Subversion-Projekte lars-tiefland.laravel_shop

Revision

Details | Letzte Änderung | Log anzeigen | RSS feed

Revision Autor Zeilennr. Zeile
148 lars 1
<?php
2
 
3
namespace Faker\Provider\nl_BE;
4
 
5
class Text extends \Faker\Provider\Text
6
{
7
    /**
8
     * The Project Gutenberg EBook of De legende en de heldhaftige, vroolijke en
9
     * roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders, by Charles de Coster
10
     *
11
     * This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
12
     * almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
13
     * re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
14
     * with this eBook or online at www.gutenberg.org/license
15
     *
16
     *
17
     * Title: De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden
18
     * van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders
19
     *
20
     * Author: Charles de Coster
21
     *
22
     * Release Date: July 3, 2005 [EBook #11208]
23
     * [Last updated: March 14, 2015]
24
     *
25
     * Language: Dutch
26
     *
27
     * @see http://www.gutenberg.org/cache/epub/11208/pg11208.txt
28
     *
29
     * @var string
30
     */
31
    protected static $baseText = <<<'EOT'
32
  De legende en de heldhaftige,
33
                    vroolijke en roemrijke daden van
34
                     Uilenspiegel en Lamme Goedzak
35
                      in Vlaanderenland en elders
36
 
37
 
38
                                  door
39
 
40
                           Charles de Coster
41
 
42
 
43
 
44
                     in het Vlaamsch vertaald door
45
 
46
                 Richard Delbecq   en   René de Clercq
47
                 (voor het proza)     (voor de liederen)
48
 
49
                               Derde druk
50
                     met 22 platen van Jules Gondry
51
                                  1919
52
 
53
 
54
 
55
 
56
 
57
 
58
 
59
KORTE LEVENSBESCHRIJVING VAN CHARLES DE COSTER
60
 
61
Bewerkt naar Ch. Potvin, Francis Nautet enz.
62
 
63
 
64
Charles-Theodore-Henri De Coster werd geboren te München, den 20n
65
Augustus 1827. Zijn vader was intendant van graaf Charles Mercy
66
d'Argenteau, aartsbisschop van Tyrus, die peter des kunstenaars was en
67
hem de markiezin Henriette de la Tour Dupin, vrouw van den Franschen
68
gezant te Turijn, tot meter gaf.
69
 
70
De kleine De Coster, een engeltje van een knaap, sleet dus zijne
71
eerste levensjaren in het paleis van den aartsbisschop, midden in
72
weelde, in bloemen, geliefkoosd door zijne ouders en zijnen peter. Zijn
73
eerste opvoeding was dus zeer aristocratisch en die indrukken blijven
74
gewoonlijk onuitwischbaar.
75
 
76
Doch weinig tijds nadien verandert dit alles. Zijne ouders verlaten
77
München en gaan naar Brussel, waar hun tweede kind ter wereld komt;
78
dan sterft zijn vader te Ieperen, bij zijn broeder, die daar geneesheer
79
was. Zijn moeder keert terug naar Brussel bij hare zuster en hare
80
kinderen.
81
 
82
Charles was reeds in eene kostschool te Etterbeek, waar "ik mij zal
83
moeten schikken naar den wil van een ander", zegt hij, "na zoolang
84
mijn zin te hebben gedaan". Als hij uit de kostschool komt, is het
85
om in het "Collège Saint-Michel" te treden, waar men een oogenblik
86
hoopte dat het kind, dat reeds de droomerijen boven de droge studiën
87
verkoos, zich aan het priesterschap zou wijden.
88
 
89
Eerst dacht hij in de balie te treden, doch een vriend deed hem
90
opmerken dat de rechten en de kunst moeilijk samengaan, en De Coster,
91
geholpen door machtige beschermers, aanvaardde eene bediening in de
92
"Société Générale".
93
 
94
In 't lot gevallen, stelde zijne moeder eenen plaatsvervanger, die
95
wegliep; na eenige dagen in het regiment, bij zijn kolonel, vertoefd
96
te hebben, "om den plaatsvervanger te vervangen", maakte de jonge
97
bediende op zijne beurt van de gelegenheid gebruik om zijne plaats
98
te ontloopen. "Het ambtenaarsleven bevalt mij in het geheel niet",
99
zegde hij. In de Bank voelde hij zich als een vreemdeling te midden
100
van de bureaucraten. Hij stikte in die atmosfeer en "overigens wilde
101
hij voor zich zelven werken". De letterkundige roeping verkreeg de
102
bovenhand en hij trad in 1850 in de Hoogeschool van Brussel, waar
103
hij het diploma van candidaat in de letteren behaalde.
104
 
105
Maar De Coster gaf aan de Hoogeschool noch zijn hart, noch zijnen
106
geest, noch zijne pen. Toen hij ze verliet, was hij noch doctor,
107
noch professor, noch dagbladschrijver, noch tooneeldichter. Maar hij
108
was kunstenaar, meer dan ooit.
109
 
110
Vervolgens wilde hij in de redactie van een dagblad treden, maar hij
111
aanbad het schoone boven alles en weigerde "een werktuig te maken
112
van zijne pen".
113
 
114
Dan begint een jammerlijk leven van voortdurenden tegenspoed en
115
onbegrepen arbeid. In 1856 weigert hij eene plaats bij een makelaar
116
in wijnen,--alles wat men hem aanbood.
117
 
118
Om het even, de jonge kunstenaar heeft wilskracht en, door al zijn
119
kommer heen, maakt hij eervol naam in de Fransche letterkunde. Buiten
120
en behalve menigvuldige gewaardeerde bijdragen in dagbladen en
121
tijdschriften, levert hij, in 1856, les Frères de la bonne trogne
122
(Brabantsche legende); in 1857, de Légendes flamandes et wallones,
123
die een ongemeenen bijval ontmoeten en door de Fransche pers vleiend
124
beoordeeld worden; in 1861, de Contes brabançons.
125
 
126
Zijn peter, de aartsbisschop, had hem sedert lang zijne bescherming
127
onttrokken, die hem zeker ware bijgebleven, hadde De Coster zijne
128
studiën in de Hoogeschool van Leuven willen doen. Hij had Brussel
129
verkozen, waar hij vrienden vond. Dat was eene keuze doen voor de
130
algeheele vrijheid des geestes. In 1863 wordt het petekind van den
131
aartsbisschop van Tyrus lid van de Vrije Gedachte van Brussel. Hij was
132
toen in den vollen bloei van zijn eersten bijval en gansch vervoerd
133
door zijne liefde voor het schoone.
134
 
135
Zijne liefde voor het volk, voor het wakkere Vlaamsche volk, stuwt
136
hem voorwaarts en houdt zijn machtig genie bezig. De schilder Dillens
137
zijn vriend, bezat in zijn werkhuis een verzameling oude Vlaamsche
138
boeken. De Coster en Dillens doen verscheidene reizen door Zeeland
139
en Vlaanderen: de "Legende van Uilenspiegel" was van dan af geboren
140
in De Coster's brein.
141
 
142
De Legende van Uilenspiegel en Lamme Goedzak, in de letterwereld
143
met ongeduld verwacht, verscheen in 1867 in een prachtige uitgave,
144
opgeluisterd met twee en dertig etsen van negentien talentvolle
145
kunstenaars.
146
 
147
Ziehier wat onder meer drie Fransche bladen zeiden van dat gewrocht:
148
 
149
La Liberté van 18 December 1868: "'t Is een heldendicht in proza,
150
waarin het bloed zoo rijkelijk vloeit als het bier. Men zou zeggen
151
een kermis rondom eenen brandstapel".
152
 
153
Le Constitutionnel, 9 December 1868, wijdde drie groote kolommen
154
aan Uilenspiegel, waarin de recensent het boek met Goethe's Faust
155
vergelijkt.
156
 
157
Le Corsaire: "'t Is een heldendicht in proza, 't is de verheerlijking
158
van den Vlaamschen geest".
159
 
160
Heel de Fransche pers deelde dit gevoelen en drukte hare bewondering
161
in de vleiendste artikelen uit.
162
 
163
Onze Busken Huët getuigde: "Hollanders noch Vlamingen bezitten een
164
werk over de XVIe eeuw in Vlaanderen, dat met het meesterwerk van De
165
Coster kan vergeleken worden".
166
 
167
Na Uilenspiegel verscheen nog: Voyage de noce (1872) en le Mariage
168
de Toulet (1879).
169
 
170
Edoch De Coster, die in het volle succes van de Légendes flamandes
171
zijne vriendin verloren had, zag zich op 29 Juli 1869, wanneer
172
Uilenspiegel zoo gunstig onthaald werd, nu nog zijne moeder ontrukken.
173
 
174
Die ramp schokte hem diep in zijn reeds droevig bestaan, want De Coster
175
leefde veelal in armoede, niettegenstaande zijn talent en de gunst
176
waarmede zijne werken ontvangen werden. Schrale schrijversrechten,
177
karige toelagen, luttel betaalde lessen moesten hem vrijwaren voor
178
ellende. Hij kloeg dan ook, steeds denzelfden strijd te moeten
179
herbeginnen. In 1870 schreef hij: "Hoewel ik veel gewerkt heb
180
uit lust en uit liefde, begrijp ik, sedert minder dan drie jaar,
181
de schrikverwekkende waarde van het geld en de noodwendigheid van
182
een arbeid, die, genoegzaam betaald, den mensch, met den welstand,
183
ook vrijheid en vreugde schenkt".
184
 
185
Maar daarom legde hij zijne fierheid niet af.
186
 
187
Toen eindelijk de regeering, een tiental jaren vóór zijnen dood, er
188
aan dacht de verstandelijke hulpmiddelen van den grooten schrijver
189
ten behoeve van het onderwijs aan te wenden, was het te laat. Hij
190
stak zoo diep in schulden, dat zijne benoeming geen anderen uitslag
191
opleverde dan eene opschudding te verwekken onder zijne schuldeischers,
192
die zijn traktement aansloegen en hunne prooi niet meer loslieten.
193
 
194
Toen hij stierf, op 7 Mei 1879, verkeerde hij in de diepste ellende.
195
 
196
                   *       *       *       *       *
197
 
198
Den 22n Juli 1894 werd door het gemeentebestuur van Eisene een
199
eenvoudig doch treffend gedenkteeken van den beeldhouwer Samuel ter
200
nagedachtenis van De Coster ingehuldigd.
201
 
