Subversion-Projekte lars-tiefland.laravel_shop

Revision

Details | Letzte Änderung | Log anzeigen | RSS feed

Revision Autor Zeilennr. Zeile
148 lars 1
<?php
2
 
3
namespace Faker\Provider\nl_NL;
4
 
5
class Text extends \Faker\Provider\Text
6
{
7
    /**
8
     * Project Gutenberg's Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes, by Nescio
9
     *
10
     * This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
11
     * almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
12
     * re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
13
     * with this eBook or online at www.gutenberg.org
14
     *
15
     * Title: Dichtertje - De Uitvreter - Titaantjes
16
     *
17
     * Author: Nescio
18
     *
19
     * Release Date: August 17, 2009 [EBook #29719]
20
     *
21
     * Language: Dutch
22
     *
23
     * *** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DICHTERTJE - DE UITVRETER  ***
24
     *
25
     * Produced by Mark C. Orton and the Online Distributed
26
     * Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
27
     *
28
     * Nescio
29
     *
30
     * Dichtertje
31
     *
32
     * De Uitvreter
33
     *
34
     * Titaantjes
35
     *
36
     * J. H. de Bois - Haarlem.
37
     *
38
     * "Dichtertje" is hier voor het eerst gepubliceerd.
39
     * "De Uitvreter" verscheen in "De Gids" van Januari
40
     * 1911. "Titaantjes" in "Groot-Nederland" van Juni 1915.
41
     *
42
     * @see http://www.gutenberg.org/cache/epub/29719/pg29719.txt
43
     *
44
     * @var string
45
     */
46
    protected static $baseText = <<<'EOT'
47
DICHTERTJE.
48
 
49
                                            In 't derde oorlogsjaar.
50
                                            Bellum transit, amor manet.
51
 
52
 
53
I.
54
 
55
 
56
Tweemaal schudde de God van Nederland zijn eerbiedwaardig hoofd en
57
tweemaal schoven z'n eerbiedwaardige grauwe bakkebaarden heen en weer
58
over z'n vest.
59
 
60
't Klopte niet. Ergens moest een fout zijn. Een dichter met nergens
61
haar, dat was heel vreemd. Sedert dertig jaar hield de God van
62
Nederland niet van dichters. Je wist niet meer, wat je er aan
63
had. Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, je kon er niet uit wijs. En nu dit.
64
 
65
"Hij heeft gezegd, dat hij vol van mij is. Vroeger kon je daar op aan."
66
 
67
God zuchtte. Hij zou er morgen eens met Potgieter over spreken. Je
68
had tegenwoordig niets dan narigheid aan je hoofd.
69
 
70
Daar beneden in de Leidsche straat liep een meisje. Met vaderlijk
71
welgevallen zag God op haar neer. Het meisje was als honderde andere
72
meisjes dien zomer, heelemaal in 't wit, zijden blouse, korte frotté
73
rok, witte kousen, fijne enkeltjes en lage witte schoentjes en had
74
lieve oogen als honderde andere meisjes in Amsterdam. Oogen die kijken
75
alsof ze iets heel bijzonders weten. Dat vonden ze ook weer niet
76
goed. Nooit had ons Lieve Heer daar vroeger iets bij gedacht. En nu
77
hatti kwestie. 't Was begonnen met versjes over "wetende oogen." Toen
78
zei er één, dat 't allemaal bedrog was, een vroom bedrog van God. Dat
79
ze niets wisten en alleen maar keken alsof, zonder dat ze 't konden
80
helpen. Nooit had God er over nagedacht.
81
 
82
Tegenwoordig brachten ze hem over alles aan 't denken. En 't was toch
83
zoo noodig, dat de hoofden bij de zaken werden gehouden. De keizer had
84
't nog onlangs weer gezegd: "Der Tüchtigkeit ist die Welt".
85
 
86
Maar als je eenmaal over iets aan 't prakkizeeren raakte kwam je er
87
zoo makkelijk niet weer af. Nu i er eenmaal op lette, zag i honderde,
88
duizende van die meisjes, telkens weer anderen en telkens weer
89
dezelfden. Zoodat i soms niet meer wist of i er tienduizend had gezien
90
of één, tienduizendmaal. "Heer in den hemel had hij al die meisjes
91
geschapen? Of was 't een grapje van den duivel, al die wetende oogen?"
92
 
93
Kijk, daar gaat 't dichtertje. Toch wel een knap, jong ventje,
94
zoo slank, zoo'n aardig gladgeschoren jongensgezicht, alleen een
95
paar stutten voor de ooren, en zoo verbrand door de zon. Hij groet
96
iemand. Z'n strooien hoedje lichtten-i even op van zijn kort geknipte
97
haren.
98
 
99
Raar toch, zoo kaal, maar 't was toch vast wel een dichtertje, want
100
God begreep niets van 'm en Potgieter ook niet. En professor Volmer
101
verachttenem.
102
 
103
En hij leed ijselijk van die wetende oogen, zooals geen rechtschapen
104
mensch. De duivel hattem leelijk te pakken. Hij was een zwak
105
dichtertje, kindsch werti er van. Hij bleef fatsoenlijk van zwakte. Dat
106
was weer zoo iets raars, waar God vroeger nooit over gedacht had,
107
fatsoenlijk was fatsoenlijk en daarmee uit. 't Dichtertje wist niet
108
op wie hij verliefd moest worden. Als hij in twee wetende oogen
109
had gekeken, zag hij er dadelijk weer twee. Hij was zoo zwak, zoo
110
lekker zwak. Maar als i 't vijfentwintigste meisje zag, voeldeni zoo
111
iets raars in z'n hersens. Hij had al eens in 't voorbijloopen op 't
112
terras van een café een stoeltje omgeschopt van kwaadaardigheid. Want
113
hij wist wel, dat ze niets wisten, dat ze dom giggelden, alleen al
114
als i z'n hoed voor hen af nam, of strak keken, omdat ze stonken van
115
burgerjuffrouwen-ingebeeldheid. En toch kon i 't niet laten. En dan
116
moest i vluchten naar ergens, waar geen vrouwen waren en dan maakteni
117
zich kwaad op God en den duivel tegelijk en zei datti idioot werd
118
en datti nog eens met open mond jaren lang kwijlen zou, een leeren
119
slabbetje voor, zonder datti 't zelf wist. Maar den volgenden dag
120
keeki weer en dacht daarbij: "Mon âme prend son élan vers l'infini."
121
 
122
Potgieter zei dat de vent gek was en dat in den tijd van Piet
123
Hein........
124
 
125
Dichtend vervolgde 't dichtertje z'n tocht door de woestenijen van
126
Amsterdam. Zoover 't oog reikte, niets dan Nederlandsche menschen. Weer
127
groette-n-i iemand, een heer met hoogen hoed en gekleede jas, uit
128
een stuk van Verkade. Nu spraken ze elkaar aan. Daar stonden ze, op
129
't plein voor 't Centraalstation.
130
 
131
Op den beganen grond liep God nu met z'n gelen strooien deukhoed,
132
z'n wandelstok met zilveren greep, z'n jas hing slobberig en breed
133
en ondefinieerbaar bruinig over z'n rug, op z'n kraag lag roos,
134
z'n broekspijpen waren te wijd en te lang en lagen met plooien op
135
z'n schoenen. Z'n bakkebaarden kon je van achteren zien en toen i
136
bezadiglijk de twee treden opstapte om in 't station te gaan, glom
137
de lage avondzon in Gods gepoetsten linkerschoen.
138
 
139
"Wie was die meneer?" vroeg 't dichtertje. "God" zei de duivel en
140
de knobbels op z'n voorhoofd werden grooter. 't Dichtertje sprak
141
niet. "Jouw God, de God van je baas en van je schoonvader en van je
142
baas z'n boekhouder en van den gérant van de "Nieuwe Karseboom". De
143
God van je tante, die zei, dat je moest groeten als je langs 't
144
huis van je baas kwam in Delft of Oldenzaal, waar was 't ook weer,
145
ook al zag je niemand, je kon nooit weten wie 't zag. Van je tante,
146
die je zuster altijd liet breien. "Een vrouw mag niet stilzitten." De
147
God van al die menschen, die zullen zeggen: "Dat had ik van jou niet
148
gedacht," als je nog eens probeert te leven en die zullen zeggen:
149
"Dat had ik altijd wel gedacht, dat kon niet goed gaan," als je
150
later in 't werkhuis moet. De God, die niet hebben kan, dat je 's
151
Zaterdagsmiddags vrij bent, de God van meneer Volmer, hoogleeraar in
152
't boekhouden en de bedrijfsleer, die vindt, dat je veel te veel
153
naar de lucht kijkt. De God van allen die geen andere keus hebben
154
dan werken of vervelen. De God van Nederland, van heel Nederland,
155
van Surhuisterveen en Spekholzerheide, donateur van den Bond van
156
hoofden van groote gezinnen en van de Vereeniging tot opheffing van
157
gevallen vrouwen. Dat noemen ze vallen. Ik ben ook gevallen."
158
 
159
"De beeldspraak is inderdaad gebrekkig", zei  't dichtertje, absent.
160
 
161
Hij had al dien tijd gekeken naar een dame, die daar stond te
162
wachten. Naar de aardige scherpe achterkantjes van haar beenen,
163
vlak boven de lage witte schoentjes. Natuurlijk had ze lage witte
164
schoentjes aan met korte rokken en erg open geweven kousen, waar haar
165
beenen wit doorheen schemerden. "Nu vallen", dacht 't dichtertje.
166
 
167
"Mon âme prend son élan vers l'infini," zei de Duivel en glimlachte
168
ironisch, zooals hij een eeuwigheid lang geglimlacht had.
169
 
170
Toen zag 't dichtertje 't stationsplein weer en den duivel en hoorde
171
wat die gezegd had.
172
 
173
"Duivel" zei-di, "mij belazer je niet."
174
 
175
De duivel haalde even z'n schouders op en keek naar de
176
stationsklok. Tien minuten over zevenen. Hij gaapte achter z'n
177
hand. De eeuwigheid schoot niet op. En eigenlijk hatti ook al zooveel
178
dichtertjes gekend. Waarom sprak i nog zooveel?
179
 
180
't Dichtertje liep naar huis en keek in de hoogte naar 't gevleugelde
181
wiel, dat midden op de leuning van de hooge spoorbrug over de
182
westelijke doorvaart op een kleine ijzeren zuil staat en vliegen
183
wil en nooit van z'n plaats komt en gezien wordt uit vertetjes waar
184
't nooit komt, wel heel van de Torensluis, 't Singel af. De blauwe
185
lucht was er nog zoo hopeloos ver boven. Zelfs de palen met de
186
booglampen, aan 't begin en 't eind van de brug, staken hoog boven
187
't wieltje uit. 't Geeft niet veel of je op een spoorbrug staat op
188
een ijzeren zuiltje. Je kunt er hoogstens van aan 't denken raken
189
en dat deugt heelemaal niet. En 't dichtertje dacht, dat je beter
190
zoo'n wiel kunt wezen dan een dichtertje. Zoo'n wiel is van ijzer,
191
maar een dichtertje niet.
192
 
193
Onderwijl zat God alleen in een coupé eerste klas in den trein naar
194
Delft en staarde uit 't raampje, maar zag niets. Uitkijken deed hij
195
nooit. In z'n hand hielti een rapport. Naast 'm lagen dossiers.
196
 
197
De God van Nederland dacht. Het was een rare tijd. Weer las God:
198
 
199
"Het lot van den mensch is verdriet te hebben, wanneer hij z'n doel
200
niet bereikt en wanneer hij z'n doel bereikt heeft.
201
 
202
"Er is geen troost in de deugd en er is geen troost in de zonde.
203
 
204
"Daarom laat blijmoediglijk af van alle verwachting. Stel uw hoop op
205
de eeuwigheid: uit dezen droom is geen ontwaken."
206
 
207
Het was wel een rare tijd. Zoo kon 't niet goed gaan. En nou hatti
208
nog wel gezegd, dat een nieuw tijdvak was aangebroken. De tijd van het
209
"ironisch dilettantisme" was voorbij, een nieuwe tijd van "baanbrekend
210
optimisme" en "frissche daadkracht" was begonnen. Dat hatti zoo maar
211
's gezegd. En weer zuchtend begon God toen 't manuscript te lezen
212
van een dik boek over 't Taylor systeem.
213
 
214
 
215
 
216
 
217
II.
218
 
219
 
220
't Dichtertje was nooit gevallen.
221
 
222
Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Als 't dichtertje er over
223
dacht, wat hij eigenlijk 't liefst zou willen, dan was 't dat. De
224
wereld ééns te verbazen en ééns een liaisonnetje te hebben met een
225
dichteres. Jarenlang had hij dit telkens weer gedacht, naïvelijk.
226
 
227
't Dichtertje was fatsoenlijk getrouwd met een lief, jong, levendig,
228
natuurlijk vrouwtje. Natuurlijk was hij onmiddellijk verliefd geworden,
229
toen hij de wereld begon te zien. 's Morgens zag hij haar als hij naar
230
kantoor ging en zij naar school, en 's middags om kwart over eenen "in
231
't beursuur", als hij op straat mocht en zij uit de melkinrichting
232
kwam, waar zij haar boterhammen met een glas melk at en soms een
233
roomhorentje of een taartje met slagroom, haar boterhammen.
234
 
235
En ze was wat kwaad op 'm, omdat i daar altijd zoo stond, gewoon
236
bespottelijk. De andere meisjes noemden 'm "'t Ideaaltje", omdat
237
i een keep droeg en zulk mooi zwart haar had, (toen liet-i 't nog
238
niet kortknippen). En ze keken naar 'm, als ze met hun drieën gearmd
239
langs hem heen liepen, heel even keken ze en giggelden tegen elkaar,
240
de beide buitensten de hoofden gebogen naar de binnenste, die ook
241
giggelde en naar den grond keek. Maar zij liep statig voorbij en zag
242
hem niet en zei tegen Mien Bus datti om haar kwam en dan lachten ze
243
allemaal, want ze wist wel beter. Op den grond stampte ze met haar
244
schoolmeisjesvoetje van zeventien jaar. "Om mij? die engert?" en
245
hield haar hoofd achterover.
246
 
247
En hij was ongelukkig en telde de uren. 's Avonds om elf uur keek
248
i naar de lucht, de helft was om tusschen 's middags half twee en
249
's morgens half negen. En hij dichtte.
250
 
251
Hij maakte gedichten naar Heine, Hollandsche en Duitsche, en naar
252
Héléne Swarth en naar Kloos en van Eeden. "De Uren":
253
 
254
 
255
    "Hoe gaan de uren zoo zwaar met loggen tred".
256
 
257
 
258
"Die Kreuzfahrer":
259
 
260
 
261
    "Dort unten lag die heilge Stadt in ihrer Glorie".
262
 
263
 
264
Dat was zij. Maar de poorten waren dicht. En hij vroeg zich af waarom
265
hij verder leefde. En hij werd opstandig tegen God.
266
 
267
 
268
    "Mijn God, zal dan mijn kwelling nimmer einden?"
269
 
270
 
271
En de lui op kantoor kon i niet zien en hooren, als i om kwart over
272
negenen op kantoor kwam hatti er wel een willen slaan, zoo maar. En
273
van somber werti extatisch. En dichtte weer. "Mijn heilig lief". "Nu
274
is de wereld een groot zomerland".
275
 
276
 
277
    "God gooide de poorten des hemels open,
278
    Mijn zoete lief zat op een gouden troon".
279
 
280
 
281
Dat duurde zoo elf maanden. Daar kwamen nog drie maanden bij datti
282
buiten was, een klein betrekkingkje had in een stadje, waar ze nu
283
nog praten over dien mallen kerel.
284
 
285
Toen kreeg i haar. Negentien jaar was i. Hij schreef haar een briefje
286
datti twee dagen in Amsterdam was en datti haar graag wilde spreken. Ze
287
kenden elkaars namen, Amsterdam is ten slotte ook maar een dorp. Ze
288
hattem die honderd dagen erg gemist en ze kwam. Haar moe vond 't goed,
289
"als 't een nette burgerjongen was en ze hield van 'm....., maar
290
geen scharrelpartij." Ze kwam, 's avonds bij de Muiderpoort en hij
291
zei dat ze zeker wel begreep, watti haar vragen wou. 't Was zoo raar,
292
zoo gewoon, hij kon heelemaal niet dichten. En ze zei natuurlijk dat
293
ze 't niet begreep, maar toch liepen ze samen maar de Sarphatistraat
294
op. 't Gesprek liep wat moeilijk, wat moest je mekaar vertellen, je
295
kende mekaar nog zoo heelemaal niet. Hij had gedacht, dat i wonder
296
wat zeggen zou, dat de woorden zóó maar zouden komen met geweld,
297
zooals de breede Waal jaagt langs de schuitjes van den ponton-steiger
298
bij Nijmegen.
299
 
300
En nu spraken ze over z'n betrekking in dat stadje en over hun
301
ouders. En voor haar huis namen ze afscheid en hij gaf haar een zoen,
302
heel links, op haar voorhoofd. En ze was wat in haar schik, ze had een
303
vrijer en zoo'n knappe, wat zou Loe wel zeggen. Jammer datti buiten
304
woonde. Zoo vervelend, vooral 's Zondagsmiddags als i dan niet over
305
kwam, dan moest je thuis blijven.
306
 
307
Den tweeden avond mochti boven komen, 't moest gauw gaan, want hij
308
had maar twee dagen vrij.
309
 
310
Z'n pa was bij haar vader op bezoek geweest en nu mochti
311
bovenkomen. Daar zaten haar vader en de zijne en haar moeder en een
312
grootmoeder en een tante. Haar twee kleine zusjes waren vroeg naar
313
bed gestuurd. En toen kreeg i haar en de tante zei later "wat een
314
nette jongen".
315
 
316
's Zondagsmiddags natuurlijk zij op visite bij hem thuis en daar
317
was toevallig een nicht met scheeve schouders in een scheeve groene
318
hobbezak en een lorgnet op, die bier dronk en Coba was allerliefst
319
voor haar aanstaande schoonmoeder en die was allerliefst voor Coba.
320
 
321
"Wat heb je daar een snoezig taschje." "Uit 't City-magazijn?" "Nee,
322
van Liberty". "Je ziet tegenwoordig heel veel van die taschjes met
323
een klein taschje buitenop." "Nee, die vind ik om de waarheid te
324
zeggen niet zoo aardig." "Och, ieder z'n smaak. Onze Riek heeft zoo
325
één en die vind ik ook heel aardig". En hij zat er bij en begreep er
326
niets van. Had hij 's nachts op straat geloopen en gezegd, dat God
327
de poorten des hemels open gooide? Wat raar.
328
 
329
Maar ze was heel lief, jong, levendig en natuurlijk en zoende 'm niet
330
op z'n voorhoofd, maar flink op z'n lippen en op zij in z'n nek, in
331
den gang, voor ze de kamer binnen gingen. Daar moest ze voor op haar
332
teenen gaan staan en z'n schouders beetpakken. En ze ging heel veel van
333
'm houden en hij hield ook veel van haar en drukte haar tegen zich aan.
334
 
335
Maar de zaak bleef 'm duister en dichten deedi niet meer tot i
336
getrouwd was.
337
 
338
En nu waren ze zes jaar getrouwd en hadden een kindje, een meisje van
339
vijf jaar, een snoes die door alle tantes geknuffeld werd. Zij had
340
een beetje geld en hij had een beetje geld en hij had in Amsterdam
341
een baantje gevonden, datti niet al te slecht waarnam en ze waren
342
ten naaste bij gelukkig.
343
 
344
Maar daar i een echt dichtertje was, moest hem iets ontbreken. Wat is
345
voor een dichtertje iets dat hij heeft? Datti zoo maar heeft, dag in,
346
dag uit. Al die dagen. En altijd getrouwd is zoo erg lang. En een
347
heel lief, jong, levendig en natuurlijk vrouwtje, dat veel van haar
348
man houdt en zijn manuscripten in 't net schrijft, maar tweeduizend
349
nachten naast 'm heeft geslapen  en weet datti niet tegen tocht kan
350
en 's morgens niet uit zijn bed kan komen en niet van de jam af kan
351
blijven, al is i een dichter, dat is nu echt iets voor den Duivel.
352
 
353
 
354
 
355
 
356
III.
357
 
358
 
359
Een groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat
360
van, want als je een dichtertje bent, dan loopen de mooiste meisjes
361
altijd aan den overkant van de gracht. En zoo werd z'n heele leven
362
één gedicht, wat ook vervelend wordt.
363
 
364
In de tram zat hij en dichtte zoo stilletjes voor zich heen, met
365
z'n twee handen op den knop van z'n wandelstok zatti te staren en
366
onderwijl te denken, datti zulke mooie blanke, fijne en slanke handen
367
had, zooals dichtertjes dat doen. 't Was Zondagavond in November
368
tegen zessen, de straten waren donker en verlaten. Een dame van een
369
jaar of zes en twintig kwam de tram binnen, statiglijk, rijzig in
370
haar bruine mantelpak, de opstaande kraag, manchetten en onderkant
371
van mantel en rok afgezet met zwart bont, de handen in een groote,
372
afhangende mof van 't zelfde bruine laken met 't zelfde bont bezet,
373
klein bruin hoedje met zwart bont op 't fijne gezichtje. Alles echt
374
lijn 2, Museumkwartier.
375
 
376
't Dichtertje keek even op, recht in haar oogen, maar zij zag alleen
377
't leege plaatsje in den hoek en ging hem voorbij, statiglijk. Achter
378
haar kwam haar man, gladgeschoren, in 't zwart, met een hoogen hoed
379
op z'n grijzend, kort geknipt haar.
380
 
381
Toen ze zat kon 't dichtertje haar niet zien, want hij zat op de
382
zelfde bank vooraan en er waren vier menschen tusschen.
383
 
384
Meneer zat correct rechtop tegenover haar, keek op z'n horloge en
385
zei iets, hoe laat 't was natuurlijk. Daarna spraken ze niet meer. Ze
386
waren ongetwijfeld getrouwd.
387
 
388
't Dichtertje dacht, dat ze op bezoek waren geweest en naar huis gingen
389
om te eten. En of ze een kindje zou hebben of kindertjes. En of haar
390
man zich correct zou gedragen in de slaapkamer. God liet 't gebeuren,
391
dat hij hem duidelijk voor zich zag, daar in die tram, in z'n enkele
392
hemd en sokken, een jaegerhemd, ja natuurlijk jaeger, grijs, niet
393
mooi wit, hij was zeker in de veertig en met wat malle, uitstekende
394
haartjes op z'n bloote beenen, en z'n hooge dop op. Jammer dat i
395
niet brilde. En hij hoorde hem vragen met z'n correcte Museumkwartier
396
geluid: "Zal ik 't licht aan laten, Clara?" Want ze heette natuurlijk
397
Clara, de schitterende. En 't dichtertje dacht datti "pardon" tegen
398
haar zou zeggen op een gegeven oogenblik. Ja, God laat de gedachten
399
van een mensch raar dolen en er komen vreemde passages voor in zoo'n
400
gedicht zonder eind.
401
 
402
Toen keek 't dichtertje op door 't ruit van de tram tegenover hem. De
403
huizen waren alle donker en de dames die dit lezen weten wel, dat je
404
dan alle passagiers heel duidelijk weerspiegeld ziet, buiten.
405
 
406
En de peinzende oogen van 't dichtertje zagen toen recht in de
407
peinzende oogen van Clara, de schitterende, die keken alsof ze iets
408
heel bijzonders wisten, wat bedrog is. Even werden de vier peinzende
409
oogen grooter en schitterden, toen dorst 't dichtertje niet meer,
410
want hij was een welopgevoed mannetje, al hatti rare kronkels in z'n
411
eindelooze gedicht en hij keek naar 't bruine laken en 't zwarte bont
412
en naar den vagen vorm van haar beenen in den rok en toen keek hij
413
met geweld naar een onderhuis, waar een melkboer woonde, 't gordijn
414
was neer om den Zondag. Als je wilt kun je door die weerspiegeling
415
heen kijken en de P. C. Hooftstraat is erg achteruitgegaan, jaren
416
geleden had je daar geen melkboer, nu is er zelfs een aardappelen
417
en groentenwinkel.
418
 
419
Maar toeni daarna weer keek hoe een van haar haren los was gegaan en
420
voor haar linkerslaap hing, zoo lief, zoo gegolfd, toen ontmoetten hun
421
oogen elkaar weer, even. "Ik vind jou mooi, vind jij mij mooi?" "Ik
422
wil je hebben als ik durf, wil jij mij hebben als je durft?" "Even
423
wil ik een levend mensch zijn, even vrij, een Godin, geen dame van 't
424
Museumkwartier, geen dochter van die, zuster van die, vrouw van die,
425
moeder van die, vriendin van Mevr. die. Even, in mijn gedachten. Mijn
426
gedachten gaan naar jou door mijn oogen, mijn gedachten kunnen wijd
427
en zijd gaan, vooruit en achteruit in den tijd, door alle bedeksels
428
gaan mijn gedachten. Niemand kan hen vatten of deeren, naar jou gaan
429
mijn gedachten door mijn oogen."
430
 
431
En zoo gingen zijn gedachten naar haar, door zijn oogen in de hare
432
in deze luttele seconden. En niemand wist er van.
433
 
434
En een hooge toren verrees uit zijn geest en een hooge toren uit
435
den hare. En ze zagen wijd en zijd over alles heen en alleen elkaar
436
zagen ze.
437
 
438
Zoo dichtte 't dichtertje z'n eindelooze gedicht verder en de domste
439
vrouw kan dat meedichten.
440
 
441
Maar bij elkaar komen konden ze niet en dat was misschien juist
442
't mooie.
443
 
444
Bij de Hobbemastraat keek haar man even naar den conducteur en direct
445
ging die z'n hand naar de schel. En ze stond op en liep achter haar
446
man door de tram, correct en statig en zag niemand.
447
 
448
Maar terwijl meneer afstapte en zij wachten moest op 't balcon voor
449
den ingang, haar linkerschouder naar 't dichtertje, en toen 't bijna
450
gedaan was, toen overwon ze nog even één ondeelbaar oogenblik 't
451
Museumkwartier en keek.
452
 
453
"Ik vind je mooi en jij vindt mij ook mooi. Mijn hart zingt in mijn
454
lijf en m'n hersens zingen onder m'n haren. Mooi haar, hé?"
455
 
456
En 't dichtertje dichtte z'n gedicht voort, eindeloos. Maar 't werd een
457
somber gedicht, zoolang 't duurde, en Amsterdam was donker en ledig.
458
 
459
Als een echt belachelijk dichtertje heeft i daarna nog een paar maal
460
's middags in 't Museumkwartier gedwaald, waar i zich altijd erg arm
461
voelde en nooit zeker was of z'n das wel goed zat en z'n boordje wel
462
schoon was en of i er heelemaal wel beschaafd genoeg uitzag. Maar hij
463
zag haar natuurlijk niet meer, mogelijk woonde ze heelemaal niet eens
464
in Amsterdam. Er was een huis op een hoek met een klein tuintje er
465
om en daar groeide een klimstruik tegen den muur. Die bloeide in 't
466
zachte Novemberweer zonder blad, met kleine gele sterbloemetjes. En
467
hij maakte voor zich zelf uit, dat ze daar woonde en de bloeiende
468
struik noemde hij "Clara".
469
 
470
Toch hield i wel van z'n vrouwtje en z'n vrouwtje hield veel van hem
471
en ze lieten 't mekaar aan niets ontbreken.
472
 
473
Waarom heeft God ook een mensch tot dichtertje gemaakt?
474
 
475
 
476
 
477
 
478
IV.
479
 
480
 
481
De duivel heeft altijd schik in lieve, jonge, natuurlijke vrouwtjes,
482
die veel van hun wettigen man houden. Als ze een jaar of wat getrouwd
483
zijn krijgen ze een vreemd heimwee naar een land, dat ze kennen. Maar
484
ze zijn er toch nooit geweest. Hoe kunnen ze verlangen naar iets dat ze
485
niet kennen? Hoe kun je iets kennen dat je toch niet kent? Vreemd, wat
486
missen ze? En zingende zetten ze in den voorjaarsmorgen de balkondeuren
487
open en ineens zijn ze weer vaag droevig. Waarom toch? C'est là,
488
c'est là qu'il faut être. La? Waar? "'k Ben mal". En ze drukken hun
489
kindje tegen zich aan en zoenen 't erg.
490
 
491
Coba zit op 't terras van de "Beursbengel", op 't Damrak, aan zoo'n
492
tafeltje met zwaar rond marmeren blad, met een koperen band om den
493
kant. Haar kindje zit tegenover haar, de bloote beentjes van het kindje
494
met witte halve kousjes bengelen voor haar stoeltje. Het krijgt een
495
taartje met een glas melk. 't Eet met haar kleine vingertjes, haar
496
lekkere oogen zijn zoo groot en kijken zoo overal heen. 't Kindje
497
is onder den indruk van zoo iets heerlijks en al die menschen, maar
498
't is erg blij. Moedertje kijkt of 't kleintje niet morst en helpt
499
haar zachtjes, maar zegt niet veel.
500
 
501
In den hoek zit de duivel en draait z'n snor op. Eens heb ik een
502
vrouw hooren zeggen, een hoogstaande vrouw: "Zoo'n vent, wat verbeeldt
503
zich die wel? Een man die denkt dat ik verliefd zal worden, omdat i
504
zich zelf aan een brok haar trekt, bah." Vertrouw die vrouw niet te
505
veel. Nu ligt ze 's nachts wakker en bijt in haar natte kussen.
506
 
507
Coba trekt haar manteltje uit, legt 't over haar knieën, 't is te
508
warm voor een blauw cheviotten mantelpakje. Een wit bloesje heeft ze
509
aan, haar armen schijnen er door, zoo rose-bruin en 't allerbovenste
510
van haar rug en borst. Je ziet waar haar hemd eindigt en dat 't
511
met kanten strooken van haar schoudertjes hangt. Nu trekt ze haar
512
bovenlip even naar binnen en maakt haar onderkaak langer en strijkt
513
met de rechterhand haar haar glad, ze draait even met haar hoofd en
514
't puntje van haar tong komt te zien en strijkt langs haar bovenlip en
515
verdwijnt schielijk. De duivel draait aan z'n snor. Nu praat ze lief
516
met haar kindje, ze lacht, al haar tanden laat ze zien; ze heeft een
517
sterk gebit, alle tanden staan aangesloten en ze zijn schitterend wit,
518
om haar zoo je hand voor te houden, dat ze er in bijten kan, aan den
519
buitenkant tusschen pink en pols. Het is in 't begin van Mei. Voor 't
520
eerst van 't jaar heeft ze een bloese aan die driehoekig is uitgesneden
521
en ook haar borst is wit, zoo erg wit, dat de duivel moet denken aan
522
het licht uit den hemel. En de hoeken van haar sleutelbeenderen bij 't
523
kuiltje van haar hals staan zoo pittig. Met haar slanke vingers strijkt
524
ze langs den rand van haar bloese. Nu veegt ze de handjes van haar
525
kindje af en haar toetje, met haar zakdoekje, dat een opengewerkten
526
rand heeft. En ze neemt 't handje van 't kind in haar twee handen
527
en drukt 't en geeft haar een zoentje op haar groote oogjes en 't
528
kindje vraagt: "Maatje, waarom doet u dat?" En ze kleurt en vraagt:
529
"Wat, Bobi?" "Waarom zoent u me ineens?" "Maar kindje, maatje zoent
530
je toch wel meer ineens? Wil Bobi nog een taartje? Maar dan moet
531
je je niet zoo vuil maken, hoor. Zal mammi 't zelf gaan uitzoeken
532
voor kindje? Zoet blijven zitten hoor!" En maatje gaat naar binnen,
533
haar heupen draaien heel even en haar blauw cheviotten rok gaat heen
534
en weer. En dan komt ze terug met 't taartje op een schaaltje en uit
535
de deur lacht ze tegen haar kindje en ze gaat weer zitten. De duivel
536
draait aan z'n snor. En dan in eens wordt ze bang. Als i haar eens
537
aansprak? Wat moest ze doen? "Kom Bobi, maak voort, wacht, zal ik je
538
helpen?" En op de punt van 't vorkje steekt ze haar 't halve taartje in
539
't mondje, 't is of de dikke dame naast haar draait. 't Kindje heeft
540
't toetje vol slagroom. "Bah, wat een vies kindje." "Mammi, dat doe
541
je zelf." Daar is Pa. Hij groet en neemt z'n hoed af voor den duivel
542
en de duivel neemt z'n hoed af voor Pa. Maatje kleurt weer, nu tot
543
't kuiltje van haar hals. Maar 't dichtertje ziet dat niet, hij is
544
te lang getrouwd.
545
 
