt van mijn stoel en keek naarde gedraaide poot van de tafel en naar de vergulde lijst van denspiegel. Het was erg vervelend. Ik moest natuurlijk vertellen vanmijn reis, maar ik wist niet wat, ik hoorde mezelf praten en luisterdeals een daas naar mijn eigen geluid. Er was een naargeestig licht inde kamer, ik denk dat de weduwe bang was voor inkijken. Ik wou datik maar weg was en keek langs de drie muren, die ik zien kon zonderal te veel te draaien, maar ze weken niet en ik kon er niet doorheenzien. Ik keek naar de deur, ik kon er mijn oogen niet van afhouden,hulpeloos zat ik daar te staren. De deur trok. Vage visioenen had ikvan de Cunera, van den hoek van den Grebbeberg met de rivier en van't zonnige plein voor 't Centraalstation en de blinkende wijzerplaatvan de Oudekerk en daar doorheen zag ik de geschilderde vlammen van't nagemaakte eikenhout van die deur. En onderwijl ging iemand door metpraten, o ja, dat was Hoyer. En nu antwoordde ik zelf, of eigenlijk ikzelf niet, maar mijn tong bewoog toch en er kwam geluid uit m'n mond,ik hoorde 't duidelijk.Niets merkte Hoyer. Z'n atelier was boven. Of hij me maar evenvoor mocht gaan. Wezenloos liep ik achter 'm aan "Dit is zeker't privaat?" Ik dacht dat 't hoorde zoo iets te zeggen, als eenheer je z'n huis liet zien. Niets merkte Hoyer: "Nee, dat is eenkast" zeide-i. En ik dacht, waarom zegt-i niet: "Pardon, dat is eenkast." Dat zoud-i zeker later zeggen, over een jaar of zoo.De gangetjes waren nauw, de loopertjes smal, de trapjes naar rato,met dunne spijltjes, een beetje gedraaid, maar alles was netjes,keurig netjes, dat moest ik zeggen. Nog merkte Hoyer niets.Daar boven knapte ik wat op, daar was ten minste licht, 't bekendelicht van 't atelier. De ezel was leeg. Er stond een dure stoel,een clubstoel waar ik in wegzakte, nog nooit had ik in zoo'n stoelgezeten. Hoyer schilderde tegenwoordig portretten, dames en heeren,allemaal netjes aangekleed. Hij liet me ook een pas begonnen portretvan de vrouwelijke advocaat zien. Zij was nu op reis. Eerst hadHoyer z'n atelier buitenshuis gehad, maar de advocate had "mevrouw"overgehaald toe te staan, dat een deel van de zolder voor atelier werdvertimmerd. Dat overhalen had eenige moeite gekost en was pas gelukt,toen de weduwe had gehoord, dat Hoyer het portret zou schilderen vaneen juffrouw van den Willemsparkweg met winterhoed, boa en mof. Ende rest van haar kleeren natuurlijk. En dat hij voorgedragen was alslid van "Arti".Of Bavink wel eens hier kwam? Nooit, hij was er nog niet geweest. Enof hij nog wel eens iets van Kees had gehoord? Ja, Bavink had hem eentijdje geleden op straat gesproken. Drie of vier betrekkingen had Keesin een paar jaar versleten en daar tusschendoor was hij lange tijdenwerkeloos geweest. Z'n vader had eindelijk een betrekkinkje voor'm gevonden bij de gasfabriek."Hij loopt nu met een uniformpet op met drie kruisjes en G. G. bovenz'n voorhoofd en een boekje onder z'n arm. En een vent bij 'm meteen zwarte zak." Bavink had 't een heel gezicht gevonden. Hij moetde halve stuivers uit de muntmeters halen en de andere vent moet diedragen in dien zak. En als ze de halve stuivers uit de meter hebbengehaald, dan moet Kees vragen of de juffrouw die halve stuivers weerin wil wisselen. Hij klaagde dat-i zoo weinig verdiende. Bavink waseen eindje met 'm mee gegaan, hij had nog nooit naast zoo iemandgeloopen. Maar 't had hem gauw verveeld. Hij deed 't nooit weer.Ik tuurde naar 't Bokharakleedje, dat voor den clubstoel lag enzag heel duidelijk de verlaten keien van de Linnaeusstraat en denhardsteenen trottoirband en de voeg, waar twee stukken daarvan