202
 
203
 
204
 
205
 
206
 
207
 
208
DE LAATSTE OOGENBLIKKEN VAN CHARLES DE COSTER.
209
 
210
 
211
Charles De Coster stierf op 7 Mei 1879, te Elsene, in het huis, dat
212
den hoek uitmaakt van de Gewijde-Boomstraat, en toen gehuurd werd
213
door een fruitverkooper. Heel de woning van den grooten kunstenaar
214
bestond uit de twee kamers op de eerste verdieping: de grootste was
215
zijn werkkabinet, de andere zijne slaapkamer; daarin stonden een
216
ijzeren bed, een kleine tafel, een houten kast, eenige stoelen.
217
 
218
Hij had zich den dag te voren te bed gelegd: de pisvloed waaraan
219
hij leed, en diens noodlottige gezellin, de longtering, waren
220
plotseling verergerd. Charles De Coster nam zelden zijne toevlucht tot
221
geneesheeren; een zijner vrienden nochtans, M. Kirkpatrick, verschrikt
222
over den voortgang van de kwaal, had den heer dokter Vaucleroy,
223
geneesheer aan de Krijgsschool, ontboden. Toen deze kwam, vond hij
224
aan de sponde van den zieke eene oppasster, die De Coster in zijn
225
verheven en grenzenloos medelijden met de onterfden en ongelukkigen,
226
bij zich genomen had. Deze arme vrouw, die bij den zieltogende waakte,
227
was zelve het toonbeeld des doods; heel haar aangezicht was ingevreten
228
door zweren. De geneesheer ging heen zonder hoop den zieke te redden,
229
maar hij voorzag toch geen dreigenden dood: hij zou 's anderen daags
230
namiddags terugkomen.
231
 
232
's Anderen daags scheen De Coster zijn nakend einde niet bewust te
233
zijn, want hij vroeg noch naar zijnen schoonbroeder, noch naar zijne
234
zuster, die hij aanbad. Doch hij wilde zich omringen van vrienden,
235
als om zijn lichaam en zijn hart te verwarmen. Hij liet deze roepen,
236
die in de nabijheid woonden: zoo werden Félix Bouré, de beeldhouwer,
237
en later ik zelf geroepen. Bouré was ziek; hij verwittigde zijn
238
broeder, mede een vriend van De Coster: de heer Bouré vond in het
239
werkkabinet kapitein Mertens die, diep bedroefd, in de kamer van den
240
zieke niet dorst gaan. Deze betoonde een levendige erkentelijkheid
241
aan den heer Bouré, die zijn bed wat gemakkelijker schikte en hem te
242
drinken gaf. Toen ik en mijne vrouw op onze beurt kwamen, richtte De
243
Coster zich op in zijn bed en herkende mij heel goed. Kloekmoedig in
244
het aanschijn van den dood, had hij nog het gedacht om den heer Bouré
245
en mij aan elkander voor te stellen. De heer Bouré bevestigde mij dat
246
hij, toespeling makend op mijn beroep van advocaat, eenige Latijnsche
247
woorden mompelde. Maar zijn blik verduisterde, zijne ademhaling werd
248
hijgend; toen mijne vrouw hem naderde om zijn hoofdkussen te schikken
249
en zijn voorhoofd te verfrisschen, moest hij eene inspanning doen om
250
heur te herkennen: "Hoe, gij ook, mevrouw, ik dank u zeer!" Daarna
251
werd de ademhaling flauwer, een laatste naam, die zijner zuster,
252
kwam pijnlijk over zijne lippen: "Ca...ro...line". Het was zijn hart,
253
dat ontsnapte. Het was twee uren.
254
 
255
 
256
Hector Denis.
257
 
258
 
259
 
260
 
261
 
262
 
263
 
264
VOORREDE VAN DEN UIL [1]
265
 
266
 
267
Heeren kunstenaars, heeren uitgevers, heer dichter, ik heb u eenige
268
aanmerkingen te doen aangaande uwe eerste uitgave. Hoe! in dat
269
lijvige boek, in dien olifant dien gij met achttienen naar den roem
270
tracht te drijven, hebt gij het kleinste plaatsje niet gegund aan
271
den vogel van Minerva, den wijzen, omzichtigen uil! In Duitschland
272
en in dat Vlaanderen dat gij zoozeer bemint, reis ik gedurig op den
273
schouder van Uilenspiegel, die maar aldus genoemd wordt, omdat zijn
274
naam bediedt: Uil en Spiegel, wijsheid en komediespel. Die van Damme,
275
waar hij geboren werd, naar men zegt, spreken uit: Ulenspiegel, door
276
samentrekking en de gewoonte die zij hebben u in stee van Ui uit te
277
spreken. Dat is hunne zaak.
278
 
279
Gij hebt eene andere uitlegging uitgedacht: Ulen voor U lieden Spiegel,
280
de Spiegel van U, boeren en heeren, geregeerden en regeerders, de
281
spiegel van de dwaasheden, de belachelijkheden, de misdaden van een
282
tijdstip. Dat was vernuftig, maar onredelijk. Men moet nooit afbreken
283
met den slenter.
284
 
285
Misschien vondt gij het vreemd de wijsheid te verbeelden door een--naar
286
uwe meening--treurigen, belachelijken vogel, een gebrilden schoolvos,
287
een kermis-grappenmaker, een vriend der duisternis, dien men niet
288
hoort vliegen en die doodt zonder dat men hem hoort komen, evenals de
289
Dood. Nochtans gelijkt gij op mij, huichelaars die lacht met mij. In
290
menige uwer nachten stroomde het bloed onder de slagen der Moord,
291
die op vilten zolen liep, opdat men heur ook niet zoude hooren komen.
292
 
293
Brak, in uw aller geschiedenis, nooit geen bleeke dageraad aan, die met
294
zijn vale schemering de met lijken van mannen, vrouwen en kinderen
295
bedekte straatsteenen verlichtte? Waarvan leeft uwe Staatkunde,
296
sedert dat gij over de wereld regeert? Van worgen en moorden.
297
 
298
Ik, uil, de leelijke uil, ik dood om mij te spijzen, om mijne jongen
299
te spijzen, ik dood niet om te dooden. Verwijt gij mij de vogeltjes
300
op te peuzelen, dan kan ik u even goed de slachting verwijten die
301
gij aanricht onder alles wat leeft. Gij hebt boeken geschreven waarin
302
gij met verteedering spreekt over de lichtheid van de vogelen, over
303
hunne minnarijen, over hunne schoonheid, over de kunst waarmede zij hun
304
nestje bouwen, en over de angsten des moederschaps, vervolgens zegt gij
305
met welke saus men ze moet opdienen en in welke maand van het jaar zij
306
de vetste stoverij opleveren. Ik, ik maak geen boeken, God beware mij
307
daarvoor, anders schreef ik dat, als gij den vogel niet kunt opeten,
308
gij het nest opeet, uit vreeze dat gij een hap zoudt verliezen.
309
 
310
Wat u betreft, onbesuisde dichter, het was uw belang mij terug te
311
brengen in uw werk, waarvan ten minste twintig hoofdstukken mij
312
toebehooren [2] de andere laat ik u in onbetwisten eigendom. Men mag
313
toch wel het volstrekt meesterschap behouden over de domheden die
314
men laat drukken. Schreeuwende dichter, gij slaat links en rechts op
315
die welke gij de beulen des vaderlands heet, gij stelt Keizer Karel
316
en Philips II aan den schandpaal der geschiedenis; gij zijt geen
317
uil; gij zijt niet voorzichtig. Weet gij of er geen Keizer Karel
318
of geen Philips II op de wereld meer bestaan? Vreest gij niet dat
319
eene opmerkzame censuur uit den buik van uwen olifant toespelingen
320
op doorluchtige tijdgenooten vinde? Waarom laat gij dien Keizer en
321
dien Koning niet slapen in hun graf? Waarom moet gij al die majesteit
322
aanblaffen? Die het zweerd trekt, zal door het zweerd vergaan. Er zijn
323
menschen die het u nooit zullen vergeven, ik ook vergeef het u niet,
324
gij stoort mijne burgerlijke spijsvertering.
325
 
326
Wat beteekent die bestendige tegenstelling tusschen een verfoeiden
327
koning, wreedaardig van jongs af--daarom is het een mensch--en
328
dat Vlaamsche volk, dat gij ons wilt voorstellen als heldhaftig,
329
gulhartig, eerlijk en werkzaam? Wie zegt u dat die koning slecht en
330
dat volk goed was? Wijselijk zou ik u het tegenovergestelde kunnen
331
bewijzen. Uwe hoofdpersonages zijn dwazen of zotten, zonder er een
332
uit te zonderen: uw deugniet van Uilenspiegel neemt de wapenen op
333
voor de gewetensvrijheid; zijn vader Klaas sterft, laat zich levend
334
verbranden voor zijne godsdienstige overtuiging; zijne moeder, Soetkin,
335
kwijnt van verdriet en sterft ten gevolge van de foltering, om een
336
fortuin voor haren zoon te bewaren; uw Lamme Goedzak stapt recht door
337
het leven alsof het al was, goed en eerlijk op deze wereld te zijn;
338
uwe kleine Nele, die niet leelijk is, bemint in heel haar leven maar
339
een enkelen man.... Waar ziet men nog zulke dingen? Ik zou u beklagen,
340
zoo ge mij niet deedt lachen.
341
 
342
Nochtans moet ik bekennen dat naast die bespottelijke personages, er
343
wel eenige zijn die ik geerne onder mijne boezemvrienden zoude nemen:
344
uwe Spaansche huurlingen, uwe monniken die het gemeen verbranden,
345
uwe Gilline, spionneerster der Inquisitie, uw gierige vischverkooper,
346
aanklager en weerwolf, uw edelman die 's nachts duivel speelt om eene
347
onnoozele te verleiden, en vooral dien omzichtigen Philips II, die,
348
geld noodig hebbende, de heilige beelden in de kerken doet breken,
349
ten einde een opstand te beteugelen waarvan hij de wijze aanstoker
350
was. Minder kan men toch niet, als men geroepen is te erven van
351
degenen die men doodt.
352
 