546
Ze staat op en helpt 't kindje van haar stoel. "Wil je meteen weg?" "Ik
547
moet nog wol koopen om mijn manteltje af te breien. Ik kan nergens de
548
kleur krijgen. 'k Ben in wel vier winkels geweest en toen dacht ik,
549
ik zal maar eerst hier naar toe gaan, want 't werd zoo laat." De oogen
550
van 't kindje worden heel groot en kijken naar boven naar maatje. "Nou
551
vooruit dan maar, heb je betaald? aanneme!" Dichtertje dopt, de duivel
552
dopt, maatje knikt stijf. Bobi wuift met haar handje en zegt met een
553
hoog stemmetje: "Dag meneer." De duivel knikt en lacht en knijpt een
554
oog dicht. "Maatje, die meneer heeft al dien tijd naar u gekeken."
555
 
556
Gelukkig, 't dichtertje hoort niets, zijn gedicht zonder eind is weer
557
in een stadium datti er stapel zot van wordt. Hij ziet op dat terras al
558
die vrouwen zitten en er gaan er voorbij op straat. "O God," denkt i,
559
"als er nu eens een wonder gebeurde, als nu eens in eens van al die
560
vrouwen al de kleeren afvielen?" Een dichtertje dat den waanzin nabij
561
is denkt rare dingen. U en ik lezer denken nooit zoo iets. En mijn
562
lezeressen..... heilige onschuld, ik moet er niet aan denken.
563
 
564
 
565
 
566
 
567
V.
568
 
569
 
570
Zes jaar waren ze getrouwd. En terwijl zij iederen morgen brood sneed
571
en boterhammen smeerde en thee schonk voor hem, voor kleine Bobi, voor
572
't dienstmeisje en soms voor de werkster.... Snijd eens één keer brood
573
en smeer eens boterhammen voor vier kinderen, als je 't niet gewend
574
bent, wat de ongelukkige schrijver van deze geschiedenis eens gedaan
575
heeft, volslagen uitzinnig word je d'r van. Op d'n duur zal 't wel
576
wennen, maar o lieve Heer, op den duur moet 't toch ook afgrijselijk
577
vervelend wezen, als je 't ongeluk hebt er over na te denken.
578
 
579
Nu dan, terwijl zij voortdurend dit alles weer deed, behaagde 't
580
God, den echten God van hemel en aarde, Dora, haar zusje, te doen
581
opgroeien en vrouw worden, zoo mooi als een renpaardje. Zij was een
582
van die twee zusjes, die in bed waren gestopt, toen i voor 't eerst
583
boven mocht komen.
584
 
585
Het duurde lang voor hij haar zag. Maar zij had hem allang
586
gezien. Vijftien jaar was ze toen. Hij was pas getrouwd, iets meer
587
dan een jaar en kwam van een reis terug, heelemaal verbrand. Een
588
licht grijs pak had hij aan en bruine schoenen en een wit hoedje
589
met heelemaal neergeslagen rand. Toendertijd gooiden ze je in de
590
Reinwardtstraat nog met steenen als je den rand van je hoed heelemaal
591
neergeslagen had, nu mag 't. Zijn schoonouders woonden toen op 't
592
land, ergens bij den IJsel in een wit huisje met een serre, en een
593
weranda langs de bovenverdieping. Ze was nog nauwelijks meer dan een
594
kind, haar rokje kwam maar halverwege tusschen knie en enkel. Nu
595
loopen de volwassen vrouwen zoo. Ze had een jurkje aan met banden
596
over de schouders, met dikke roode strepen verticaal, daartusschen
597
smalle witte strepen. De schouderbanden waren enkel rood. In dit
598
hooge jurkje dat over de borsten reikte, droeg ze een wit bloesje
599
met stijven opstaanden kraag. Ook haar gezichtje was gebruind. 't
600
Donkere haar droeg ze met een scheiding en van achteren loshangend
601
in een zwarten strik. Ze was blootshoofds en speelde op 't gras voor
602
't huis als een kind diabolo, voor 't laatst, maar dat wist ze niet.
603
 
604
't Was in 't begin van Juni, de hooge boomen achter en op zij van
605
't huis waren een groene berg, massief. Hier en daar stond er een
606
bruine beuk tusschen. De roode meidoorn was uitgebloeid, de roode
607
bloemen van de kastanjes waren afgevallen, de ijle kaarsjes, die er
608
van waren overgebleven, stonden rechtop. De accaciá's bloeiden en
609
de jasmijn. De serre en alle drie de deuren aan de weranda stonden
610
wijd open. Er was een klein rond vijvertje voor 't huis met bladen
611
en witte bloemen van de waterlelie er in en riet en gele irissen aan
612
den kant. Voor den tuin liep de grindweg en aan den overkant van
613
den weg en ook aan deze zij er van, links en rechts van den tuin,
614
stond alom de groene rog manshoog.
615
 
616
Met de geheven armen wijduit ving ze de diabolo op 't touw, maar hij
617
viel en toen ze zich bukken wilde zag ze den man van haar zuster.
618
 
619
"Dag Dora, ken je me niet meer?"
620
 
621
Hij zag een kind en 't grasveld, en 't vijvertje en 't witte huis en
622
de hooge boomen en de accacia's en jasmijn in bloei, op zij. Hij was
623
pas getrouwd en nog niet begonnen aan z'n gedicht zonder einde. Maar
624
zij zag hem, haar oogen werden groot, 't bloed gutste in haar lijf
625
naar boven. Waarom vloog ze haar zwagertje niet om z'n hals en zoende
626
'm? Dat had ze altijd gedaan, want hij was een lief zwagertje, die
627
bonbons en brochjes meebracht en rumboonen, de rumboonen stilletjes.
628
 
629
"Dag Ee," zei ze en gaf 'm een hand.
630
 
631
"Dora, wat zie je d'r lief uit, is m'n schoonmama thuis en m'n
632
schoonvader?" Hij wilde in haar wang knijpen, zooals hij dat "de
633
kinderen" altijd gedaan had, maar ze liep hard weg en viel 't huis
634
binnen. "Daar is Ee."
635
 
636
De diabolo lag op 't pad en de stokjes met 't touw op 't grasveld. Hij
637
raapte ze op en zoende z'n schoonmoeder en schudde den ouden heer de
638
hand met geweld. "Hier zusje, daar heb je je speelgoed! Is Em nog op
639
de kostschool?" En schoonmama, die graag zag zoenen in eer en deugd,
640
vroeg: "Hebben jelui mekaar al behoorlijk goeien dag gezegd?" Maar
641
zij ging haastig de kamer uit met 't speelgoed en liep naar boven en
642
stond op haar kamertje voor 't open raam. Gek, ze hijgde anders nooit,
643
nu haalde ze diep adem. En ze voelde met haar handen dat haar borsten
644
groot werden. En 't grasveld voor 't huis en 't vijvertje met de bladen
645
en de witte bloemen, met 't riet, dat zachtjes heen en weer ging en de
646
gele lissen en links aan den kant van den tuin de bloeiende accacia's
647
en de jasmijn bij het rhododendronboschje, dat uitgebloeid was en de
648
rogge over den weg, die golvend glansde, al die dingen leken zoo nieuw
649
en zoo mooi. De leeuwerikken zongen overal, een reiger vloog, de lucht
650
was zoo hoog en de boomen ruischten om 't huis en 't licht--kun je 't
651
licht pakken en aan je drukken en in je? Ze deed haar handen samen om
652
haar achterhoofd en voelde haar borsten optrekken. Toen rekte ze zich
653
heelemaal uit. De armen wijduit omhoog, als bij 't diabolospel. En
654
ze voelde de lucht doordringen tot onder in haar longen.
655
 
656
Kalm kwam ze de trap af en zong 't koor uit de Maccabeeën: "Dag vol
657
licht en hemelgloed," wat ze vaak had gezongen, zonder er veel bij
658
te denken. Toen ging ze de kamer binnen en zei: "Dag Ee", en ging
659
op haar teenen staan en rekte zich uit en zoende 'm op z'n mond, als
660
vroeger, zusterlijk. En hij, die een gesprek had met z'n schoonvader
661
over lijnolie, pas van de reis terug, wat moet een dichtertje al niet
662
doen, hij zei enkel:
663
 
664
"Kind, wat wor je groot, ik hoef je waarachtig niet eens meer op
665
te tillen."
666
 
667
En toen hield ze al zooveel van 'm, dat ze niet eens kwaad was omdat
668
ie dat zei. "Haar borsten werden immers al groot, wacht maar."
669
 
670
"Dora, de melk kookt over, Maartje is naar 't dorp." En Dora vlug
671
naar de keuken om 't stel uit te draaien.
672
 
673
 
674
 
675
 
676
VI.
677
 
678
 
679
Voor ik verder ga wil ik even vertellen dat ook mijn manuscripten door
680
m'n vrouw worden overgeschreven en dat ze de poëzie in dit verhaal
681
niet begrijpt. Dat Coba coquetteerde vindt ze niet zoo erg, dat kwam
682
doordat 't dichtertje haar verwaarloosde. Die dame in de tram had
683
een klap op haar gezicht moeten hebben en 't dichtertje ook. Gek,
684
in andere verhalen vindt ze zulke dingen niet zoo erg. 'k Denk dat
685
't komt doordat ik dit geschreven heb. Ze moet toch den auteur weten
686
te onderscheiden van meneer Nescio, maar dat gaat haar te hoog. De
687
situatie is voor mij pijnlijk, mijn huiselijk geluk is ietwat gestoord,
688
toch ga ik door.
689
 
690
Daar wandelt de God van Nederland weer op 't Damrak over 't gloeiende
691
asfalt. Weer heeft hij 't zelfde bruinige pak aan en denzelfden hoed
692
op en schilfertjes op z'n kraag. Nu heeft hij een zakdoek om z'n
693
boordje gelegd, voor 't zweten. Z'n wandelstok zetti een heel eind
694
van z'n lichaam neer. Z'n grauwige bakkebaarden wandelen mee.
695
 
696
God van hemel en aarde, van land en zee, neem deze benauwenis van mij
697
weg, schep 'm op uw ééne hand van 't Damrak en leg 'm zoetjes neer
698
op een belt, bij blauwe pannen zonder bodems en vertrapte blikjes en
699
verroeste hoepels van vaten en asch en garnalendoppen, ergens waar
700
ik nooit kom.
701
 
702
Nu kan mijn geest mijn verdomde zelf verlaten en recht naar boven
703
gaan als blauwe rook in een stillen zomeravond, als een verre koe
704
klagelijk loeit.
705
 
706
En nu is alles weg dat geweest is en ik ben Dora en in een nieuwe
707
wereld, die dezelfde is als de oude, maar gezien van de voeten des
708
Vaders, van waar ik ook neerzie op Dora, die ikzelf ben, een vrouw nu,
709
een meisje, zoolang de genade duurt.
710
 
711
En zooals de wereld thans nieuw is voor mij, zoo lag ze nieuw en
712
maagdelijk en goedertieren uitgespreid voor Dora na dien dag. O,
713
ze aanvaardde 't wonder, maar ze begreep 't niet en ze begreep zich
714
zelven niet, zooals de aarde zich zelve niet begrijpt, waaruit 't
715
koren groeit, dat groen is en geel wordt en wordt gemaaid en de hooge
716
garven staan op de gele stoppels en de aarde weet er niet van.
717
 
718
En haar borsten werden grooter, ze bewogen bij 't loopen. Toch was
719
ze een tenger meisje met een duidelijk kuiltje in haar hals, met
720
duidelijke peesjes en 't begin van haar sleutelbeenderen duidelijk
721
afgeteekend, net als haar zuster. En als ze 't hoofd op zij deed, zag
722
je een diep kuiltje op haar schouder als ze haar losse kiel aan had,
723
die vierkant was uitgesneden. In haar bruine gezichtje waren haar oogen
724
zoo wit en zoo donker blauw. Het wit was zooals ik eens de bevroren
725
Zuiderzee gezien heb. Maar uit 't blauw scheen al de warmte van haar
726
lijfje, dat toch niet koeler werd. En als ze dan met haar handjes op
727
haar rug stond, stevig op de beenen, de voeten een eindje van elkaar,
728
dan zag je de punten van haar schouderbladen en een holte daartusschen,
729
als een gedicht, die de gedachten trok naar verten, als een rivier,
730
die gestrekt ligt, ver, en zich dan wendt en waarvan je 't eind niet
731
ziet. En als ze haar hals boog, ze droeg 't haar nu opgenomen, dan
732
keek de God van hemel en aarde even op van z'n eeuwige contemplatie
733
der eeuwige landen en zeeën en leunde z'n hoofd op z'n rechterhand,
734
die steunde op z'n dij, de duim onder den kin en de wijsvinger langs
735
zijn wang en aanschouwde het bruine knobbeltje boven de holte, die
736
een gedicht was en de kleine haartjes die glinsterden in de zon en
737
glimlachte. Daarna keek hij weer ernstig langs z'n voeten en zag zijn
738
Rijn wenden tusschen zijn bergen en peinsde: "Hoe was hij er ook weer
739
toe gekomen, 't Duitsche rijk te laten stichten? Die Pruisen....."
740
 
741
En z'n edel, hareloos gelaat versomberde, er kwamen twee diepe plooien
742
boven z'n rechten sterken neus.
743
 
744
Maar zij dacht aan geen Pruisen. Zij dacht hoe een lieven man haar
745
zuster had en dat 't goed was van haar zwager te houden. Hij was toch
746
haar broer. En een dichter. Dat had Coba haar verteld. En een dichter
747
dat was een van hen, die God lief had. Dat had ze in een boek gelezen.
748
 
749
Ze was nu zoo oud, dat ze verheven boeken las met een mondje vol
750
chocola en de rest van de reep op 't tafeltje.
751
 
752
Als zij ook eens dichten kon of--schrijven. Een boek over jonge
753
liefde. Jonge liefde, daar las je toen veel van. En als ze 's avonds
754
aan den IJseldijk lag, de fiets naast haar plat in 't gras, met een
755
grasje in haar mond, dat ze om en om draaide en over 't water keek,
756
waar 't zeil van een tjalk met geraas zakte langs den mast en slap
757
viel, dan probeerde ze het. Maar er kwam niet veel. Ze werd wel heel
758
week van binnen, haar hartje en haar longetjes werden zoo groot en
759
zoo weemoedig vol. Ze voelde 't avondlandschap in haar ruggestreng
760
van boven tot onder. De koeien, die in 't water stonden en dronken
761
en zichzelf zagen, 't rammelen van de ankerketting, 't licht dat
762
opgetrokken werd aan den mast van de tjalk, ze brachten tranen in
763
haar groote oogen. Maar er kwam niets. 't Grasje in haar mond spleet
764
ze in de lengte met haar twee nageltjes, maar er kwam niets.
765
 
766
Ze stond op. Aan de bleeke lucht schenen de sterren, 't water rimpelde
767
en warrelde en draaide en stroomde alsof er geen Dora stond in den
768
kleureloozen zomeravond. Een zware wagen kraakte moeizaam over den
769
grindweg in de verte. Weemoed steeg op uit 't duisterende land,
770
't water hield nog wat licht.
771
 
772
Toen strekte ze de handen uit, maar er was niemand die antwoordde. Toen
773
wist ze niet of ze sterven wilde of leven en reed langzaam op haar
774
fiets naar huis terug, waar moeder zat te gapen met 't Nieuws van den
775
Dag onder de petroleumlamp en haar bril op de punt van haar neus. Zoo
776
keek ze Dora strak aan. Daarna zette ze haar bril af, vouwde 'm op,
777
voelde op de krant naar 't huisje er van en bukte omdat 't andere stuk
778
wel onder tafel zou liggen. "Hier moe." Toen stond moe op, vouwde
779
gapend de krant dubbel, keek op 't wekkertje dat op den schoorsteen
780
stond en zei geeuwend: "Kwart-over tienen."
781
 
782
Op haar kamertje kleedde Dora zich uit en rook de geur van haar eigen
783
warme schoone lichaampje. En een groot verlangen vulde haar opnieuw,
784
zooals 't avondlijke land haar met een groot verlangen had vervuld,
785
en ook de donkere rivier, die uitliep in een punt, die even lichtte
786
waar i zich wendde en verdween. Maar wat 't was, wist ze niet.
787
 
788
En in eens zag ze alles weer voor zich in 't donker van de kamer,
789
't water met de tjalk die geankerd lag met z'n licht in de mast,
790
de koeien aan 't water aan den overkant, dichterbij. Ze zag dat de
791
avond niet viel, maar opkroop uit 't land, voor 't eerst gaf ze zich
792
daarvan rekenschap. En ze zag vooral 't end van de rivier, de bocht,
793
die in een punt uitliep, waar een groenige lichte plek in 't water
794
was, daar waar de oever rondboog. En ze hoorde 't verre kraken van
795
den zwaren wagen over den grindweg.
796
 
797
"God, als 't eens waar was, dat U mij lief heeft," zei ze kinderlijk.
798
 
799
En ze droomde dien nacht, dat Ee wandelde met Coba op een wei, zij
800
in een wit linnen mantelpakje en hij heelemaal in wit flanel, met een
801
omgeslagen rand aan zijn broek en een platten stroohoed op en bruine
802
schoenen. En dat ze tegen elkaar lachten en hij haar zoende op haar
803
mond, vier zoenen achter elkaar en dat ze zich lachend losmaakte. En
804
dat zij, Dora, op haar zuster toeliep en haar armen om haar hals
805
sloeg en haar hoofd tegen haar schouder legde en zei: "Coba wat ben
806
je toch lief." En toen stond daar in eens haar moeder, nu met haar
807
bril boven op haar voorhoofd en zei, "dertien minuten over half twee."
808
 
809
 
810
 
811
 
812
VII.
813
 
814
 
815
Intusschen liep 't beminde dichtertje kalmpjes als een net
816
burgerheertje zijn wegje af naar z'n graf en op 't Damrak en op
817
't Rokin en in heel Amsterdam en overal ging 't verkeer z'n gang,
818
alsof er aan 't dichtertje niets gelegen was.
819
 
820
Hij maakte wat promotie in z'n betrekking en erfde een kleinigheid,
821
veranderde gaandeweg van kleermaker en schoenenwinkel, kocht toen ook
822
dat witte flanellen pak, rookte geregeld sigaren van vier cent inplaats
823
van tweeëneenhalf, had ten slotte zelfs een kistje in huis, droeg fijne
824
overhemden en niet meer van die dikke wollen sokken, waschte z'n handen
825
voor en na 't eten, en gaf iedere week enkele guldens uit in cafés,
826
alleen en met z'n vrouw. Hij verheugde zich in den beleefden groet
827
van z'n sigarenwinkelier en in de eerbiedige familiariteit van den
828
conducteur op lijn twee. Op kantoor werti door de jaren wat ijveriger,
829
begon wat van z'n werk te maken en het gebeurde zelfs datti 's avonds
830
terugkwam, ofschoon z'n baas de lui daar nooit om vroeg. De concierge
831
respecteerde hem steeds meer, hield 'm voor een heele geleerde. Zelfs
832
zijn tante uit Delft of Oldenzaal begon tegen 'm op te zien en knikte
833
goedkeurend als Coba haar verhaalde hoe haar neef vooruitging. Hij zelf
834
sprak er nooit over. Hij was nu geabonneerd op 't Volk, 't Handelsblad
835
en de Groene, lid van de Partij en den Algemeenen Nederlandschen Bond
836
van Handels en Kantoorbedienden. Op vergaderingen kwam i niet, maar
837
als ze bij hem kwamen met een steunlijst voor een werkstaking of om een
838
uur loon voor de Partijkas, dan gaf hij hun een sigaar en Coba schonk
839
een kopje thee en dan praatte-n-i heelemaal niet uit de hoogte met ze
840
en teekende voor een riks of vijf gulden en bracht ze tot de trap en
841
trok de deur voor hen open. Hij was toch zelf ook maar in loondienst en
842
had als jongen ook zoolbeslag en hoefijzers onder z'n schoenen gehad
843
en heel vroeger in een huis gewoond waar de buren altijd de trapdeur
844
open lieten staan en aan tafel gezeten met een pan rijst, voor dat
845
z'n vader dat werk had gehad waar i zoo aardig aan had verdiend.
846
 
847
En toen i weer opslag had gekregen aten ze voortaan iederen dag soep
848
vooraf en Coba kocht drie zilveren servetringen, voor Bobi ook één,
849
en wilde voortaan geen brood meer meenemen als ze 's Zondags de stad
850
uitgingen, wat ze nog heel lang gedaan hadden.
851
 
852
Ook z'n vrinden waren vooruitgekomen in de wereld. Bonger, de dokter
853
en Graafland, die hoofdcommies was bij de post en 't boekenschrijven
854
had opgegeven en van der Meer, die in automobielen dee en 't dichten
855
verachtte. Die niet vooruitgekomen waren zag je heelemaal niet
856
meer. Daar had je Kool, die altijd z'n brood met z'n twee handen at
857
en die zoo lang had geprakkizeerd om de wereld te hervormen, datti
858
koloniaal was geworden. God weet waar die nu zat, eerst hadden ze
859
mekaar geschreven, maar toen had dat opgehouden, je wist niet meer wat
860
je schrijven moest. Hein hatti een tijdje geleden nog eens ontmoet. Die
861
moest en die zou schilderen. De ziel der dingen schilderdeni, maar
862
't bracht nix op en toen z'n vader was gestorven hatti heelemaal
863
nix. In jaren had 't dichtertje hem niet gezien.
864
 
865
Op een dag loopti door de Pietervlamingstraat en daar ziet i 'm, als
866
kraai verkleed. Hein, die één maal geexposeerd had: "Portrait d'un
867
jeune homme poitrinaire et syphilitique," theosofisch "opgevat." Er
868
moest een groenteboer begraven worden. De kraaien stonden op de kleine
869
steentjes te wachten, ze hadden parapluies bij zich, Hein ook. 't Was
870
druilerig weer. Scheef op z'n kop stond een rouwhoogehoed, die 'm te
871
klein was. Z'n gekleede rouwjas met tressen hatti dicht geknoopt. 't
872
Ding was veel te nauw en barstte haast open en zat vol malle plooien
873
om z'n ribbekast. "Jonge," zegt Hein, "wat ben jij een fijne man
874
geworden." Meteen dragen ze, Goddank, den dooien groenteboer z'n deur
875
uit. 't Is niet zoo makkelijk iets te wezen in de wereld, ook al ben je
876
een dichtertje en heb je jezelf wel zoo wat in de gaten. Hij liep toch
877
al niet zoo graag meer in die straten, na dien tijd kwam i er liever
878
heelemaal niet meer. En dan moet je mee uit eten genomen worden en een
879
spijskaart voor je krijgen waar geen regel op staat die je begrijpt. En
880
dan neem je den eersten keer overal te veel van omdat je niet precies
881
weet wat er komt en nooit weet hoe ver je bent. En de volgende maal
882
zal je 't beter doen en dan krijg je lang niet genoeg en moet een
883
groote zware sigaar rooken met een leege maag. Dan wensch je dat je
884
vader je maar bij de stadsreiniging had gedaan indertijd, om met een
885
blauwe kiel en een ratel en een glimmende leeren pet met een koperen
886
nummer op een stil, zonnig grachtje te loopen ratelen in de vroegte,
887
zonder er wat bij te denken, op schoenklompen met dubbele zoolen.
888
 
889
En achtentwintig jaar voor hem uit, op 't wegje naar z'n graf zag i
890
't grijze hoofd van z'n vader loopen, dien 't ook altijd goed was
891
gegaan en die ook nooit iets bijzonders had bereikt. Hij zag zichzelf
892
al loopen over 28 jaar, met net zoo'n hoofd en kreeg 't gevoel of i
893
z'n eigen vader was. En drieentwintig jaar achter 'm liep z'n dochter,
894
nu nog z'n dochtertje. Z'n Bobi van nu zou over drieentwintig jaar
895
nergens wezen en toch zou ze den weg afloopen dan, dezelfde en toch
896
een ander. En 't dichtertje vond 't een zinnelooze optocht, die
897
'm droefgeestig maakte.
898
 
899
Maar in dit nette, onschadelijke, jonge burgerheertje leefde nog
900
iets, dat geen heertje was, maar een mensch, die niet zoo maar dood
901
wou gaan, die zichzelf een toren wou oprichten tot de blauwe lucht,
902
om te staan in eeuwigheid. En een beest dat zich zat wilde vreten aan
903
al 't onverschillige levende en doode, dat maar dee of hij er niet
904
was en zich wederom zat wilde vreten tot 't alles opgevreten had en
905
alleen over was met 't niet.
906
 
907
Maar daar hij niet wist hoe i beginnen moest, kwam er nooit iets
908
van. Hij bracht 't niet verder dan dat nu en dan één van z'n gedichten
909
in een tijdschrift werd opgenomen en dat 't Handelsblad 'm prees, maar
910
dat prijst zooveel, en dat meneer Scharten hem, Goddank "veelbelovend"
911
noemde. En z'n vrienden, die ernstige mannen waren geworden, zeiden een
912
enkel waardeerend woord er over, als ze 'm bij gelegenheid eens zagen,
913
die dweepten niet meer. En de afleveringen der tijdschriften begonnen
914
langzaam te vergaan, zooals 't leven van 't dichtertje en overigens
915
gebeurde er niets. De lui op kantoor lazen geen tijdschriften en hij
916
schreef trouwens toch onder een anderen naam.
917
 
918
Eens op de Zaandammerboot zat een verloofd stel naar 't water te
919
kijken, hij had zijn rechterarm om haar schouder en hield haar
920
rechterpols vast en zij legde weer haar linkerhand op zijn rechter
921
en zoo zaten ze dicht tegen elkaar aan. 't Dichtertje keek naar hen,
922
zoo'n net verloofd stel is zoo aardig om te zien. Dat die kinderen
923
onrustig zijn omdat ze meer willen en zich warm maken om wat ze niet
924
kunnen en niet durven en nooit weten waar ze zullen ophouden, dat zie
925
je niet en daar denk je niet over. 't Was heel aardig en misschien
926
waren ze nog maar pas verloofd en tevreden met elkaar vast te houden
927
en te dwepen. Toen keken ze elkaar lachend aan en hij zei:
928
 
929
 
930
    "Ik kijk van terzij in je groote oogen.
931
    En zie een blauw' en een gouden vonk"
932
 
933
 
934
en zoende haar op haar mond. Zij bloosde: "Die meneer keek net."
935
 
936
Dat was de eenigste keer dat 't dichtertje zijn leven voelde leven
937
in 't hoofd van een ander mensch en toen werti nog verlegener dan
938
't meisje en bloosde ook en gaf een kwartje aan den man die geld kwam
939
ophalen voor de muziek.
940
 
941
Daarna was noch aan de doode, noch aan de levende dingen meer te
942
merken, dat ze weet hadden van wat 't dichtertje beleefd had in z'n
943
dichterhoofd, datti meedroeg op weg naar z'n roemlooze graf.
944
 
945
't Dichtertje kreeg er genoeg van. Hij had nog iets heel moois liggen:
946
 
947
"Mijn doode hart is zoo zwaar te dragen". Dat gooideni maar in 't
948
keukenfornuis, de haard brandde niet, want 't was zomer.
949
 
950
En toen werti zoo kwaad op alle levende en doode dingen, datti z'n
951
eindelooze erotiek onderbrak en een grimmig boek schreef, dat 'm in
952
eens beroemd maakte. Maar dat was later pas, dat komt straks.
953
 
954
Voorloopig deeti alleen nog maar z'n gave tanden en kiezen op elkaar
955
en daarna zeidi, alleen in z'n kamer, hardop: "Een groot dichter
956
worden en dan vallen, Godverdomme." Z'n schoenen hatti losgemaakt
957
en i schopte er één van z'n voeten datti een slag gaf, waar mevrouw
958
beneden van schrikte.
959
 
960
 
961
 
962
 
963
VIII.
964
 
965
Dat was in den zomer en in 't najaar was 't dichtertje zoo ver
966
datti "onmogelijk" van kantoor weg kon. Z'n tante had reden tot
967
tevredenheid. Haar neef "hattet druk". Drie, vier avonden in de week
968
zat i op kantoor. Hij had een week bij haar zullen logeeren in Velp,
969
waar zij tegenwoordig stil leefde, de zaak had ze verkocht. Maar hij
970
kon niet weg, als een heusche heer.
971
 
972
's Zondags las i thuis de mail, om toch maar vooral niet te denken
973
en als er visite kwam, zei Coba: "Ik geloof uit Shanghai, is 't
974
niet Shanghai, Eduard?" En tante zag in gedachte al een circulaire
975
waarin stond "dat wij onzen langjarigen medewerker, met ingang van
976
1 Januari,--dat is wat gauw, met ingang van 1 Juli tot mededirecteur
977
hebben benoemd."
978
 
979
Maar 't kwam even anders.
980
 
981
Pa was dood. Pa had altijd buiten willen wonen. Vier jaar lang hatti
982
kippen gehouden en de pauw voer gegeven en vruchtboompjes geplant,
983
die dood waren gegaan. En boekgehouden. Als de eieren in 't dorp zes
984
centen kostten in 't winkeltje, kwamen ze hem op acht. Maar als i de
985
keuken binnenkwam met zes eieren en z'n voeten naveegde op de mat,
986
vontti dat je voor die twaalf centen meer, ook waar kreeg.
987
 
988
En moe had zich geschikt en zoo veel mogelijk meegeleefd en nix
989
laten merken, als een echte goeie ouwerwetsche moe. En 's avonds,
990
alleen onder de lamp, op d'r krant gestaard over haar bril en aan de
991
Linnaeusstraat gedacht. Zij kon niet om negen uur naar bed. Ze zag de
992
trams rijden in den avond over 't pleintje bij de Mauritskade, waar
993
ze op uitkeek van haar bovenwoning, ze zag de lichten schuiven. En
994
de boomen van het Muiderbosch, die bladerloos heen en weer gingen
995
langs de donkere lucht, met de zwarte kraaiennesten. Dan kon je zoo
996
echt naar 's zomers buiten verlangen. En ze dacht aan de winkels op
997
Zaterdagavond en de drukte van 't winkelen en hoe ze zelf door de
998
van Swindenstraat liep met 't boodschappenmandje onder haar schort,
999
in den tijd dat 't hun nog niet zoo goed ging.
1000
 
1001
Zoo echt gezellig kon je dan nog eens praten. Hè jà, en de
1002
Dapperstraat met twee rijen karren, groenten en visch en kaas en
1003
kopjes en schoteltjes, met olielampen, die walmden en rustig wit
1004
licht in witte ballonnetjes van eigengemaakt gas. En overal herrie
1005
en geraas. Toen ze al lang deftig waren geworden, ging ze nog wel
1006
's Zaterdagsavonds gerookte aaltjes koopen aan de kar met al die
1007
zwarte stangen rechtop, met van die genoegerige koperen knoppen. Tot
1008
een meisje met een groot bont schort en gekapt hoofd, zonder hoed,
1009
had gezegd: "Jeisis, de raakdom komt oltjes kaupe." Zoo'n flodder,
1010
met bruine schoenen aan.
1011
 
1012
En dan begon moe te soezen in de suizende stilte en met haar bril in
1013
haar rechterhand zat ze te knikkebollen, tot ze wakker werd doordat
1014
ze te veel voorover knikte. "Hè, mensche, 'k dacht waarachtig dattik
1015
de tram hoorde bellen."
1016
 
1017
Onderwijl schreef Dora op haar slaapkamer in schoolschriften van een
1018
dubbeltje proza over "Hem" en maakte zichzelf wijs dat hij iemand
1019
was, dien ze niet kende en die komen moest. En die schriften werden
1020
weggestopt in een la, waar niemand in kon, ze bloosde, ofschoon ze
1021
alleen was en niemand er van wist.
1022
 