tegenelkaar gezet waren en de klinkertjes van 't trottoir. En ik zag onsdaar zitten in de zomernacht. Bavink en Bekker en Kees en Hoyer enmijzelf. Ik zag dat de keien en 't stof nat waren, de sproeiwagenwas er over heen gegaan, ergens lag een nat stuk krant. En ik hoordeHoyer zeggen, dat-i opstond, want dat die blauwe steen zoo optrok. Ennu hoorde ik weer diezelfde stem, maar wat beschaafder, met wat meermodulatie: "Je zult me excuseeren, Koekebakker, om elf uur heb ikeen conferentie."Buiten scheen de lentezon in de troostelooze straat. Mijn God, hoekon zoo'n straat bestaan. 't Meisje in de tram had ik vast niet mogenzoenen, maar zoo'n straat mocht bestaan. Dat mocht.XI.Op een van de grachten was 't. Ik stond op de stoep en las:"P. Bekker, Agentuur en Commissiehandel." Ik schelde en wachtte. 'tDuurde nog al lang. Toen ging de bovenste helft van de deur open enik zag een jongmensch met een vierkant hoofd. "Is m'nheer Bekker opkantoor?" Raar klonk dat. En terwijl 't jonge mensch met eenige moeitede onderdeur open maakte, herinnerde ik me hoe vroeger de straatdeurwerd opengetrokken zonder dat je iemand zag en dat ik dan riep "HalloBekker!" "Is mijnheer op kantoor?" Er was iemand bij mijnheer.In den marmeren gang stond een groote rol loopergoed. "Wie kan ikzeggen dat er is?" "Koekebakker." "Wilt u mij maar volgen?" 't Jongemensch ging mij voor, een smalle trap op, die ettelijke malen draaide.Boven, aan 't eind van een nauwen donkeren gang stond hij stil. In't schemerige licht kon ik nog net even 't woord "Monsterkamer"lezen. "Moet ik hier zijn vriend?" vroeg ik en wees naar dat woord. Ikzag dat de vriend mij een rare vond. "Dat staat er nog van vroeger,mijnheer." Hij klopte.Ik hoorde Bekkers stem die "Ja", riep. De vriend ging naar binnen,de deur ging weer dicht en daar stond ik.Of ik zoo goed wilde zijn hier even te wachten. Ik werd in een kleinachterkantoortje gelaten met een uitzicht op een blinden muur. Aanden zolder hing een zware rol pakpapier aan een spil, een eind papierhing naar beneden boven een groote, leege paktafel. 't Jongmenschging aan een lessenaartje zitten, dat tegen 't raam stond en begon tetikken op een schrijfmachine met z'n rug naar me toe. Ik zag 't stukpapier hangen, ik zag dat 't schuin was afgescheurd, ik keek op denbreeden bollen rug en de bonkige schouders van den kantoorbediende ennaar den blinden muur. Een van de baksteenen was kapot en van binnendonkerrood; dat brok steen was 't mooiste dat ik zag.De bediende tikte maar, God weet wat-i tikte. Als-i even ophield,hoorde ik de stemmen van twee menschen door de gesloten deur,ik herkende 't geluid van Bekker, maar de woorden verstond ikniet. Twintig minuten zat ik daar te sterven. "Per me si va nellacittà dolente."Toen ging de deur open en Bekker verscheen. Hij was zenuwachtigen verlegen. Hoe het mij ging. Ik zag er goed uit. Het speet hemvreeselijk. Hij had een klant over uit Bordeaux. Die mijnheer wasspeciaal overgekomen om met hem te spreken. Hij geloofde niet, dathij hem voor vanavond laat kwijt zou raken... "Je begrijpt--kerelwat zie je d'r toch goed uit. Kom je nu van Algiers?" Ik begreep't volkomen. Ja, ik kwam van Algiers. "Waar logeer je, als 't kan,kom ik vanavond om 9 uur bij je." Ik logeerde nergens, mijn geldwas op, maar dat kun je toch niet zeggen op een kantoor, waar eenvreemde bij is. Ik zei maar dat ik 't nog niet wist, ik kwam nogwel eens aan. "Ik hoop dat je 't dan beter treft." Ik wist dat-idat zeggen zou. D'r zijn zoo van die gesprekken onder nette lui,waarbij je heelemaal niet hoeft te luisteren.Hij bracht me tot de straatdeur. Hij vond 't verdomd beroerd. Ik