353
Maar ik geloof dat al mijne woorden verloren moeite zijn. Gij weet
354
niet wat een uil is. Ik ga het u zeggen.
355
 
356
De uil is hij die in 't geniep, eerroof stookt onder de lieden
357
die hem hinderlijk zijn en die, als men hem vraagt of hij de
358
verantwoordelijkheid over zijne gezegden wil dragen, voorzichtig
359
antwoordt: Ik bevestig niets, Men heeft mij gezegd.... Hij weet wel
360
dat Men onvindbaar is.
361
 
362
Uil is hij die een eerlijk gezin binnendringt, zich aanstelt als
363
een trouwer, een meisje verleidt, geld ontleent, soms zijne schuld
364
betaalt en henengaat als er niets meer te nemen is.
365
 
366
Uil, de politieke man die een masker van vrijheid, van oprechtheid,
367
van menschenliefde opzet en die, op een gegeven oogenblik, zonder te
368
verwittigen, een man of eene natie zachtjes de keel toeworgt.
369
 
370
Uil, de koopman die zijnen wijn doopt, zijne eetwaren vervalscht,
371
een kwade maag brengt daar waar spijsverteering,--woede, daar waar
372
vroolijkheid was.
373
 
374
Uil, hij die behendig steelt, zonder dat men hem bij den kraag vatten
375
kan, valsch getuigt tegen de waarheid, de weduwe ten onder brengt,
376
de weeze stroopt, en zegepraalt in 't vet, lijk anderen zegepralen in
377
't bloed.
378
 
379
Uilin, zij die hare schoonheid verkoopt, de beste harten van
380
jongelieden vermorst, dat heeten: de jeugd vormen, en ze zonder eenen
381
cent, achterlaat in het slijk waarin zij hen sleepte.
382
 
383
Als ze ooit treurig gestemd is, zich ooit herinnert dat ze vrouw is,
384
moeder zoude kunnen zijn, dan verloochen ik heur. Als ze, dat bestaan
385
moede, in 't water springt, dan is zij eene zinnelooze, die niet
386
verdiende te leven.
387
 
388
Zie rondom u, domme schrijver, en tel, als gij kunt, de uilen van deze
389
wereld; bedenk of het voorzichtig is gelijk gij het doet, van Macht
390
en List, die koninginnen der uilen, aan te vallen. Kom tot inkeer,
391
zeg mea culpa en vraag op uwe knieën om vergiffenis.
392
 
393
Nochtans hebt gij mijne belangstelling gewonnen door uwe onbesuisdheid,
394
vol zelfvertrouwen; tegen mijne gekende gewoonten in, verwittig ik u
395
dan ook dat ik, op staanden voet, de grofheid en roekeloosheid van
396
uwen stijl ga aanklagen bij mijne neven in letterkunde, die eene
397
sterke pen, eene stoute tong en voortreffelijke brillen hebben, en
398
zeer voorzichtige en pedante lieden zijn, die uwen trant niet gewoon
399
zijn en hunne taal zoozeer kuischen, dat er ten lange laatste niets
400
zal van overblijven. [3]
401
 
402
 
403
Bubulus Bubb.
404
 
405
 
406
 
407
 
408
 
409
 
410
 
411
EERSTE BOEK.
412
 
413
 
414
I.
415
 
416
In meimaand, als de hagedoorn in bloei stond, werd te Damme, in
417
Vlaanderenland, Uilenspiegel, de zoon van Klaas geboren.
418
 
419
Terwijl Katelijne, de vroedvrouw, hem in warme doeken bakerde, bezag
420
ze zijn hoofd en riep ze blijde uit:
421
 
422
--Hij is met den helm geboren!
423
 
424
Maar weldra jammerend, met den vinger een zwart stipje op den schouder
425
van den boorling toonend:
426
 
427
--Laas! schreide zij, dat is het zwarte merk van den vinger des
428
duivels!
429
 
430
--Heer Satan is vandaag vroeg opgestaan, antwoordde Klaas, dat hij
431
alreeds den tijd vond om mijn zoon te teekenen?
432
 
433
--Satan sliep nog niet, zei Katelijne, want luister, nu eerst kraait
434
Kanteklaar de hennen wakker.
435
 
436
En zij gaf het kind over aan Klaas en ging naar buiten.
437
 
438
De dageraad verdreef nu het nachtelijk duister, de zwaluwen vlogen
439
kwetterend rakelings over de weide, en de zon kleurde vuurrood
440
de kimme.
441
 
442
Klaas deed het venster open en sprak tot Uilenspiegel:
443
 
444
--Kind met den helm, zie, daar is moeder de Zon, die Vlaanderenland
445
komt groeten. Bezie haar als uwe kijkers zullen open zijn; verkeert
446
gij later ooit in twijfel, weet gij niet wat te doen om goed te doen,
447
ga dan om raad bij de Zonne; zij is warm en helder: wees zoo goed
448
als zij warm, zoo eerlijk als zij helder is.
449
 
450
--Klaas, mijn man, zei Soetkin, ge spreekt tot een doove; kom en drink,
451
mijn jongen.
452
 
453
En de moeder stak den boorling hare schoone, blanke borsten toe.
454
 
455
 
456
 
457
 
458
II.
459
 
460
Terwijl Uilenspiegel zich laafde aan de levensbron, ontwaakten al de
461
vogelkens in 't veld.
462
 
463
Klaas, die mutsaards bond, bezag zijne vrouw, die Uilenspiegel de
464
borst gaf.
465
 
466
--Zeg eens, vrouw, sprak hij, hebt ge nog veel van die lekkere melk?
467
 
468
--De kruiken zijn vol, man, antwoordde zij, maar dat is niet voldoende
469
om mijn hert te verblijden.
470
 
471
--Gij spreekt zoo treurig en het is zoo vroeg nog in den morgen.
472
 
473
--Ik denk er aan, dat er geen oortje meer steekt in de tassche,
474
die daar aan den muur hangt.
475
 
476
Klaas nam de tassche van den wand; maar hij had goed schudden, er
477
rinkelde geen geld in. Hij was er onthutst over; doch hij wilde zijne
478
vrouw moed inspreken, en zei:
479
 
480
--Waarover bekommert gij U? Hebben wij in de schapraai den koek
481
niet liggen, dien Katelijne ons gisteren gaf? Zie ik daar geen groot
482
stuk vleesch, dat ten minste voor drie dagen goede melk aan 't kind
483
zal geven? Die zak boonen daar in den hoek, is die een voorteeken
484
van hongersnood? En dat kuipje boter bestaat toch niet in mijne
485
verbeelding? In mijne verbeelding ook niet, die appelen, welke,
486
met elven in 't gelid, op onzen zolder liggen? En de dikke tonne
487
schuimende Brugsche kuite, noodt zij ons niet, met haren vollen buik,
488
tot een gulle drinkpartij?
489
 
490
--Als 't kind gedoopt wordt, zei Soetkin, moeten er twee oortjes zijn
491
voor den pastoor en één gulden voor 't festijn.
492
 
493
Daarop kwam Katelijne het huis binnen met een grooten bundel kruiden
494
en zij sprak:
495
 
496
--Aan het kind bied ik de angelica, die den man voor ontucht behoedt
497
en de venkel, die Satan van hem verwijderd houdt....
498
 
499
--Hebt gij het kruideken niet, vroeg Klaas, dat guldens aantrekt?
500
 
501
--Neen, zegde zij.
502
 
503
--Dan ga ik zien of er iets in de vaart is te vinden.
504
 
505
Hij ging heen, met zijn hengel en zijn net, zeker dat hij niemand
506
ontmoeten zou, want het was nog een heel uur vóór oosterzon, wat in
507
Vlaanderen vijf uren zeggen wil.
508
 
509
 
510
 
511
 
512
III.
513
 
514
Klaas kwam aan de Brugsche vaart, niet verre van de zee. Hij schoof
515
het aas aan den haak, wierp de lijn uit en liet ook zijn net in 't
516
water zinken. Op den overkant der vaart lag een goedgekleede knaap
517
vast in slaap, op een bed van mosselen.
518
 
519
Op het gerucht, dat Klaas maakte, werd de jongen wakker; hij wilde
520
vluchten, meenende dat het een serjant der naburige gemeente was, die
521
kwam om hem te pakken en naar het Steen te brengen voor landlooperij.
522
 
523
Doch de schrik was verdwenen toen hij Klaas herkende, die hem toeriep:
524
 
525
--Wilt gij zes duiten verdienen? Ja?... Jaag dan de visch langs hier!
526
 
527
Op die woorden ging het knaapje, een kleine dikzak, het water in;
528
het trok er eenige lischbladeren, vatte ze tot een bundel samen en
529
joeg er mee de visch naar Klaas.
530
 
531
Toen de vangst gedaan was, trok Klaas net en lijn uit het water en
532
ging hij de sluis over naar het knaapje.
533
 
534
--Gij zijt het, zegde hij, die Lamme heet van uw doopnaam, en
535
Goedzak om den wille van uw zachtaardig karakter, en achter Onze
536
Lieve Vrouwekerk in de Reigerstraat woont? Hoe komt het dat gij,
537
zoo jong en zoo netgekleed, onder den blooten hemel slaapt?
538
 
539
--Laas! baas kooldrager, antwoordde het jongetje, ik heb thuis eene
540
zuster, die een jaar jonger is dan ik en mij troef geeft bij den
541
minsten twist. Maar op haren rug durf ik mijne weerwraak niet nemen,
542
want ik zou haar zeer doen, baas. Gisterenavond, onder het eten,
543
wischte ik met mijne vingers een teil uit, waarin ossenvleesch met
544
boonen geweest was, en zij wou er heur deel van hebben. Daar was niet
545
eens genoeg voor mij, baas. Als ze mij zag likkebaarden om den goeden
546
smaak der saus, werd ze razend en sloeg ze met de volle hand mij zóó in
547
't gezicht, dat ik heel bebloed het huis uitgeloopen ben.
548
 
549
Klaas vroeg hem wat zijn vader en zijne moeder zeiden, terwijl hij
550
zoo geslagen werd.
551
 
552
Lamme Goedzak antwoordde:
553
 
554
--Vader stompte mij op den eenen schouder en moeder klopte mij op den
555
anderen, roepende: "Verweer u, laffe Lamme". Maar ik wil geen meisje
556
slaan en daarom ben ik weggeloopen.
557
 