1023
Em was verloofd, met een boekhouder in Amsterdam en praatte over haar
1024
huis, dat nog gezocht moest worden en dacht aan een kindje. Raar, zoo'n
1025
vrijer, die "op stuk van zaken" en "eventueel" zei en met een scherpe
1026
plooi in z'n zwarte kamgaren broek bij 't kippehok stond. En altijd
1027
hatti 't weer met pa over "de Bovenkerken," meneer Bovenkerk, die in
1028
steenkolen dee en mevrouw Bovenkerk, die 's zomers in Zandvoort woonde
1029
op "Mon Désir", en den jongeheer Bovenkerk, die eindexamen vijfjarige
1030
zou doen. En de rest. Em was erg kwaad geworden, omdat Dora eens had
1031
gezegd: "Daar heb je Bovenkerk". "Vrij jij met den IJseldijk", had ze
1032
gezegd en bijna had ze er bij gezegd: "Ouwe kneut." Dora was een jaar
1033
ouder. Maar haar opvoeding was haar gelukkig de baas gebleven. Dora had
1034
erg gekleurd en niets teruggezegd. "Zou ze in één van m'n schriften
1035
hebben gekeken? Ik laat er toch nooit één zwerven." Jasses wat een
1036
zwager. En als i z'n witte vest aan had! En die oogen. Zoo echt een
1037
heer, die bij den weg naar nix anders kijkt dan of i ook een kennis
1038
tegen komt. En zoo slap. Hoe kon Em tegen zoo'n man aanstaan! Zij
1039
leunde nog liever tegen een dennestam. Nee dan was Coba heel wat
1040
beter af. Zoo'n man als een zee! En meteen kreeg ze een visioen van
1041
wit zand en zon en golven en branding, en roode en blauwe badpakjes en
1042
witte jurken en witte en roode parasols. En van duinen met uitgeholde
1043
flank, met helmsprieten, gebogen waaiend, er bovenop. En van een golf
1044
die haar omsloeg in 't water, ze proefde zout.
1045
 
1046
Nu was pa dood en zouden ze verhuizen. Moe ging weer in de
1047
Linnaeusstraat wonen, over 't Oosterpark. Em zou 't volgend jaar
1048
trouwen en Dora moest maar naar kantoor. Zoo'n beetje helpen in 't
1049
huishouden en nu eens hier logeeren en dan eens daar en eigenlijk nix
1050
doen maakt maar ongedurig. Ze zou nog eerst een paar weken naar een
1051
vriendin gaan bij Berg en Dal om wat te bekomen van al de narigheid
1052
en dan kon ze meteen naar Amsterdam in 't nieuwe huis trekken.
1053
 
1054
Ee zou haar wegbrengen. Hij kon wel moeilijk nog een dag van kantoor
1055
weg, maar hij zou 't er dan maar afnemen.
1056
 
1057
Dora keek al eens naar 'm: wat praatte n-i-raar.
1058
 
1059
In den trein waren ze beleefd en welwillend voor elkaar, maar erg
1060
stil. Ze reden over den IJsel en over den Rijn en Dora staarde met
1061
groote stille oogen naar de rivieren, rechtop in haar zwarte jurk,
1062
de handjes in haar schoot, tot zij ze niet meer zag en ook daarna
1063
zat ze en staarde.
1064
 
1065
En hij keek zoo nu en dan naar haar gezichtje en dan weer naar buiten,
1066
om haar vooral niet te hinderen. En dan probeerde 'n-i of hij haar
1067
zien kon in z'n verbeelding, eerst telkens een brok, haar voorhoofd,
1068
en hoe de haren er boven waren, golvend, en haar oogleden en haar
1069
lange donkere wimpers en dan haar zwarte wenkbrauwen daar boven, even
1070
gebogen en dan dat alles bij elkaar en haar oogen, haar oogen vooral,
1071
die zag hij telkens boven de akkers, en 't neusje dat nauwelijks
1072
wipte, zoo fijn en haar kleinen mond, dicht gesloten de roode lippen,
1073
en de kleine oortjes, die rose doorschenen, met 't haar er boven en
1074
losse haren er voor en haar onderkaak, zoo edel lang, met een spits
1075
kinnetje, waar een zoenkuiltje in was. En dan moesti telkens weer
1076
kijken naar de twee rechtoppe richeltjes onder haar neusje.
1077
 
1078
Hij sloot even z'n oogen en zag 't heele gezichtje duidelijk voor zich,
1079
de bruine wangen nu ook. En daar was 't ook heel duidelijk buiten,
1080
voor de rij populieren, die nog maar weinig blad hadden. Want 't was
1081
al October. Hij moest even lachen om de menschen, die hem voor een
1082
degelijk heer hielden.
1083
 
1084
"Zeg is 't waar, dat je tegenwoordig iederen avond op kantoor zit?" Hij
1085
knikte. "Moet dat?" Hij haalde z'n schouders op. "Waarom doe je 't
1086
dan?" Hij lachte weer. "Om vooruit te komen in de wereld. 't Wordt
1087
je niet cadeau gedaan." 't Leek haar nix prettig... "Wat zou jij
1088
dan willen?"
1089
 
1090
"Kijken... en denken... en schrijven," zei ze en bloosde heel
1091
even... "ten minste als je dat kunt."
1092
 
1093
Hij glimlachte akelig wijs. "Nix gedaan, Doortje. Je wordt er nix
1094
beter van, 't stomste vee is 't beste af. Geloof je niet dat Bovenkerk
1095
een gelukkige kerel is?" Haar groote oogen gingen wijd open in stille
1096
ontzetting. "Hè, schrijven wat je denkt is zoo fijn, zoo roef, roef,
1097
je weet zelf niet hoe je 't doet. 't Staat er ineens precies zooals
1098
't er staan moet. En als je 't dan naderhand leest, dan leef je in
1099
eens weer je eigen leven van toen en toch weet je niet, of je dat
1100
nu zelf bent of een ander." Haar oogen schitterden, er waren tranen
1101
in. Ze bloosde niet meer over zichzelf. Ze zat stil met haar hoofdje
1102
op haar rechterhand, haar elboog op de richel voor 't raampje en
1103
staarde naar buiten. En 't dichtertje dacht: "dat is een echte,"
1104
en dat ze hem nu voor een degelijk heer hielden.
1105
 
1106
Maar hij bleef grimmig en wijs, "God brengt ons op een hoogte, om
1107
ons te laten afdalen. De weg over den top is kort, maar de dalen zijn
1108
lang. Die op den top is geweest, slijt zijn dagen in verdriet."
1109
 
1110
Zij schudde langzaam haar meisjeskopje, zoo lief en toch zoo
1111
nadenkelijk: "Ik leef altijd op den top."
1112
 
1113
Hij wou zeggen: "Goed zoo," maar hij zei niets. Zij staarde in den
1114
Waal. "Mooi hè?" En in eens stond ze op, nam haar hoed uit 't rek,
1115
stak er vlug de pennen door en met haar beide handen aan haar hoed, de
1116
voeten wat van elkaar om stevig te staan, lachte ze in eens overmoedig
1117
met al haar tanden, als een kwaaie meid, haar oogen in de zijne:
1118
"Aan mijn lijf geen Bovenkerk." Toen leunde ze haar bovenlijf uit
1119
't raampje en keek naar Nijmegen, dat daar lag op de heuvels aan de
1120
rivier, zoo on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen en
1121
boomen boven boomen, en zong tegen den wind en 't gerammel van den
1122
trein over de brug.
1123
 
1124
 
1125
 
1126
 
1127
IX.
1128
 
1129
 
1130
Een groot dichter zijn en dan vallen. In de volheid der tijden.
1131
 
1132
't Was wel een dag om eens even de 36" white shirtings en coloured
1133
satteens te vergeten.
1134
 
1135
Zij werden niet afgehaald. De vriendin kon niet van huis, want haar
1136
moeder kon niet loopen en ze zaten zonder meid. Een meid is een zuster,
1137
niet van u of mij, maar van een letterzetter of een brievenbesteller,
1138
die bij u of mij op haar knieën door de kamer kruipt om den grond te
1139
vegen en 't vuilnisvat buiten zet en de kopjes breekt.
1140
 
1141
Dora en 't dichtertje dronken dus koffie in Lent, over 't water,
1142
in 't gezicht van de stad en de heuvels. 't Was een stille,
1143
zonnige herfstmiddag geworden. De kastanjes waren al kaal, de gele
1144
vijfvingerige bladen met hun dikke kleverige stelen lagen op de aarde
1145
en dorre en gouden bladen lagen overal. Er was de geur van bladen,
1146
die vergaan, die 't dichtertje altijd zoo week maakte onder zijn vest,
1147
alsof i dood zou gaan en onsterfelijk wakker worden in net zoo'n
1148
stillen blauwen en gouden herfstdag, die niet zou eindigen. En hij
1149
streek een herfstdraad van z'n voorhoofd. De lucht was zoo blauw en
1150
wolkeloos en zag zichzelf in 't water en de zon scheen gouden.
1151
 
1152
En uit 't water steeg de stad naar de blauwe lucht, de kade en de
1153
huizen en daarboven weer huizen, half of heel uit boven andere, met
1154
vele roode daken en ergens een kerk, groot, als een teeken voor God
1155
om z'n stad te herkennen en twee spitse torens, die hoog en onmachtig
1156
zich rekten naar nog hooger. Zoo reikt een dichtertje uit de rivier
1157
zijner dichterlijkheid machtig en onmachtig naar God, die niet te zien
1158
komt achter de blauwe lucht. Toen moest 't dichtertje toch weer even
1159
lachen om 't wonder dat in zijn oogen was, die daar een monument van
1160
heerlijkheid zagen, terwijl er niets was dan veel hokken vol miezerig,
1161
nog niet eens Hollandsch, maar Geldersch kleinsteedsch leven.
1162
 
1163
Zij keken juist recht in een straat, die van de kade steil en
1164
recht naar boven liep, er begon wat schaduw in te komen aan den
1165
rechterkant. En ergens in de hoogte was een groot plat met een ijzeren
1166
hek er om en ergens anders een waschtobbe op een ander plat en iemand
1167
zette, meer dan halfweg tusschen de rivier en God, een raam open,
1168
dat even de zon fel weerkaatste.
1169
 
1170
En links van de stad was 't lage walletje der begroeide heuvels,
1171
een rechte lijn tot "ins grosse Vaterland".
1172
 
1173
Een gouden laantje liep langzaam hellend, schuin naar boven. De
1174
gouden letters van het Fransche pensionaat "Notre Dame aux anges"
1175
blonken in de verte, hoog, aan het hooge huis, dat aan den voet van
1176
de heuvels staat, waar de grasvlakte eindigt.
1177
 
1178
"Notre Dame aux anges", onschuldig naakte engeltjes en onschuldige,
1179
geheel gekleede pensionnaires. De God van Nederland heeft wel gelijk,
1180
je weet nooit wat je aan die dichters hebt, zijn ze nou netjes of
1181
niet netjes?
1182
 
1183
Toen hervond 't dichtertje ineens de zwakke romantiek in dat heele
1184
geval. God bedoelde er heelemaal niets mee. Hij speelde maar wat en
1185
had maar eens een heel nieuwe ensceneering bedacht om die Leiden des
1186
jungen Werthers op te voeren, als hij daar lust in zou hebben.
1187
 
1188
En zoo praatten zij en speelden met woorden en gedachten en fantasieën
1189
en zagen aan de schittering van elkaars oogen, als een nieuwe inval
1190
uit zou flitsen. En daarna stapten ze op en gingen de rivier over. Zij
1191
wilde datti een mooi cadeau voor Coba meebracht, als i 's avonds naar
1192
huis ging. Dat zouden ze eerst samen koopen. Ze hing aan z'n arm,
1193
haar linker door zijn rechter en zoo hielden haar kleine handjes in
1194
zwarte glacétjes elkaar vast.
1195
 
1196
Een zacht-lila, zijden sjaal met geknoopte franje moest i koopen,
1197
hè ja, daar zou Coba vast heel blij mee zijn. Toe, dan was i een
1198
lief zwagertje. Ze keek in z'n oogen en drukte z'n arm, voor haar
1199
zuster. Er was geen valschheid in haar hoofdje, haar bloed joeg,
1200
maar in haar hoofdje was geen valschheid. "Kijk eens wat leuk". Ze
1201
stonden in de laagte en keken naar boven onder de brug door, die daar
1202
in de hoogte naar de Belvédère voert. En de boog van de brug omlijstte
1203
een schilderijtje. Een brok verlaten buitengrindweg, ietwat stijgend,
1204
aan weerszijden de blauwe band der voetpaden en kleine boompjes met
1205
schel oranjegele kruintjes, en de takken, door de bladen heen al
1206
goed zichtbaar en een paar lantaarns, ver van elkaar, met melkglas
1207
van boven, fel wit, een prentje om "5 October" onder te schrijven.
1208
 
1209
Er was geen valschheid in haar hoofdje toen ze in eens kalmer werd
1210
door de afleiding, die dat prentje aan het gesprek gaf, ofschoon
1211
ze 't zelf voelde. Maar ze begreep 't niet, zooals Adam en Eva hun
1212
naaktheid niet begrepen en de "Anges" van Notre Dame hun engelenstaat
1213
en de pensionnaires hun geheel gekleedheid niet. Mijn God, wat is
1214
een vrouw, die zichzelf begrijpt.
1215
 
1216
Maar hij begreep zichzelf wel, akelig duidelijk en daarom gebeurde
1217
er niets. Hij zag haar aan en de dichter in hem aanbad haar en hief
1218
haar ten troon naast den God van hemel en aarde en durfde haar niet
1219
aanraken.
1220
 
1221
En te gelijk zat diep in 't dichtertje 't beest gedoken voor den
1222
sprong, dat zich zat wilde vreten aan alles wat als een temptatie in
1223
onverschilligheid om hem heen had gestaan en langs hem was geloopen
1224
en hem niet erkend had. En haar eerst, 't mooie, 't beminde eerst, zoo
1225
dat er geen pardon meer zou zijn voor al 't mindere. Haar te verheffen
1226
zoo hoog als de sterren in de winternacht en met haar 't ergste te
1227
genieten en haar dan te laten vallen in 't zwarte grondelooze. Op
1228
haar te wreken in 't genot de tempteerende onverschilligheid. En wat
1229
zou een dichteres je ook beter verlangen, dan zóó te vallen?
1230
 
1231
Dit dachtti terwijl een muschje van een paardevijg op den grindweg
1232
in een van de oranje boomen vloog. Maar hij zei: "Weet jij een goeie
1233
winkel?"
1234
 
1235
Ze kochten een heel mooie shawl, fijn en zwierig. Jammer, dat ze in
1236
't zwart was. Zij pastte zelf net zoo'n doek, maar een zwarte, om
1237
te zien hoe die viel en deed er haar bovenlijfje een klein beetje
1238
bij achterover. Maar die lila, die was prachtig. Coba zou vast een
1239
gilletje geven van plezier.
1240
 
1241
En zoo was ze tegelijk en beurtelings dien dag zuster en vrouw en
1242
dichteresje en courtisane en kende haar verdeeldheid niet en begreep
1243
er niets van.
1244
 
1245
Maar wat een dag der dagen.
1246
 
1247
Luid zong ze op den weg naar Beek, die ook verlaten was en ze liep
1248
steigerend, ze kon 't niet laten, ze kon de heuvels vertillen voor
1249
een lolletje en de zon met één hand van de lucht halen en over haar
1250
hoofd in den Waal gooien, datti siste.
1251
 
1252
De electrische tram haalde hen in en trok een lange rij dorre en
1253
gele bladen warrelend en schuifelend, ritselend achter zich aan,
1254
een lolletje Gods, datti zich wel veroorloven kon op zoo'n dag.
1255
 
1256
Van Beek stegen ze naar Berg en Dal slingerend door de heuvels. En
1257
de heuvels waren te laag en niet steil genoeg, hoe kon je daar moe
1258
worden? En moe moest ze worden of ze sprong uit elkaar van kracht, in
1259
scherven van dichteresje en vrouw en zuster en courtisane. Bovenop
1260
keken ze in een dalletje met hellende zwarte en gele en groene
1261
rechthoekige veldjes en denneboschjes en eiken hakhout er tusschen
1262
op de hellingen. En daaroverheen in de vlakte, uren ver met niets
1263
markants er in, alleen een recht brok rivier, dat breed van hen
1264
wegliep, tot waar i zich in een bocht verloor. Daaraan, heel klein,
1265
de roode afdaken van steenbakkerijen en hun schoorsteenen, hoog en
1266
toch verloren in de wijdte.
1267
 
1268
Daar stonden ze en op eens merkten ze dat ze niets konden dan weer
1269
weggaan.
1270
 
1271
Maar 's avonds in bed kon ze niet slapen, in haar hoofdje wilde de
1272
helderheid niet wijken. Ze doorleefde den heelen dag telkens opnieuw en
1273
zag alles weer heel duidelijk. En in eens werd 't onder haar schedel
1274
als de zon zelf: "Ik houd van hem. Ik kan niet anders. Ik wil. God
1275
sta me bij." Ze ging uit bed en dronk haar karaf achter elkaar leeg.
1276
 
1277
Den volgenden ochtend zat ze in haar pon op den rand van 't ledikant
1278
en keek naar haar enkels en prakkizeerde: "'t Zal wel zoo zijn,"
1279
maar de helderheid was geweken.
1280
 
1281
Hij wilde niet denken. Als een net en degelijk heer zat i kalmpjes
1282
en gereserveerd in lijn twee en reed naar kantoor.
1283
 
1284
"Môgge, dames en heeren." En grimmig ging i aan z'n lessenaar zitten
1285
en schiftte de post.
1286
 
1287
 
1288
 
1289
 
1290
X.
1291
 
1292
 
1293
't Was in 't laatst van Maart toen de tijden vol waren.
1294
 
1295
Den heelen dag hadden ze drukproeven nagezien, Dora en hij, heel droog
1296
en zakelijk. Coba logeerde met Bobi in den Haag bij een rijke nicht
1297
uit Indië. Zij hadden beiden eenige dagen vrij genomen van kantoor.
1298
 
1299
Om vijf uur had ze thuis gegeten en daarna was ze nog even
1300
teruggekomen, om 't werk af te maken. Toen de schemering begon waren
1301
ze klaar, 't pak lag op tafel, de brief voor den uitgever lag er naast,
1302
er moesten alleen nog maar postzegels op.
1303
 
1304
't Was in de stad op een bovenhuis, maar het was aan den kant, er
1305
was een vaart voor 't huis en aan den overkant was 't weiland. Dora
1306
zat op een stoel voor den haard, mantel aan en hoed op en keek in
1307
't vuur en dacht aan de volheid der tijden, de volheid voor haar
1308
heel ver af. Hij lag plat op de rustbank, tusschen 't venster en den
1309
haard, zoo plat dat ze hem nauwelijks zien kon in de donkere kamer,
1310
en keek naar 't gele licht van de straatlantaarn op 't plafond en naar
1311
't roode schijnsel van den haard op de vloer.
1312
 
1313
Achter 't huis was de stad en 't lamplicht in vele vensters, maar
1314
dat zagen ze niet, want ze zaten voòr en als Dora opkeek zag ze 't
1315
land, waar 't laatste licht de hooge lucht verliet, over de aarde was
1316
't reeds donker.
1317
 
1318
't Dichtertje had nu van alles genoeg. Z'n boek was af, z'n gedicht
1319
zonder eind hatti vermoord, z'n positie in de maatschappij was een
1320
farce. Coba en Bobi hadden genoeg om te leven zonder hem, God zou
1321
hen troosten, de tijd heelt alle wonden. Dat was een wandtekst van
1322
z'n tante in Velp.
1323
 
1324
't Was lente. Het leek nog winter, maar 't was lente. Het sneeuwde
1325
nog wat in die dagen, 't was nog wat koud en 't vroor nu en dan,
1326
maar dat was maar een aardigheidje en zoo erg niet gemeend.
1327
 
1328
De dagen werden lang, om zeven uur deden de menschen de lichten aan. En
1329
als om half zeven de gaslantaarns werden aangestoken op de gracht,
1330
stonden ze daar zoo bleek en verwonderd. Dan warrelde de sneeuw er wat
1331
om heen in kleine voorjaarsvlokjes en smolt voor dat ze op straat viel.
1332
 
1333
En ze dachten beiden aan de zomerregens, die komen zouden en hun
1334
neuzen van niet te rangeeren bohemiens, die zichzelf niet vermoorden
1335
konden, rooken 't versche hooi. Hij, grimmig als de titel van z'n boek,
1336
"Djengis Kan," en grimmig als 't boek zelf en met de gedachte dattie
1337
't niet meer ruiken zou, datti ook dit koninklijk abandonneerde, zij
1338
vol vaag verlangen en zoo bewogen in haar hart. Haar handen vouwde
1339
ze op haar rok waar die gespannen stond tusschen haar knieën. Die
1340
hield ze van elkaar en zoo zat ze, voorovergebogen, op haar stoel.
1341
 
1342
De koeien waren al in 't land geweest, op een zonnigen dag hadden
1343
zij ze gezien. Het land had de koeien direct herkend en ze stonden er
1344
heel vertrouwelijk in en de zon was er blijde om geweest. Naderhand
1345
waren de dagen weer kouder geworden en de koeien moesten zoo lang
1346
weer binnen. Maar de hagel kon de lente niet tegenhouden.
1347
 
1348
De berkestammen waren toen zilverwit, maar mooier dan zilver. De taal
1349
is armoedig, doodarmoedig. Die de werken des Vaders kent, weet dit.
1350
 
1351
De weilanden leken minder verzadigd van water, de landen werden
1352
gemest, de zon steeg hooger en was trager in 't zinken. En Dora
1353
dacht hoe de zon groot, rood en koud had gestaan in December, laag
1354
boven de kim, om vier uur en verging in een kouden nevel en verdween,
1355
zwak en weerloos. Maar dat was lang geleden. En hoe in den winter de
1356
menschen om vier uur hun lichten aandoen en hopen dat 't nog weer
1357
eens dag zal worden. Maar nu wist ze al weer zeker dat de zon zou
1358
opkomen den volgenden morgen. En dan, wat dan nog?
1359
 
1360
Ze spraken nog altijd niet.
1361
 
1362
Hij dacht aan den tijd toen i gewerkt had, wat men noemt "hard
1363
gewerkt." En hoe z'n familie gezegd had, datti wijzer begon te
1364
worden. En datti eens had geklaagd, datti 't zoo erg druk had en
1365
dat allerlei dingen op kantoor tegenliepen en hij er 's nachts van
1366
droomde. En dat toen z'n tante had gezegd: "Ja jongen, de ernst des
1367
levens." Ze zou vast z'n boek lezen, hopen op een presentexemplaar,
1368
wachten of 't in de portefeuille zou komen. En er van willen schrikken,
1369
maar dat niet durven als allerlei menschen 't geprezen hadden. Hij
1370
zag zichzelf al circuleeren in de portefeuille in Velp, 't was wel
1371
de moeite waard.
1372
 
1373
"En wat dan nog?" dacht Dora. De sneeuw had ze weer zien smelten en
1374
de knoppen wat grooter worden. En daarna werden de kruinen van de
1375
hooge boomen alom bruin.
1376
 
1377
Het leek haar alsof ze dit heel lang geleden ook zoo gezien had, met
1378
haar handen gevouwen op haar rok, de knieën wijduit, voorovergebogen
1379
op haar stoel.
1380
 
1381
De zon scheen weer, ze zag de huizen in 't licht en de boomen en den
1382
gouden schijn in 't water. Den treurwilg zag zij gelen, zijn takken
1383
hingen, ze trokken naar 't water, in doodstille gele aanbidding hingen
1384
ze er stom boven en zagen 't gele licht in den vijver. De wollige
1385
witte wolken zeilden in den vijver, ze schoven voor den blauwen hemel,
1386
maar dekten hem niet. Zoo staan de treurwilgen in de stad in de vroege
1387
lente, materialisatie Gods tusschen de klompige huizen, die zoo hoog
1388
zijn, en ze wekken 't verlangen, dat geluk is en verdriet. Je komt den
1389
hoek om, een abjecten goren hoek bij een haringstalletje, dat stinkt
1390
naar gemarineerde haring en op eens gaat een slag van je oogen naar
1391
je hart, je ziet 't goud neerstorten als een zee en je staat en een
1392
klein jongetje veegt z'n neus af met den rug van z'n hand en roept:
1393
"Kakmadam." Dat is Amsterdam, de hoofdstad van Nederland, in 't
1394
vroege voorjaar.
1395
 
1396
't Was nu bijna nacht. De kolen in den haard rommelden plotseling,
1397
vlammetjes schoten uit en hun licht was in de kamer.
1398
 
1399
"Dora," zei hij in eens, "hoe vind je Penning?" Penning was ook
1400
een vrind uit z'n jeugd. Jaren lang hatti 'm niet gezien, hij wist
1401
alleen datti ingenieur was geworden. En nu voor veertien dagen hatti 'm
1402
ontmoet en hij was een paar maal komen oploopen, terwijl ze bezig waren
1403
met de drukproeven en had dan telkens een uurtje zitten praten. Hij
1404
was een groote, frissche jongen, aardig op weg om carrière te maken
1405
en toch buiten z'n werk nog heelemaal een jongen. Hij had verteld
1406
datti over enkele maanden voor een jaar of wat naar Zuid-Amerika zou
1407
vertrekken om ergens iets uit te baggeren of een pier te leggen of
1408
iets dergelijks. 't Dichtertje hattem ook een keer meegenomen naar
1409
z'n schoonmoeder, die dadelijk erg met 'm ingenomen was. Em hield
1410
niet vannem.
1411
 
1412
"Hoe vind je Penning?" "Gaat nogal," zei Dora absent. Stilte. In
1413
't schijnsel van de straatlantaarn op 't plafond zag je de schaduwen
1414
van de sneeuwvlokjes die nu wat grooter vielen.
1415
 
1416
"Komende maand trouwt Em." Ze keek op. Wat praatte-n-i weer raar,
1417
hij leek wel Bovenkerk met Em. Ze gaf geen antwoord.
1418
 
1419
Als een lang vergeten ding zag ze in eens een breede rivier voor
1420
zich, die naar zee stuwde. Zijn golven stuwden 't zonlicht naar zee,
1421
maar het water en het licht waren zonder einde. Op een blauwe en
1422
gouden baan trok een klein sleepbootje een langen sleep. Nietig was
1423
't bootje, zijn pijp stak heel klein de lucht in, de rook was gering,
1424
z'n schor geroep ging verloren in de ruimte. Uren en uren ging dit
1425
door het water, tusschen de velden onder de ontzaggelijke lucht.
1426
 
1427
En ze zag een langen weg vol stof en zon en verlatenheid. En weer wat
1428
anders: een weide, eindeloos, en een laan van hooge boomen, er in de
1429
zon, van terzij, al wat lager en alles vol van levend goud en blauwe
1430
lucht. En toen: een rivier, wat in de diepte, donker al in 't Oosten,
1431
in 't Westen stierf de dag, geel eerst, vol droevig, bleek groen er
1432
boven, de dag die niet sterven wilde, de duisternis die machtig steeg,
1433
van de landen in het Oosten steeg in de lucht en machtig trok naar 't
1434
Westen, daar was de rivier rood en schreide en wilde 't licht houden,
1435
't licht dat blijven wilde. Zoo vloeide de rivier, met 't licht naar
1436
de zee, die ze niet zag.
1437
 
1438
Toen zei hij "Penning komt om jou". Ze schrok, 't Duurde even voor
1439
dat ze begreep wat ze had hooren zeggen.
1440
 
1441
"Luister goed Dora, neem hem. Hij zal je vragen, ik weet 't. Neem hem,
1442
trouw met 'm. Verval niet aan de kunst of iets dat er op lijkt."
1443
 
1444
Ze zat zoo als ze gezeten had. Alleen haar hoofdje hield ze wat
1445
hooger, ze keek naar 't venster, dat donker glansde, met ergens
1446
enkele gele stipjes er in, van 't licht van den straatlantaarn. Een
1447
van de spaarzame groote sneeuwvlokken raakte 't glas en smolt. Ze
1448
begreep niet.
1449
 
1450
Hij legde zijn hand om haar gevouwen handen, z'n vingers raakten
1451
de hare in hun geheele lengte. Toen steeg zoo een wild verlangen
1452
uit haar lijf naar haar hoofdje met haar bloed, dat al haar kleeren
1453
haar onverdragelijk waren, één oogenblik. Maar ze stond kalm op, één
1454
hand hield ze op de leuning van den stoel. "Ik trouw niet". Ze zei 't
1455
alsof ze vertelde dat de boekhouder z'n ontslag had genomen. Alsof hij
1456
niets gezegd had, kwam hij van de bank af. "Hier" zeidi, "wil je dien
1457
sleutel meenemen? Die is van de straatdeur. Bonger zou tegen tienen
1458
bij jelui komen om 'm te halen. Hij zou vannacht hier slapen. Hij
1459
moest vandaag van z'n kast af en kan pas morgen op de de nieuwe. 'k
1460
Had 'm gezegd dat ik niet zeker wist of ik thuis zou zijn."
1461
 
1462
"Ga je dan nog uit?" Ze was nu volkomen rustig, voelde op tafel naar
1463
de lucifers en stak 't gas aan. Hè, ze konden nix zien. "Ga je dan
1464
nog uit?" Hij haalde z'n schouders op. "Misschien." Ze keek 'm strak
1465
aan, maar aan z'n gezicht was nix byzonders te merken, zóó had hij
1466
de laatste dagen dikwijls gekeken, als i een goede plaats oplas uit
1467
"Djengis Kan" en ze even opzag van 't nakijken.
1468
 
1469
Hij bracht haar tot de trap.
1470
 
1471
"Dag Ee, tot morgenavond bij moe". Hij drukte haar hand. "Dag Dora,
1472
au revoir camarade." Even hoorde ze iets in z'n toon, dat er altijd was
1473
als i vertelde wat z'n tante had gezegd. Gek was dat. "Nou dag". "Dag
1474
hoor," riep i haar na, alsof i een meisje van zestien jaar nadee. Toen
1475
sloeg de deur dicht.
1476
 
1477
 
1478
 
1479
 
1480
XI.
1481
 
1482
 
1483
Ze stapte hard door, moest telkens uitwijken voor de plassen. Het
1484
sneeuwen had bijna opgehouden, de natte vlokken die nog vielen
1485
warrelden langzaam naar beneden, een enkele viel op haar gezicht,
1486
dat deed haar goed. In 't licht van een lantaarn zag ze de dikke
1487
knoppen aan een van de kleine kastanjeboompjes op de gracht, met
1488
glinsterlichtjes waar ze 't dikst waren.
1489
 
1490
Een gele, rechte streep licht was op den stam van boven naar beneden.
1491
 
1492
Wat was er eigenlijk gebeurd? Alweer een plas, wat leek die diep met
1493
de weerspiegeling van de lucht er in, de weerschijn van een ster
1494
pinkte in een opening tusschen de wolken. Duizelig zou je er van
1495
worden van aldoor zoo in die plassen te kijken, loopende. Ze kende
1496
een sentimenteel Duitsch liedje van 't geluk dat "Jenseits der Sterne"
1497
was. Of misschien diep in zoo'n plas, heelemaal onderaan. Malligheid,
1498
der stond mogelijk geen centimeter water. Haar dag zou ook komen. Ze
1499
wou. Wat wilde ze? Kon zij iets willen?
1500
 
1501
Fijn, zoo alleen te loopen in den avond en je gedachten te laten
1502
komen en gaan en weer komen. En daar ze een dichteresje was citeerde
1503
ze Perk, terwijl ze op zij stapte voor weer een plas en haast in een
1504
andere trapte: "Voelt zich aan zich door zich alleen verbonden."
1505
 
1506
De natte, zoele wind sloeg om haar heen, ze haalde diep
1507
adem. "Makkelijk praten". Waarachtig, daar liep ze bijna tegen een stel
1508
aan, dat onder een lantaarn stond te zoenen. En in eens voelde ze zich
1509
dame: "Wat een vulgair stel". "Der minnen vruchten ic u mildelijck
1510
gaf, Maer een ewich zuchten houde ic daer af". Weg was de dame, toch
1511
bloosde ze in haar eentje onder de donkere lucht om die "vruchten",
1512
die ze gegeven zou hebben. En in eens herinnerde ze zich dat gevoel,
1513
dat ze zooeven gehad had, God, nog geen tien minuten geleden, dat
1514
al haar kleeren haar onverdraaglijk waren. Ze voelde haar wangen
1515
branden. "'t Zal niet zijn." Meteen stond ze op haar stoep. Half acht.
1516
 
1517
"Dag moe, ik kom direct beneden".
1518
 
1519
Maar toen ze op haar kamer was en hoed en mantel had afgegooid, toen
1520
werd haar duidelijk wat er zooeven gebeurd was. Een groot gevoel van
1521
verlatenheid en dat 't leven de moeite niet waard was kwam in haar
1522
hoofd. Ze begreep zichzelf niet.
1523
 
1524
Waarom had ze niet z'n hand gepakt en gezegd: "Ik houd van jou". Waarom
1525
wilde ze niet, wat ze zoo erg wilde? Wat kon haar gebeuren, erger
1526
dan deze dood levend om te dragen? Waarom was ze? Waarom moest ze
1527
ongezoend dood gaan? Niet zoo maar 's gezoend, maar heel erg. Ze
1528
gloeide overal, haar hart werd groot. Ze maakte haar goed open voor
1529
den spiegel en bekeek haar borsten, zoo wit in haar zwarte japon en
1530
hield ze op haar beide handen.
1531
 