keeknaar 't bordje, "P. Bekker, Agentuur en commissiehandel" en toen naarz'n oogen.En toen zag ik dat ook hij plotseling weer die koe hoorde loeien,die tien jaar geleden geloeid had in de schemering, de koe die jehoorde en niet zag.Wij gaven elkaar de hand. "Per me si va tra la perduta gente,Koekebakker." Hij hield mijn hand nog vast en legde z'n andere handop m'n schouder. "Zeg eens, als je geld noodig hebt?"Ik ging de stoep af, de klant stond voor 't raam met z'n handen in z'nzijden, de beenen van elkaar en keek naar buiten. Rijk en welverzorgdzag hij er uit. Ik nam eerbiedig mijn hoed voor 'm af en hij groetteterug, beleefd en minzaam.XII.Ik kom nu zoo gaandeweg tot 't einde. Goddank, zal hier of daar iemandzeggen. Och, ik wist vooruit dat 't op niet veel zou uitloopen. Waarloopt tegenwoordig 't leven van een Amsterdammer op uit? In mijnjongenstijd heb ik vaak genoeg gewenscht, dat er nu eindelijk eensiets zou gebeuren. Maar er gebeurde nooit iets. Zelfs verhuisd zijnwe nooit. En later....Alleen Hoyer weet waar de boel op uitloopt. Hij heeft wat geërfd en zitflink in de duiten. Hij is lid van de S. D. A. P. en leest "Het Volk".'s Avonds zit-i op 't Leesmuseum en leest 't BerlinerTageblatt. Schilderen doet-i niet meer. Hij weet ook waarom hij nietmeer schildert: wij zijn in een tijd van verval. Een nieuwe kunst isin opkomst. Daar wacht-i zeker op. Hij brengt ondertusschen Kunst aanhet Volk, hoe, dat weet ik niet. Een metselaar heeft hem eens gevraagd,"wat-i voor die smoessies kocht." Ook daarvoor had Hoyer een verklaring"Wij sociaal democraten weten maar al te goed----"Hij zegt een boel dingen, die erg waar zijn en als je denkt, "nou wordt't interessant", dan gaat-i niet verder. Op een middag in "Polen",sprak-i heel veel over "proletarisch sentiment" en "burgerlijkeideologieën." Ik luisterde maar naar 'm. Eén keer heb ik tegen 'mgezegd: "'t Is toch mooi dat je alles zoo zeker weten kunt."Hij ging daar direct op in en ik kon in een half uur niet meer aan 'twoord komen. En 't is inderdaad heel mooi voor iemand die zijn heeleleven lang te doen heeft wat een ander 'm commandeert, zonder dat-i erzelf veel van snapt en voortdurend wordt gesnauwd en altijd margarinemoet eten en in de benauwde luchten wonen. Als ik maar een beetjetwijfelen mocht, dan zou ik ook wel lid van de S. D. A. P. worden. Eéngeluk: de menschen, die altijd in de benauwde luchten verkeeren,hebben me niet noodig. En misschien zou 't zonder Hoyer ook nog welgaan. 'k Zal toch eens informeeren of 't mag, dat twijfelen.Met den agentuur en commissiehandel is 't slecht gegaan. Diecommissiehandel was heelemaal larie, dat had Bekker er maar bij latenzetten omdat 't goed stond. En iemand die Dante vertaald heeft engedichtjes gemaakt, al zijn 't er maar dertien, die moet geen agentvan binnen- en buitenlandsche huizen worden. Op een regenachtigenDecemberdag, toen de lantaarns op de gracht werden opgestoken, vondik Bekker scheef aan z'n lessenaar zitten met z'n hand onder z'nhoofd. De kamer was half donker. Hij bewoog niet. Ik stak 't gas op. Deprullemand stond achter 'm en daarin lag al z'n post van drie dagen,ongeopend. Met z'n elleboog hat-i de heele rommel erin geschoven,opzettelijk, zonder er naar te kijken. Z'n bediende hat-i maandengeleden gedaan gegeven, de telefoon hadden ze weggenomen. Daarzat-i. Aan de muur hing een lijst met afvaarten van stoombooten,waarvan de laatste al weer lang was binnengekomen en na dien tijd weeruitgevaren, herhaalde malen. En op den schoorsteen stond een dik boek,een prachtuitgave van de Divina Commedia.Buiten stonden de lantaarns te branden, bleek en vreemd