558
Eensklaps verbleekte Lamme en beefde hij als een riet.
559
 
560
En Klaas zag een lange vrouw afkomen, met een mager meisje naast zich,
561
dat er barsch uitzag.
562
 
563
--Ah! zuchtte Lamme, terwijl hij Klaas bij zijne hooze vastgreep, daar
564
komen moeder en zuster mij halen. Bescherm mij toch, baas kooldrager!
565
 
566
--Dáár, sprak Klaas, neem eerst die zes duiten voor uwe moeite en
567
heb geen vrees.
568
 
569
Toen de twee vrouwen Lamme zagen, liepen zij naar hem toe, en beiden
570
wilden hem slaan, de moeder omdat hij haar onrust aangedaan had en
571
de zuster uit gewoonte.
572
 
573
Lamme verschool zich achter Klaas en riep:
574
 
575
--Ik heb zes duiten verdiend, ik heb zes duiten verdiend, slaat
576
me niet!
577
 
578
Doch de moeder kuste haren jongen reeds, terwijl het meisje Lamme's
579
handen wilde openwringen, om hem zijn geld af te nemen. Maar Lamme
580
schreeuwde:
581
 
582
--'t Is 't mijne, ge zult het niet hebben.... 't Is 't mijne!
583
 
584
En hij balde de vuisten.
585
 
586
Toen trok Klaas de kleine meid geducht bij de ooren en sprak:
587
 
588
--Als het u nog voorvalt leed te doen aan uw broer, die goed en zacht
589
is als een lammeken, steek ik u in een donker kolenhok, en daar zal
590
ik u niet meer bij de ooren trekken, maar de roode duivel uit de hel;
591
hij zal u aan stukken scheuren met zijn groote klauwen en zijne tanden,
592
die op vorken gelijken.
593
 
594
Op die woorden dorst de meid Klaas niet meer te bezien, noch
595
heuren broeder te naderen; zij verborg zich achter de rokken heurer
596
moeder. Doch in de stad schreeuwde zij het overal uit:
597
 
598
--De kooldrager heeft mij geslagen; hij heeft een duivel in zijn
599
kelder.
600
 
601
Nochtans dorst zij Lamme niet meer slaan; maar als zij groot was,
602
deed ze hem haar werk doen. En de goede sul gehoorzaamde gewillig.
603
 
604
Onderweg had Klaas zijne vangst verkocht aan een pachter, een
605
lekkerbek, en thuis komende, zegde hij tot Soetkin:
606
 
607
--Zie, dat heb ik gevonden in den buik van vier snoeken, negen karpers
608
en in een volle ben paling.
609
 
610
En hij smeet twee gulden en een oortje op tafel.
611
 
612
--Man, waarom gaat gij niet alle dagen visschen? vroeg Soetkin.
613
 
614
Klaas antwoordde:
615
 
616
--Wel, omdat ik zelf niet geerne zou spartelen in de netten van de
617
stadsserjanten.
618
 
619
 
620
 
621
 
622
IV.
623
 
624
Te Damme werd Uilenspiegel's vader "Klaas de kooldrager"
625
geheeten. Klaas had zwart haar, schitterende oogen; zijn vel was van
626
de kleur zijner koopwaar, uitgenomen op Zon- en feestdagen, als er
627
veel zeep in de stulp was. Hij was klein, hoekig, sterk en blijgezind.
628
 
629
Als zijn werk gedaan was en hij met den valavond naar eene taveerne
630
van den Brugschen steenweg ging, om met kuite zijn keelgat te spoelen,
631
dat zwart was van koolstof, riepen al de vrouwen, die, op den dorpel
632
van heur deur den koelen avond genoten, hem vriendelijk toe:
633
 
634
--Goên avond en klaar bier, kooldrager!
635
 
636
--Goên avond en 'nen man die niet slaapt, antwoordde Klaas.
637
 
638
De meisjes die in troepjes van het veld kwamen, stelden zich vóór hem,
639
lieten hem niet door en vroegen hem:
640
 
641
--Wat geeft ge om er door te mogen: een scharlaken lint, een vergulden
642
gesp, fluweelen schoentjes of een gulden in ons beursje?
643
 
644
Maar Klaas nam er eene om haar middel en kuste heur wangen of heur
645
hals, al naarvolgens zijn mond het dichtst bij de donzige huid was,
646
en dan zegde hij:
647
 
648
--Vraagt, mijne hertjes, vraagt de rest aan uwe minnaars.
649
 
650
En schaterlachend gingen de joelende meisjes voort.
651
 
652
De kinderen herkenden Klaas aan zijn grove stem en aan zijn zwaren
653
stap. Zij liepen naar hem toe en zeiden:
654
 
655
--'n Avond, kooldrager!
656
 
657
--Van 's gelijken, mijne engelkens, zei Klaas; maar komt niet te dicht,
658
of 'k maak U zwart als moorkens.
659
 
660
De stoute kaboutermannekens kwamen toch nader; dan nam Klaas er een
661
bij zijn wambuis, streek zijn zwarte hand over 't gladde gezichtje
662
en liet hem zoo loopen, tot groote vreugd van de schaterende bende.
663
 
664
Soetkin, Klaas' wijf, was een brave, wakkere vrouw, die opstond met
665
de zon, en vlug en vlijtig was als een bij.
666
 
667
Zij en Klaas bebouwden getweeën hunnen akker en spanden zich als ossen
668
vóór den ploeg. Zwaar was het om hem voort te trekken, doch zwaarder
669
nog trok de egge, die met hare houten tanden den harden grond moest
670
scheuren. Toch deden zij het blij te moede, met een liedeken op
671
de lippen.
672
 
673
En de grond mocht nog zoo hard zijn en de zon hare heetste stralen
674
op hen neerschieten: zij konden water en bloed zweeten als zij de
675
egge trokken dat hunne knieën knikten--al hun lijden vergaten zij,
676
als zij even stil stonden en Soetkin heur zacht gelaat naar Klaas
677
keerde, want dan kuste Klaas den spiegel van die teedere ziele.
678
 
679
 
680
 
681
 
682
V.
683
 
684
Den vooravond had men van de pui van 't gemeentehuis uitgeroepen dat
685
Mevrouw, echtgenoote van keizer Karel, zwanger was en dat er gebeden
686
voor hare aanstaande verlossing moesten worden opgezegd.
687
 
688
Gansch huiverend kwam Katelijne bij Klaas binnen.
689
 
690
--Wat scheelt er? vroeg de kooldrager.
691
 
692
--Laas! sprak zij met hijgenden boezem. Dezen nacht zag ik spoken,
693
die menschen maaiden gelijk de hooiers het gras.--'k Zag meisjes
694
levend begraven! En de beul danste op de lijken!--De bloedsteen,
695
die sedert negen maanden zweette, is dezen nacht gebarsten.
696
 
697
--Erbarming, zuchtte Soetkin, erbarming, Heere God: wat duister
698
voorteeken voor Vlaanderenland!
699
 
700
--Ziet gij dat met uwe oogen of in droom? vroeg Klaas.
701
 
702
--Met mijne eigen oogen, sprak Katelijne.
703
 
704
Doodsbleek en schreiend sprak Katelijne toen:
705
 
706
--Twee kinderkens zijn geboren; het een, in Spanje, is de kleine
707
Philippus, het ander, in Vlaanderenland, is de zoon van Klaas,
708
die later Uilenspiegel zal heeten. Philippus wordt een beul, want
709
hij werd verwekt door Karel den Vijfde, den moordenaar van ons
710
land. Uilenspiegel wordt een meester in kwinkslagen en guitenstreken,
711
maar goedhertig zal hij zijn, want zijn vader is Klaas, de wakkere
712
arbeider, die in braafheid, eer en deugd zijn brood verdient. Keizer
713
Karel en koning Philippus zullen hun leven lang kwaad doen, door
714
oorlog en knevelarij en andere misdaden. Klaas, die heel de week werkt,
715
zal leven volgens recht en wet, bij zijn zuren arbeid zal hij lachen
716
in stee van weenen: hij zal het zinnebeeld van de goede Vlaamsche
717
werkers zijn. Uilenspiegel, immer jong en onsterfelijk, gaat de wereld
718
door, maar nergens zal hij een vaste woonplaats hebben. En hij zal
719
boer, edelman, schilder, beeldhouwer worden, alles zal hij te gelijk
720
zijn. Zoo zal hij dolen langs velden en wegen, het goede en het schoone
721
prijzen en lachen en spotten met alles wat dwaas en verkeerd is. Klaas
722
is uw moed, edel volk van Vlaanderen, en Soetkin uwe dappere moeder;
723
Uilenspiegel is uw geest; een lief en bevallig meisje, Uilenspiegel's
724
gezellin en onsterfelijk als hij, zal uw hert zijn, en Lamme Goedzak,
725
een dikke pens, uwe maag. En omhoog zullen de opeters van 't volk gaan,
726
en omlaag hunne slachtoffers; omhoog de roovende wespen, omlaag de
727
noeste bijen, en in den hemel zullen de wonden van Christus bloeden.
728
 
729
Toen Katelijne, de goede tooveres, dit gezegd had, viel zij in slaap.
730
 
731
 
732
 
733
 
734
VI.
735
 
736
Uilenspiegel werd ten doop gebracht, toen plotseling een hevige
737
regenbui viel, die hem gansch nat maakte. Zoo werd hij voor de eerste
738
maal gedoopt.
739
 
740
Als hij nu de kerk binnengebracht werd, kwam de kosterschoolmeester
741
aan peter en meter, vader en moeder zeggen, dat zij zich rond de
742
doopvont moesten scharen, hetgeen zij deden.
743
 
744
Maar boven de vont, was er in 't gewelf een gat, dat een metser gekapt
745
had om er eene lamp aan een vergulde sterre te hangen. De metser, die,
746
van boven, peter en meter stokstijf rond de toegedekte vont zag staan,
747
goot verraderlijk door het gat een emmer water, dat, tusschen hen, met
748
groot geplas op het deksel van de vont kletste. Doch Uilenspiegel kreeg
749
er het grootste deel van. En zoo werd hij voor de tweede maal gedoopt.
750
 