1532
Rein en onaangeraakt was zij. Ook een lolletje. En in haar groote
1533
verwarring bad ze, dat God haar onteeren zou. "Zou ik gek worden?"
1534
 
1535
Haar manteltje gleed van 't bed met een slag. Dat was de sleutel. Een
1536
gedachte schoot door haar hoofd als een vlam: "hij had afscheid van
1537
haar genomen, er was iets niet in orde, ze moest terug." Kalm waschte
1538
ze haar gezicht wat en kleedde zich weer aan. "Ik heb iets vergeten,
1539
over een half uurtje ben ik weer terug."
1540
 
1541
Om acht uur stond ze weer voor zijn deur en schelde. Geen gehoor. Ze
1542
schelde nog eens en maakte toen resoluut de deur met den sleutel
1543
open. Nergens licht. Ze griezelde van 't leege, donkere, stille huis,
1544
haar hart klopte hevig, maar moedig ging ze naar boven. De deur van
1545
de voorkamer stond open, 't licht van de straatlantaarn scheen op 't
1546
plafond, 't roode licht van den haard was in de kamer. "Ee, waar ben
1547
je"? Wat klonk dat akelig. Ze liep door de kamers, bang en moedig. Toen
1548
ging ze de tweede trap op. Door een kier van de slaapkamerdeur kwam
1549
licht. Haastig gooide ze de deur open, bang dat ze zich omdraaien en
1550
vluchten zou.
1551
 
1552
"Ee, wat doe je?" Hij zat heel stil op den rand van 't bed tusschen
1553
zijn knieën door naar 't kleed te staren. Hij stond op: "Dora". In
1554
dat eene woord was alles en ze hoorde 't.
1555
 
1556
Toen vielen ze samen peilloos diep door 't licht en ze voelden hun
1557
lijven als zingende zonnen.
1558
 
1559
Maar in z'n achterhoofd was een plek ijskoud en daar dacht hij:
1560
"Dit is de wraak, zij boet voor een wereld"...
1561
 
1562
De Duivel zat in "de Kroon," in 't midden, bij een pilaar. Hij legde
1563
z'n dunne gouden horloge voor zich op 't tafeltje. De twee knobbels
1564
op z'n voorhoofd waren grooter dan ooit.
1565
 
1566
"Kwart over achten. Consummatum est."
1567
 
1568
Iemand tikte op z'n schouder.
1569
 
1570
De God van hemel en aarde stond achter hem: "Consummatum est, ga mee
1571
en zie."
1572
 
1573
 
1574
 
1575
 
1576
XII.
1577
 
1578
 
1579
Om half elf vonden hem Bonger en Graafland. Bonger had den sleutel
1580
bij z'n schoonmoeder gehaald.
1581
 
1582
Geheel naakt stond hij in 't midden van de kamer. Z'n linkerarm hing
1583
langs z'n lijf, de vuist was gebald, de rechterarm was geheven en wees
1584
met den wijsvinger naar boven. Er was een zwakke geur van lelietjes van
1585
dalen, op den grond lag een blauwe haarspeld. 't Bed lag in wanorde.
1586
 
1587
"Eduard" riepen ze beiden tegelijk.
1588
 
1589
"Ik ben God", zeidi. "Ik ben meer dan God. Ik ben de onwrikbare, de
1590
onbarmhartige. Ik ken geen goed of kwaad. Ik doe wat ik moet. Wat ik
1591
doe is goed."
1592
 
1593
Bonger nam een laken van 't bed en trad op hem toe.
1594
 
1595
"Ga weg", zeidi en deed een stap achteruit.
1596
 
1597
Bonger bleef staan.
1598
 
1599
"Zei ik, dat ik God was? Ik ben 't eeuwige leven. Ik ben de
1600
vruchtbaarheid. God heeft me gezonden. Bedek me niet".
1601
 
1602
Weer stapte hij achteruit.
1603
 
1604
"Bedek me niet. Ik ben de vruchtbaarheid. Breng alle vrouwen hier,
1605
alle jonge vrouwen. Alle zeg ik. Ik ken je wel. Jij bent Bonger,
1606
die andere is Graafland. Ik ken jelui wel. Leg dat laken op bed. Zij
1607
moet er op liggen. Leg haar er op, de eerste, heelemaal naakt. De
1608
anderen hoeven niet weg te gaan. Ze moeten zien. Je kunt gaan Bonger,
1609
en jij ook, Graafland".
1610
 
1611
Bonger legde z'n hand op z'n schouder. "Sta stil, doe je arm omlaag".
1612
 
1613
De arm zakte en Bonger sloeg 't laken om hem heen. "Ga op dien stoel
1614
zitten". Hij ging zitten. Graafland zocht z'n kleeren bij elkaar,
1615
van 't bed, van de stoelen, van den grond.
1616
 
1617
"Kleed je aan".
1618
 
1619
Toen trok hij gedwee en langzaam al z'n kleeren aan.
1620
 
1621
 
1622
 
1623
't Dichtertje is nu dood. Die lui daar in Delft of Oldenzaal hebben
1624
schitterend gelijk gekregen. Hij was vast nooit goed bij z'n hoofd
1625
geweest.
1626
 
1627
Z'n boek is driemaal herdrukt, z'n verzamelde gedichten zijn uitgegeven
1628
met een inleiding, van meneer Scharten of een ander. 't Fretje, dat 't
1629
gebracht heeft tot financieel redacteur van de Provinciale Arnhemsche
1630
en Geldersche Courant vertelt overal, dat i met 'm op school geweest
1631
is. En alsi in Amsterdam komt, wat nog al eens gebeurt, dan schiet
1632
i Bonger aan en begint telkens weer een gesprek over 't dichtertje
1633
en z'n werk en doet erg zwaar op de hand en vertelt datti naast
1634
'm heeft gezeten op school.
1635
 
1636
Coba is zachtzinnig en vergevingsgezind en natuurlijk, zooals ze
1637
altijd geweest was. Ze is godsdienstig geworden zonder wandtext
1638
en gaat iederen Zondag naar de Nederlandsch Hervormde kerk aan den
1639
Boezemsingel, want ze woont in Rotterdam, als straf omdat ze wel eens
1640
met een ander heeft gecoquetteerd toen ze getrouwd was. Zachtzinnig
1641
en vergevingsgezind denkt ze er aan, hoe zij ook langs den rand van
1642
den afgrond is gegaan.
1643
 
1644
Dora is een "ongehuwde moeder". Zij is op kantoor in Rotterdam, haar
1645
baas kent haar geschiedenis en veracht haar niet, integendeel. Wat
1646
iets heel bizonders is voor een Rotterdammer.
1647
 
1648
En ik denk dat om dezen éénen man deze wanstaltige stad mogelijk nog
1649
gespaard zal blijven op den grooten dag. Wat weer een nadeel is.
1650
 
1651
Ze woont met haar kindje bij Coba en Bobi en gaat rechtop en trotsch
1652
en zwijgend door haar leven. Ze wil staatsexamen doen en dan in de
1653
rechten gaan studeeren van 't geld van haar pa, die dood is. Vooral
1654
niet in de letteren. Werken wil ze en niet denken. Maar ik geloof niet,
1655
dat zij zich zelf zal kunnen vermoorden. Zij die God werkelijk lief
1656
heeft boven allen, moeten de last daarvan dragen tot het einde.
1657
 
1658
 
1659
                                                        Juni-Juli 1917.
1660
 
1661
 
1662
 
1663
 
1664
 
1665
 
1666
DE UITVRETER.
1667
 
1668
 
1669
I.
1670
 
1671
 
1672
Behalve den man, die de Sarphatistraat de mooiste plek van Europa vond,
1673
heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan den uitvreter.
1674
 
1675
Den uitvreter, dien je in je bed vond liggen met zijn vuile schoenen,
1676
als je 's avonds laat thuis kwam. Den uitvreter, die je sigaren
1677
oprookte, en van je tabak stopte en je steenkolen verstookte en je
1678
kasten nakeek en geld van je leende en je schoenen op-droeg en een
1679
jas van je aantrok als-i in den regen naar huis moest. Den uitvreter,
1680
die altijd wat liet halen op den naam van een ander; die als een
1681
vorst jenever zat te drinken op 't terras van "Hollandais" voor de
1682
centen van de lui; die parapluies leende en nooit terugbracht; die
1683
een barst stookte in de tweede hands kachel van Bavink; die dubbele
1684
boorden droeg van zijn broer en de boeken uitleende van Appi, en
1685
buitenlandsche reizen maakte als-i z'n ouwe heer weer had afgezet,
1686
en pakken droeg, die hij nooit betaalde.
1687
 
1688
 
1689
 
1690
Z'n naam was Japi. Z'n achternaam heb ik nooit geweten. Bavink kwam
1691
met hem aanzetten toen-i uit Veere terugkwam.
1692
 
1693
Een heelen zomer had Bavink in Zeeland geschilderd. In Veere had-i Japi
1694
voor 't eerst gezien. Japi zat daar maar. Bavink had al enkele malen
1695
gedacht: wat is dat toch voor een kerel? Niemand wist 't, altijd vond
1696
je hem ergens aan den waterkant. Daar zat hij maar, uren achtereen,
1697
onbewegelijk. Om twaalf uur en om zes uur ging i voor een uurtje naar
1698
binnen om te eten; de rest van den dag zat i. Dat duurde een week of
1699
drie; toen zag Bavink hem niet meer.
1700
 
1701
Een paar dagen daarna kwam Bavink van Rotterdam. Af en toe had hij
1702
behoefte om veel menschen om zich heen te zien. Hij had enkele
1703
dagen in Rotterdam langs de havens gesjouwd en had er meer dan
1704
genoeg van. Aan boord van de boot tusschen Numansdorp en de Zijpe,
1705
daar zat i weer. Het woei nog al, dien ochtend; er stond een flink
1706
koudje wind en het water liep met witte koppen. Af en toe spatte
1707
't op 't voorschip over de verschansing. De glazen tochtdeuren op 't
1708
voordek waren dicht; op 't voorschip zat niemand. Alleen Japi zat daar,
1709
tuurde over de verschansing en werd deerlijk nat. "Kijk," dacht Bavink,
1710
"daar heb je waarachtig diezelfde kerel." Hij ging bij hem staan. De
1711
boot rolde en steigerde. Japi zat op z'n bankje, hield z'n pet vast en
1712
liet zich nat worden. Het duurde nog al wat, voordat i merkte, dat er
1713
iemand bij hem stond. "Lekker weertje, meester", zei Bavink. Japi keek
1714
'm aan met z'n groote blauwe oogen en hield aldoor z'n pet vast. Meteen
1715
kwam er een plons water over boord, de droppels stonden op z'n gezicht.
1716
 
1717
"Nogal", zei Japi. Met een plof kwam 't voorschip op 't water neer
1718
en stootte. Een heer trachtte tevergeefs de deur van den glazen
1719
salon open te maken, waar de wind op stond. "We zijn mooi op tijd",
1720
zei Bavink, om wat te zeggen. "Zoo?" zei Japi, "ik weet van geen tijd."
1721
 
1722
't Gesprek hokte wat. Japi keek in de golven. Bavink keek naar de
1723
grijze pet van Japi en dacht wat dat toch voor een kerel zou zijn. In
1724
eens zei Japi: "kijk eens, een regenboog in 't water." Je kon in 't
1725
water een eindje regenboog zien, aan de lucht stond niets. Nog eens
1726
keek Japi Bavink met z'n groote blauwe oogen aan en werd plotseling
1727
spraakzaam.
1728
 
1729
"Ik vind 't hier verdomd leuk", zei-i, "'t is jammer, dat 't zoo niet
1730
altijd blijft." "Over een uurtje zijn we aan", zei Bavink.
1731
 
1732
"Moet u naar Zierikzee?" vroeg Japi.
1733
 
1734
"Dat wil zeggen", zei Bavink, "ik ga vanavond door naar Veere." "Zoo",
1735
zei Japi, "is u daar gelogeerd?"
1736
 
1737
"Ja, daar ben ik gelogeerd en is u niet die heer uit Amsterdam, die
1738
altijd maar aan den waterkant zit?" Toen moest Japi lachen en zei:
1739
"Ik zit nog al eens aan den waterkant, altijd is een beetje sterk. 's
1740
Nachts lig ik op m'n bed, ik heb een uur noodig om me aan te kleeden
1741
en te ontbijten, een half uur zit ik aan mijn lunch en om zes uur moet
1742
ik weer eten. Maar ik zit nog al eens aan den waterkant. Daarvoor kom
1743
ik naar Zeeland. Ik maak me nog veel te druk. Van de week ben ik naar
1744
Amsterdam geweest. Ik moest wel, m'n centen waren op."
1745
 
1746
"Is u Amsterdammer?" vroeg Bavink. "Ja, Goddank", zei Japi. "Ik
1747
ook", zei Bavink. "U schildert niet?" vroeg Bavink. Het was een
1748
rare burgermansvraag, maar Bavink dacht aldoor maar: wat zou dat
1749
toch voor een kerel wezen? "Nee Goddank", zei Japi, "en ik dicht ook
1750
niet en ik ben geen natuurvriend en geen anarchist. Ik ben Goddank
1751
heelemaal niks."
1752
 
1753
Dat kon Bavink wel bekoren.
1754
 
1755
Het schip steigerde, kwakte, rolde en slingerde; het water spatte
1756
en plenste over de verschansing; niemand anders was aan dek te
1757
bekennen. Vóóruit was het water onafzienbaar, vol witte koppen, de
1758
schaduw van een groote wolk was een drijvend eiland; heel in de verte
1759
voer stampend een zwarte vrachtboot voor hen uit. "Kijk", zei Japi,
1760
"de ""Stad Gent."" Je zag in de verte het water aan weerszijden van
1761
de boeg hoog opvliegen; om de schroef zag je het woelen en bruisen en
1762
schuimen. Hol liepen de golven met scherpe kammen, groen en blauw en
1763
geel en grijs en wit, al naar de diepte en de weerspiegeling van de
1764
wolken, nergens en geen oogenblik 't zelfde. Een klein sleepbootje
1765
sleepte een aak en twee tjalken.
1766
 
1767
"Nee", zei Japi, "ik ben niks en ik doe niks. Eigenlijk doe ik nog
1768
veel te veel. Ik ben bezig te versterven. Het beste is, dat ik maar
1769
stil zit, bewegen en denken is goed voor domme menschen. Ik denk ook
1770
niet. 't Is jammer dat ik eten en slapen moet. Liefst zou ik dag en
1771
nacht blijven doorzitten."
1772
 
1773
Bavink begon 't geval interessant te vinden. Hij knikte maar. Nog
1774
altijd hield Japi z'n pet vast met z'n rechterhand, z'n rechterarm
1775
steunde op de verschansing. 't Woei zoo hard, dat Bavink z'n hand
1776
opzij van z'n neus moest houden om adem te halen. Japi zat daar maar,
1777
alsof hij thuis was. Toen vertelde Japi dat i van plan was, nog enkele
1778
weken in Veere te zitten, tot zijn geld op was.
1779
 
1780
Schilderen leek 'm wel aardig, als je 't goed kon. Hij kon niks, en
1781
daarom deed i maar niks. Je kon toch de dingen niet zoo weergeven als
1782
je ze onderging. Hij had maar één wensch: te versterven, onaandoenlijk
1783
te worden voor honger en slaap, voor kou en nat. Dat waren je groote
1784
vijanden. Eeuwig en altijd moest je weer eten en slapen, moest je
1785
weg van de kou, werd je nat en beroerd of moe. Zoo'n waterplas heeft
1786
't maar goed, die golft maar en weerspiegelt de wolken, is aldoor
1787
anders en blijft toch gelijk. Heeft nergens last van.
1788
 
1789
Al dien tijd stond Bavink schrap in den wind op z'n stok geleund en
1790
knikte Japi maar toe. Dat is zoo mal nog niet, dacht i. En droogjes
1791
weg vroeg i, of Japi ook door ging naar Veere. En zoo kwam 't gesprek
1792
op Zierikzee, op Middelburg, op Arnemuiden en al die oorden, waar ze
1793
allebei uit en te na hadden rondgeloopen en gestaan en gezeten. Want
1794
Japi had van z'n leven toch ook nog wel iets anders gedaan dan in
1795
Veere aan den waterkant gezeten. En toen merkte Bavink al gauw dat
1796
Japi niet alleen loopen en staan en zitten kon, maar kijken ook. En
1797
boomen honderd uit. En toen ze samen aan de Zijpe aan wal stapten, toen
1798
wees Japi naar 't Zuidwesten, naar den dikken toren van Zierikzee die
1799
heel flauwtjes aan den horizon zichtbaar was en zei: "Dikke Jan, die
1800
oue geduldige dikke Jan, hij staat er nog. Ik dacht 't wel. Ja hoor,
1801
hij staat er nog." En toen vroeg Bavink of i altijd zoo'n lol had en
1802
toen zei Japi: "Ja", meer niks. En toen ze in Zierikzee arriveerden
1803
en uit de tram waren gestapt toen liet Japi zijn zoolen klepperen
1804
op de heete keien van een of ander schaduwloos straatje dat maar
1805
bakte en bakte in de zon en rekte zich uit en zei dat 't leven toch
1806
verduiveld lollig was. En toen dreigde i de zon met z'n wandelstok
1807
en zei: "Zoo'n zon toch, hij schijnt maar, maar i daalt, hij rijst
1808
niet meer, 't is over twaalven, hij moet onder; van avond is 't weer
1809
koel. De lui zouden raar kijken als i niet daalde. Lekker warm hé,
1810
mijn goed plakt aan mijn lijf. De zeelucht stoomt mijn boordje uit."
1811
 
1812
En toen bleek dat je dat versterven niet zoo letterlijk moest nemen.
1813
 
1814
Aan tafel was Japi meer dan spraakzaam. Hij praatte voor drie, at
1815
voor zes. "Die zeelucht graaft", zeggen ze in Veere. Hij dronk voor
1816
zes anderen en zong 't heele liedje van de Nancy Brig. Kortom hij
1817
was zeer bedrijvig en luidruchtig, en Bavink dacht dat zoo'n kerel
1818
goud waard was.
1819
 
1820
En dat was i. 's Middags nam i Bavink mee naar de singels en liet
1821
'm driemaal Zierikzee rond loopen. Z'n mond stond niet stil en z'n
1822
wandelstok wees maar en als de Zierikzeeënaars bleven staan en keken,
1823
dan ging i op ze af en sprak ze aan met "jongeheer" en vroeg of ze
1824
wel gezond waren en klopte ze op den schouder, dat Bavink zijn zijen
1825
hield van 't lachen. Dat kon Japi goed: met 't welwillende beschaafde
1826
Hollandsche publiek afrekenen, dat niemand duldt die er niet minstens
1827
even dom en smakeloos uitziet als zij, en hoont en hardop over je
1828
praat alsof niet zelfs op 't kleinste dorp sedert eeuwen dominees
1829
en pastoors bezig zijn 't volk op te voeden. Japi was een kerel als
1830
een karrepaard en sloeg er op in als 't moest met een kracht en een
1831
bedrevenheid waartegen de plompste kinkel 't moest afleggen. Zoover
1832
kwam 't in Zierikzee niet. De Zeeuwen zijn de beroerdsten niet. Japi
1833
placht te zeggen: "'t Eenigste wat me spijt is dat je op Walcheren
1834
niet eens af en toe een relletje hebt."
1835
 
1836
 
1837
 
1838
 
1839
II.
1840
 
1841
 
1842
Twee dagen sjouwden Bavink en Japi in Veere rond en toen jijden
1843
en jouwden ze elkaar al. Urenlang zaten ze samen op 't dak van 't
1844
Hospitaal en keken over Walcheren, over de Kreek en 't Veergat en den
1845
ingang van de Oosterschelde en de duinen van Schouwen. En daar had
1846
je dikke Jan ook weer, den toren van Zierikzee, nu in 't Noorden. En
1847
daar had je Goes en Lange Jan, den toren van Middelburg, de spil van
1848
Walcheren, het hart dier wereld. En 't tij kwam in en 't tij ging uit;
1849
't water rees en viel. En iederen avond kwam de manke havenmeester en
1850
maakte eerst 't groene lichtje aan op 't Noorderhoofd, de palenwering;
1851
en dan kwam i daar af, dan moest i om 't heele haventje heen en dan
1852
zag je 'm weer bij den toren en dan maakte i het houten hek open en
1853
klom de houten trap op en stak ook 't licht aan den toren aan. En dan
1854
zei Japi: "alweer een dag, meester", en dan zei de manke havenmeester:
1855
"Ja mijnheer, al weer een." En als je dan naar den kant van Schouwen
1856
keek dan zag je 't draaiende licht aan en uitgaan. En een uur weg
1857
naar zee lag de lichtboei en scheen en doofde. En 't water klotste
1858
en rees en daalde, en door de nacht schoof de zon die je niet zag
1859
door 't Noorden. En 't laatste licht van den dag schoof mee door 't
1860
Noorden en werd 't eerste licht van den nieuwen morgen. Zoo raakte
1861
de eene dag aan den anderen, zooals dat in Juni altijd is.
1862
 
1863
Voor de aarde was de zaak eenvoudig genoeg. Die draaide maar om z'n
1864
as en vervolgde z'n baan om de zon en had er geen weet van. Maar
1865
de menschen erop tobden met moeite en zorg en veel verdriet door
1866
de dagen, alsof 't zonder die moeite, die zorg en dat verdriet geen
1867
avond zou worden.
1868
 
1869
Japi wist wel beter. De zon kwam van zelf wel weer bij de Walchersche
1870
duinen in zee terecht. Maar Bavink had 't bij tijden leelijk te pakken.
1871
 
1872
Bavink was een kerel, die gemeenlijk hard werkte. De menschen dachten
1873
dat i nog al wat kon. Hij lachte er om. Als i niet moest verkocht i
1874
niets; zijn beste werk zette i weg, keek er niet meer naar om, altijd
1875
ontevreden. Zoolang i werkte ging het goed, als i klaar was hatti er
1876
pijn van; bij tijden was i dood op. Als de menschen wisten hoe i de
1877
dingen zag, hoe ze hem aanpakten, ze zouden lachen om zijn prutswerk,
1878
om zijn akelige knoeierige reproductie dier heerlijkheid. Bavink
1879
had heele tijden dat i niets deed, zich maar liet gaan, lekkertjes
1880
de dingen aankeek en er doorheen sukkelde, 't prettig vond dat de
1881
boel zoo "verdomd mooi was", zooals i dat zei. Dat i pijn in zijn
1882
schedel voelde als i dacht aan al zijn vergeefsche pogingen, aan
1883
zijn "verdienstelijke werk." Verdienstelijke werk! Spuwen moest i
1884
als i er aan dacht. "Verdienstelijke werk", zeiden ze. Ze wisten er
1885
wat van. Je kon wel merken dat de dingen hen niet te grazen hadden
1886
genomen en door elkaar geschud zooals hem.
1887
 
1888
Hij wou dat i 't schilderen maar laten kon, maar dat gaat ook maar
1889
zoo niet; als 't er in zit wil 't er uit. En dan begon de marteling
1890
weer, werken, werken dag en nacht, daags schilderen, 's nachts er
1891
over piekeren, er bij blijven, doorwerken, zorgen dat je de dingen nu
1892
goed vasthield. Dan sliep en at i nauwelijks; in 't begin rookte i dan
1893
enorm veel sigaren achter elkaar maar na den eersten dag hield dat ook
1894
op. Dan had i oogenblikken van 't hoogste geluk zooals zelfs het loome
1895
wegzinken in al dat "lekkere mooi" hem niet geven kon. En dan kwam die
1896
kijken, en die, en dan stonden ze met hun tweeën, met hun drieën, met
1897
hun vieren achter hem en keken en knikten en wezen. En dan ineens was
1898
't uit. Dan zei i: "Verdomme", en ging op zijn brits liggen en liet
1899
een klein spatje jenever halen, en deed niets meer. Dan werd na een
1900
paar dagen het doek bij de rest gezet. De dagen die daarop volgden was
1901
i ellendig, moe, miserabel, onvatbaar, ziek, en ging i weer "sloffen"
1902
zooals i dat noemde: niets doen, luieren, rond loopen. Als i centen
1903
noodig had dan haalde i 't een of ander uit de "vullis", dan zocht
1904
i een "doekje" uit waarvoor "ze wel 't een of ander zouden geven",
1905
en dat verkocht i dan. Niemand kon 'm van die manieren afbrengen. Hij
1906
was nu eenmaal zoo. Z'n kracht en zijn zwakte hoorden onverbrekelijk
1907
bij elkaar. En als i wat had verkocht dan stopte i de centen los in
1908
zijn zak, dan rammelde i met de guldens en riksdaalders, dan liep i
1909
in de Kalverstraat een liedje te fluiten. Dan groette i joviaal met
1910
zijn hand boven zijn hoofd als je 'm tegen kwam.
1911
 
1912
Dan kwam i vertrouwelijk bij je staan, liet je geheimzinnig de "spieën"
1913
zien, lachte hardop en zei: "De stakkers toch hè?" Papier nam i nooit
1914
aan: daar kon je niet mee rammelen. Goud moest i hebben en zilver,
1915
en als 't 'm te veel werd "kwam i de rest later wel eens halen."
1916
 
1917
Dat was Bavink; en je begrijpt dat een heer die zich oefende
1918
in 't versterven hem degelijk interesseerde. Daar kon i wat van
1919
leeren. Zoo'n kerel die 't prettig vond om zich te laten uitwaaien,
1920
zijn kleeren en zijn lijf te laten doortrekken van den natten zouten
1921
wind, die zijn lippen proefde met zijn tong omdat i dien zeesmaak zoo
1922
"verdomde lekker" vond; die 's avonds aan zijn handen zat te snuffelen
1923
om de zee op te snuiven. Zoo'n kerel die tevreden was omdat i bestond
1924
en gezond was en genoegerig zich bewoog tusschen Gods hemel en Gods
1925
aarde, en 't dwaas vond dat de menschen zich zooveel moeite gaven,
1926
en hardop om ze lachte en die eeuwig met een besten glimlach zich
1927
stilletjes zat te verheugen in 't water en de lucht en de wolken en
1928
't veld en zich doornat liet regenen zonder 't te merken en dan zei:
1929
"ik geloof dat ik nat ben", en lachte. Een kerel die smakelijk duur
1930
kon dineeren en smakelijk dure jenever wist te drinken als de eerste
1931
in Nederland, en op andere tijden op marsch (want i zat niet altijd,
1932
hij was af en toe dagen op de been) dag in dag uit droge fijntjes at
1933
en tot tranen toe bewogen was omdat in 't veld "zoo'n brokkie brood
1934
zoo lekker smaken kon."
1935
 
1936
En als Bavink werkte dan zat Japi er bij in 't gras of binnen,
1937
omgekeerd op een stoel en rookte. En als ze binnen waren dan had Japi
1938
een tweede stoel erbij slaan met een borreltje er op, waar i af en toe
1939
de hand naar uitstak. En hij hield Bavink aan den gang. Tegen niemand
1940
anders had Bavink ooit een woord gezegd als i werkte; met Japi sprak i.
1941
 
1942
"Wat duvel", zei Japi, "'t dondert toch niet of 't goed is, je doet wat
1943
je kunt, je bent nu eenmaal een stakker. Je moet schilderen. Je kunt
1944
't toch niet laten. 't Hindert immers aan de dingen niet of jij ze nou
1945
niet heelemaal zoo krijgen kunt als ze zijn. En de lui, die snappen
1946
er toch niets van. Van de dingen niet en van je werk niet en van jou
1947
niet. Ik kon mijn tijd toch ook een boel beter besteden dan hier te
1948
zitten zuipen en naar die verfboel te koekeloeren. Word ik er minder
1949
van?" "Neen, dat deugt niet", zei i dan, "veel te blauw; je weet toch
1950
wat we gisteren afgesproken hebben? Veel te blauw, kerel. Denk je dat
1951
't je zoo zou aangepakt hebben als 't die rare blauwe kleur had?"
1952
 
1953
Japi was goud waard voor Bavink. Bavink sleepte 'm overal mee. Bavink
1954
heeft Japi gemaakt tot wat i was, toen Bavink in Amsterdam met hem
1955
kwam aanzetten.
1956
 
1957
Japi was al heel gauw erger dan schraal bij kas. Voor geen geld ter
1958
wereld had Bavink hem laten gaan. Japi moest maar zelf in de "vullis"
1959
gaan zoeken. En dat vak verstond Japi gauw. Nooit had "de belt" zoo
1960
gerendeerd. En sedert betaalde Bavink alles of bijna alles. Af en
1961
toe kreeg Japi een klein beetje geld van huis gestuurd. Maar dat was
1962
de moeite niet, want bij tijden leefden de heeren als kapitalisten;
1963
als ze een bui kregen gingen ze voor een paar dagen naar Amsterdam,
1964
naar Brussel, naar Parijs, naar Luxemburg; veertien dagen zaten ze
1965
in Normandië. Japi sleepte geregeld een klein beltje mee: een "jonki
1966
van den grooten belt", zooals hij dat noemde. In Frankrijk en België
1967
klampte i de menschen op straat aan, schelde aan de huizen. Van niemand
1968
anders zou Bavink 't geringste van dien aard hebben geduld. Maar
1969
niemand anders verstond de kunst Bavink in 't leven te houden, zooals
1970
Bavink zei. Z'n conversatie was onuitputtelijk. En een geheugen hatti
1971
voor landschap dat aan 't wonderbaarlijke grensde. Langs de spoorlijn
1972
van Middelburg naar Amsterdam kende i alles, elk veld, elke sloot,
1973
elk huis, elke laan, elke boomgroep, elk riggeltje hei in Brabant,
1974
elken wissel van 't spoor. Als je uren in donker had gereden en Japi
1975
had al dien tijd geslapen languit op de bank en je maakte 'm wakker
1976
en je vroeg: "Japi waar zijn we?" dan moest je even wachten tot i
1977
goed wakker was en dan lag i even te luisteren naar den klank van 't
1978
rijden en dan zei i: "Ik denk dat we bij Etten-Leur zijn." En dan kwam
1979
't uit ook. Hij kon je precies vertellen hoe op dien en dien dag de
1980
schaduw van die en die boomen bij Zalt-Bommel op die en die laan viel
1981
en welke schepen toen en toen langs Kuilenburg vaarden in de Lek, toen
1982
je met Japi over de spoorbrug reed. En dan zat i maar bij 't raampje
1983
in afwachting: "nu komt dit, nu komt dat". Uren lang. En als i iets
1984
zag dat i bijzonder goed kende dan knikte i en lachte. Of hij zei:
1985
"Kijk, die boom is weg"; of: "Hé, nu zitten er appeltjes aan, die heb
1986
ik den vorigen keer nog niet gezien." Of: "Voor veertien dagen stond
1987
de zon net achter de kruin van dien boom, nu staat i een eindje links
1988
er van en wat lager, dat komt omdat we veertien dagen verder zijn en
1989
we zijn ook 10 minuten te laat."
1990
 
1991
 
1992
 
1993
 
1994
III.
1995
 
1996
 
1997
En zoo kwamen ze met den winter naar Amsterdam en zat Japi op een
1998
avond op mijn kamer en rookte de eene sigaar na de andere, die voor
1999
't wegnemen op mijn tafel lagen, mijn sigaren.
2000
 
2001
Ik had dien avond juist den langen Hoyer op bezoek, die weer eens van
2002
Parijs was komen aanwaaien en nu zat op te hakken over z'n werk en
2003
over de meiden, met een stroohoed op, in November, en een zalmkleurige
2004
jas aan. Hij was bezig aan een onbegrijpelijk verhaal van een jonge
2005
dame en een huurkoetsier en een mandje met paling, toen we op de trap
2006
gestommel hoorden. 't Was in een volksbuurt, je kon gewoonlijk zoo
2007
maar naar boven loopen, de straatdeur stond meestal open.
2008
 
2009
Bavink kwam 't eerst binnen en zei: "Hoe maak je 't kerel? ja ik
2010
ben 't zelf. Ha, ha, Hoyertje. Hoe gaat 't, Hoyertje, nog altijd
2011
een ophakker? Nogmaals hartelijk gefeliciteerd hoor. En jij ook,
2012
Koekebakker, dat je er lang getuige van mag wezen." In de deur stond
2013
Japi. Een lucht van zoutwater en gras brachten ze mee. "Kom binnen,
2014
kerel, kom binnen!" inviteerde Bavink, op mijn zolder.
2015
 