in 't laatstedaglicht, als een wonderlijke vergissing, zooals ze zoo dikwijlsgestaan hadden. Een wonderlijke vergissing leek alles.Nu zit Bekker weer ergens op een kantoortje. Hij heeft een goeie baas,die hem respecteert, omdat hij Dante vertaald heeft. Op mooie dagenstuurt-i Bekker 's middags weg, dan mag-i een beetje in 't zonnetjewandelen.Aan den drank is Bekker niet gegaan. Hij lost schaakproblemen op ofslaapt. Een voorstelling van de toekomst heeft-i niet. Hij verlangtzelfs niet naar zes uur. Dat geeft toch niets. Z'n tractement beurt-imet een weemoedig welbehagen, met weemoedig welbehagen koopt-i erdassen en schoenen voor. Z'n kleeren zijn netjes geborsteld. Bijtijden is hij een weinig ingenomen met zichzelf, om dat-i vroeger"een geestelijk leven geleid heeft."Hij ziet nog weleens een schilderijtje. Onlangs kwam ik hem nogeens tegen. Toen had-i 't over de intocht van de koningin, datschilderijtje van Eerelman, waar 't woord "Odol" zoo natuurlijk opgeschilderd staat. Hij vroeg of 't niet een mooi schilderij was omin een deftige apotheek op te hangen.Kees loopt nog altijd voor de gasfabriek en verkeert in de benauwdeluchten, waar ik 't zoo even ook over gehad heb. Hij weet niet waar't volgende kind zal moeten slapen. De kinderen zijn nu nog klein,maar over een jaar of wat kibbelen ze 's morgens bij die ééne kraanen dat ééne privaat, zooals dat altijd in district III gegaan is. Hijtobt met wat Hoyer noemt: "'t Chronische tekort in 't huishouden vanden werkman," en koopt alleen 's Zaterdagsavonds sigaren. 's Zondagsmoet-i de kinderen verbieden. Hij moppert dat-i 't zooveel beter hadkunnen hebben, als-i eerder naar z'n vader geluisterd had.Z'n vrouw is goed voor 'm. Midden in de week heeft-i een schoonezakdoek. Maar ze zal de lusten niet opwekken van iemand, die nietaan haar gewend is, zooals Kees. Zes jaar geleden was dat anders.En op zolder bij z'n vader, waar vroeger z'n hok was, daar hangen nude onderlijfjes van z'n zusters te droogen.XIII.En Bavink?Bavink heeft 't tegen die "Godverdomde dingen" afgelegd. Die dingen diegeschilderd wilden wezen en als je dan dacht: "dan moet 't ook maargebeuren," dan wilden ze weer niet. Hij begon wat opgang te maken,toen de strijd al op 't eind liep.Twee maanden na mijn terugkomst kwam-i me heel kalm vertellen,dat-i zijn gezicht op Rhenen in stukken had gesneden. En zoo was't. De rivier, den berg, den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, deroode daken van Rhenen, de kastanjes met hun witte en roode bloemen,de bruine beuken en 't molentje ergens in de hoogte, 64 gelijke,rechthoekige brokken van 15 bij 12-1/2 centimeter hat-i er vangesneden, met een bot knipmes. Een heel werk was 't geweest.'t Ding had 'm geërgerd. 't Was niks, totaal niks, vodden. Hij wou vanmij weten, waarom iemand schilderde. Hij begreep zelf niets meer. Hijstak z'n arm uit en wees in de ruimte. Dààr waren de dingen. Hij sloegmet z'n vuist tegen z'n voorhoofd. En daar waren ze. Er uit wilden ze,maar ze deden 't niet. Stapelgek werd je ervan.Bijna een jaar daarna vond ik hem aan 't Centraalstation aan deParijzer trein van 8 uur. Hij bracht een of anderen kennis weg, eenhaarboer met lange zwarte lokken en heel veel baard, meer haar danmensch, en een hoog voorhoofd met niets er achter. De ondergaande zonstond te schijnen, groot en rood, aan 't eind van de kap stond-i,er was een rossig schijnsel in de ruiten en 't vernis van despoorwagens. Bavink was dronken. De trein vertrok, schoof onder dekap vandaan en boog even om naar links. Bij 't ombuigen flikkerde't licht fel op de wagens.Wij wandelden naar 't eind van 't perron. Een