751
De deken kwam; zij deden hem hun beklag, maar hij zei hun van zich te
752
haasten, dat het een ongeluk was. Uilenspiegel ging te werk als een
753
bezetene, om den wille van het water, dat op hem gespat was. De deken
754
gaf hem het zout en het water en heette hem Thijlbert, wat zeggen wil:
755
"altijd ongedurig". En zoo werd hij voor de derde maal gedoopt.
756
 
757
Uit Onze Lieve Vrouwekerk ging men daar rechtover, in de Langestraat,
758
eene taveerne binnen, die voor uithangbord een rozenkrans had, met
759
eene pint in het midden. Zij dronken er zeventien pinten dobbele kuite
760
en nog meer. Want in Vlaanderen, als men nat is, droogt men zich met
761
een vuur van bier in den buik. Zoo werd Uilenspiegel voor de vierde
762
maal gedoopt.
763
 
764
Met het hoofd zwaarder dan 't lichaam, strompelden ze huiswaarts;
765
zoo kwamen ze aan een brugje over eenen poel; Katelijne, die
766
meter was, droeg het kind; zij struikelde en viel in de modder met
767
Uilenspiegel. Zoo werd hij voor de vijfde maal gedoopt.
768
 
769
Men trok hem uit den poel. In 't huis van Klaas werd hij met lauw
770
water gewasschen. Dit was zijn zesde doopsel.
771
 
772
 
773
 
774
 
775
VII.
776
 
777
Dien dag besloot Zijne Heilige Majesteit keizer Karel, groote feesten
778
te houden, om de geboorte van zijn zoon te vieren. Evenals Klaas,
779
besloot hij uit visschen te gaan, niet in de vaart, doch in de beurzen
780
en tasschen zijner onderdanen. Daaruit is het dat vorstelijke lijnen
781
gouden karolussen, gouden lammeren, rozenobels, dubloenen, zilveren
782
daelders en al die wonderbare visschen trekken, die, naar willekeur
783
van den visscher, veranderen in fluweelen kleederen en schitterende
784
edelgesteenten, in lekkeren wijn en smakelijke gerechten. Want de
785
rivieren, die 't rijkst zijn aan visch, zijn niet die, waarin het
786
meeste water is.
787
 
788
Nadat Zijne Heilige Majesteit zijn raad bijeengeroepen had, besloot
789
hij, dat de vangst volgenderwijze geschieden zou:
790
 
791
De genadige infant zou rond negen of tien uren ten doop gebracht
792
worden; ten blijke van groote vreugde, zouden de inwoners van
793
Valladolid heel den nacht, op eigen kosten, feesten en kermissen,
794
en ten bate der armen, hun geld op de Groote Markt strooien.
795
 
796
Op vijf punten zou eene fontein, tot aan den dageraad toe, goeden
797
wijn spuiten, die door de stad moest betaald worden. Op vijf andere
798
plaatsen zouden, op houten kramen, allerhande worsten, ossetongen en
799
pasteien uitgestald worden, mede ten laste van de stad.
800
 
801
Op eigen kosten zouden de lieden van Valladolid, op den doortocht van
802
den stoet, in grooten getale zegebogen oprichten, den Vrede, het Geluk,
803
den Overvloed, de Fortuin voorstellend, en allerhande zinnebeeldige
804
toespelingen op de gaven des hemels, waarmede zij onder de regeering
805
van Zijne Heilige Majesteit begunstigd waren.
806
 
807
Ten slotte en behalve deze bogen van pais, zouden er andere opgericht
808
worden, waarop, in helle kleuren, minder goedertieren kenteekenen
809
zouden prijken, zooals arenden, leeuwen, lansen, hellebaarden,
810
vlammende spiesen, kanonnen, falkonetten, slangen met wijden mond,
811
mitsgaders al ander oorlogstuig, om op zinnebeeldige wijze de macht
812
en de kracht van Zijne Heilige Majesteit voor te stellen.
813
 
814
En, voor het verlichten der kerk zou, als een blijk van de genade
815
Zijner Majesteit, aan het gilde der keersgieters toegestaan worden,
816
voor niet, over de twintig duizend waskeersen te leveren, waarvan de
817
onopgebrande einden naar 't kapittel zouden gaan.
818
 
819
Al de andere kosten zou de keizer zelf betalen, om aldus te toonen,
820
dat het Zijner Goedertierenheid behaagde, zijne volkeren niet te zeer
821
te belasten.
822
 
823
Als de gemeente die bevelen uitvoerde, kwamen jammerlijke tijdingen uit
824
Rome. Oranje, Alençon en Frundsberg, bevelhebbers van den keizer,
825
waren binnen de heilige stede gedrongen en hadden er kerken,
826
kapellen en huizen verwoest en geplunderd, niemand, priesters,
827
nonnen, moeders noch kinderen, sparend. Den Heiligen Vader hadden zij
828
gevangengenomen. De plundering duurde reeds een volle week; ridders en
829
landsknechten doolden door Rome, zwelgend en brassend, met de wapens
830
zwaaiend, op zoek naar de kardinalen, roepende en tierende, dat zij
831
hen allen derwijze verminken zouden, dat geen hunner ooit paus zou
832
worden. Enkelen hadden die bedreiging reeds ten uitvoer gebracht en
833
dweilden langs de straten met halssnoeren van acht-en-twintig of meer
834
bloedige bollen, groot als okkernoten. De wegen leken roode beken,
835
waarin de verminkte lijken der vermoorden lagen.
836
 
837
Onder het volk werd gezegd, dat de keizer, die geld noodig had, er
838
wilde visschen in het bloed van de priesters, en dat hij bekend met
839
het tractaat, den gevangen paus door zijne bevelhebbers opgelegd, hem
840
dwong afstand te doen van al de versterkte plaatsen zijner Staten,
841
400.000 dukaten te betalen en gevangen te blijven totdat aan die
842
voorwaarden voldaan was.
843
 
844
Nochtans was de droefheid van Zijne Majesteit zoo groot, dat hij al
845
de toebereidselen van vreugde, feesten en vermakelijkheden afzegde
846
en den heeren en edelvrouwen van zijn huis beval den rouw aan te nemen.
847
 
848
En de infant werd gedoopt in zijn witte doeken, ten teeken van
849
koninklijken rouw.
850
 
851
Dat alles aanschouwden de heeren en edelvrouwen als voorteekenen
852
van rampspoed.
853
 
854
Desniettemin toonde de voedster den infant aan de edelen en edelvrouwen
855
van het koninklijk huis, opdat zij hem, naar aloud gebruik, hunne
856
wenschen en giften zouden bieden.
857
 
858
Mevrouw de la Coena hing om zijn hals een zwarten steen tegen het
859
vergif, zoo rond en zoo groot als eene hazelnoot, in een gouden
860
ring gevat; Mevrouw de Chaussade bond aan een zijden draadje eene
861
schelp, wolfsmuil geheeten, hangende op zijne maag, voor de goede
862
spijsvertering; messire Van der Steen, uit Vlaanderen, bood hem een
863
Gentsche worst, vijf ellebogen lang en een halven dik, en wenschte
864
daarbij hoogstnederig aan Zijne Hoogheid, dat hij, alleen op den
865
reuk van de worst, dorst mocht krijgen naar Gentschen klauwaard,
866
daarbij voegende dat, al wie het bier eener stad lust, de brouwers
867
niet kan haten; messire jonker Jacob Christoffel van Castilië bad
868
Zijne Hoogheid den Infant een groenen jaspis aan zijn doorluchtige
869
voetjes te willen dragen, opdat hij goed zou kunnen loopen. Jan de
870
Paepe, de nar, die daar ook was, sprak toen:
871
 
872
--Messire, geef hem liever den horen van Jozua, op wiens geschal al de
873
steden, met alles wat er in was aan mannen, vrouwlieden en kinderen,
874
zich in beweging zetten en liepen. Want Zijne Hoogheid moet niet
875
leeren zelf te loopen, maar wel de anderen te doen loopen.
876
 
877
De bedrukte weduwe van Floris van Borsele, in leven heer van Veere
878
in Zeeland, schonk aan Zijne Hoogheid Philippus eenen steen die,
879
naar zij zegde, de eigenschap had de mannen verliefd en de vrouwen
880
ontroostbaar te maken.
881
 
882
Maar de infant schreide zonder ophouden.
883
 
884
Uilenspiegel schreide ook, maar Klaas stak hem een wisschen klater
885
met belletjes in de hand, deed hem op zijne hand dansen en sprak:
886
Klingelingeling, hadt gij maar altijd belletjes aan uw kaproen,
887
mijn zoon, want de gekken zijn meester van de wereld.
888
 
889
En Uilenspiegel lachte zijn vader toe.
890
 
891
 
892
 
893
 
894
VIII.
895
 
896
Klaas had een grooten zalm gevangen, die op een Zondag gegeten werd
897
door hem en ook door Soetkin, Katelijne en den kleinen Uilenspiegel;
898
doch Katelijne at niet meer dan een vogelken.
899
 
900
--Maar, zei Klaas tot haar, is Vlaanderens lucht tegenwoordig zoo
901
voedzaam, dat gij maar moet ademhalen om gespijsd te wezen als met
902
een teil vleesch? Wanneer zal men kunnen leven zonder eten? De regen
903
moest goede soep zijn, de hagelsteenen erwten en de sneeuw stoverije;
904
dat zou den armen pelgrims versterking geven.
905
 
906
Katelijne schudde zwijgend het hoofd.
907
 
908
--Maar, moet gij daar zoo jammerend zitten? zei Klaas. Wat scheelt
909
er aan?
910
 
911
Toen sprak Katelijne met eene stem, zacht als een ademtocht:
912
 
913
--De booze geest, de zwarte nacht valt neer.--Daar meldt hij zijne
914
komst, met het geschreeuw van den nachtuil.--Rillend aanroep ik--te
915
vergeefs--de Heilige Maagd.--Voor hem, muren noch hagen, deuren noch
916
vensters.--Licht als een geest, dringt hij overal binnen.--Krakende
917
ladder.--Hij is bij mij, op den zolder waar mijne legerstee staat.--Hij
918
grijpt mij in zijn koude armen, als marmer zoo hard.--IJskoud is zijn
919
gelaat, en zijn kussen vochtig als de sneeuw.--De stroohut schudt en
920
slingert als een schuitje op de woelige zee....
921
 
922
--Elken morgen, zei Klaas, moet gij ter misse gaan, opdat de Heer
923
Jezus U de kracht geve dat helsche spook te verjagen.
924
 