2016
"Och mijnheer", zei Hoyer, "wees zoo goed de deur achter je dicht te
2017
maken." "Koekebakker", zei Bavink, "dit is Japi, een kerel waar je
2018
plezier van kunt beleven. Hoyer is nog even welgemanierd als altijd,
2019
hoor ik". "Ga zitten Japi", inviteerde Bavink en liet zich met
2020
een plof vallen op de eenige stoel die vrij was; "neem dat kistje
2021
maar." Er stond een schavotkleurige matrozenkist, daar had ik een
2022
schoon hemd in en de brieven van mijn zuster. "Wacht ik zal u helpen",
2023
zei ik. Toen schoven wij de kist bij tafel, Japi en ik, en toen zag
2024
Japi een leeg stijfselkistje staan van Hoffmann met een kat er op,
2025
daar had ik aard ingehad, maar er had niets in willen groeien. "Zie
2026
zoo", zei Japi "anders zit ik zoo laag." "Ik zal er maar eentje nemen",
2027
zei Bavink en stak een van mijn sigaren op. "Ga je gang maar Japi". En
2028
Japi beviel dat wel. "Wat heb je daar?" zei Bavink. Op mijn tafel lag
2029
"Le Lys dans la Vallée" van Balzac. "Aha, Balzac. Geen kwajongen,
2030
die oue heer. Dood hè? Al lang dood. Natuurlijk. Waar kom je vandaan,
2031
Hoyer? Wat heb je daar een mooie jas aan. Ga eens staan. Te kort,
2032
kerel, veel te kort". Bavink was genoegerig. "Dat weet ik potdome
2033
ook", zei Hoyer. "Vertel liever eens waar jij gezeten hebt. En wie
2034
is die heer?"
2035
 
2036
En toen kwam het verhaal, met begeleiding van Japi met knikken en
2037
grijnzen. En af en toe ging die hand naar mijn tafel en ook Hoyer
2038
werkte als een fabriek en ik rookte maar niet meer. "Wacht", zei
2039
Bavink, "dat is waar ook." "Goeie hoor. Kamper Middelburgers, van
2040
Bessem en Hoogenkamp van de Lange Delft." "Bekend", zei ik.
2041
 
2042
"'s Jonge", zei Japi, en zat m'n hok rond te kijken; "'s jonge, "'t
2043
ziet er hier gezellig uit. Waarachtig, 't is hier gezellig". Hij stond
2044
op en liep naar den muur. "Aha, Breitner. Heel goed. En wat hebben we
2045
daar? 't Is hier een beetje donker. Zoo, mijn vriend Mauve. En daar heb
2046
je waarachtig ons stadhuis ook." 't Was een schetsje van 't raadhuis
2047
in Veere. "Bavink", zei Japi, "'k geloof, dat je daar kennis aan hebt;
2048
ik zoek zoo een baantje, als dat niet een dingetje van jou is."
2049
 
2050
"Daar kom je goed af", zei Bavink. "Dat dacht ik wel", zei Japi en
2051
ging weer zitten. "Nee maar, ik kom hier vast terug. Ik zit hier goed."
2052
 
2053
Op dat oogenblik begon de gramophoon van den diamantslijper
2054
aan den overkant ter werken. "Klappen", zei Japi. En wij aan
2055
't applaudisseeren. Met z'n vieren stonden we bij 't open raam en
2056
applaudisseerden honderd uit. Overal hoorde je op de waranda's deuren
2057
opengaan, de menschen kwamen buiten. Sommigen applaudisseerden mee;
2058
een kind begon te huilen; een hond jankte alsof binnen een maand 't
2059
heele blok zou komen uit te sterven. De diamantslijper hield prachtig
2060
vol. Een juffrouw aan den overkant riep: "Halve garen!" Een klein
2061
meisje schreeuwde enkele malen. "Papus", "Zeppelin!" Een jongetje
2062
ging op een mondharmonica spelen. "We moesten de straat maar opgaan",
2063
zei Hoyer.
2064
 
2065
En zoo stommelden wij de trappen af. Drie- en tweehoog werd binnen
2066
druk gepraat. "Over ons", zei Japi. Eenhoog was niemand thuis. "Zeg
2067
Japi" zei Bavink op straat, "nu moest jij eens een rondje geven." "O
2068
ja", zei Japi, "vooruit dan maar". En zoo leerde ik Japi dienzelfden
2069
avond nog in zijn kwaliteit kennen. Hoyer had een theorie dat bier
2070
nooit kwaad kon. Wij dronken er dus zeer aanzienlijke hoeveelheden
2071
van. Japi had geen cent; Hoyer verdomde 't; Bavink was zat, zat
2072
wezenloos te staren en te beweren dat "deze heer een verdomd goeie
2073
kerel was en dat hij een rondje gaf (dat was Japi), en dat de kelner
2074
ook een verdomd goeie kerel was." Ik kwam op negentien cent; Hoyer was
2075
uitgeknepen. Ik besloot "'t geval" maar schuldig te blijven; de kelner
2076
kende me; en om één uur liepen we met z'n drieën op 't Frederiksplein
2077
vreedzaam te jodelen. Die centen kreeg ik later van Bavink terug;
2078
hij wilde met geweld hebben dat ik ze aanpakte. Japi vond 't geval
2079
kostelik, zat drie dagen later op den rand van mijn ledekant en liet
2080
zijn beenen bengelen; zei dat 't stom van Bavink was geweest om zich
2081
te bezatten, maar "die zaak kwam in orde." Toen hij wegging had hij
2082
"Le Lys dans la Vallée" te pakken.
2083
 
2084
 
2085
 
2086
 
2087
IV.
2088
 
2089
 
2090
Het was een maand later. Een veertien dagen had het wat gevroren,
2091
maar in 't begin van die week was 't weer plotseling omgeslagen. En
2092
nu was 't avond en 't stortregende. Den heelen dag had het bijna
2093
zonder ophouden gestortregend. Het water liep bij stralen langs
2094
mijn ruiten. Ik voelde me behagelijk. Ik mocht dat wel. Ik had
2095
geen kachel en m'n demi stond nog bij Oome Jan. Een winterjas heb
2096
ik nooit bezeten. Die vorst had me gehinderd: van armoede moest je
2097
naar bed. Anders kon ik in dergelijke omstandigheden nog wel eens bij
2098
Bavink terecht. Maar juist nu had die heer de aardigheid gehad om over
2099
dag te slapen en 's nachts bij den weg te loopen. Een heele nacht had
2100
ik moederziel alleen bij zijn kachel gezeten; hij had dat zoo willen
2101
hebben maar lollig was 't niet geweest. En nu zat ik te luisteren
2102
naar 't kletteren van den regen op 't dak en was blij dat 't dooide,
2103
hard dooide. Op tafel lag mijn brood, twee dikke pillen; mijn laatste
2104
bordje was den avond tevoren gebroken. En daarnaast lagen de centen:
2105
vier blauwe papiertjes, twee rijksdaalders, drie guldens en enkele
2106
centen. En in den hoek op den grond stond mijn éénvlams stelletje en
2107
in 't kleine keteltje begon 't water te razen. Daarnaast stond m'n
2108
theepot, zonder deksel, te wachten tot 't water zou koken; de thee
2109
was er al in. En ik zat met mijn beenen onder tafel uitgestrekt,
2110
met bloote voeten, in mijn hemd, mijn handen in m'n broekzakken en
2111
keek naar m'n boterhammen, naar m'n lieve geldje, naar de vlam van
2112
mijn olielamp, naar 't licht van mijn stelletje, en luisterde naar
2113
de regen en was tevreden.
2114
 
2115
't Was acht uur. 'k Legde m'n klokje op tafel naast m'n centen,
2116
't klokje dat nu niet naar Oome Jan hoefde en zei: "Jij blijft
2117
voorloopig bij Oome Koekebakker, klokje", en stak m'n hand weer
2118
in mijn zak. Dat converseeren met m'n dingetjes was ik zoo gewoon,
2119
omdat je met de meeste menschen zoo weinig praten kunt.
2120
 
2121
Voorloopig was ik uit den brand, 't Lieve najaar had me niet
2122
bedrogen. Het vallen van de bladeren, de Zuidwestenwind die de boomen
2123
aan den Veerschenweg nog meer had doen krommen naar het Noordoosten,
2124
die 't klokkenspel van Lange Jan in flarden had gewaaid, die den
2125
toren had doen zwiepen en trillen, bang onder de zwarte wolken, ik
2126
had ze dan eindelijk in bank en zilver omgezet en daar zat ik en
2127
keek er naar, naar mijn eigen geld, 't geld daar je op aan kunt,
2128
dat je nooit bedriegt en nooit in de steek laat. Doornat was ik
2129
een uur geleden thuisgekomen, met een brood, een half pond boter,
2130
twee ons boterhammenworst, een half pond suiker, een ons thee en een
2131
kistje sigaren, 25 sigaren van 4 cent, een rijkdom die ik sedert
2132
mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden. De
2133
boterhammenworst had ik weggezet, die was voor morgen. Ze hadden
2134
een kastje voor me getimmerd, naast 't raam en daar lag op den bodem
2135
alles op een rijtje: de boter, de thee, de suiker, de worst, al die
2136
dingetjes die zoo lekker kunnen wezen, als je er een tijdje af bent
2137
geweest. En 't aangesneden brood lag er boven, op 't plankje.
2138
 
2139
En op den zolder van drie hoog hingen mijn kleeren te drogen: jas,
2140
vest, broek, onderbroek, overhemd en sokken. 't Water begon te koken,
2141
't deksel van 't keteltje ging rammelend op en neer. Ik keek naar den
2142
stoom en begon plannen te maken om morgen m'n demi uit den lommerd te
2143
halen en voor een keer niet in 't koschere restaurant te dineeren:
2144
biefstuk met appies 30 cent, erwtensoep met vleesch 35 cent. En ik
2145
bedacht juist dat ik er wel aan had kunnen denken om een druppeltje
2146
drank in huis te halen, toen ik in mijn gepeinzen gestoord werd
2147
door een zwaren stap buiten de deur. Er rommelde iemand aan mijn
2148
deur. Kloppen ging niet, want mijn deur was van behangselpapier op een
2149
paar latten geplakt, en als je klopte ging je er door. Dat wisten de
2150
lui. "Zeker Hoyer", dacht ik, "die kan nooit den haak vinden." De haak
2151
zat van binnen maar de deur sloot niet; je kon net je vinger door de
2152
reet steken en zoo van buiten de deur openmaken. "Kom binnen", riep ik,
2153
te lui om op te staan. "Makkelijk praten", hoorde ik zeggen, "hoe zit
2154
dat?" "Die stem ken ik niet", dacht ik, "wie kan dat zijn?" Ik stond
2155
op en deed open, meteen liep een straal water over mijn hand. "Japi",
2156
zei de man. "Kom binnen", zei ik weer. Daar stond i; 't water liep
2157
van alle kanten uit zijn kleeren en van z'n hoed.
2158
 
2159
"'t Regent nog al", zei Japi, "mag ik even mijn jas uitdoen? Wacht,
2160
dan zullen we dit eerst neerzetten." Onder z'n jas vandaan haalde i
2161
een pak in een Handelsblad: boeken, dat kon je direct zien, en zette
2162
't op tafel. "Ziezoo, kan dit ergens uitgehangen worden?" zei i en
2163
gaf me z'n jas. Z'n hoed zette i overeind tegen m'n stelletje.
2164
 
2165
"Een oogenblik, ouwe heer", zei ik en nam z'n jas en hoed mee, hing
2166
de jas bij m'n eigen natte kleeren, sloeg den hoed uit en legde die
2167
toen plat op den grond in den hoek.
2168
 
2169
Japi zat al, wrong de knieën van z'n broek uit en keek rond. "Wat
2170
verschaft me het genoegen?" "Zeg maar Japi", zei i, maakte 't
2171
pakje los en legde "Le Lys dans la Vallée" op tafel. "Zie hier,
2172
burger". "Mooi zoo", zei ik, "en wat hebben we daar?" "O", zei Japi,
2173
"boeken van Appi."--"Leest Appi tegenwoordig 't Handelsblad?" "Neen,"
2174
zei Japi, "die krant is van mijn ouwe heer, daar stond een advertentie
2175
in."--"Een advertentie?"--"Een advertentie; zie hier, daar even van
2176
den ouwen heer gekregen."
2177
 
2178
""Assistent correspondent gevraagd op druk exportkantoor", let wel,
2179
druk exportkantoor--"grondig bekend met de moderne talen, stenografie
2180
en machineschrijven. Zij die reeds in den export werkzaam waren
2181
(let op dat waren!) genieten de voorkeur. (Genieten de voorkeur, dat
2182
genieten kan me wel bekoren). Salaris f 3 à 400 per jaar. Brieven onder
2183
No. 1296 bureau Alg. Handelsblad"--1296, slag op 't vlotje. Floris de
2184
stijve springt over de Overtoom. Nooit van gehoord? En waarom hebben
2185
ze dan de Overtoom gedempt? 't Was geen gezicht om dien stijven kerel
2186
er over te zien springen, dat wilden ze niet meer hebben. Die f 300
2187
à 400 bevallen me wel, de rest trekt me minder aan"
2188
 
2189
"Wilt u daarop schrijven?" vroeg ik--"Jij, als 't ublieft," zei
2190
Japi. "Willen? Ik moet van de ouwe heer. Hij zegt: 't kan zoo
2191
niet blijven doorgaan. Ik zie niet in, wat niet. Heeft hij last
2192
van me? In vijf weken heb ik maar twee maal thuis geslapen. Geen
2193
cent zie ik van hem. Kijk eens hier." Hij stak z'n been uit. Ik zag
2194
een splinternieuwen, gelen schoen. "Wat bliksem, dien schoen ken
2195
ik."--Waar zie je zulke gele schoenen?--"Ze zijn nu wat donker van
2196
't water", zei Japi, en zette den anderen voet bij den eenen. "Van
2197
Appi! En hoe komt dat? Ik ben m'n ouwen heer niet tot last. Ik loop
2198
rond met mijn schoenen tot ze zoo lek zijn als een mand. Appi is een
2199
fideele kerel. Schilderen kan i niet, zal i nooit leeren, dat zie ik
2200
wel, maar hij is een fideele kerel. Sokken hat i niet over de hand,
2201
ik zit met m'n bloote voeten in z'n schoenen", zei Japi, en liet heel
2202
gemoedelijk een stuk van z'n bloote been zien. "En boeken heeft i,
2203
in geen jaar kom ik er doorheen, al lees ik dag en nacht."
2204
 
2205
Appi z'n vader had een goed beklante slagerij en kon 't doen. Dat Appi
2206
nooit schilderen zou leeren heeft Japi goed gezien; z'n vader heeft
2207
hem later in een huis-, reclame- en decoratieschilderswerkplaats gezet.
2208
 
2209
Ik zette thee. Gehurkt bij mijn stelletje, goot ik 't water op en zette
2210
't theepotje op 't waterketeltje. Japi snoof.
2211
 
2212
"Goeie bullen", zei i, draaide zich heelemaal om en verschoof z'n
2213
stoel tot hij met z'n neus boven de theepot zat. "Ik heb mot gehad
2214
met Bavink". zei i. "Is 't waarachtig?" zei ik. Van Hoyer had ik al
2215
gehoord dat ze bij dag en bij nacht samen rondscharrelden, dat ze
2216
in één bed sliepen, Japi onder 't laken en Bavink er boven, dat ze
2217
om beurten jenever hadden gedronken uit 't ééne bierglas dat Bavink
2218
nog had. "Ik heb z'n kacheltje kaduuk gestookt, Zondagavond."
2219
 
2220
In één avond hatti 't kapot gestookt. Hij had maar zitten opladen en
2221
zitten poken, en naar den gloeienden pot zitten kijken en z'n pijp
2222
gerookt, de kachel zoo te zeggen tusschen z'n knieën. En niks gezegd
2223
hatti, tot Bavink plotseling gezien had dat er een groote scheur in den
2224
pot was en vreeselijk had opgespeeld. Japi had 'm laten uitrazen, hij
2225
was opgestaan en had z'n stoel weggenomen, en Bavink had met de pook
2226
't schuifdeurtje open gemaakt en een gat gebrand in den grond met 't
2227
uitscheppen van de gloeiende kolen. En toen Bavink was blijven razen
2228
had Japie gezegd: "Verrek met je kachel", en was kalmpjes weggegaan
2229
naar 't huis van z'n ouwe heer en had een schoone boord omgedaan van
2230
z'n broer, en van z'n moeder een stuk taart gekregen dat van 't dessert
2231
was overgebleven. En had een nacht thuis geslapen en den volgenden
2232
middag  was i op straat Loef tegengekomen dien i ook al kende. Loef die
2233
later met zwemmen verdronken is, juist toen i er zoon beetje begon te
2234
komen; en die had hem weer meegenomen naar Bavink en gezegd: "Bavink
2235
ik breng je kaduukstoker mee." En Bavink had om 't geval gelachen,
2236
En Japi was dadelijk naar 't plankje geloopen en had, op 't bekende
2237
plaatsje "naast Dante", een nieuw kruikje Bols gevonden. En met z'n
2238
drieën hadden ze 't een heel eind soldaat gemaakt en toen had Japi
2239
dikke boterhammen gesneden van Bavink z'n brood en toen waren ze met
2240
hun drieën naar 't Amstelveld gegaan en hadden voor 70 cent een nieuw
2241
kacheltje gekocht ('t was Maandag), een kachel van een voorwereldlijk
2242
model; en met z' drieën hadden ze die op een handkar naar huis gekruid.
2243
 
2244
Ik presenteerde Japi een kop thee. Hij dronk uit een spoelkom, een
2245
kopje had ik niet voor 'm, steunde behagelijk en zette de kom hard
2246
neer. "Nu wou ik wel een stukje brood hebben", zei i; "neem me niet
2247
kwalijk, ik geloof dat ik den weg al weet." Hij had m'n kast al in de
2248
gaten gehad "Kerel", zei i, "weet je dat je worst in huis hebt?" Of ik
2249
't wist. Hij kwam er al mee aanzetten. "Boterhammenworst, een ordinair
2250
volksvoedsel." Mijn worst, mijn rijkdom, zoo even nog het onderwerp van
2251
mijn mijmeringen over mijn weelde, de worst die ik voor morgen wilde
2252
bewaren. Japi wist er raad mee. En ik moet zeggen hij vergat mij niet,
2253
hij gaf me twee plakken op elke boterham. Er was toch genoeg. Japi
2254
at. Wat kon die kerel eten! Het brood lag naast 'm op tafel en
2255
hij sneed maar. Ik begon er schik in te krijgen. "Geneer je niet
2256
Japi, centen genoeg." Japi had ze nog niet gezien. "Goddome", zei i,
2257
"vetpot!" "Ze hebben zeker weer wat van je geplaatst". Ik knikte. "Zoo
2258
moet je maar doen", zei i, "die kerels zijn toch nergens anders goed
2259
voor dan om ons de kost te geven. Ik heb van m'n leven ook nog eens
2260
iets geschreven." Hij propte z'n mond vol brood en worst en veegde z'n
2261
handen af met 't Handelsblad, dat i daarna in elkaar frommelde. "Ik
2262
zal er maar niet op schrijven, ik deug daar toch niet voor."
2263
 
2264
En toen kwam uit een binnenzak een oud vermolmd onwelriekend krantje,
2265
op de vouwen doorgesleten: "De Vlachtwedder Grensbode." Hij liet me een
2266
artikeltje zien: "Brieven uit Amsterdam" stond er boven. Zes hatti er
2267
geschreven, zei i, de vijf andere had z'n broer zoek gemaakt. Japi nam
2268
nog een sneedje brood. "Moet je niet meer?" vroeg hij. Ik bedankte en
2269
Japi nam 't laatste van m'n twee ons worst, "'t Ordinaire volksvoedsel"
2270
ging er goed in. "'s Nachts gemaakt" zei Japi met z'n mond vol en
2271
wees met 't mes naar 't krantje. "Na kantoortijd, 's Avonds moest ik
2272
altijd op kantoor terugkomen. Af en toe moest ik m'n hoofd onder de
2273
kraan houden om wakker te blijven. Ik zou je nu danken. Wat heb ik
2274
er aan? Niks, moe word je er van. 'k Loop liever bij den weg en kijk
2275
naar de menschen en de wagens en de huizen. Speciaal kijk ik naar de
2276
lieve jonge meisjes en de pas getrouwde vrouwtjes. Die pas getrouwde
2277
vrouwtjes pik je er zoo uit, die herken je dadelijk. En dan denk ik
2278
aan 't plezier dat ik van al die lieve diertjes niet heb. Dat doe
2279
ik liever dan dat ik er over schrijf. Wat gaat 't die kaffers aan,
2280
wat ik zie. Zelf loopen ze bij de straat te sloffen en naar den grond
2281
te kijken en trekken vervelende gezichten omdat 't zoo ver is, en
2282
't leven zoo moeilijk, dat je er akelig van wordt. Doen zij iets voor
2283
mij? Die paar centen kunnen ze houden."
2284
 
2285
't Artikeltje was wel aardig, maar Hoyer zei later dat i vast niet
2286
geloofde dat 't van hem was.
2287
 
2288
"Nu zou ik wel een potje bier lusten", zei Japi en leunde
2289
achterover. "'t Spijt me kerel", zei ik, "ik heb niets in huis,
2290
geen bier en geen jenever en geen kleeren om over straat te gaan,
2291
maar steek een sigaar op."
2292
 
2293
De regen kletterde op 't dak alsof i er door zou komen, de ruiten waren
2294
wit van 't water. Japi had geen zin er uit te gaan, dat zag ik wel. Hij
2295
stak een sigaar op, keek een poosje naar den rook en vroeg toen: "Die
2296
Hoyer, wat is dat toch eigenlijk voor een kerel?" Hoyer en hij konden
2297
't niet goed vinden. Dat had ik wel gedacht. Hoyer was op de penning
2298
en een ruwe vent. "Die kerel deugt niet", zei Japi, "die moet vooral
2299
maar veel met verf knoeien, voor iets beters is ie toch niet goed."
2300
 
2301
Bavink was een dag uit de stad geweest: "voor zaken" zei Japi en
2302
toen was hij (Japi) van Houten tegengekomen op weg van kantoor naar
2303
huis. Van Houten (een kennis van Bavink) was een kantoorbediende
2304
die dacht datti schrijven kon. Hij had indertijd een dikken roman
2305
gepubliceerd, waar de uitgever heel wat aan te kort gekomen was. Japi
2306
had zich door hem mee laten nemen en zich te eten laten nooden. Hoyer
2307
was er ook en 't eerste wat i gezegd had was: "Zoo, uitvreter!" Japi
2308
vond dat prachtig. We waren toch allemaal uitvreters. "De burgerman
2309
moet ons toch allemaal de kost geven." En dienzelfden avond had hij
2310
Hoyer een riks te leen gevraagd, enkel om te pesten. Want hij wist
2311
wel dat Hoyer toevallig geen geld bij zich zou hebben. Toch heeft
2312
zelfs de lange Hoyer er naderhand aan moeten gelooven. Japie heeft
2313
die malle zalmkleurige jas van 'm geleend en nooit teruggebracht. Maar
2314
veel plezier heeft Japie er niet van gehad. Ieder oogenblik moest hij
2315
er mee in den slag, en in Ouderkerk op de brug hebben de pummels er
2316
een mouw uitgetrokken.
2317
 
2318
"Kom", zei Japi, "kwart over negenen, ik stap op. Hoor dien regen
2319
eens." Hij ging voor 't raam staan. "Niks te zien", zei i. "Je kunt
2320
niks zien door dien regen. Foei ik ben rillerig geworden, mijn knieën
2321
zijn nog nat. Jammer dat je niks in huis hebt." Ik haalde zijn jas. Hij
2322
was nog zwaar van 't water.
2323
 
2324
"Moet je ver door dat weer?" vroeg ik. "Ik kan wel naar de ouwe
2325
gaan", zei Japi, "maar dat is ook nog een half uur. Dat is je nest,
2326
hè?" Japi schoof 't gordijn weg en ging op m'n ledikant zitten en
2327
gaapte. "Ik geloof dat ik ziek ben", zei i; "weet je wat je doen
2328
moest, haal voor mijn rekening een half maatje ouwe klare, ik zal
2329
't je bij gelegenheid wel teruggeven." Ik stond daar nog met z'n jas
2330
over m'n arm. "Trek mijn jas aan", zei i. Ik scharrelde naar zolder;
2331
m'n vest was tamelik droog. De tapper woonde vlak bij. Ik schoot Japi
2332
z'n jas over m'n vest. 't Natte ding maakte me koud en akelig. Zoo
2333
ging ik al die trappen af en de straat over. Bij den tapper was niks
2334
te doen, ik bleef geen tien minuten weg. Toen ik boven kwam lag Japi
2335
te ronken, aangekleed, z'n schoenen nog aan. "Hallo", riep ik en
2336
schudde aan z'n schouder. Hij mompelde wat. "Hallo, jenever." Hij
2337
keek me lodderig aan en kwam langzaam overeind. "O", zei i, "ik zie
2338
't al". Hij dronk een spatje. "Daar knap ik van op." "Zeg", zei i,
2339
"kan ik hier niet maffen? Ik ben vannacht niet op mijn bed geweest en
2340
vandaag kon ik niet slapen." Wat moest ik doen? Hij kon wel op den
2341
grond slapen, zei i, als i maar wat onder z'n hoofd had. "Goddank",
2342
zei i en smeet zijn twee schoenen tegelijk over den vloer. "Goddank,
2343
dat ik uit die natte krengen ben." Toen hing i z'n broek over de
2344
leuning van een stoel "om te drogen." Mijn stelletje schoof i op zij;
2345
in den hoek legde i de boeken van Appi, z'n jasje legde i er over heen,
2346
z'n vest hield i aan. Toen nam i mijn beste deken, rolde zich er in,
2347
dronk nog een spatje en ging met z'n hoofd op 't stapeltje liggen en
2348
zei: "Wel te rusten."
2349
 
2350
En ik ging weer aan tafel zitten, keek naar mijn centen en dutte
2351
in. Toen ik wakker werd knetterde de lamp, de olie was op. Ik kroop in
2352
mijn ledekant en sliep slecht, door de kou. Japi had nergens weet van.
2353
 
2354
Toen de dag aanbrak en ik voor de zooveelste maal wakker werd, hoorde
2355
ik hem rammelen. Hij was bezig thee te zetten, had zelf beneden
2356
water gehaald, en zich aan m'n ontstelde buren voor een neef van mij
2357
uitgegeven. Hij had best geslapen, hij was alleen een beetje stijf. Hij
2358
hoopte dat i me niet wakker had gemaakt. "Ik heb al gegeten", zei i
2359
"ik geloof dat je niet al te veel brood meer hebt." Hij moest weg. Hij
2360
wilde Bavink nog spreken die toen gemeenlijk 's morgens om een uur
2361
of tien ging slapen. Hij bracht mij een kom thee in bed en stond bij
2362
't raam z'n kom leeg te slurpen. Met twee handen hield i die vast en
2363
keek naar buiten. "Allemaal armoed", zeidi. "Nou bonjour hoor, mijn
2364
jas kan ik zelf wel van de lijn halen." Bij de deur draaide i zich
2365
nog even om. "'s Avonds ziet zoo'n hok er een boel gezelliger uit."
2366
 
2367
Dat vond ik ook. Ik scharrelde mijn bed uit, koud en beroerd. Op tafel
2368
lagen m'n centen nog. Hij zegt dat hij z'n ouwe heer niet noodig heeft,
2369
dacht ik, en de centen van den burgerman evenmin. Zegt u dat wel.
2370
 
2371
 
2372
 
2373
 
2374
V.
2375
 
2376
 
2377
"Koekebakker", zei Japi, "ik voel me zoo raar van binnen." 't Was op
2378
een middag bij Bavink. Ik had Bavink willen spreken,  maar die was
2379
uit. Japi zat aan tafel met een fleschje inkt van een stuiver en een
2380
pak kranten voor zich. "Koekebakker, ik voel me zoo raar van binnen."
2381
 
2382
"Je ruikt tenminste degelijk naar jenever", zei ik.
2383
 
2384
"Nee", zei Japi, "de jenever is 't niet. Ik geloof dat mijn
2385
ziel te groot is." Zoo'n uitvreter toch! "Wat moeten die kranten,
2386
Japi?" vroeg ik. Japi gaf een klap op 't pak. "Nieuwzen van den Dag,
2387
Koekebakker, Nieuwzen van den dag. Er zijn er bij van een maand
2388
oud." "Moet je weer solliciteeren, Japi?" "Juist geraden man. 't
2389
Gaat zoo niet langer. Pak een stoel. Kijk eens aan, K H 14684
2390
Nieuws van den Dag. WelEdl. Heeren."--"De hoeveelste is dat?" vroeg
2391
ik.--"De eerste pas. Dat gaat niet zoo gauw. Dat komt, omdat jelui
2392
nooit in den handel zijn geweest, jelui weet niet, hoe 'n toer dat
2393
is. Wat zal je drinken, kerel? Je neemt me wel niet kwalijk?" en hij
2394
doopte z'n pen in de inkt en staarde op z'n papier. "Koekebakker",
2395
zei Japi, keek hulpeloos rond en legde z'n pen neer. "'t Gaat niet,
2396
ik ben er geen kerel voor. Eenmaal ben ik in den handel geweest. Ik
2397
deug er niet voor. Ik weet 't bij ondervinding. Ik begrijp er niks
2398
van. Waar is dat allemaal goed voor? Ik ben zoo best tevreden. We
2399
zullen dat maar weer wegbergen." En hij nam het pak kranten en legde
2400
't zorgvuldig onder tafel.
2401
 
2402
"Zie zoo, nu zie ik ze niet meer. Jij weet niet wat handel is,
2403
Koekebakker, anders zou je der niet om lachen. Om te beginnen ga
2404
je tot je achtiende jaar op school. Heb jij ooit geweten hoeveel
2405
schapen er in Australië zijn en hoe diep 't Suezkanaal is? Nou juist,
2406
daar heb je het. Ik heb dat geweten. Weet jij wat polarisatie is? Ik
2407
ook niet, maar ik heb 't geweten. De raarste dingen heb ik moeten
2408
leeren. Vertaal in 't Fransch: "onder benefice van inventaris." Ga der
2409
maar tegen aan staan. Je hebt er geen begrip van, Koekebakker. Dat
2410
duurt zoo jaren. Dan doet je ouwe heer je op een kantoor. Dan merk
2411
je, dat je al die dingen geleerd hebt om met een kwast papier nat te
2412
maken. Overigens is 't 't ouwe gedonderjaag, 's morgens om negen uur
2413
present en urenlang stil zitten. Ik vond dat ik op die manier niet
2414
opschoot. Ik kwam altijd te laat, ik probeerde wel op tijd te komen,
2415
maar 't wou niet meer, ik had 't zooveel jaren gedaan. En taai. Ze
2416
zeiden dat ik alles verkeerd deed, daar zullen ze wel gelijk aan
2417
gehad hebben. Ik wilde wel, maar ik kon niet, ik ben geen kerel om te
2418
werken. Ze zeiden, dat ik de anderen van hun werk hield. Ook daarin
2419
zullen ze wel gelijk gehad hebben. Als ik klaagde, dat ik 't niks
2420
lollig vond en vroeg of ik daarvoor nu op school al die wonderlijke
2421
dingen had geleerd, dan zei de oue boekhouder: "Ja jongetje, het
2422
leven is geen roman." Bakken vertellen, dat kon ik en dat vonden
2423
ze leuk ook, maar ze waren er niet tevreden mee. De ouwe boekhouder
2424
wist al heel gauw niet wat hij met me doen moest. Als de baas er niet
2425
was maakte ik dierengeluiden, zong komieke liedjes, die ze nog nooit
2426
hadden gehoord. De zoon van den baas was een ingebeelde kwajongen;
2427
af en toe kwam i op kantoor om centen te halen. Hij sprak vreeselijk
2428
gemaakt en keek met een allerellendigst, door niets gemotiveerd vertoon
2429
van superioriteit naar de bedienden van zijn pa. De lui lachten zich
2430
een beroerte als ik dien jongeheer nadeed. Ik heb daar ook nog een
2431
schrijfmachine bedorven en een boek weggemaakt. Toen hebben ze me
2432
aan een toestel gezet, dat ze de "guillotine" noemden. Daar moest
2433
ik monsters mee knippen. Dagen lang heb ik daaraan gestaan: alle
2434
monsters werden scheef. De lui hadden 't wel in de gaten, ze hadden
2435
niets anders verwacht. Ze hadden me daar alleen maar aan gezet om
2436
erger te voorkomen. Die monsters werden weggegooid; die gingen nooit
2437
naar de klanten. Toch had ik in die dagen nog gelegenheid om een brief
2438
verkeerd in te sluiten. Natuurlijk was 't erg; de man die den brief
2439
kreeg mocht niet weten, dat de baas zaken deed met den man waaraan
2440
i geschreven was. De boekhouder was totaal van streek. Toen begreep
2441
ik, dat ik maar liever heen moest gaan. Ik kreeg een poot van den
2442
baas. Ik was zelf ook blij dat ik wegging en heb hem hartelijk de
2443
hand geschud. Ik heb gezegd, dat 't me speet, maar dat ik er niets
2444
aan doen kon en ik geloof, dat 'k 't meende. Zie je, Koekebakker,
2445
dat is handel. Ik ben daarna nog drie weken volontair geweest op een
2446
effectenkantoortje, krantjes nakijken met een boek om te zien of de
2447
stukken van de klanten waren uitgeloot. Je ergste vijand zal er voor
2448
bewaard blijven. Ze moesten me wegdoen. Ik moest daar ook copieeren. Er
2449
was geen denken aan, dat ze uit 't copieboek konden wijs worden. Ik
2450
zag wel in dat 't zoo niet ging, ik kon er mijn hoofd niet bij houden.
2451
 