man met een seinlichtkwamen wij tegen, ik zag, dat hij in 't voorbijloopen naar eenconducteur keek, die daar stond bij een anderen trein en een bewegingmaakte van drinken met de hand aan den mond.Wij stonden stil buiten de kap en keken naar de zon. "Zie je diezon, Koekebakker?" De zon was bijzonder duidelijk, hij stond rechtvoor ons uit en dicht bij, zoo groot en zoo rood was-i nog nooitgeweest. Hij raakte bijna de rails van den spoorweg, hij maakte geenflikkeringen meer op de dingen, en alleen in de matglazen ruiten vanden locomotievenstal, rechts van den spoorweg, was een dof schijnsel."Je denkt dat ik dronken ben?" Dat dacht ik inderdaad. "Het maaktgeen verschil, Koekebakker, als ik nuchter ben, begrijp ik er tochook niks van.""Begrijp jij wat die zon van mij wil? Vier en dertig ondergaandezonnen heb ik tegen de muur staan, achter elkaar, omgekeerd. En tochstaat-i daar weer iederen avond.""Als er geen wolken zijn," zei ik. Maar hij liet zich niet afleiden."Koekebakker jij bent altijd mijn beste vrind geweest. Ik ken joual--hoe lang al?""Omtrent dertien jaar Bavink." "Dertien jaar. Dat is lang. Weet jewat jij doen moet? Doe me een lol. Heb je een hoedendoos?"Ik zweeg."Doe 'm in een hoedendoos, Koekebakker. In een hoedendoos. Ik wilmet vrede gelaten worden. Doe 'm in een hoedendoos, in een ordinairehoedendoos. Hij verdient niet beter."Bavink griende dronkemanstranen. Ik keek hulpeloos rond. Een heer ineen uniformjas en met gele biezen om z'n pet kwam op ons af en sprakmij aan."Ik geloof mijnheer, dat u beter doet, als u dezen heer naar huisbrengt."Ik salueerde en gaf Bavink een arm. Hij ging gewillig mee. In dehuurauto viel-i in slaap. Op de Nieuwe Zijds-Voorburgwal werd-i evenwakker toen wij door een kuil reden en wilde weer over die hoedendoosbeginnen. Maar meteen viel-i weer in slaap.Op een morgen zat-i wezenloos te staren voor z'n laatstezonsondergang. Ik kwam op z'n hok met Hoyer. Hij herkende onsniet. Hij keek maar naar die zon, een groote, koude, roode zon,die in wolken onderging."Hij kijkt me maar aan, wij begrijpen geen van beiden wat we vanelkaar moeten." Verder kwam-i niet.Hij is nu in een gesticht voor zenuwpatienten. Hij is heel rustig. Hijkijkt maar naar boven, naar de lucht of tuurt naar den horizon ofzit in de zon te staren tot z'n oogen pijn doen. Dat mag-i niet,maar ze kunnen niets met 'm beginnen. Aan 't praten kunnen ze 'm nietkrijgen. Z'n schilderijen doen tegenwoordig aardige prijzen.En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden. Hij schrijftmaar, ontvangt z'n schamel loon en geeft geen ergernis.Gods troon is nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Afen toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken datze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleinerotsblokjes op te stapelen om 'm van z'n verhevenheid te storten en dande wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt:"Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dandie mooie wijze heeren. 't Spijt me dat je je nek moet breken en datik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar." En zoogaat alles z'n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?EEN WOORD NA.Voor hen die gaarne weten hoe het met de liefde gesteld is, wil iknog mededeelen, dat Dichtertje's Dora ontstaan is uit de idealisatievan een jong meisje, waarvoor ik uit de verte de genegenheid van eenoud man voelde.Toen zij het manuscript gelezen had, vertelde ik haar dat, en haarantwoord was: "Ik heb toch nooit diabolo gespeeld." Ze zei dit nietuit coquetterie of uit verlegenheid, ze had er niets van begrepen.NESCIO.5 Jan. 1918.EOT;}