925
--Hij is zoo schoon! sprak zij.
926
 
927
 
928
 
929
 
930
IX.
931
 
932
Als Uilenspiegel gespeend was, groeide hij op lijk een boom.
933
 
934
Dan kuste zijn vader hem zoo dikwerf niet meer, maar voedde hem streng
935
op, opdat hij geen weekeling worden zou.
936
 
937
Als Uilenspiegel thuis kwam en kloeg, dat hij, bij een of anderen
938
twist, klop gekregen had, kreeg hij er nog klop bij van Klaas,
939
omdat hij de anderen niet geklopt had: en, aldus opgebracht, kreeg
940
Uilenspiegel den moed van een jongen leeuw.
941
 
942
Als Klaas er niet was, vroeg Uilenspiegel aan Soetkin een duit om te
943
spelen. Dan was Soetkin boos en sprak:
944
 
945
--Waarom moet ge gaan spelen? Blijf liever thuis, om mutsaards
946
te binden.
947
 
948
En als zij niets gaf, begon Uilenspiegel te blaten als een lam. Maar
949
Soetkin maakte dan veel leven met potten en pannen, om te gebaren
950
dat ze hem niet hoorde. Dan weende Uilenspiegel, en de zoete moeder
951
liet hare geveinsde hardheid af, kwam tot hem, streelde hem en vroeg:
952
"Hebt gij genoeg met een denier?" Nu, gij moet weten, dat een denier
953
zes duiten gold.
954
 
955
Zoo beminde zij hem te veel en, als Klaas er niet was, was Uilenspiegel
956
baas in huis.
957
 
958
 
959
 
960
 
961
X.
962
 
963
Op een morgen zag Soetkin haren man met gebogen hoofd in de keuken
964
staan, in gedachten verdiept.
965
 
966
--Wat scheelt er toch, man? vroeg zij. Ge ziet bleek, gij zijt kwaad
967
en verstrooid.
968
 
969
Met eene stem, als een hond die bromt, antwoordde Klaas:
970
 
971
--De wreede plakkaten des keizers gaan ze weer uithalen. Opnieuw gaat
972
de dood over Vlaanderenland heerschen. De aanbrengers krijgen de helft
973
van de have der slachtoffers, als de have de honderd karolusgulden
974
niet te boven gaat.
975
 
976
--Wij zijn arm, sprak zij.
977
 
978
--Arm, zeide hij,... niet arm genoeg. Er zijn lage zielen, gieren
979
en raven, die ons zouden aanklagen, zoowel om een zak kolen als om
980
een zak karolussen met Zijne Majesteit te deelen. Wat bezat het arme
981
Tanneken, de weduw van Sies den kleermaker, die ze te Heist levend
982
begroeven? Een Latijnschen bijbel, drie gouden florijnen en wat potten
983
van Engelsch tin, waarop eene buurvrouw loerde. Wantje Martens werd
984
eerst in 't water geworpen; haar lijf dreef boven, en daarin zag
985
men hekserij, weshalve zij als tooveres verbrand werd. Zij had wat
986
gebroken meubelen, zeven gouden karolussen in een lederen tassche,
987
en de aanklager vroeg er de helft van. Eilaas! nog tot morgen zou ik
988
aldus kunnen spreken: maar wat baat het, vrouw: in Vlaanderen is het
989
leven onhoudbaar om den wille van de plakkaten. Welhaast zal telken
990
nacht de kar van den Dood dof door de straten rijden en wij zullen
991
zijne beenderen hooren rammelen.
992
 
993
Soetkin sprak:
994
 
995
--Jaag me geen schrik aan, Klaas. De keizer is de vader van Vlaanderen
996
en Brabant; als dusdanig is hij braaf en grootmoedig, geduldig
997
en genadig.
998
 
999
--Daarbij zou hij te veel verliezen, antwoordde Klaas, want de
1000
verbeurdverklaarde goederen komen hem bij erfenis toe.
1001
 
1002
Plotseling hoorde men de trompet en de cimbels van den
1003
stadsuitroeper. Op dat geluid kwamen Klaas en Soetkin, die beurt om
1004
beurt Uilenspiegel op den arm droegen, met de volksmenigte toegeloopen.
1005
 
1006
Zoo kwamen zij aan het schepenhuis. Voor de pui waren de herauten te
1007
peerd, op bazuinen blazend en op cimbels slaande, de provoost met de
1008
roede der justitie in de hand en de stadsprocureur, ook te peerd,
1009
die eene ordonnantie des keizers in de hand hield en zich gereed
1010
maakte ze aan vergaderde volksmenigte voor te lezen.
1011
 
1012
Klaas vernam, dat het andermaal aan allen in 't algemeen en aan elk in
1013
't bijzonder verboden was, te drukken, te lezen, in bezit te hebben of
1014
voor te staan, de boeken, schriften of leerstellingen van Martinus
1015
Luther, van Joannes Wycliff, Joannes Huss, Marcilius van Padua,
1016
Æcolampadius, Ulricus Zwinglius, Philippus Melanchton, Franciscus
1017
Lambertus, Joannes Pomeranus, Otto Brunselsius, Justus Jonas, Joannes
1018
Pupperis en Gorcianus, de Nieuwe Testamenten gedrukt door Adriaan
1019
van Bergen, Christoffel van Roemonde en Joannes Zell, vol Luthersche
1020
en andere heresiën, verworpen en veroordeeld door de Faculteit der
1021
godgeleerdheid van de Universiteit van Leuven. Mitsgaders te maken of
1022
te doen maken smadelijke konterfeitsels of afbeeldsels van God, van de
1023
heilige Maagd Maria of van de santen; te breken, te scheuren of uit te
1024
wisschen de beelden of konterfeitsels, vervaardigd tot verheerlijking
1025
van en tot aandenken aan God en de Maagd Maria of de heiligen der kerk.
1026
 
1027
Verder zei het plakkaat, dat het aan niemand toegelaten was, tot welken
1028
staat hij ook mocht behooren, zich te vermeten de Heilige Schrifture te
1029
bespreken of over haar te twisten, zelfs niet op twijfelachtige punten,
1030
tenzij door een godgeleerde van naam, erkend door eene Universiteit,
1031
daartoe gemachtigd.
1032
 
1033
Onder andere straffen besliste Zijne Heilige Majesteit, dat
1034
de verdachten nooit of nimmer een eerbaar ambt zouden kunnen
1035
bekleeden. En zij, welke in hunne dolingen hervielen of bleven
1036
volharden, zouden veroordeeld worden met een zacht of hard vuur,
1037
in een strooien huis of gebonden aan een paal te worden verbrand,
1038
al naar de sententie van den rechter. De anderen zouden omgebracht
1039
worden door het zweerd als zij edelen of goede burgers waren, de
1040
gemeene manslieden aan de galg geknoopt en de vrouwlieden levend
1041
begraven. Om tot voorbeeld te strekken, zou hun hoofd op een paal
1042
worden gestoken. Ten profijte van den keizer was er verbeurte hunner
1043
goederen, overal waar verbeurdverklaring geschieden kon.
1044
 
1045
Zijne Heilige Majesteit schonk den aanbrengers de helft van al
1046
hetgene de aflijvigen in eigendom bezeten hadden, zoo die have de
1047
somme van honderd pond grooten, Vlaamsche munte, alles in 't alles,
1048
niet te boven ging. En wat aanging het deel van den keizer, dit
1049
zou hij aanwenden voor werken van godsvrucht en van bermhertigheid,
1050
gelijk bij de plundering van Rome was geschied.
1051
 
1052
En treurig keerde Klaas naar huis, met Soetkin en Uilenspiegel.
1053
 
1054
 
1055
 
1056
 
1057
XI.
1058
 
1059
Daar het een jaar van voorspoed geweest was, kocht Klaas voor zeven
1060
florijnen een ezel en negen halsters boonen, en op een morgen besteeg
1061
hij zijn beest. Uilenspiegel zat van achteren. Aldus gingen zij hun
1062
oom en oudsten broeder, Judocus Klaas, bezoeken, die woonde omtrent
1063
Meiborg, in de Duitsche landen.
1064
 
1065
Judocus, die in zijne jeugd eenvoudig en zacht van aard was geweest,
1066
had door vele geleden onrechtveerdigheden haat tegen de menschen
1067
opgevat en leefde in eenzaamheid.
1068
 
1069
Zijn vermaak was, twee zoogezeid trouwe vrienden met elkander te doen
1070
vechten, en hij gaf drie oortjes aan hem, die zijn vriend het ergst
1071
toegetakeld had.
1072
 
1073
Ook bracht hij geerne, in een warme kamer, in grooten getale,
1074
twistzieke oude wijven bijeen en gaf haar geroosterd brood en
1075
kruidenwijn.
1076
 
1077
Aan de vrouwen, die meer dan zestig jaar oud waren, stelde hij saaie
1078
ter hand, die zij in een hoek moesten opbreien; daarbij beval hij haar
1079
altijd aan, de nagels lang te laten groeien. En 't was wonderlijk
1080
ze te hooren kuchen, babbelen, snappen en, met hare priemen onder
1081
de oksels, te zamen den naam en de eer van den evennaaste te hooren
1082
schenden en rooven.
1083
 
1084
Wanneer Judocus zag, dat zij goed in gang waren, smeet hij eenen
1085
borstel in 't vuur, die door het schroeien der haren de lucht met
1086
een geweldigen stank vervulde.
1087
 
1088
Dan begonnen de wijven al te gelijk te kijven en elkaar te beschuldigen
1089
de oorzaak te zijn van den stank: en allen streden het af en vlogen
1090
weldra elkander in 't haar; en dan wierp Judocus opnieuw borstels in
1091
het vuur en paardenhaar op den vloer. Als het gevecht zoo verwoed en
1092
de rook zoo dik werd, en het stof zoo hoog steeg, dat hij niets meer
1093
zien kon, ging hij zijne twee in stadsserjanten verkleede knechts
1094
halen, die de ouden als woedende ganzen met groote stokslagen uit de
1095
kamer verdreven.
1096
 
1097
En toen Judocus het slagveld overzag, vond hij er lappen van rokken,
1098
van kousen, van hemden en ook oude tanden.
1099
 
1100
En droefgeestig zei hij tot zich zelven:
1101
 
1102
--Mijn dag is verloren, niet eene van haar heeft hare tong
1103
achtergelaten.
1104
 