2452
"Mijn ouwe heer was ten einde raad. Hij hoopt nu, dat 't met de jaren
2453
wel beteren zal. Ik weet dat zoo niet. 't Lijkt er nog niet veel
2454
op. 'k Heb 't nog veel te goed zoo. Weet je dat Bavink pas een bom
2455
duiten heeft gemaakt? Een slootje bij Kortenhoef met een hooibergje
2456
en een kalf. Als je blieft." En hij haalde zijn portemonnaie voor
2457
den dag. "Hij puilt van de centen. Koekebakker, jong, hij puilt van
2458
de centen. Harde riksjes. Morgen ga ik op reis."
2459
 
2460
"Met Bavink?" vroeg ik. "Neen," zei Japi, "niet met Bavink, alleen. Ik
2461
ga naar Friesland." "Midden in den winter?" Japi knikte. "Wat
2462
doen?" Hij haalde z'n schouders op. "Doen? Niks doen. Jelui kerels
2463
zijn zoo akelig wijs: alles moet een reden en een doel hebben. Ik ga
2464
naar Friesland, niks doen, nergens om. Zonder reden. Omdat ik er zin
2465
in heb."
2466
 
2467
Den volgenden avond bracht ik hem weg, in donker, naar den sneltrein
2468
van zevenen. Hij had een jas zonder knoopen aan, die hem veel te
2469
wijd was, een pet op, die hem een eind achter de ooren zakte en aan
2470
z'n voeten de nieuwe gele schoenen van Appi. In z'n hand hatti een
2471
papieren sigarenpijpje met een reclame. "Wacht even", zei i, toen
2472
we al beneden waren. "Ik heb nog wat vergeten." Even daarna kwam i
2473
terug met een vischhengel.
2474
 
2475
Hij was weinig spraakzaam dien avond. Ik kon niet uit hem krijgen
2476
wat hij met dien vischhengel wilde. Onderweg rookte hij in een half
2477
uur vier sigaren uit zijn papieren sigarenpijpje, en toen ik aan het
2478
portier van hem afscheid nam vroeg hij me of ik niet een beetje tabak
2479
voor hem had.
2480
 
2481
Na zes weken kwam hij terug met zes knoopen aan zijn jas en een
2482
paar rooie pluche pantoffels aan zijn voeten. Hij weigerde alle
2483
opheldering. Waar zijn vischhengel was? Oh, die had i uit den trein
2484
laten vallen. Hij was ook nog een keer in 't water gevallen, zei
2485
i. Meer liet hij niet los. Blijkbaar had i zich al dien tijd niet
2486
laten scheren, hij had een kleur van roode baksteen en een lucht
2487
van koemest bij zich. Hij bracht twee pond tabak mee, die niemand
2488
rooken kon. Hij was er aan verslaafd en kwam in veertien dagen niet
2489
om een sigaar. Toen waren de twee pond op, plus een peukie dat hij
2490
ook nog had meegebracht. Toen bleek dat hij nergens in Amsterdam
2491
die tabak kon krijgen. Hij schreef er om naar Friesland, maar kreeg
2492
geen antwoord. Hij was er beroerd van. Maar na een paar dagen zag
2493
ik hem toch weer bij Bavink zitten met een sigaar in 't hoofd, van
2494
Bavink natuurlijk.
2495
 
2496
 
2497
 
2498
 
2499
VI.
2500
 
2501
 
2502
Den zomer daarop was Japi weer verdwenen. Toen kwam ik hem tegen op den
2503
Boulevard du Nord in Brussel. Mijnheer was piekfijn, glad geschoren,
2504
een grijs hoedje, een goudgeel smal zijden dasje, een geruit overhemd,
2505
een gordel, een wit flanellen jasje met dunne blauwe streepjes, een
2506
witte linnen broek, van onderen onberispelijk omgestreken, bruine
2507
sokken met witte ruiten, lage schoenen.
2508
 
2509
Hoe het ging? Patent. Wat hij daar deed? Op en neer loopen van het
2510
Gare du Nord naar het Gare du Midi over de boulevards. Of hij zich
2511
amuseerde? Uitstekend. Waar hij woonde? In Uccle. Wie hij uitvrat? Hij
2512
lachte, maar gaf geen antwoord. In het Maastrichtsche bierhuis op
2513
de Place Brouckère dronken wij ettelijke potjes zuur bier, waar hij
2514
verzot op was geworden. Eigenlijk dronk hij al die ettelijke potjes
2515
op een na, dat ik staan liet. Hij zat weer prinselijk achterover op
2516
zijn stoel en dronk met waardigheid en smaak, hield een beschouwing
2517
over asphalt, over de groote markt, over het mooie weer, zei toen dat
2518
hij naar huis moest en vroeg waar ik logeerde. Dan zou hij mij eens
2519
komen opzoeken. Daarna betaalde hij de potjes bier, en liet mij in
2520
verbazing achter.
2521
 
2522
Begin Augustus kwam hij in Amsterdam terug met een verbonden
2523
hoofd. In Marchienne aux Ponts had hem een mijnwerker een geëmailleerd
2524
etens-pannetje op 't hoofd stukgeslagen. Hij was gesjochtener dan
2525
ooit, zijn ouwe heer hield hem schrikkelijk krap. Tot diep in November
2526
droeg hij zijn witte broek, die toen allang niet wit meer was. Hij
2527
was de oude niet meer, hij sprak weinig en rookte veel minder. Als
2528
hij bij Bavink op 't hok kwam en Bavink legde zijn sigaren op tafel,
2529
dan liet i zich op zijn stoel vallen, hield zijn jas aan en zijn
2530
hoed op, nam moeizaam een sigaar, beet er langzaam het puntje af en
2531
had moeite om de lucifers te vinden, knoeide met aansteken, rookte
2532
langzaam en zelden meer dan één sigaar op een avond. Stak hij een
2533
tweede op, dan gooide hij een groot stuk weg, wat hij vroeger nooit
2534
deed. Toen rookte i tot 't endje te klein werd om vast te houden,
2535
dan stak hij er een speld in en rookte 't zoo op. Het duurde niet
2536
lang of i rookte scheef. Eens liet hij bij Bavink de kachel uitgaan.
2537
 
2538
Toen gaven wij hem op.
2539
 
2540
En toen op een nacht dat het hard vroor, tusschen Kerstmis en
2541
Nieuwjaar, toen kwam Hoyer dien wij in maanden niet gezien hadden,
2542
en nadat we een tijd hadden zitten kletsen, vroeg i naar Japi. En toen
2543
begon i herinneringen op te halen. Of we nog wisten hoe Japi verleden
2544
zomer (dat was toen zoowat een half jaar geleden) 's nachts mee ging
2545
roeien op den Amstel. Hij zou in de punt gaan zitten om uit te kijken,
2546
want de Volharding voer toen alles kapot, had nog pas een tjalk in
2547
den grond gevaren aan den Omval. En Japi zat in het water te kijken
2548
naar de weerkaatsing van de sterren en zat met zijn rechterhand in
2549
het water en zag geen Volharding, zoodat de Volharding om voor ons
2550
uit te wijken bijna in de bocht aan den grond voer. De kerels werden
2551
toen kwaad en een van hen kwam op de achterplecht en schold ons uit
2552
voor nakende verdommelingen, en smeet met een steen die een heel eind
2553
voor onzen boeg in 't water plofte. Toen had Bavink gezegd, dat hij
2554
't wel gedacht had en Japi zei: daar zijn we netjes afgekomen.
2555
 
2556
"Apropos", zei Hoyer toen plotseling (Hoyer werkte nog al met
2557
burgermanstermen). "Apropos, ik heb Japi in Veere gezien met een
2558
Fransche dame, een verdomd lief wijf. Den heelen avond hadden die
2559
twee samen op 't steenen havenhoofd staan praten en over de balustrade
2560
gekeken naar de lichtboei en 't draaiende licht van Schouwen en naar
2561
de branding geluisterd, en "bekgetrokken" zooals Hoyer 't ordinair
2562
uitdrukte. Bavink zei weer dat i 't wel gedacht had en ik zei: "ook
2563
stom, dat hadden we kunnen weten," en toen kwamen wij los over Japi
2564
en dat hij niet meer zoo uitvrat als we dat van hem gewoon waren.
2565
 
2566
't Duurde nog een maand voor dat Japi los kwam. Zijn ouwe heer
2567
had een betrekking voor hem gevonden en den eersten Maart zou hij
2568
aantreden. Hij zei niet dat ie 't beroerd vond. Hij zou eens zien wat
2569
i er van maken kon. Hij zou vijftig gulden per maand verdienen. Dien
2570
avond vroor het weer hard. De sterren waren helder en ontzettend
2571
hoog. De kachel was niet aan. Wij zaten met ons drieën, jassen aan,
2572
kragen in de hoogte, hoeden op zoo als wij zoo vaak hadden gezeten
2573
als wij harder waren dan het kapitalistische gemoed en niets meer
2574
hadden om te verstoken.
2575
 
2576
Toen begon Japi allerakeligst te boomen. Je zeilde maar met de aarde
2577
door de ijzige donkere ruimte, de nacht zou niet meer ophouden, de zon
2578
was weg en ging niet meer op. De aarde joeg voort in de duisternis,
2579
de ijzige wind huilde er achter aan. Al die werelden zeilden verlaten
2580
door de ruimte. Als er een tegen je aan zeilde was je verloren,
2581
verloren met al die 1500 millioen ongelukkige menschen. Japi zat te
2582
rillen in zijn jas, het vroor in de kamer.
2583
 
2584
Toen begon i weer anders. De zon kon zoo mooi in de Waal schijnen. Bij
2585
Zaltbommel had i de zon in de Waal zien schijnen toen i de laatste maal
2586
met den trein over de brug kwam. Tusschen de brug en de stad maakte
2587
de zon een groote lichtplek  in het water. Het water stroomde maar,
2588
de zon scheen er maar in, honderd, duizend, honderdduizend maal. Voor
2589
tweeduizend jaar scheen de zon er al in en stroomde het water maar. God
2590
weet hoe lang al. Meer dan 700,000 maal was de zon sedert al opgegaan,
2591
meer dan 700,000 maal was i ondergegaan, al dien tijd had het water
2592
gestroomd. Hij werd beroerd van dat getal. Hoeveel regendagen zouden
2593
daarbij geweest zijn? Hoeveel nachten zou het zoo hard gevroren
2594
hebben als nu, en harder? Hoeveel menschen zouden dat water hebben
2595
zien stroomen en de zon er in zien schijnen en al die sterren gezien
2596
hebben in de nachten dat 't zoo vroor? Hoeveel menschen die nu dood
2597
zijn? en hoeveel menschen zouden dat water nog zien stroomen? En 2000
2598
jaar was nog niets; duizende jaren langer had de aarde al bestaan,
2599
duizende jaren kon i nog bestaan. Duizende jaren kon het water nog
2600
stroomen, zonder dat hij het zien zou. En als de aarde verging dan
2601
was er eigenlijk nog niks gebeurd. Daarna kwam nog zooveel tijd,
2602
er kwam geen einde aan den tijd. En al dien tijd zou hij dood zijn.
2603
 
2604
Japies tanden klapperden; er was geen spatje jenever in huis en niets
2605
meer te krijgen op de pof.
2606
 
2607
Toen werd Japi week. Toen begon i te spreken over Jeanne, zonder
2608
eenige aanleiding, alsof wij er alles van wisten. En dat haar
2609
handjes zoo zacht en zoo warm waren, dat haar oogen zoo konden
2610
schitteren. Donkere oogen had ze en zwart haar. Wij begonnen er mee
2611
te zitten. Hij deed de akeligste confidenties, over een witte rok met
2612
kantjes, over een rok van lila zij; over haar kleine witte voetjes,
2613
over allerlei lichaamsdeelen waar men niet over schrijft.
2614
 
2615
Op 't laatst begon i Fransch te praten, eenige tientallen malen hoorden
2616
wij het woord "chéri" en "chérie". De laatste "e" van chérie sprak i
2617
uit. Toen sprak i weer Hollandsch en werd zakelijker. Zij zou scheiden
2618
van haar man, een misselijken droogpruimer, twintig jaar ouder dan
2619
zij. Dat vonden wij nog al banaal. En 1 Maart moest i aantreden op
2620
kantoor. Toen wreef i zijn gezicht met zijn beide handen en zei:
2621
"Ik ga weg, geef me een poot." Op de trap stommelde i.
2622
 
2623
Een Maart trad i niet aan. Het werd April voordat hij weer zoover
2624
was dat hij aan het werk kon gaan. Uitvreten deed i niet meer.
2625
 
2626
Maanden later op een avond zag Bavink hem zitten ergens drie hoog
2627
in een kantoorgebouw. Hij zat aan 't raam te werken en 't lokaal
2628
was hel verlicht. Bavink liep naar boven. Hij zat alleen en was
2629
druk bezig. Bavink kon niets uit hem krijgen. Hij werkte maar en
2630
zei weinig. Bavink snorde overal rond, pakte hier en daar een boek
2631
uit de rekken, keek er in, zette 't weer weg, schudde zijn hoofd,
2632
zei enkele malen: "'s jonge, 's jonge", draaide aan de copieerpers,
2633
keek op straat, zette alle ramen open om te luchten.
2634
 
2635
Buiten viel een fijne sneeuw. Vlokken woeien naar binnen. "Doe als
2636
je blieft de ramen dicht", zei Japi en bleef schrijven. Toen kreeg
2637
Bavink een copieboek te pakken, bladerde en las er in, schudde weer
2638
herhaaldelijk zijn hoofd en kwam toen bij Japi staan, 't copieboek
2639
geopend in zijn handen.
2640
 
2641
"Zeg, schrijf jij dat allemaal?" Japi keek nauwelijks op en zei enkel:
2642
"Niet allemaal." "Je bent toch een verdomd knappe kerel," zei Bavink,
2643
"die handel is niet makkelijk." Daarna ging Bavink weg.
2644
 
2645
 
2646
 
2647
 
2648
VII.
2649
 
2650
 
2651
Japi was een harde werker geworden. Kort na het bezoek van Bavink
2652
zonden ze hem naar Afrika. Binnen de twee jaar was i terug: ziek, half
2653
dood. Niemand hoorde iets van hem, tot ik hem op een November-namiddag
2654
zag staan achter den steenen wal bij het haventje van Wijk bij
2655
Duurstede. Daar stond i naar den modder te staren. Ik had eenige
2656
moeite hem te herkennen. Hij stak in een enorm wijde grijze jas, die
2657
hem veel te groot was, een enorme grijze pet zat hem diep in de oogen
2658
en over de ooren. Hij had een paar enorme breede bruine schoenen aan
2659
met stompe neuzen, en enkele jongens achter zich.
2660
 
2661
Ik dacht: dat lijkt waarachtig Japi wel; en, ja hoor, het was 'm,
2662
wat bleek en mager en zonder baard of snor en met een wonderlijk
2663
starende uitdrukking in zijn oogen, maar het was Japi ongetwijfeld.
2664
 
2665
Japi zag niets, hoorde niets. Ik tikte 'm op zijn schouder en zei:
2666
"Wat doe jij hier, hoe gaat het, hoe kom je hier?" Hij gaf me een hand,
2667
zei niets, was niet verwonderd. "Ik sta maar te staren," zei i toen.
2668
 
2669
"Dat heb ik in de gaten," zei ik, "ga je mee een borreltje
2670
pakken?" "Goed," zei Japi. De pummels die op eenigen afstand,
2671
achterover tegen den steenen wal geleund, zich eenigen tijd geamuseerd
2672
hadden met zeer luide en onhebbelijke glossen, groetten nu zeer
2673
eerbiedig, omdat ik nogal wat geld verteerd had in Wijk bij Duurstede
2674
en 's Zondags den notaris op zijn schouder had geklopt.
2675
 
2676
Na een borreltje kwam er wat leven in Japi. Gewerkt had i in Afrika,
2677
last gehad van de hitte en van de beesten en koorts geleden, meer
2678
koorts geleden dan gewerkt of iets anders. Als een geraamte was i
2679
van den zomer teruggekomen.
2680
 
2681
Zijn Française leefde in Parijs met een Hollandsch jongmensch,
2682
sedert onheugelijke tijden volontair op een kantoor. Had nog een
2683
vriend die kolonel was. Had hem in Parijs getracteerd en hem in haar
2684
gebroken Hollandsch een "goeie beest" genoemd en uitgelachen. Had haar
2685
kousenband vastgemaakt waar hij bij was, zoodat hij een stukje van
2686
haar bloote knie had gezien. Had hem daarna weggestuurd. Hij moest er
2687
om lachen. Verliefd was i niet meer. Een licht blauwe zijden onderrok
2688
had zij aan gehad. Een keer had i haar met den kolonel op het terras
2689
van een kroeg gezien. De kolonel deed zeer zelfgenoegzaam en keek woest
2690
en verwaten. Achter zijn rug om had ze Japi een oogje gegeven. Ze had
2691
een borstkwaal en haar maanden waren geteld. En altijd even opgewekt;
2692
maar loopen kon ze nog maar heel slecht.
2693
 
2694
En wat Japi nu van plan was? of hij nog uitvrat? Z'n kantoor vrat i
2695
uit; iederen laatsten van de maand ging i zijn centen halen.
2696
 
2697
Of i van plan was nog weer eens zoo'n woeste werker te worden?
2698
 
2699
O nee. Te sappel had i zich gemaakt. Vijftien jaar ouder geworden
2700
was i in de laatste drie, vier jaar.
2701
 
2702
Toen stak i een versche sigaar op, van mij, een sigaar van een
2703
dubbeltje, met een bandje, ik was toen in goeden doen. Het bandje
2704
deed i er af.
2705
 
2706
Geploeterd hatti, misère gezien hatti. In Marchienne aux Ponts
2707
en Charleroi was het begonnen. Voor de aardigheid was i daar met
2708
Jeanne heen gegaan. Na drie dagen had ze er genoeg van gehad. Hij was
2709
gebleven. Een portretje liet i mij zien; een grijnzend doodskopje,
2710
het dochtertje van een werkman uit een glasfabriek. Zeven kinderen
2711
gehad, vijf dood, het zesde stierf terwijl hij er in den kost
2712
lag, daar was dat portretje van. Daar hatti leeren kijken, gezien
2713
wat werken was. Geld uitgeven hatti altijd verdomde leuk gekund,
2714
anderen brachten 't op. Te sappel hatti zich gemaakt. Socialist had
2715
i willen worden. Voor z'n brood hatti gewerkt, voortgejaagd was i,
2716
voortgejaagd en gedrukt door menschen en de noodzakelijkheid zooals al
2717
die anderen. Nachten hatti gewerkt: om één, twee uur was i in Amsterdam
2718
van kantoor thuisgekomen en daarna hatti opgezeten, gepiekerd, gepend,
2719
heele romans hatti geschreven en de paperassen verbrand.
2720
 
2721
Wat kon i doen? Wat bereikten ze met hun allen? Te sappel hatti zich
2722
gemaakt, gloeiende speechen, woeste artikelen hatti gefantaseerd,
2723
terwijl i op kantoor zat en werkte voor den handel van zijn baas,
2724
hard werkte en iedereen zich verwonderde over de massa's werk, die
2725
i verstouwde. De wereld was blijven draaien, draaide precies zooals
2726
altijd, zou wel blijven draaien zonder hem. Te sappel had i zich
2727
gemaakt. Hij was nu wijzer. Hij trok er zijn handen van af. Er waren
2728
kooplui genoeg en schrijvers en praters en lui die zich te sappel
2729
maakten, meer dan genoeg.
2730
 
2731
En altijd zaten ze in angst ergens voor en hadden verdriet ergens
2732
over. Altijd waren ze bang ergens te laat te komen of van iemand een
2733
standje te krijgen, of zij kwamen niet uit met hun tractement, of hun
2734
plee was verstopt, of ze hadden een zweertje, of hun Zondagsche pak
2735
begon te slijten, of de huur moest betaald worden; dit konden ze niet
2736
doen hierom en dát moesten ze laten daarom. In zijn jongen tijd was
2737
i nog zoo dom niet geweest. Een sigaartje rooken, een beetje kletsen,
2738
wat rondkoekeloeren, je verheugen in het zonnetje als 't er was en in
2739
den regen als 't er niet was, en niet denken aan den dag van morgen,
2740
niets willen worden, niets te verlangen dan af en toe wat mooi weer.
2741
 
2742
Je kon 't niet volhouden. Dat wist i wel. Het kon nu eenmaal niet
2743
bestaan of je moest een bom duiten hebben. En die hatti niet. Wat zijn
2744
ouwe hem kon nalaten was de moeite niet waard. En hij, Japi, vond het
2745
nu welletjes ook. Hij was nu bezig zijn tijd te verstaren. Bereiken kon
2746
je toch niets. Hij scharrelde nog wat rond op de plaatsen waar i zich
2747
vroeger geamuseerd had. Speciaal hield i zich bezig met in rivieren
2748
te staren. In Dordrecht had i enkele weken starende versleten. In
2749
Veere had i dagen lang boven op 't Hospitaal gekampeerd. September
2750
had i in Nijmegen doorgebracht.
2751
 
2752
En toen met eenige variatie herhaalde i zijn oude rêverie over
2753
't water. Van 't water dat maar altijd naar 't westen stroomde,
2754
dat iederen avond naar de zon stroomde. In Nijmegen liep een ouwe
2755
dokter rond, die drie-en-vijftig jaar lang 's morgens op 't zelfde uur
2756
dezelfde wandeling had gemaakt. Over 't Valkhof en aan de Noordzijde
2757
naar beneden en de Waalkade af tot aan de brug. Dat is meer dan 19300
2758
maal. En altijd stroomde 't water naar het westen. En dat beteekende
2759
nog niets. Het heeft zeker honderd maal drie en vijftig jaar naar
2760
dien kant gestroomd. En langer. Nu ligt de brug er over. Nog maar
2761
kort, nog maar wat jaren. En toch heel lang. Ieder jaar is 365 dagen,
2762
tien jaar is 3650 zonnen. Iedere dag is 24 uur, en ieder uur gaat er
2763
meer door de hoofden van al die tobbende menschen dan je in duizende
2764
boeken zou kunnen opschrijven. Duizende tobbers die de brug gezien
2765
hebben, zijn nu dood. En toch ligt i er nog maar kort. Veel, veel
2766
langer stroomde het water daar. En er was een tijd toen dat water
2767
er niet stroomde. Die tijd is nog veel langer geweest. Dood zijn
2768
de tobbers gegaan bij honderde en honderde millioenen. Wie kent
2769
ze nog? En hoeveel zullen er sterven na dezen? Ze tobben maar, tot
2770
God ze wegraapt. En je zou denken: God zou ze een lol doen als i ze
2771
plotseling te grazen nam. Maar God weet beter dan jij of ik. Tobben
2772
willen ze, blijven voorttobben. En onderwijl gaat de zon op en onder,
2773
de rivier daar stroomt naar 't Westen en blijft stroomen tot daar
2774
ook een eind aan komt.
2775
 
2776
Neen plannen hatti niet meer, en te sappel maken zou i zich niet
2777
meer. Daarvoor zou Japi wel oppassen. Een diner accepteerde i dien
2778
avond nog wel. Zelfs zong i een komiek liedje en stak een malle speech
2779
af, staande op een stoel.
2780
 
2781
Eenige maanden heeft Japi nog verstaard. Met zijn gezondheid ging
2782
het niet al te best en de toelage van zijn kantoor hield op. Den
2783
winter bracht i in Amsterdam door, waar ze druk bezig geweest waren,
2784
mooie huizen af te breken en er leelijke voor in de plaats te zetten,
2785
al tobbende.
2786
 
2787
In Mei trok i naar Nijmegen.
2788
 
2789
Daar schreef i me op een briefkaartje, dat Jeanne aan haar borstkwaal
2790
gestorven was. Daar hatti op gewacht, schreef i.
2791
 
2792
Op een zomermorgen om half vijf, toen de zon prachtig opkwam, is
2793
hij van de Waalbrug gestapt. De wachter kreeg hem te laat in de
2794
gaten. "Maak je niet druk, ouwe jongen," had Japi gezegd, en toen
2795
was i er afgestapt met zijn gezicht naar het Noord-Oosten.
2796
 
2797
Springen kon je het niet noemen, had de man gezegd, hij was er
2798
afgestapt.
2799
 
2800
Op zijn kamer vonden ze een stok die van Bavink had gehoord  en aan
2801
de muur zes briefjes met G.v.d. er op en één met "Ziezoo".
2802
 
2803
De rivier is sedert naar het Westen blijven stroomen en de menschen
2804
zijn blijven voorttobben. Ook de zon komt nog op en iederen avond
2805
krijgen Japi zijn oude lui het Nieuws van den Dag nog.
2806
 
2807
Zijn reis naar Friesland is altijd onopgehelderd gebleven.
2808
 
2809
 
2810
 
2811
 
2812
 
2813
 
2814
TITAANTJES.
2815
 
2816
 
2817
I.
2818
 
2819
 
2820
Jongens waren we--maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn
2821
nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal
2822
geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden
2823
hun wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'n
2824
vijven. Alle andere menschen waren "ze". "Ze", die niets snapten
2825
en niets zagen. "Wat?" zei Bavink, "God? je praat over God? Hun
2826
warme eten is hun God." Op enkele "goeie kerels" na werd iedereen
2827
door ons veracht. Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: "En niet ten
2828
onrechte," maar dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Je
2829
weet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyer
2830
vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor
2831
je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die 'm
2832
op den slechten weg brachten. Maar toen waren we in de dagen onzer
2833
dwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu,
2834
alweer behalve Bavink en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zeg
2835
tegen Hoyer: "we zijn er niet op vooruit gegaan." Maar Hoyer is al
2836
te ver heen, hij begint bij de bonzen van de S. D. A. P. te hooren,
2837
en maakt een gebaar van twijfel met z'n handen en z'n schouders.
2838
 
2839
Wat we eigenlijk doen zouden is ons nooit duidelijk geweest. Iets
2840
zouden we doen. Bekker had een vaag besef dat-i alle kantoren wilde
2841
afbreken, Ploeger wilde zijn baas z'n eigen klokken laten inpakken
2842
en er bij gaan staan met een sigaar in z'n hoofd en vloeken op die
2843
kerels die nooit iets goed konden doen. Eéns waren we 't, dat we
2844
"eruit" moesten. Waaruit, en hoe? Eigenlijk deden we niets anders dan
2845
praten, rooken, drinken en boeken lezen. Bavink vrijde bovendien nog
2846
met Lien. Achteraf bedenk ik, dat we een prachtig stel kerels geweest
2847
waren om rijk te zijn, maar "centen hebben" vonden we verachtelijk;
2848
alleen Hoyer begon daar vrij gauw anders over te denken. Bavink begreep
2849
niet, waarom die kerels zoo maar in rijtuigen mochten rijden en dure
2850
jassen aanhebben en andere lui commandeeren, die niet stommer waren
2851
dan zij. Automobielen zag je toen zoo nog niet.
2852
 
2853
Heele zomernachten stonden we tegen 't hek van 't Oosterpark te leunen
2854
en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan
2855
hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er
2856
wordt toch zooveel geschreven tegenwoordig.
2857
 
2858
Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van 't trottoir
2859
zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen en
2860
waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar
2861
de sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z'n
2862
baas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-i
2863
opstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte,
2864
zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, dan
2865
zat Bavink met z'n hoofd in z'n handen, over de zon te praten, bij
2866
't sentimenteele af. En we vonden dat 't zonde was naar bed te gaan,
2867
dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat
2868
zouden we veranderen. Kees zat te slapen.
2869
 
2870
En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees,
2871
die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker
2872
wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk
2873
met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de
2874
dansende gouden pijltjes die de zon in 't water maakte. Stapelmal
2875
werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange
2876
schitterende streep. Maar aan den kant van 't water bleef-i toch
2877
maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer
2878
aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim
2879
stond. Bavink sloeg met z'n vuist tegen z'n voorhoofd en vloekte:
2880
"God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit." Nu zit-i in
2881
een gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd niets
2882
zien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heel
2883
slecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die er
2884
beter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te suffen en meer
2885
dan ooit naar de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinen
2886
te staren en erger dan ooit naar zes uur te verlangen.
2887
 
2888
Waar we ook heel sterk in waren, dat waren, na kantoor, tochten naar
2889
den Ringdijk. Daar zaten we in 't gras tusschen de boterbloemetjes
2890
beneden aan den dijk en dan kwamen de nieuwsgierige koeien met hun
2891
groote oogen en keken naar ons en wij keken naar de koeien. En dan kon
2892
je ervan opaan, dat Bavink over Lien begon. Op de een of andere manier
2893
moeten die koeienoogen daar iets mee uit te staan gehad hebben. En
2894
dan begon 't te schemeren, de kikkers gingen kwaken, één ging er
2895
vreeselijk te keer, vlak bij mijn schoen, m'n eene voet lag bijna
2896
in de sloot. Andere hoorde je zachtjes, ver, heel ver weg. Een koe,
2897
die je nauwelijks meer kon zien in de halve duisternis, hoorde je
2898
't gras afschuren. In de verte begon er een klagelijk te loeien. Een
2899
paard holde heen en weer, je hoorde 't maar zag 't niet. De koe bij
2900
ons blies en werd onrustig. Bekker zei: "'t Is hier goeie. Zoo moest
2901
't maar blijven." Bavink stond overeind en breidde z'n armen uit en
2902
luisterde, en ging daarna weer zitten en zei dat we der ook nooit iets
2903
van zouden snappen, hij zelf ook niet, en dat we eigenlijk niet veel
2904
beter waren dan al die andere lui, en ik geloof, dat-i daar heel na
2905
aan de waarheid was.
2906
 
2907
Neen, we deden eigenlijk niets. Ons werk op kantoor deden we niet
2908
al te best, en onze bazen verachtten we, behalve Bavink en Hoyer,
2909
die geen bazen hadden en niet begrepen, waarom we iederen dag weer
2910
naar die bazen toegingen.
2911
 
2912
We wachtten maar. Waarop? Dat hebben we nooit geweten. Bekker zei:
2913
"Op 't koninkrijk Gods." Dat wil zeggen, dat heeft-i een keer gezegd
2914
zonder zich nader te verklaren. Bavink had 't altijd over "het einde,
2915
dat meteen 't begin zou wezen." Wij vonden dat allemaal volkomen
2916
duidelijk en weidden er niet verder over uit.
2917
 
2918
 
2919
 
2920
 
2921
II.
2922
 
2923
 
2924
Op den zolder van Kees kwamen we dien zomer bijna iederen avond
2925
bij elkaar. Kees had ook een "hok" moeten hebben. Zijn hok was 't
2926
grootste en voor allen makkelijk te bereiken. De buren vonden 't niks
2927
leuk iederen avond dat geloop op de trap. Kees z'n vader begreep er
2928
niks van. Tegenwoordig groet-i me heel beleefd en noemt me "mijnheer
2929
Koekebakker", omdat-i m'n naam in 't Handelsblad heeft gezien.
2930
 
2931
Bekker had Kees gezegd, hoe-i 't doen moest. Ze hadden goedkoop
2932
bloemetjesbehangsel van 3 centen de rol gekocht en dat achterstevoren
2933
tegen den muur geplakt, de effe groene achterkant buiten. Bekker had
2934
een spreuk geschreven met sier-letters en die aan den muur geplakt
2935
naast de deur. "J'ai attendu le Seigneur avec une grande patience,
2936
enfin il s'est abaissé jusqu'à moi."
2937
 