1105
 
1106
 
1107
 
1108
XII.
1109
 
1110
In het baljuwschap Meiborg ging Klaas door een smal boschje: de
1111
ezel hapte hier en daar naar een distel; Uilenspiegel smeet zijne
1112
kaproen naar de vlinders en ving ze weer op, zonder van den ezel te
1113
komen. Klaas at eene snede brood en nam zich voor, die in de naaste
1114
taveerne te begieten. Van verre hoorde hij een klokje kleppen en een
1115
gedruisch als van vele menschen die altegader spreken.
1116
 
1117
--'t Is eene bedevaart, en de heeren pelgrims zijn zeker in grooten
1118
getale. Houd u goed vast, mijn zoon, dat zij u niet van het grauwtje
1119
stooten. Wij zullen zien. Komaan, ezeltje, wat gauwer, toe!
1120
 
1121
En de ezel draafde.
1122
 
1123
Zij verlieten den zoom van het bosch en daalden naar een groote vlakte,
1124
ten Westen door eene rivier bespoeld. Aan den Oosterkant stond een
1125
kleine kapel, den gevel versierd met een beeld der Lieve-Vrouwe, met
1126
twee stieren aan heure voeten. Op de trappen van de kapel stonden een
1127
heremiet--die giegelend, aan 't kleppen was--vijftig staffieren met
1128
brandende keersen in de hand, spelers, klokluiders en trommelslagers,
1129
klaroenblazers, pijpers, schalmei- en doedelzakspelers, alsmede een
1130
hoop lustige gezellen, die bakken vol oudroest in de handen hielden,
1131
doch voor het oogenblik allen stille zwegen.
1132
 
1133
Meer dan vijf duizend pelgrims, in gesloten gelederen, elk van zeven
1134
man, met helmen op en stokken van groen hout in de hand, gingen hen
1135
voorbij. Dan schaarden zij zich, telkens zeven, vóór de kapel. Zij
1136
lieten hunne stokken zegenen en kregen elk eene keers uit de handen
1137
der staffieren, in ruil waarvan zij den heremiet een halven florijn
1138
betaalden.
1139
 
1140
En hunne processie was zoo lang, dat de keersen van de eersten
1141
opgebrand waren, toen die van de laatsten nog hare volle lengte hadden.
1142
 
1143
Klaas, Uilenspiegel en de ezel verlustigden zich met aldus een groote
1144
verscheidenheid breede, hooge, lange, puntige, fiere, ronde of slappe
1145
buiken te zien voorbijgaan.
1146
 
1147
Al de pelgrims hadden helmen op. Er waren er die van Troje kwamen,
1148
andere, die phrygische mutsen leken. Sommige pelgrims hoewel met bolle
1149
wangen en dikke buiken, droegen helmen met uitgespreide vleugelen,
1150
doch hadden geenerlei zin tot vliegen. Anderen waren gekapt met
1151
zoogenaamde "salades", door de slakken onwaardig gekeurd omdat ze
1152
niet groen genoeg waren.
1153
 
1154
Maar het meerendeel had helmen, zoo oud en verroest, dat ze uit den
1155
tijd schenen te zijn van Gambrinus, koning van Vlaanderen en koning
1156
van het bier, dewelke regeerde negenhonderd jaar vóór Christus en eene
1157
pint op zijn hoofd droeg, uit vrees niet op tijd te kunnen drinken,
1158
bij gebrek aan een beker.
1159
 
1160
Eensklaps begonnen klokken, pijpen, schalmeien, trommelen en het
1161
oudroest te kleppen, te fluiten, te schallen, te slaan en te kletteren.
1162
 
1163
Het was het sein voor de pelgrims zich omme te keeren en bij groepen
1164
van zeven zich nu tegenover elkaar te plaatsen. Als uitdaging stak elk
1165
de brandende keers in het gelaat van zijn overman. Daardoor ontstond
1166
groot genies en daarna regende het stokslagen.
1167
 
1168
Ze vochten en sloegen met handen en voeten, met hoofden, met alles. Er
1169
waren er, die, gelijk de rammen, op hunne tegenstrevers vielen, met
1170
den helm vooruit, die bij den eersten schok over hunne ooren schoot,
1171
en als blinden terechtkwamen op zeven andere woedende pelgrims,
1172
die hen verwelkomden, maar niet met zachtheid.
1173
 
1174
Anderen, schreeuwers en bloodaards, jammerden om de ontvangen slagen,
1175
maar bij het prevelen hunner gebeden werden ze bliksemsnel door nieuwe
1176
zeventallen overvallen en zonder genade omvergeloopen of omvergetrapt.
1177
 
1178
En de heremiet lachte.
1179
 
1180
Verderop zag men zeventallen, die als klissen aan elkaar hingen en
1181
van boven naar beneden in het water rolden; maar zij bleven elkaar
1182
toetakelen en ranselen, zonder dat het water hunne woede bekoelde.
1183
 
1184
En de heremiet lachte.
1185
 
1186
Zij, die boven gebleven waren, sloegen elkander de oogen blauw en de
1187
tanden vaneen, rukten elkanders haren uit, en scheurden wambuizen en
1188
hoozen aan stukken.
1189
 
1190
En de heremiet lachte en sprak:
1191
 
1192
--Dapper aan, vrienden: wie 't hardst slaat, bemint het meest. Aan de
1193
kloekste vechters, de schoonste liefjes! Hier ziet Onze Lieve Vrouw
1194
van Rindbisbels, wie man is!
1195
 
1196
En de pelgrims sloegen als op kaf.
1197
 
1198
Middelerwijl was Klaas den heremiet genaderd, terwijl Uilenspiegel
1199
lachend en gierend op de slagen bleef toekijken.
1200
 
1201
--Eerwaarde vader, vroeg hij, welke misdaad hebben die arme sukkelaars
1202
bedreven, om elkander zoo wreedelijk te mishandelen?
1203
 
1204
Doch zonder hem te aanhooren, riep de heremiet:
1205
 
1206
--Luieriken! gij verliest den moed. Als de vuisten moede zijn, zijn
1207
de voeten het immers nog niet! Zijn er onder U, die beenen hebben om
1208
te vluchten als hazen? Wat doet het vuur uit de steenen springen? Het
1209
ijzer, dat er op slaat!
1210
 
1211
Op die woorden gingen die onnoozele pelgrims voort te vechten met
1212
helmen, met handen en met voeten. 't Was een verwoede strijd, waarvan
1213
Argus met zijn honderd oogen niets hadde gezien dan stofwolken en
1214
hier en daar de punt van een helm.
1215
 
1216
Doch eensklaps begon de heremiet te kleppen. Pijpen, trommelen,
1217
trompetten en schalmeien en het oudroest staakten hun gedruisch,
1218
tot teeken van vrede.
1219
 
1220
De pelgrims brachten nu hunne gekwetsten bijeen. Er waren er, wier
1221
tong, gezwollen van gramschap, uit den mond hing. Maar die ging van
1222
zelve in hare verblijfplaats terug. Moeilijker was het om de helmen
1223
af te trekken, die tot ver over de ooren zaten. Zij schudden den kop
1224
en bleven hem schudden: de helmen waren vast gelijk groene pruimen
1225
aan den boom.
1226
 
1227
Doch toen sprak de heremiet:
1228
 
1229
--Leest elkeen een ave en keert terug naar uw wijf. En binnen negen
1230
maanden zullen evenveel kinderen meer in het baljuwschap zijn, als
1231
heden 't gevecht dappere strijders telde.
1232
 
1233
En de heremiet zong het ave voor, en allen zongen het mee. En de
1234
klok klepte.
1235
 
1236
De heremiet zegende hen in name van Onze Lieve Vrouwe van Rindbisbels
1237
en sprak tot de pelgrims:
1238
 
1239
--Gaat in vrede!
1240
 
1241
En roepend en stompend en zingend, trokken zij naar Meiborg terug. Al
1242
de vrouwen, oude en jonge, wachtten hen op den dorpel van de huizen,
1243
waar zij binnenvlogen als soldeniers in een stormenderhand veroverde
1244
stad.
1245
 
1246
De klokken van Meiborg luidden al te gader: de jongens floten, riepen,
1247
speelden op den rommelpot.
1248
 
1249
Pinten en stoopen, bekers en glazen gingen lustig aan 't klinken en
1250
rinkelen. En de wijn vloeide in de kelen als een stroom in de zee.
1251
 
1252
Terwijl de klokken luidden en de wind, bij vlagen, aan Klaas 't gezang
1253
van mannen, vrouwlieden en kinderen bracht, vroeg hij opnieuw aan den
1254
heremiet, welke hemelsche gratie die sukkelaars hoopten te verkrijgen,
1255
na die hardhandige oefeningen.
1256
 
1257
Lachend antwoordde hem de heremiet:
1258
 
1259
--Op die kapel daar, ziet ge twee gekapte beelden, die twee stieren
1260
voorstellen. Zij staan daar ter herinnering aan het mirakel van den
1261
heiligen Martinus, die twee ossen in stieren veranderen deed, door
1262
hen met de horens te doen vechten. Daarna streek hij meer dan een
1263
uur keersvet over hunnen snuit, en sloeg er met den stok op.
1264
 
1265
Welnu, ik kende het mirakel. Ik vroeg Zijne Heiligheid om eene
1266
vergunning, die ik duur betaalde en kwam mij vestigen in dit oord.
1267
 
1268
Toen preekte ik over het wonder en weldra kregen al de mannen, zoo
1269
ouden als jongen, de zekerheid dat Onze Lieve Vrouwe hun genadig was
1270
als ze goed gevochten hadden met de keers die de zalf, en den stok die
1271
de kracht is. Hierheen is het, dat de vrouwen heuren man sturen. De
1272
kinderen, die uit kracht van de bedevaart verwekt zijn, worden vlug
1273
en wreedaardig, geweldig en roekeloos en, later, vrome soldaten.
1274
 
1275
Eenklaps vroeg de heremiet aan Klaas:
1276
 
1277
--Herkent gij mij?
1278
 
1279
--Ja, sprak Klaas, gij zijt mijn broeder Judocus.
1280
 
1281
--Gij zijt er, antwoordde de heremiet, maar wie is die bengel daar,
1282
die leelijke gezichten naar mij trekt?
1283
 