2938
Ik weet niet meer waar-i dat vandaan had gehaald. Kees kon 't niet
2939
lezen. Maar Kees had óók iets gedaan. Hij had een spa gemaakt en Bekker
2940
had die diagonaalsgewijs aan den muur geprakkizeerd in 't aangezicht
2941
van de spreuk. Het was eerst niet duidelijk, wat dat moest beteekenen,
2942
maar naderhand bleek, dat Bekker zich in zijn hoofd had gehaald, dat-i
2943
metdertijd op de hei zou gaan wonen en daar een brokje land bewerken,
2944
dan hoefde-i niet meer naar kantoor. Bavink vond dat een mooi idee,
2945
maar-i was bang dat Lien er geen zin in zou hebben en Hoyer zat liever
2946
in de kroeg.
2947
 
2948
Daar zaten we dan en lieten niets heel. Tenminste niet veel. Ik
2949
herinner me, dat Zola en Jaap Maris tamelijk ongeschonden bleven
2950
en misschien nog wel de een of ander. Bekker las uit Dante voor,
2951
de Prediker en 't Hooglied en 't boek Job kende-i uit z'n hoofd. 't
2952
Was heel indrukwekkend. Van de buitenwereld merkte je niet veel op
2953
dat hok. Het eenige raam was bijna schouderhoogte van den grond;
2954
als je aan tafel zat, zag je niet veel meer dan een stuk lucht,
2955
waar langzamerhand de kleur uitweek, en wat sterren, als 't donker was.
2956
 
2957
Schilderen? Wie kon er nog schilderen, als je Bavink hoorde? Alles
2958
lieten de lui zich voorzetten, letterlijk alles. Ik moest maar eens een
2959
schilderij maken. Dat was ik zelf, Koekebakker. Hij zou me zeggen wat
2960
ik doen moest. "Je schildert twee horizontale banen, onder elkaar, even
2961
breed, een blauwe en een goudgele en in 't midden van die blauwe baan
2962
maak je een ronde goudgele vlek. En dan zetten we in den catalogus:
2963
No. 666 De Gedachte, schilderij. En dan zenden we 't in op mijn naam:
2964
Johannes Bavink, 2de Jan Steenstraat, nummer zooveel en we prijzen
2965
't voor f 800. Je zult eens zien wat ze er in ontdekken. Van alles,
2966
waar je zelf nooit een flauw benul van gehad hebt."
2967
 
2968
Bavink was toen nog erg jong.--Naderhand kwam Lien daar ook en zette
2969
thee. Eén keer heeft ze den grond geboend en alles afgestoft; maar
2970
dat was heel ongezellig. Kees kwam er door in verlegenheid, want
2971
tegen die juffrouw had de ouwe heer bepaald bezwaar. En Bavink was
2972
niet zooals we hem graag zagen, wanneer Lien er bij was en had een
2973
neiging om haar voortdurend te knijpen. Dat was hinderlijk.
2974
 
2975
Gelukkig liet hij haar al heel gauw weer thuis, omdat-i dacht, dat
2976
Lien mij oogjes gaf. Bekker zei: "Meiden, dat is niks" en rookte
2977
met bizonder welbehagen z'n steenen pijpje toen ze er voor 't eerst
2978
weer niet bij was. Het was dien avond ook heel genoegelijk. Uren lang
2979
zaten we in donker. De lamp was gaan zakken en daarna uitgegaan. We
2980
bleven maar zitten en rookten, uren lang. Af en toe zei iemand eens
2981
wat. Bavink vond schilderen 't stomste dat iemand doen kon. Kees
2982
begreep er weer niks van. "Je moest zoo maar stilletjes blijven
2983
zitten," zei Bavink en keek naar de lucht. Een groote groenachtige ster
2984
stond daar te donkeren. "Je moest zoo maar stilletjes blijven zitten
2985
te verlangen zonder te weten waarnaar." En hij stopte een versche pijp.
2986
 
2987
 
2988
 
2989
 
2990
III.
2991
 
2992
 
2993
Het was een wonderlijke tijd. Als ik er even over nadenk, dan moet
2994
die tijd nog voortduren, die duurt zoolang er jongens van negentien,
2995
twintig jaar rondloopen. Maar voor ons is hij lang voorbij.
2996
 
2997
Wij waren boven de wereld en de wereld was boven ons en drukte zwaar
2998
op ons. Heel in de diepte zagen wij de wereld vol bedrijvigheid
2999
en verachtten de menschen, de gewichtige heeren vooral, de heeren,
3000
die 't druk hebben en die denken dat zij 't aardig ver in de wereld
3001
hebben gebracht.
3002
 
3003
Maar wij waren arm. Bekker en ik moesten 't grootste deel van onzen
3004
tijd op kantoor doorbrengen en doen wat die heeren zeiden en hun domme
3005
opinies aanhooren, als ze met elkaar spraken en verdragen, dat zij
3006
zichzelf veel flinker en knapper vonden dan ons. En als zij vonden,
3007
dat 't koud was, dan moesten alle ramen dicht en 's winters moest
3008
't licht veel te vroeg op en de gordijnen moesten neer, zoodat wij
3009
de roode lucht niet zagen en 't schemeren in de straat niet, en wij
3010
hadden niets te vertellen.
3011
 
3012
En wij moesten in straten wonen, heel bekrompen, met uitzicht op
3013
de lancaster gordijnen van den overkant en de balletjesfranje en de
3014
aspedistra in een pot met een onbestaanbare bloem er op.
3015
 
3016
O, wij namen wraak, wij leerden talen, waarvan zij de namen nooit
3017
gehoord hadden en wij lazen boeken waar zij niets van konden begrijpen,
3018
wij doorleefden gevoelens waarvan zij het bestaan niet vermoedden. 's
3019
Zondags liepen wij uren en uren ver over wegen, waar zij nooit
3020
kwamen en op kantoor dachten wij aan de slootjes en de weilanden,
3021
die wij gezien hadden en terwijl de heeren ons bevalen dingen te doen,
3022
waarvan wij 't nut niet begrepen, dachten wij eraan, hoe Zondagavond
3023
de zon was ondergegaan achter Abcoû. En hoe wij woordeloos 't heelal
3024
doordacht hadden, hoe God ons hoofd, ons hart en ons ruggemerg gevuld
3025
had en hoe mal zij zouden kijken, als wij hun dat zouden zeggen. En
3026
hoe zij met al hun geld en hun reizen naar Zwitserland en Italië en
3027
Godweetwaarheen en met al hun knapheid en bedrijvigheid dat nooit
3028
zouden kunnen beleven.
3029
 
3030
Maar met dat al hadden ze ons toch in hun macht, ze legden beslag op
3031
't grootste deel van onzen tijd, zij hielden ons uit de zon en van
3032
de weilanden en den waterkant vandaan. Ze dwongen ons voortdurend
3033
onze gedachten bezig te houden met hun onbegrijpelijke zaken. Maar
3034
dat ging zoo ver als 't voeten had. En zij gaven ons standjes; niks
3035
waren wij op kantoor. "O, Bekker" zeiden ze tegen elkaar. Welopgevoed
3036
waren de heeren; de juffrouw van tweehoog zei: "die halvegare",
3037
daar waren de heeren te welopgevoed voor. En ze waren knap, veel
3038
knapper dan de juffrouw van tweehoog, wier man lantaarnopsteker was,
3039
een leuk vak, waar weinig geleerdheid voor noodig is. M'n baas vroeg
3040
me of ik misschien gedichten maakte. Bekker vond dat zoo'n man dat
3041
woord eigenlijk niet mocht uitspreken, dat moest niet mogen. "Wat
3042
zei je tegen hem?" Ik had niks gezegd, ik had maar naar z'n gezicht
3043
gekeken en gevonden dat-i zoo'n dikken kop had en gedacht: "hij weet
3044
niet wien hij voor heeft, daar is hij te dom voor." En ze betaalden
3045
ons slecht de heeren.
3046
 
3047
 
3048
 
3049
 
3050
IV.
3051
 
3052
 
3053
En verliefd waren we. Bekker liep maanden lang iederen morgen over
3054
de Sarphatistraat waar hij niets te maken had. Hij hield van een
3055
schoolmeisje van een jaar of zeventien en liep vijftig pas achter
3056
haar of aan de overzij van de straat en keek naar haar. Hij heeft
3057
nooit geweten hoe zij heette, nooit een woord met haar gesproken. In
3058
de Kerstvacantie was-i ongelukkig. In Februari nam hij een middag
3059
vrij om haar op te wachten, als de school uitging. Daar stond-i op 't
3060
stille grachtje in de sneeuw en een vent reed voorbij op een wit paard,
3061
met een blauwe kiel aan en een stroohoed op. Wat raar dat je juist op
3062
zoo'n middag zoo iets geks moet zien. Maar om vijf minuten voor vieren
3063
ging Bekker weg, hij dorst niet te blijven staan. Langzaam slenterde-i
3064
weg en op de Weteringschans haalde ze hem in. Ze lachte luid tegen een
3065
vriendin. Ik geloof niet dat zij ooit geweten heeft dat Bekker bestond,
3066
 
3067
Van mij wilde Bekker weten waar dat op uit moest loopen, dat kon
3068
toch zoo niet doorgaan. En 't ging ook zoo niet door, want na de
3069
zomervacantie kwam ze niet meer terug.
3070
 
3071
"Meiden," zei Bekker, "dat is niks gedaan... Ze veerde als ze
3072
liep." Hij draaide de lamp wat op en sloeg een blad om van 't
3073
boek waar-i in las. "Waar zou ze nu zijn?" "Zou ze zoenen?" Een
3074
stukje vuur uit zijn pijp viel op 't boek. Hij doofde 't met een
3075
lucifersdoosje. "Verdomme, een gat, dat heb ik stom gedaan." "'t Is
3076
beter zoo, meiden is niks gedaan, je schiet er niet mee op, ze leiden
3077
je maar af. Op een afstand zijn ze aardig, om gedichten op te maken."
3078
 
3079
Hij las. Na een poosje keek hij weer op... "Weet je wat een raar
3080
ding is? Toen ze me dien middag inhaalde ging ze rakelings langs
3081
me heen. Er was zoo te zeggen niks tusschen ons, een beetje kleeren
3082
van haar en zoo goed als geen kleeren van mij." (Bekker liep zomer
3083
en winter met z'n overhemd op z'n bloote lijf). "Dat is niet veel,
3084
vind je wel?" Ik vond dat niet veel; tusschen den toren van Naarden
3085
en de kamer van Bekker b.v. was veel meer. "Tusschen den toren van
3086
Naarden en deze snor," zei Bekker, "is veel minder, veel minder dan
3087
er toen was tusschen haar schouder en de mijne. 't Haalt er niet bij
3088
Koekebakker." Hij sloeg weer een blad om, keek in 't licht, en zei:
3089
"zoo is 't" en ging door met lezen.
3090
 
3091
 
3092
 
3093
 
3094
V.
3095
 
3096
 
3097
Zoo was 't: God liet zijn aangezicht zien en verhulde 't
3098
beurtelings. Je schoot er niet mee op, ook al bewonderde je de meisjes
3099
alleen maar uit de verte en al liet je hun bekjes zoenen door anderen,
3100
door die gewichtige heeren, waar ze over 't algemeen meer mee op hadden
3101
dan met ons. Die waren zooveel netter en praatten zoo aardig. En wij
3102
waren armoedzaaiers.
3103
 
3104
Van God was niets te hopen, die gaat zijn eigen weg en geeft geen
3105
rekenschap. Als we wat wilden moesten we 't zelf doen. Maar wij vonden,
3106
dat Bavink en Hoyer makkelijk praten hadden, die konden wat, die konden
3107
laten zien hoe 't moest, maar wij, Bekker en Kees en ik, wij konden
3108
hoogstens "socialen" worden en dat leek toch wel wat erg armoedig,
3109
nadat je aan Gods tafel had gezeten, adressen te gaan schrijven
3110
voor drukwerk of lid te worden van de "vrije groep Kastanjeplein en
3111
omstreken." En van dat wonen op de hei zou ook wel niets komen, want
3112
als Bekker een paar centen bij elkaar had, dan moesten zijn schoenen
3113
gelapt worden. In de kolonie van Van Eeden hadden we misschien kunnen
3114
gaan, maar toen we op een Zondag er heen waren geloopen, vier uur
3115
gaans, toen liep daar een heer, in een boerenkiel, met dure gele
3116
schoenen, kolombijntjes te eten uit een papieren zak, blootshoofds,
3117
in innige aanraking met de natuur, zooals dat toen genoemd werd, en
3118
z'n baard vol kruimels. Toen dorsten we niet verder en liepen maar
3119
weer naar Amsterdam terug en liepen achter elkaar langs de Naarder
3120
trekvaart en zongen, en een boerenmeid zei tegen een boerenjongen:
3121
"D'r het niks van in de krant 'estaan jong, hoe vin je dat nou? wist
3122
jai d'r van?"
3123
 
3124
 
3125
 
3126
 
3127
VI.
3128
 
3129
 
3130
Dus deden we maar niks. Ja toch, in dien tijd maakte Bekker z'n
3131
eerste gedicht.
3132
 
3133
'k Weet 't nog heel goed, 't was op een Zondag, natuurlijk. Als er
3134
iets gebeurde, dan was 't op Zondag. Want de zes andere dagen van de
3135
week droegen drie van ons onze ketenen van negen tot zes.
3136
 
3137
Ik was uit solliciteeren geweest in Hillegom bij een bollenhandelaar
3138
met dikke roode gladgeschoren wangetjes. En de anderen hadden er
3139
meteen een uitgangsdag van gemaakt. Bavink, Hoyer en Bekker hadden
3140
alle drie al zoo vaak naar 't oudheidkundig museum in Leiden gewild
3141
en nu zou 't er dan van komen. En Kees moest mee, die deed wat de
3142
anderen deden. In Leiden zou ik hen vinden.
3143
 
3144
't Was in December. Ik stond achter op de tram, heelemaal achter op. De
3145
tram reed maar door 't land en stond stil en reed weer, uren duurde 't,
3146
de landen lagen eindeloos. En de lucht werd hoe langer hoe blauwer en
3147
de zon scheen alsof er bloemen moesten groeien uit de boerenkinkels. En
3148
de roode daken in de dorpen en de zwarte boomen en de akkers, veel met
3149
riet gedekt, hadden het lekker warm, en de duinen stonden in de zon
3150
met hun bloote hoofd. En de straatweg lag daar wit en pijnlijk in 't
3151
licht en kon de zon niet verdragen en de ruiten van de dorpslantaarns
3152
flikkerden, ook zij verdroegen met moeite 't felle licht.
3153
 
3154
Maar ik werd hoe langer hoe kouder. En zoo lang als de zon scheen,
3155
reed de tram. 't Is een lange rit van Hillegom naar Leiden en de dag
3156
is kort in December. En op 't laatst stond er een lijk op de tram te
3157
staren in die malle groote koude zon, die vlamde als of de revolutie
3158
moest beginnen, alsof ze in Amsterdam bezig waren de kantoren af te
3159
breken, en die geen vonkje leven in m'n koude voeten en dooie beenen
3160
kon brengen. En de zon werd steeds grooter en kouder en ik werd steeds
3161
kouder en bleef even groot. En de blauwe lucht keek vreeselijk ernstig:
3162
"Wat moest ik toch op die tram?"
3163
 
3164
Dien middag maakte Bekker z'n eerste gedicht. En toen ik met 't
3165
aansteken van de gaslantarens in Leiden aankwam en de onsterfelijken
3166
naast elkaar op een lange bank vond zitten in de derde klas
3167
wachtkamer van 't station, bij de kachel, toen moest ik mee 't gedicht
3168
ondergaan. 't Was heel mooi. Of 't geen naam had? Bekker schudde van
3169
nee. Maar Bavink en Hoyer schreeuwden, dat ze gezien hadden, dat er
3170
iets boven stond. Een burgerheer zei: "Opscheppers" tegen den man,
3171
die aan de deur z'n kaartje knipte. Bavink had 't papier te pakken,
3172
Wat stond er boven? Natuurlijk? "Aan haar." Dat had ik zóo wel geweten.
3173
 
3174
Bavink vond dat er een schepje op de kachel moest, maar kon de
3175
kolenschep niet vinden. Ze nemen in die wachtkamers altijd den
3176
kolenschep mee, anders stookt 't publiek te hard.
3177
 
3178
Toen gooide Bavink de steenkolen met z'n handen in de kachel en kreeg
3179
mot met een kerel met een witte kiel aan.
3180
 
3181
't Was heel lollig dien avond. In den trein vielen Kees en Hoyer in
3182
slaap. Bavink zat te praten met een Haagsch juffertje en de lucht
3183
van heliotroop op te snuiven die haar lieve leden ontsteeg.
3184
 
3185
Toen begon Bekker weer over de hei te praten. Daar wilde-i stilletjes
3186
wonen en maar afwachten wat God met 'm voorhad. Doen kon je niks. Hij
3187
was erg weemoedig. Ik had bezwaar tegen die hei: 't is er zoo droog. En
3188
ik vroeg Bekker waar-i van leven wilde, dat boeren van kantoorheeren
3189
lukt gemeenlijk niet al te best, behalve in Amerika, waar allerlei
3190
leugens van geloofd worden. Maar hij maakte zich daarover geen
3191
zorg. Hij had niks noodig.
3192
 
3193
Nu weet hij beter. God alleen heeft niks noodig. En dat is nu juist
3194
't groote verschil tusschen God en ons.
3195
 
3196
Er is dan ook niks van gekomen van die hei.
3197
 
3198
 
3199
 
3200
 
3201
VII.
3202
 
3203
 
3204
Wij zaten met z'n vieren bij Zandvoort in 't fijne witte zand aan den
3205
voet van 't duin en keken naar zee. Kees was er niet bij. 't Was in
3206
't laatst van Juli. Om zeven uur stond de zon nog hoog boven de zee,
3207
maakte, alweer, ik kan 't niet helpen, 't is God zelf die steeds
3208
in herhalingen vervalt, maakte alweer een lange gouden streep op
3209
't water en scheen op onze gelaten.
3210
 
3211
Aan den gezichtseinder voer een sleepboot en rees en daalde; als-i
3212
daalde zag je enkel de stoompijp.
3213
 
3214
Bekker zou den volgenden dag naar Duitschland gaan. Door zijn groote
3215
talenkennis had-i een betrekking gekregen als correspondent op een
3216
fabriek. En Hoyer ging naar Parijs, schilderen.
3217
 
3218
Bekker vooral was weer erg weemoedig. Hij wou dat-i dat baantje
3219
maar niet aangenomen had. Hij begreep niet goed meer waarom-i 't
3220
gedaan had. Twee uur was-i in dat ellendige fabrieksstadje geweest
3221
om zich voor te stellen. Ziek was-i er geworden, heimwee had-i er
3222
gekregen. Zoo gauw mogelijk was-i naar 't station gevlucht. Daar lagen
3223
gelukkig de rails nog, onafzienbaar, recht, tot aan den horizon, de
3224
weg naar Amsterdam. En zijn biljet had-i voor den dag gehaald. En er
3225
had nog duidelijk opgestaan: "nach Amsterdam". En op tijd was de trein
3226
gekomen en had 'm over de rails naar huis gereden. En toen-i aan 't
3227
Centraal station was afgestapt, toen had-i in de volheid zijns gemoeds
3228
een praatje gemaakt met den machinist en hem een sigaar gegeven,
3229
een dure, en even de locomotief met z'n hand aangeraakt en gedacht:
3230
"aai locomotief". En toch had-i dat baantje aangenomen. 't Gaf een boel
3231
meer dan-i hier verdiende. En nu moest-i weg en zou den Ringdijk niet
3232
meer zien. En al dien tijd zouden die rails daar liggen, maar hij zou
3233
hoogstens daarginds op 't perron kunnen staan en er naar kijken en de
3234
treinen zien vertrekken, 's avonds, en 's Zondags den geheelen dag,
3235
vele malen.
3236
 
3237
Nu was de zon lager en rood, de gouden streep was weg. 't Was een
3238
warme, stille avond. Het roode water rimpelde wat, de branding rolde
3239
langzaam en ruischte maar zacht.
3240
 
3241
Bekker had een theorie, dat-i zou sparen en terugkomen en op de hei
3242
gaan wonen. Maar hij geloofde er zelf niet aan in zijn hart. En wij
3243
probeerden 't te gelooven, zelfs Hoyer probeerde 't en wij overtuigden
3244
ons zelf dat 't zoo gaan zou, maar wij geloofden 't niet. En 't is
3245
ook zoo niet gegaan. Na een jaar is Bekker teruggekomen. Hij had een
3246
paar honderd gulden overgehouden en liep weer iederen morgen om half
3247
negen in de Linnaeusstraat met z'n brood in een zeiltje. Een mensch
3248
heeft veel noodig.
3249
 
3250
Maar dien avond dachten wij niet aan zeiltjes met brood. Wij deden erg
3251
ons best om te gelooven, dat wij er nog heel wat van terecht zouden
3252
brengen. Verbazen zouden wij de wereld, zoo kalm en onaanzienlijk
3253
als wij daar zaten met opgetrokken beenen en onze acht handen om
3254
onze knieën. Hoyer had zich voorgenomen allerlei gemeene dingen te
3255
schilderen. In een tijdschrift had-i een artikel gelezen over de
3256
sociale taak van den kunstenaar, hij was er nu achter. Hij begon een
3257
dispuut met Bekker over de hei. Het was mirakel geleerd. Hij probeerde
3258
Bekker te overtuigen, dat 't verkeerd was zich af te zonderen van
3259
de wereld en naar die hei te gaan, waar-i toch nooit naar toe zou
3260
gaan. Een kunstenaar behoort te staan midden in 't moderne leven.
3261
 
3262
Van mij wilde Hoyer weten hoe ik er over dacht. Ik zei maar, dat ik
3263
er nooit over gedacht had. Ik begreep ook niet wat-i wilde, hij wist
3264
't immers, waarom moest-i nu nog weten hoe ik er over dacht.
3265
 
3266
Alleen Bavink zei niets, hij zat met z'n kin op z'n knieën en ontving
3267
de zon in z'n hart. De zon was nu zoo plat als een suikerboon en dof
3268
rood, hij was bijna weg.
3269
 
3270
Hoyer kon er niet bij blijven zitten. Hij sprong op en nam Bekker
3271
mee. Zij wandelden langs 't strand, in de verte hoorde we Hoyer
3272
schreeuwen, blijkbaar wond-i zich op. Bavink en ik bleven nog even
3273
zitten, toen drentelden wij zachtjes achter hen aan. 't Leek me niets
3274
leuk een levensbeschouwing te hebben, Hoyer schreeuwde zoo.
3275
 
3276
Bavink en ik stonden stil en keken naar de punten van onze schoenen
3277
en naar 't aanrollen van de verloopende golven. De zon was weg, de
3278
roode schijn op 't water begon te verbleken, in 't zuiden klom een
3279
blauwige duisternis. Er was een geur van modder. In de verte, bij
3280
't dorp, gingen plotseling de booglampen aan bij 't strand.
3281
 
3282
"Begrijp jij dat," vroeg Bavink, "van die sociale taak?"
3283
 
3284
Ik haalde m'n schouders op. "Wat zou dat voor 'n vent zijn, die
3285
dat artikel geschreven heeft? Heb jij verantwoordelijkheidsgevoel,
3286
Koekebakker?" Daar had Hoyer 't ook over gehad.
3287
 
3288
"Hoyer praat machtig mooi," zei Bavink. "Machtig mooi. Ik heb geen
3289
verantwoordelijkheidsgevoel. Ik kan me daar niet mee ophouden. Ik moet
3290
schilderen. Een lolletje is 't niet. Wat zei-di ook weer?" "Wie?" vroeg
3291
ik. "Die vent in dat boek, wat zei-di ook weer dat kunstenaars
3292
waren?" "Gebenedijden, Bavink." "Weet je wat ik denk, Koekebakker? Dat
3293
't dezelfde vent is, die de spoorboekjes gemaakt heeft. Daar heb ik
3294
ook nooit iets van begrepen, hoe iemand dat kon. Gebenedijden... God
3295
is overal? Of niet, Koekebakker? Dat zeggen ze toch?"
3296
 
3297
Ik knikte. De duisternis begon nu overal uit 't water te klimmen,
3298
in 't noordwesten hield de kim nog wat gelige en groenige gloed,
3299
boven onze hoofden trok 't laatste licht weg. Wolken waren er niet.
3300
 
3301
"Dus hij is overal," zei Bavink. "Daar en daar en daar." Met
3302
uitgestrekte arm wees hij om ons heen. "En daar achter die zee, in
3303
't land dat wij niet zien. En daar, bij Driehuis, waar de booglampen
3304
staan. En in de Kalverstraat. Ga eens met je rug naar 't water staan
3305
en luister. Kan jij eruit blijven?"
3306
 
3307
"Waaruit?"
3308
 
3309
"Uit die zee?" Ik knikte van ja, dat kon ik best.
3310
 
3311
"Ik nauwelijks," zei Bavink. "'t Is zoo raar dat weemoedige geluid
3312
achter je. 't Is net of zoo'n zee wat van me wil. Daarin is God
3313
ook, God roept. 't Is waarachtig geen lolletje, overal is-i. En
3314
overal roept-i Bavink. Je wordt mal van je eigen naam, als-i zoo
3315
dikwijls geroepen wordt. En dan moet Bavink schilderen. Dan moet
3316
God op een brokkie linnen met verf. Dan roept Bavink "God." En
3317
zoo blijven ze mekaar roepen. Voor God is 't een spelletje, die is
3318
oneindig en overal. Hij roept maar. Maar Bavink heeft maar éen dom
3319
hoofd en één domme rechterhand en kan maar aan één schilderijtje te
3320
gelijk werken. En als-i denkt dat-i God heeft dan heeft-i linnen en
3321
verf. Dan is God overal, behalve waar Bavink 'm hebben wil. En dan
3322
komt er een vent en schrijft dat Bavink gebenedijd is. En Hoyer leert
3323
dat uit z'n hoofd en loopt er over te zwetsen tegen Bekker. Zeg wel
3324
gebenedijd. Weet je wat ik wou? Dat ik spoorwegboekjes kon maken. Zoo'n
3325
vent laat God met vrede, die is 'm de moeite niet waard."
3326
 
3327
Ik presenteerde Bavink een sigaar en stelde voor naar Driehuis te
3328
gaan. Ik had trek in koffie. Ik vond het niet mooi van Bavink een
3329
verdienstelijk heer zoo te kleineeren. Achter ons aan kwamen Hoyer
3330
en Bekker terug en hadden 't nog erg druk.
3331
 
3332
Om elf uur stonden we dien avond nog weer aan 't strand in de nacht. Er
3333
was wat wind komen opzetten, de golven ruischten. Een weinig drank
3334
had de weemoed en de somberheid verdreven. Een nieuwe tijd zou
3335
aanbreken. Bekker zou in de eenzaamheid van zijn Duitsche kosthuis
3336
Dante vertalen, zooals nog nooit iemand 't gedaan had. Bavink had een
3337
groot doek in z'n hoofd, een gezicht op Rhenen, hij was daar eens een
3338
dag geweest, duidelijk zag hij alles voor zich. En Hoyer ging werken
3339
aan z'n sociale taak; ze zouden er van opkijken. En ik probeerde
3340
't allemaal te gelooven.
3341
 
3342
De koele wind woei om ons heen. De zee ruischte klagend, de zee, die
3343
klaagt en weet niet waarom. De zee spoelt verdrietig aan 't land. Mijn
3344
gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen.
3345
 
3346
Een nieuwe tijd zou aanbreken, nog konden wij groote dingen tot stand
3347
brengen. Ik deed mijn best 't te gelooven, héél erg mijn best.
3348
 
3349
 
3350
 
3351
 
3352
VIII.
3353
 
3354
 
3355
In Rhenen stond ik in de schemering op de brug over den spoorweg
3356
en keek naar 't Noorden. In de diepte lag de spoorlijn tot den
3357
gezichtseinder, aan beide zijden er van rees de berg steil op, begroeid
3358
met lichtgroen gras en donkergroene brem vol gele bloemen. Ik keek
3359
er naar hoe de bergwanden geleidelijk lager werden, tot ze, heel ver,
3360
overgingen in de vlakte.
3361
 
3362
Weer begon de duisternis geheimzinnig naar boven te kruipen uit de
3363
aarde, zooals ik dat zoo dikwijls gezien had. Bevreesd en bangelijk lag
3364
't laatste licht van den dag op den berg, de spleet was vol duisternis,
3365
een rood licht was opgetrokken aan een paal aan de spoorlijn. De lucht
3366
was wat grijs beslagen en keek kleurloos neer op den verslagen dag.
3367
 
3368
Zes jaar was ik weggeweest en nu stond ik daar, pas in Holland terug,
3369
op de plaats waaraan ik zoo vaak had gedacht, waarover ze mij in bijna
3370
iederen brief hadden geschreven. (Bavink schreef me ieder jaar zeker
3371
wel twee keer en Bekker wat vaker), op den berg waarvan Bavink mij
3372
in den loop van den tijd zeven teekeningetjes had gestuurd en waarop
3373
Bekker twee heel kleine versjes had gemaakt.
3374
 
3375
Naar Holland was ik gekomen om armoe te lijden en artikeltjes en
3376
verhaaltjes te schrijven in 't buurtje waar ik zoo lang gewoond had. En
3377
mijn laatste twee rijksdaalders wilde ik verteren in de stad die in
3378
mijn afwezigheid een korte poos de hoofdstad der wereld was geweest.
3379
 
3380
In 't Noorden verslond de duisternis 't licht mateloos, nu was de
3381
berg weldra verzwolgen, 't laatste geleide van den dag vluchtte in
3382
't Noordwesten overhaast en ik stond op 't bruggetje aan 't niet,
3383
omspoeld door de oneindigheid.
3384
 
3385
Ik legde mijn elboog op de leuning en hield m'n kin met m'n hand
3386
vast en keek in de duisternis en dacht aan de platte roode zon,
3387
die, lang geleden, in de groene golven van den Atlantischen oceaan
3388
was ondergegaan, de golven die opliepen met scherpe randen en holle
3389
flanken en vielen en opliepen en nu nog oploopen en vallen. En aan
3390
de gele lichten in de armelijke buurtwinkeltjes in Amsterdam, die
3391
ik nu spoedig weer zou zien en die iederen avond hadden geschenen,
3392
terwijl de oceaan golfde.
3393
 
3394
En de vage verwachtingen van vroeger stegen weer in mij op en het
3395
verlangen, zonder te weten waarnaar.
3396
 
3397
Doch er kwam een gevoel bij, dat ik vroeger niet gekend had. Voorbij
3398
waren al die dagen gegaan en voorbij zouden nog vele dagen gaan,
3399
en al die dagen zouden mijn verwachtingen onvervuld blijven en mijn
3400
verlangens onbevredigd. Jaren had Bavink met tusschenpoozen gewerkt
3401
aan zijn gezicht op Rhenen, aan de rivier, den berg, den Cuneratoren,
3402
de bloeiende appelboomen, de roode daken van 't stadje, de kastanjes
3403
met hun witte en roode bloemen en de bruine beuken tusschen de huizen
3404
in de hoogte, en 't molentje ergens op den berg. Jaren had Bekker in
3405
't villaatje op den berg, dat Bavink gehuurd had, iederen Zondag
3406
Dante vertaald en gedichtjes geschreven soms, jaren had ik over de
3407
wereld gezworven. En wat was er nu nog gebeurd? Wat beteekende dat
3408
alles voor de wereld, voor God, voor ons zelf?
3409
 
3410
Op den toren van Rhenen had ik gestaan en de verten gezien, en
3411
mijn hart had naar de verte getrokken en naar de roode luchten in 't
3412
westen. Doch al had ik van den toren kunnen vliegen naar de verten, dan
3413
zou ik slechts gevonden hebben, dat de verte het nabije was geworden
3414
en opnieuw zou mijn hart naar de verte getrokken hebben. En wat baat
3415
mij de wijsheid, die mij leert dat 't niet anders kan en zoo blijven
3416
zal in eeuwigheid?
3417
 
3418
Iederen dag hadden wij verlangd zonder te weten waarnaar. En eentonig
3419
was 't geworden. Eentonig werd 't opgaan van de zon en 't ondergaan en
3420
't schijnen van de zon in 't water en 't schuiven der witte wolken. En
3421
ook de donkere luchten werden eentonig, en 't bruin en geel worden
3422
van de bladen, en de bladerlooze kruinen en de armoedige drassige
3423
weilanden in den winter, al die dingen die ik zoo vaak gezien had
3424
en waaraan ik zoo vaak had gedacht in mijn afwezigheid en die ik zoo
3425
vaak weer zou zien, als ik niet stierf. Wie kan z'n leven doorbrengen
3426
met te kijken naar al deze dingen, die zich steeds herhalen, wie kan
3427
blijven verlangen naar niets? Hopen op een God die er niet is?
3428
 
3429
En nu bloeiden weer de brem en de seringen en de appelboomen en de
3430
kastanjes en de zon had al weer fel gebrand. En vol ontroering had
3431
ik dit alles weergezien.
3432
 
3433
En terwijl ik daaraan dacht, weken de vage verwachtingen en verlangens.
3434
 
3435
God leeft in mijn hoofd. Zijn velden zijn er onmetelijk, zijn tuinen
3436
staan er vol schoone bloemen, die niet sterven en statige vrouwen
3437
wandelen er naakt, vele duizenden. En de zon gaat er op en onder en
3438
schijnt laag en hoog en weer laag en 't eindelooze gebied is eindeloos
3439
't zelfde en geen oogenblik gelijk. En breede rivieren stroomen er
3440
door met vele bochten en de zon schijnt er in en ze voeren 't licht
3441
naar de zee.
3442
 
3443
En aan de rivieren mijner gedachten zit ik stilletjes en genoeglijk
3444
en rook een steenen pijpje en voel de zon op mijn lijf schijnen en zie
3445
't water stroomen, voortdurend stroomen naar 't onbekende.
3446
 
3447
En 't onbekende deert mij niet. En ik knik maar eens tegen de
3448
schoone vrouwen, die de bloemen plukken in mijn tuinen en hoor de
3449
wind ruischen door de hooge dennen, door de wouden der zekerheid,
3450
dat dit alles bestaat, omdat ik 't zoo verkies te denken. En ik ben
3451
dankbaar dat mij dit gegeven is. En in ootmoed pijp ik nog eens aan
3452
en voel mij God, de oneindigheid zelf.
3453
 
3454
Doelloos zit ik, Gods doel is de doelloosheid.
3455
 
3456
 
3457
 
3458
Maar voor geen mensch is het weggelegd dit bij voortduring te beseffen.
3459
 
3460
 
3461
 
3462
 
3463
IX.
3464
 
3465
 
3466
Toen ik den volgenden ochtend tegen negenen in Amsterdam aankwam en op
3467
't plein voor 't Centraalstation stond, zag ik allerlei electrische
3468
trammen die ik daar nog nooit gezien had en huurauto's en agenten van
3469
politie met petten op inplaats van helmen. Maar 't Damrak hadden ze nog
3470
niet gedempt, ik zag de achterkanten van de huizen van de Warmoesstraat
3471
weer vlak aan 't water staan en den toren van de Oudekerk aan 't eind
3472
er boven uit. Dat was dus nog in orde.
3473
 
3474
En daar liepen ook weer diezelfde nette heeren, wier haar altijd even
3475
netjes zit, die nooit een kreukel in hun jas of een spatje modder
3476
op hun schoenen hebben. En ze zagen er weer uit als of ze 't nog
3477
altijd enorm goed wisten, en vonden dat ze vrijwel geslaagd waren in
3478
't leven. En vriendelijk en beleefd waren ze weer tegen elkaar. Hun
3479
kleeding was een kleinigheid anders dan een jaar of wat geleden, maar
3480
nog even degelijk. En je kon zien dat zij nog altijd met alles in
3481
't reine waren. Een jas was nog altijd een jas en een vest een vest,
3482
en een fatsoenlijke vrouw een fatsoenlijke vrouw en een meid een
3483
meid. Het kwam allemaal nog precies uit. Ook wisten ze nog precies
3484
wie en wat beneden hun stand was; ik twijfelde er niet aan. En ook
3485
't Rokin zou wel gedempt komen als ze er aan toe waren.
3486
 
3487
Met lijn twee reed ik over de Nieuwezijds Voorburgwal. Het was maar
3488
goed dat ze die gedempt hadden lang geleden, anders had de tram daar
3489
allicht niet kunnen rijden en je kon nu ook overal makkelijk van den
3490
eenen kant naar den anderen oversteken.
3491
 
3492
Met lijn twee, de lijn bij uitnemendheid der nette en gewichtige
3493
heeren. Een paar vreeselijk gewichtige heeren waren in de tram, niets
3494
was ik daarbij. Vroolijk scheen het zonnetje op den Voorburgwal,
3495
't groen der boompjes was nog wat licht en ik zag dat de schaduw van
3496
de Nieuwe kerk den overkant der straat niet raakte, lang niet. En
3497
ik herinnerde me, dat ik jaren geleden, ook in 't laatst van Mei
3498
dezelfde schaduw precies zoo gezien had. En dat ik op een zonnigen
3499
winterdag, toen over de Voorburgwal nog geen tram reed, door de
3500
schaduw van die kerk geloopen had, die toen de heele breedte van de
3501
straat bedekte. Nu raakte hij de rails niet, de tram reed in de zon
3502
voorbij de kerk. En over enkele maanden zou dezelfde wagen (hij was
3503
nog heel nieuw) op dezelfde plaats door die schaduw rijden. En toen
3504
ik weer naar die twee vreeselijk gewichtige heeren keek vond ik,
3505
dat al dien tijd dat Rhenen de hoofdstad der wereld geweest was,
3506
er eigenlijk al heel weinig in die wereld veranderd was.
3507
 
3508
En ik dacht, wanneer die twee heeren dood zouden gaan en naakt zouden
3509
aankomen voor de rechtbank des Heeren, en hier vergeten zouden zijn. En
3510
dat er vreeselijk gewichtige heeren na hen zouden komen. En of ze hun
3511
stomme aplomb zouden bewaren, als ze daar boven zouden aankomen zonder
3512
hun gepoetste schoenen? En hoe 't gaan zou met die nette scheidingen
3513
in hun haar? En of ze dan zouden uitkomen met hun stupide vertoon van
3514
meerderheid, of er niet een kleinigheid op die gezichten te lezen zou
3515
zijn, als ze daar die andere, nog gewichtiger heeren zouden ontmoeten,
3516
die ze zooveel jaren hadden hooggeacht, ook naakt?
3517
 
3518
En hoeveel idealistische jongelingen in dien tijd opstellen geschreven
3519
en gedichtjes en schilderijtjes gemaakt en zich opgewonden en gedweept
3520
zouden hebben. En gezoend. En daarna ook gewichtig zouden zijn geworden
3521
misschien, en ook vergeten.
3522
 
3523
Toen kwam er een meisje met een viool in de tram en keek met haar
3524
zwarte oogjes naar de puntjes van haar schoentjes, en ik keek naar
3525
de ronding van haar zomermanteltje en vergat die nette heeren.
3526
 
3527
 
3528
 
3529
 
3530
X.
3531
 
3532
 
3533
Hoyer vond ik thuis. Hij woonde heel netjes in een straatje van
3534
den tweeden rang, achter 't Concertgebouw. Hij ontving me in een
3535
zitkamer, waar ik niet durfde loopen, er lag zoo'n duur kleed. Zijn
3536
gordijnen waren van pluche, z'n stoelen bekleed met geel moquette,
3537
op den schoorsteen stond een zwarte pendule met candelabres en ik
3538
meen dat ik ook nog ergens een bronzen paard heb gezien, allemaal
3539
dingen uit dure bazars. Goed zitten durfde ik ook niet, ik zat al
3540
dien tijd op de punt van een stoei, maar ik geloof niet, dat Hoyer
3541
daar iets van gesnapt heeft.
3542
 
3543
Hoyer had kolossaal geboft. Ze hadden de ouwe stomme streek uitgehaald
3544
een naaktfiguur van hem te weigeren. De Wellust had hij de dame
3545
genoemd en ze was inderdaad, laat ik maar zeggen, omdat ik voor een
3546
fatsoenlijk tijdschrift schrijf "heel lief." En nu woonde Hoyer heel
3547
duur op gemeubileerde kamers, bij een nette weduwe met drie namen,
3548
waar ook een vrouwelijke advocaat in huis was en een assistent-resident
3549
met verlof, met vrouw en kind. En hij at buitenshuis, want de weduwe
3550
was veel te net om voor eten te zorgen. Schoenen poetsen was extra.
3551
 
3552
En ik zat al dien tijd op de punt van mijn stoel en keek naar
3553
de gedraaide poot van de tafel en naar de vergulde lijst van den
3554
spiegel. Het was erg vervelend. Ik moest natuurlijk vertellen van
3555
mijn reis, maar ik wist niet wat, ik hoorde mezelf praten en luisterde
3556
als een daas naar mijn eigen geluid. Er was een naargeestig licht in
3557
de kamer, ik denk dat de weduwe bang was voor inkijken. Ik wou dat
3558
ik maar weg was en keek langs de drie muren, die ik zien kon zonder
3559
al te veel te draaien, maar ze weken niet en ik kon er niet doorheen
3560
zien. Ik keek naar de deur, ik kon er mijn oogen niet van afhouden,
3561
hulpeloos zat ik daar te staren. De deur trok. Vage visioenen had ik
3562
van de Cunera, van den hoek van den Grebbeberg met de rivier en van
3563
't zonnige plein voor 't Centraalstation en de blinkende wijzerplaat
3564
van de Oudekerk en daar doorheen zag ik de geschilderde vlammen van
3565
't nagemaakte eikenhout van die deur. En onderwijl ging iemand door met
3566
praten, o ja, dat was Hoyer. En nu antwoordde ik zelf, of eigenlijk ik
3567
zelf niet, maar mijn tong bewoog toch en er kwam geluid uit m'n mond,
3568
ik hoorde 't duidelijk.
3569
 
3570
Niets merkte Hoyer. Z'n atelier was boven. Of hij me maar even
3571
voor mocht gaan. Wezenloos liep ik achter 'm aan "Dit is zeker
3572
't privaat?" Ik dacht dat 't hoorde zoo iets te zeggen, als een
3573
heer je z'n huis liet zien. Niets merkte Hoyer: "Nee, dat is een
3574
kast" zeide-i. En ik dacht, waarom zegt-i niet: "Pardon, dat is een
3575
kast." Dat zoud-i zeker later zeggen, over een jaar of zoo.
3576
 
3577
De gangetjes waren nauw, de loopertjes smal, de trapjes naar rato,
3578
met dunne spijltjes, een beetje gedraaid, maar alles was netjes,
3579
keurig netjes, dat moest ik zeggen. Nog merkte Hoyer niets.
3580
 
3581
Daar boven knapte ik wat op, daar was ten minste licht, 't bekende
3582
licht van 't atelier. De ezel was leeg. Er stond een dure stoel,
3583
een clubstoel waar ik in wegzakte, nog nooit had ik in zoo'n stoel
3584
gezeten. Hoyer schilderde tegenwoordig portretten, dames en heeren,
3585
allemaal netjes aangekleed. Hij liet me ook een pas begonnen portret
3586
van de vrouwelijke advocaat zien. Zij was nu op reis. Eerst had
3587
Hoyer z'n atelier buitenshuis gehad, maar de advocate had "mevrouw"
3588
overgehaald toe te staan, dat een deel van de zolder voor atelier werd
3589
vertimmerd. Dat overhalen had eenige moeite gekost en was pas gelukt,
3590
toen de weduwe had gehoord, dat Hoyer het portret zou schilderen van
3591
een juffrouw van den Willemsparkweg met winterhoed, boa en mof. En
3592
de rest van haar kleeren natuurlijk. En dat hij voorgedragen was als
3593
lid van "Arti".
3594
 
3595
Of Bavink wel eens hier kwam? Nooit, hij was er nog niet geweest. En
3596
of hij nog wel eens iets van Kees had gehoord? Ja, Bavink had hem een
3597
tijdje geleden op straat gesproken. Drie of vier betrekkingen had Kees
3598
in een paar jaar versleten en daar tusschendoor was hij lange tijden
3599
werkeloos geweest. Z'n vader had eindelijk een betrekkinkje voor
3600
'm gevonden bij de gasfabriek.
3601
 
3602
"Hij loopt nu met een uniformpet op met drie kruisjes en G. G. boven
3603
z'n voorhoofd en een boekje onder z'n arm. En een vent bij 'm met
3604
een zwarte zak." Bavink had 't een heel gezicht gevonden. Hij moet
3605
de halve stuivers uit de muntmeters halen en de andere vent moet die
3606
dragen in dien zak. En als ze de halve stuivers uit de meter hebben
3607
gehaald, dan moet Kees vragen of de juffrouw die halve stuivers weer
3608
in wil wisselen. Hij klaagde dat-i zoo weinig verdiende. Bavink was
3609
een eindje met 'm mee gegaan, hij had nog nooit naast zoo iemand
3610
geloopen. Maar 't had hem gauw verveeld. Hij deed 't nooit weer.
3611
 
3612
Ik tuurde naar 't Bokharakleedje, dat voor den clubstoel lag en
3613
zag heel duidelijk de verlaten keien van de Linnaeusstraat en den
3614
hardsteenen trottoirband en de voeg, waar twee stukken daarvan tegen
3615
elkaar gezet waren en de klinkertjes van 't trottoir. En ik zag ons
3616
daar zitten in de zomernacht. Bavink en Bekker en Kees en Hoyer en
3617
mijzelf. Ik zag dat de keien en 't stof nat waren, de sproeiwagen
3618
was er over heen gegaan, ergens lag een nat stuk krant. En ik hoorde
3619
Hoyer zeggen, dat-i opstond, want dat die blauwe steen zoo optrok. En
3620
nu hoorde ik weer diezelfde stem, maar wat beschaafder, met wat meer
3621
modulatie: "Je zult me excuseeren, Koekebakker, om elf uur heb ik
3622
een conferentie."
3623
 
3624
Buiten scheen de lentezon in de troostelooze straat. Mijn God, hoe
3625
kon zoo'n straat bestaan. 't Meisje in de tram had ik vast niet mogen
3626
zoenen, maar zoo'n straat mocht bestaan. Dat mocht.
3627
 
3628
 
3629
 
3630
 
3631
XI.
3632
 
3633
 
3634
Op een van de grachten was 't. Ik stond op de stoep en las:
3635
"P. Bekker, Agentuur en Commissiehandel." Ik schelde en wachtte. 't
3636
Duurde nog al lang. Toen ging de bovenste helft van de deur open en
3637
ik zag een jongmensch met een vierkant hoofd. "Is m'nheer Bekker op
3638
kantoor?" Raar klonk dat. En terwijl 't jonge mensch met eenige moeite
3639
de onderdeur open maakte, herinnerde ik me hoe vroeger de straatdeur
3640
werd opengetrokken zonder dat je iemand zag en dat ik dan riep "Hallo
3641
Bekker!" "Is mijnheer op kantoor?" Er was iemand bij mijnheer.
3642
 
3643
In den marmeren gang stond een groote rol loopergoed. "Wie kan ik
3644
zeggen dat er is?" "Koekebakker." "Wilt u mij maar volgen?" 't Jonge
3645
mensch ging mij voor, een smalle trap op, die ettelijke malen draaide.
3646
 
3647
Boven, aan 't eind van een nauwen donkeren gang stond hij stil. In
3648
't schemerige licht kon ik nog net even 't woord "Monsterkamer"
3649
lezen. "Moet ik hier zijn vriend?" vroeg ik en wees naar dat woord. Ik
3650
zag dat de vriend mij een rare vond. "Dat staat er nog van vroeger,
3651
mijnheer." Hij klopte.
3652
 
3653
Ik hoorde Bekkers stem die "Ja", riep. De vriend ging naar binnen,
3654
de deur ging weer dicht en daar stond ik.
3655
 
3656
Of ik zoo goed wilde zijn hier even te wachten. Ik werd in een klein
3657
achterkantoortje gelaten met een uitzicht op een blinden muur. Aan
3658
den zolder hing een zware rol pakpapier aan een spil, een eind papier
3659
hing naar beneden boven een groote, leege paktafel. 't Jongmensch
3660
ging aan een lessenaartje zitten, dat tegen 't raam stond en begon te
3661
tikken op een schrijfmachine met z'n rug naar me toe. Ik zag 't stuk
3662
papier hangen, ik zag dat 't schuin was afgescheurd, ik keek op den
3663
breeden bollen rug en de bonkige schouders van den kantoorbediende en
3664
naar den blinden muur. Een van de baksteenen was kapot en van binnen
3665
donkerrood; dat brok steen was 't mooiste dat ik zag.
3666
 
3667
De bediende tikte maar, God weet wat-i tikte. Als-i even ophield,
3668
hoorde ik de stemmen van twee menschen door de gesloten deur,
3669
ik herkende 't geluid van Bekker, maar de woorden verstond ik
3670
niet. Twintig minuten zat ik daar te sterven. "Per me si va nella
3671
città dolente."
3672
 
3673
Toen ging de deur open en Bekker verscheen. Hij was zenuwachtig
3674
en verlegen. Hoe het mij ging. Ik zag er goed uit. Het speet hem
3675
vreeselijk. Hij had een klant over uit Bordeaux. Die mijnheer was
3676
speciaal overgekomen om met hem te spreken.  Hij geloofde niet, dat
3677
hij hem voor vanavond laat kwijt zou raken... "Je begrijpt--kerel
3678
wat zie je d'r toch goed uit. Kom je nu van Algiers?" Ik begreep
3679
't volkomen. Ja, ik kwam van Algiers. "Waar logeer je, als 't kan,
3680
kom ik vanavond om 9 uur bij je." Ik logeerde nergens, mijn geld
3681
was op, maar dat kun je toch niet zeggen op een kantoor, waar een
3682
vreemde bij is. Ik zei maar dat ik 't nog niet wist, ik kwam nog
3683
wel eens aan. "Ik hoop dat je 't dan beter treft." Ik wist dat-i
3684
dat zeggen zou. D'r zijn zoo van die gesprekken onder nette lui,
3685
waarbij je heelemaal niet hoeft te luisteren.
3686
 
3687
Hij bracht me tot de straatdeur. Hij vond 't verdomd beroerd. Ik keek
3688
naar 't bordje, "P. Bekker, Agentuur en commissiehandel" en toen naar
3689
z'n oogen.
3690
 
3691
En toen zag ik dat ook hij plotseling weer die koe hoorde loeien,
3692
die tien jaar geleden geloeid had in de schemering, de koe die je
3693
hoorde en niet zag.
3694
 
3695
Wij gaven elkaar de hand. "Per me si va tra la perduta gente,
3696
Koekebakker." Hij hield mijn hand nog vast en legde z'n andere hand
3697
op m'n schouder. "Zeg eens, als je geld noodig hebt?"
3698
 
3699
Ik ging de stoep af, de klant stond voor 't raam met z'n handen in z'n
3700
zijden, de beenen van elkaar en keek naar buiten. Rijk en welverzorgd
3701
zag hij er uit. Ik nam eerbiedig mijn hoed voor 'm af en hij groette
3702
terug, beleefd en minzaam.
3703
 
3704
 
3705
 
3706
 
3707
XII.
3708
 
3709
 
3710
Ik kom nu zoo gaandeweg tot 't einde. Goddank, zal hier of daar iemand
3711
zeggen. Och, ik wist vooruit dat 't op niet veel zou uitloopen. Waar
3712
loopt tegenwoordig 't leven van een Amsterdammer op uit? In mijn
3713
jongenstijd heb ik vaak genoeg gewenscht, dat er nu eindelijk eens
3714
iets zou gebeuren. Maar er gebeurde nooit iets. Zelfs verhuisd zijn
3715
we nooit. En later....
3716
 
3717
Alleen Hoyer weet waar de boel op uitloopt. Hij heeft wat geërfd en zit
3718
flink in de duiten. Hij is lid van de S. D. A. P. en leest "Het Volk".
3719
 
3720
's Avonds zit-i op 't Leesmuseum en leest 't Berliner
3721
Tageblatt. Schilderen doet-i niet meer. Hij weet ook waarom hij niet
3722
meer schildert: wij zijn in een tijd van verval. Een nieuwe kunst is
3723
in opkomst. Daar wacht-i zeker op. Hij brengt ondertusschen Kunst aan
3724
het Volk, hoe, dat weet ik niet. Een metselaar heeft hem eens gevraagd,
3725
"wat-i voor die smoessies kocht." Ook daarvoor had Hoyer een verklaring
3726
"Wij sociaal democraten weten maar al te goed----"
3727
 
3728
Hij zegt een boel dingen, die erg waar zijn en als je denkt, "nou wordt
3729
't interessant", dan gaat-i niet verder. Op een middag in "Polen",
3730
sprak-i heel veel over "proletarisch sentiment" en "burgerlijke
3731
ideologieën." Ik luisterde maar naar 'm. Eén keer heb ik tegen 'm
3732
gezegd: "'t Is toch mooi dat je alles zoo zeker weten kunt."
3733
 
3734
Hij ging daar direct op in en ik kon in een half uur niet meer aan 't
3735
woord komen. En 't is inderdaad heel mooi voor iemand die zijn heele
3736
leven lang te doen heeft wat een ander 'm commandeert, zonder dat-i er
3737
zelf veel van snapt en voortdurend wordt gesnauwd en altijd margarine
3738
moet eten en in de benauwde luchten wonen. Als ik maar een beetje
3739
twijfelen mocht, dan zou ik ook wel lid van de S. D. A. P. worden. Eén
3740
geluk: de menschen, die altijd in de benauwde luchten verkeeren,
3741
hebben me niet noodig. En misschien zou 't zonder Hoyer ook nog wel
3742
gaan. 'k Zal toch eens informeeren of 't mag, dat twijfelen.
3743
 
3744
Met den agentuur en commissiehandel is 't slecht gegaan. Die
3745
commissiehandel was heelemaal larie, dat had Bekker er maar bij laten
3746
zetten omdat 't goed stond. En iemand die Dante vertaald heeft en
3747
gedichtjes gemaakt, al zijn 't er maar dertien, die moet geen agent
3748
van binnen- en buitenlandsche huizen worden. Op een regenachtigen
3749
Decemberdag, toen de lantaarns op de gracht werden opgestoken, vond
3750
ik Bekker scheef aan z'n lessenaar zitten met z'n hand onder z'n
3751
hoofd. De kamer was half donker. Hij bewoog niet. Ik stak 't gas op. De
3752
prullemand stond achter 'm en daarin lag al z'n post van drie dagen,
3753
ongeopend. Met z'n elleboog hat-i de heele rommel erin geschoven,
3754
opzettelijk, zonder er naar te kijken. Z'n bediende hat-i maanden
3755
geleden gedaan gegeven, de telefoon hadden ze weggenomen. Daar
3756
zat-i. Aan de muur hing een lijst met afvaarten van stoombooten,
3757
waarvan de laatste al weer lang was binnengekomen en na dien tijd weer
3758
uitgevaren, herhaalde malen. En op den schoorsteen stond een dik boek,
3759
een prachtuitgave van de Divina Commedia.
3760
 
3761
Buiten stonden de lantaarns te branden, bleek en vreemd in 't laatste
3762
daglicht, als een wonderlijke vergissing, zooals ze zoo dikwijls
3763
gestaan hadden. Een wonderlijke vergissing leek alles.
3764
 
3765
Nu zit Bekker weer ergens op een kantoortje. Hij heeft een goeie baas,
3766
die hem respecteert, omdat hij Dante vertaald heeft. Op mooie dagen
3767
stuurt-i Bekker 's middags weg, dan mag-i een beetje in 't zonnetje
3768
wandelen.
3769
 
3770
Aan den drank is Bekker niet gegaan. Hij lost schaakproblemen op of
3771
slaapt. Een voorstelling van de toekomst heeft-i niet. Hij verlangt
3772
zelfs niet naar zes uur. Dat geeft toch niets. Z'n tractement beurt-i
3773
met een weemoedig welbehagen, met weemoedig welbehagen koopt-i er
3774
dassen en schoenen voor. Z'n kleeren zijn netjes geborsteld. Bij
3775
tijden is hij een weinig ingenomen met zichzelf, om dat-i vroeger
3776
"een geestelijk leven geleid heeft."
3777
 
3778
Hij ziet nog weleens een schilderijtje. Onlangs kwam ik hem nog
3779
eens tegen. Toen had-i 't over de intocht van de koningin, dat
3780
schilderijtje van Eerelman, waar 't woord "Odol" zoo natuurlijk op
3781
geschilderd staat. Hij vroeg of 't niet een mooi schilderij was om
3782
in een deftige apotheek op te hangen.
3783
 
3784
Kees loopt nog altijd voor de gasfabriek en verkeert in de benauwde
3785
luchten, waar ik 't zoo even ook over gehad heb. Hij weet niet waar
3786
't volgende kind zal moeten slapen. De kinderen zijn nu nog klein,
3787
maar over een jaar of wat kibbelen ze 's morgens bij die ééne kraan
3788
en dat ééne privaat, zooals dat altijd in district III gegaan is. Hij
3789
tobt met wat Hoyer noemt: "'t Chronische tekort in 't huishouden van
3790
den werkman," en koopt alleen 's Zaterdagsavonds sigaren. 's Zondags
3791
moet-i de kinderen verbieden. Hij moppert dat-i 't zooveel beter had
3792
kunnen hebben, als-i eerder naar z'n vader geluisterd had.
3793
 
3794
Z'n vrouw is goed voor 'm. Midden in de week heeft-i een schoone
3795
zakdoek. Maar ze zal de lusten niet opwekken van iemand, die niet
3796
aan haar gewend is, zooals Kees. Zes jaar geleden was dat anders.
3797
 
3798
En op zolder bij z'n vader, waar vroeger z'n hok was, daar hangen nu
3799
de onderlijfjes van z'n zusters te droogen.
3800
 
3801
 
3802
 
3803
 
3804
XIII.
3805
 
3806
 
3807
En Bavink?
3808
 
3809
Bavink heeft 't tegen die "Godverdomde dingen" afgelegd. Die dingen die
3810
geschilderd wilden wezen en als je dan dacht: "dan moet 't ook maar
3811
gebeuren," dan wilden ze weer niet. Hij begon wat opgang te maken,
3812
toen de strijd al op 't eind liep.
3813
 
3814
Twee maanden na mijn terugkomst kwam-i me heel kalm vertellen,
3815
dat-i zijn gezicht op Rhenen in stukken had gesneden. En zoo was
3816
't. De rivier, den berg, den Cuneratoren, de bloeiende appelboomen, de
3817
roode daken van Rhenen, de kastanjes met hun witte en roode bloemen,
3818
de bruine beuken en 't molentje ergens in de hoogte, 64 gelijke,
3819
rechthoekige brokken van 15 bij 12-1/2 centimeter hat-i er van
3820
gesneden, met een bot knipmes. Een heel werk was 't geweest.
3821
 
3822
't Ding had 'm geërgerd. 't Was niks, totaal niks, vodden. Hij wou van
3823
mij weten, waarom iemand schilderde. Hij begreep zelf niets meer. Hij
3824
stak z'n arm uit en wees in de ruimte. Dààr waren de dingen. Hij sloeg
3825
met z'n vuist tegen z'n voorhoofd. En daar waren ze. Er uit wilden ze,
3826
maar ze deden 't niet. Stapelgek werd je ervan.
3827
 
3828
Bijna een jaar daarna vond ik hem aan 't Centraalstation aan de
3829
Parijzer trein van 8 uur. Hij bracht een of anderen kennis weg, een
3830
haarboer met lange zwarte lokken en heel veel baard, meer haar dan
3831
mensch, en een hoog voorhoofd met niets er achter. De ondergaande zon
3832
stond te schijnen, groot en rood, aan 't eind van de kap stond-i,
3833
er was een rossig schijnsel in de ruiten en 't vernis van de
3834
spoorwagens. Bavink was dronken. De trein vertrok, schoof onder de
3835
kap vandaan en boog even om naar links. Bij 't ombuigen flikkerde
3836
't licht fel op de wagens.
3837
 
3838
Wij wandelden naar 't eind van 't perron. Een man met een seinlicht
3839
kwamen wij tegen, ik zag, dat hij in 't voorbijloopen naar een
3840
conducteur keek, die daar stond bij een anderen trein en een beweging
3841
maakte van drinken met de hand aan den mond.
3842
 
3843
Wij stonden stil buiten de kap en keken naar de zon. "Zie je die
3844
zon, Koekebakker?" De zon was bijzonder duidelijk, hij stond recht
3845
voor ons uit en dicht bij, zoo groot en zoo rood was-i nog nooit
3846
geweest. Hij raakte bijna de rails van den spoorweg, hij maakte geen
3847
flikkeringen meer op de dingen, en alleen in de matglazen ruiten van
3848
den locomotievenstal, rechts van den spoorweg, was een dof schijnsel.
3849
 
3850
"Je denkt dat ik dronken ben?" Dat dacht ik inderdaad. "Het maakt
3851
geen verschil, Koekebakker, als ik nuchter ben, begrijp ik er toch
3852
ook niks van."
3853
 
3854
"Begrijp jij wat die zon van mij wil? Vier en dertig ondergaande
3855
zonnen heb ik tegen de muur staan, achter elkaar, omgekeerd. En toch
3856
staat-i daar weer iederen avond."
3857
 
3858
"Als er geen wolken zijn," zei ik. Maar hij liet zich niet afleiden.
3859
 
3860
"Koekebakker jij bent altijd mijn beste vrind geweest. Ik ken jou
3861
al--hoe lang al?"
3862
 
3863
"Omtrent dertien jaar Bavink." "Dertien jaar. Dat is lang. Weet je
3864
wat jij doen moet? Doe me een lol. Heb je een hoedendoos?"
3865
 
3866
Ik zweeg.
3867
 
3868
"Doe 'm in een hoedendoos, Koekebakker. In een hoedendoos. Ik wil
3869
met vrede gelaten worden. Doe 'm in een hoedendoos, in een ordinaire
3870
hoedendoos. Hij verdient niet beter."
3871
 
3872
Bavink griende dronkemanstranen. Ik keek hulpeloos rond. Een heer in
3873
een uniformjas en met gele biezen om z'n pet kwam op ons af en sprak
3874
mij aan.
3875
 
3876
"Ik geloof mijnheer, dat u beter doet, als u dezen heer naar huis
3877
brengt."
3878
 
3879
Ik salueerde en gaf Bavink een arm. Hij ging gewillig mee. In de
3880
huurauto viel-i in slaap. Op de Nieuwe Zijds-Voorburgwal werd-i even
3881
wakker toen wij door een kuil reden en wilde weer over die hoedendoos
3882
beginnen. Maar meteen viel-i weer in slaap.
3883
 
3884
Op een morgen zat-i wezenloos te staren voor z'n laatste
3885
zonsondergang. Ik kwam op z'n hok met Hoyer. Hij herkende ons
3886
niet. Hij keek maar naar die zon, een groote, koude, roode zon,
3887
die in wolken onderging.
3888
 
3889
"Hij kijkt me maar aan, wij begrijpen geen van beiden wat we van
3890
elkaar moeten." Verder kwam-i niet.
3891
 
3892
Hij is nu in een gesticht voor zenuwpatienten. Hij is heel rustig. Hij
3893
kijkt maar naar boven, naar de lucht of tuurt naar den horizon of
3894
zit in de zon te staren tot z'n oogen pijn doen. Dat mag-i niet,
3895
maar ze kunnen niets met 'm beginnen. Aan 't praten kunnen ze 'm niet
3896
krijgen. Z'n schilderijen doen tegenwoordig aardige prijzen.
3897
 
3898
En Koekebakkertje is een wijs en bedaard man geworden. Hij schrijft
3899
maar, ontvangt z'n schamel loon en geeft geen ergernis.
3900
 
3901
Gods troon is nog ongeschokt. Zijn wereld gaat haar gang maar. Af
3902
en toe glimlacht God even om de gewichtige heeren, die denken dat
3903
ze heel wat beteekenen. Nieuwe Titaantjes zijn al weer bezig kleine
3904
rotsblokjes op te stapelen om 'm van z'n verhevenheid te storten en dan
3905
de wereld eens naar hun zin in te richten. Hij lacht maar en denkt:
3906
"Goed zoo jongens, zoo mal als je bent, ben je me toch liever dan
3907
die mooie wijze heeren. 't Spijt me dat je je nek moet breken en dat
3908
ik die heeren moet laten gedijen, maar ik ben ook God maar." En zoo
3909
gaat alles z'n gangetje en wee hem die vraagt: Waarom?
3910
 
3911
 
3912
 
3913
 
3914
 
3915
 
3916
EEN WOORD NA.
3917
 
3918
 
3919
Voor hen die gaarne weten hoe het met de liefde gesteld is, wil ik
3920
nog mededeelen, dat Dichtertje's Dora ontstaan is uit de idealisatie
3921
van een jong meisje, waarvoor ik uit de verte de genegenheid van een
3922
oud man voelde.
3923
 
3924
Toen zij het manuscript gelezen had, vertelde ik haar dat, en haar
3925
antwoord was: "Ik heb toch nooit diabolo gespeeld." Ze zei dit niet
3926
uit coquetterie of uit verlegenheid, ze had er niets van begrepen.
3927
 
3928
 
3929
                                                             NESCIO.
3930
 
3931
5 Jan. 1918.
3932
EOT;
3933
}