1284
--'t Is uw neef, was 't antwoord van Klaas.
1285
 
1286
--Welk verschil maakt gij tusschen keizer Karel en mij?
1287
 
1288
--'t Is groot, sprak Klaas.
1289
 
1290
--'t Is klein, wedervoer Judocus: de keizer doodt de menschen en bij
1291
mij krijgen ze klop, tot ons beider profijt en vermaak.
1292
 
1293
Dan bracht hij Klaas en Uilenspiegel naar zijne kluis, waar zij elf
1294
dagen achtereen kermis vierden.
1295
 
1296
 
1297
 
1298
 
1299
XIII.
1300
 
1301
Als Klaas afscheid nam van zijn broer, steeg hij op zijn ezel, met
1302
Uilenspiegel achter zich. Op de Markt van Meiborg stonden velerhande
1303
pelgrims en als zij hen zagen, ontstaken ze in woede en hieven de
1304
stokken dreigend omhoog. En allen riepen "Schelm! Nietdeug!" om
1305
den wille van Uilenspiegel, die zijne hooze losgemaakt en zijn hemd
1306
opgetrokken had, en zijne achterkaken liet zien.
1307
 
1308
Klaas, ziende dat ze zijn zoon bedreigden, vroeg hem:
1309
 
1310
--Wat hebt gij gedaan, dat zij zoo kwaad op u zijn?
1311
 
1312
--Vadertjelief, antwoordde Uilenspiegel, ik zit op den ezel en zeg
1313
tot niemand een woord, en toch schelden ze mij uit voor een nietdeug.
1314
 
1315
Toen deed Klaas hem langs voren zitten.
1316
 
1317
In die postuur stak Uilenspiegel de tong uit naar de pelgrims, en
1318
roepend en tierend balden ze hunne vuisten en dreigden met hunne
1319
stokken Klaas en den ezel.
1320
 
1321
Maar Klaas sloeg op zijn ezel om hunne woede te ontvlieden. Toen de
1322
pelgrims hen met rust lieten, sprak Klaas tot zijn zoon:
1323
 
1324
--Gij zijt onder een zeer slecht gesternte geboren, want gij zit vóór
1325
mij, doet niemand kwaad en toch willen ze u dooden!
1326
 
1327
Uilenspiegel hield zijn buik vast van 't lachen.
1328
 
1329
Terwijl Klaas door 't Land van Luik reed, hoorde hij zeggen, dat
1330
die van Rivage hongersnood leden en dat ze gesteld waren onder
1331
de jurisdictie van den officiaal, eene vierschaar van geestelijke
1332
rechters. Zij maakten opstand om brood en om wereldlijke rechters
1333
te bekomen. Eenigen werden onthoofd of gehangen, anderen uit het
1334
land gebannen; dàt was de goedertierenheid van den zachtzinnigen
1335
aartsbisschop, den hoogweerdigen Van de Marck.
1336
 
1337
Klaas zag onderwege de gebannenen, die de zoete vallei van Luik
1338
ontvloden, en, aan de boomen, omtrent de stad, zag hij de lijken van
1339
hen die gehangen waren, omdat zij de misdaad begaan hadden, honger
1340
te hebben. En Klaas schreide over hunnen rampspoed.
1341
 
1342
 
1343
 
1344
 
1345
XIV.
1346
 
1347
Toen Klaas op zijn ezel weer thuis kwam met een zak vol oortjes,
1348
dien hij van zijn broeder gekregen had en ook met een schoonen beker
1349
van Engelsch tin, was 't Zondag en weekdag kermis in de arme stulp;
1350
alle dagen at men boonen met vleesch.
1351
 
1352
Menigmaal vulde Klaas den schoonen beker met schuimende dobbele kuite.
1353
 
1354
Uilenspiegel at voor drie; hij ging en kwam naar de borden en teilen
1355
als eene musch op een graanzolder.
1356
 
1357
Eet gij het zoutvat niet mee? vroeg Klaas.
1358
 
1359
Uilenspiegel antwoordde:
1360
 
1361
--Wanneer, gelijk hier, het zoutvat gemaakt is van een uitgeholde
1362
korst brood, moet men het soms opeten, anders komen er wormen in.
1363
 
1364
--Waarom, zegde Soetkin, veegt gij uwe vettige handen af aan uwe hooze?
1365
 
1366
--Aan mijne hooze? wel, om nooit met natte billen te loopen.
1367
 
1368
Daarop dronk Klaas een groote teug bier uit zijn tinnen beker.
1369
 
1370
Uilenspiegel vroeg hem:
1371
 
1372
--Waarom hebt gij zoo'n grooten beker en ik maar een klein kroezeken?
1373
 
1374
Klaas antwoordde:
1375
 
1376
--Omdat ik uw vader en de baas van het huis ben.
1377
 
1378
Doch Uilenspiegel hernam:
1379
 
1380
--Gij drinkt al veertig en ik nog maar negen jaar; gij hebt al genoeg
1381
gedronken en mijne beurt is gekomen. Geef mij den beker en neem gij
1382
het kroezeken.
1383
 
1384
--Zoon, sprak Klaas, men giet geen vat bier in een vaatje over
1385
zonder morsen.
1386
 
1387
--Nu ga dan te werk met verstand en giet uwe kan in mijn tonne,
1388
want mijn buik is grooter dan uw beker, antwoordde Uilenspiegel.
1389
 
1390
En lachend liet Klaas hem zijn beker ledigen. En zoo leerde
1391
Uilenspiegel listig worden om bier te krijgen.
1392
 
1393
 
1394
 
1395
 
1396
XV.
1397
 
1398
Onder haren gordel droeg Soetkin het kenmerk van een nieuwe
1399
bevruchting; ook Katelijne was zwanger, maar zij dorst heur huis
1400
niet verlaten.
1401
 
1402
Soetkin ging haar bezoeken.
1403
 
1404
--Ach! sprak zij jammerend, wat ga ik aanvangen met de ongelukkige
1405
vrucht van mijn lichaam? Moet ik het wichtje versmachten? Ik zou
1406
het besterven! Maar zoo ik een kind heb zonder getrouwd te zijn,
1407
zullen de serjanten mij pakken. Ik zal, als een ontuchtige deerne,
1408
twintig gulden moeten betalen, en op de groote markt gegeeseld worden.
1409
 
1410
Om haar te troosten, sprak Soetkin heur eenige zoete woorden
1411
toe. Bezorgd en nadenkend keerde zij huiswaarts. Op een morgen sprak
1412
zij tot Klaas:
1413
 
1414
--Zoudt ge mij slaan, Klaas, als ik u twee kindjes schonk in stee
1415
van maar één?
1416
 
1417
--Dat weet ik niet, antwoordde Klaas.
1418
 
1419
--Maar, sprak Soetkin, als het tweede kindje niet uit mijn lichaam
1420
kwam en, gelijk dat van Katelijne, verwekt was door een onbekende,
1421
door den duivel misschien?
1422
 
1423
--De duivel, antwoordde Klaas, verwekt wel vuur en dood en rook,
1424
maar geen kinderen. Het kind van Katelijne zal ik als het onze aanzien.
1425
 
1426
--Zoudt gij dat? vroeg zij.
1427
 
1428
--Gelijk ik u zeg, hernam Klaas.
1429
 
1430
Soetkin ging die goede mare aan Katelijne kondschappen en uiterst
1431
gelukkig en opgetogen riep deze uit:
1432
 
1433
--De goede man heeft gesproken voor 't heil van mijn lichaam. God zal
1434
hem zegenen, en ook de duivel, sprak zij huiverd, als 't een duivel
1435
is, die U verwekte, arm schaapje, dat in mijn boezem leeft.
1436
 
1437
Soetkin bracht een zoon en Katelijne eene dochter ter wereld. Beiden
1438
werden ten doop gebracht als zoon en dochter van Klaas. De knaap werd
1439
Hans genoemd, maar bleef niet in leven; het meisje werd Nele geheeten
1440
en groeide flink op.
1441
 
1442
Aan vier bekers dronk zij levenssap: aan de borsten van Soetkin en
1443
aan die van Katelijne. En een zoete strijd ontstond tusschen de twee
1444
vrouwen, om de kleine de borst te mogen geven. Maar tot haar groot
1445
leed, moest Katelijne heure melk laten verdrogen, want men hadde heur
1446
gevraagd van waar die kwam, zonder dat zij moeder was.
1447
 
1448
Als Nele gespeend was, nam Katelijne heure dochter bij zich en liet
1449
haar niet eerder naar Soetkin gaan, dan nadat zij heur "moeder"
1450
genoemd had.
1451
 
1452
En de buren zeiden, dat het schoon was van Katelijne, die have en
1453
goed bezat, het kind op te voeden, want Soetkin en Klaas leefden
1454
veelal in kommer en armoe.
1455
 
1456
 
1457
 
1458
 
1459
XVI.
1460
 
1461
Op zekeren morgen was Uilenspiegel alleen thuis. Hij verdroot zich
1462
geweldig, en nam een schoen van zijn vader, om er een schuitje van
1463
te maken. De groote mast stond reeds vast in de zool en Uilenspiegel
1464
ging een gat snijden in 't overleer, om den boegspriet te plaatsen,
1465
toen hij over 't halfdeurken het hoofd van een ruiter en den kop van
1466
een peerd zag.
1467
 
1468
--Is hier niemand? vroeg de ruiter.
1469
 
1470
--Ja, antwoordde Uilenspiegel, een mensch, een halve mensch en een
1471
paardekop.
1472
 
1473
--Hoezoo? vroeg de ruiter.
1474
 
1475
Uilenspiegel sprak:
1476
 
1477
--Wel, ik zie hier een heelen mensch en die ben ik; verder zie ik
1478
een halven mensch, te weten, uw hoofd en borst, en daarbij nog den
1479
kop van uw peerd.
1480
 
1481
--Waar zijn uw vader en moeder? vroeg de man.
1482
 
1483
--Vader gaat van kwaad tot erger en moeder is bezig met ons in scha
1484
of schande te brengen.
1485
 
1486
--Dat begrijp ik niet, sprak de ruiter.
1487
 
1488
Uilenspiegel hernam:
1489
 
1490
--Vader graaft de voren van zijn land dieper, om de jagers, die zijn
1491
koren plat trappen, van kwaad in erger te doen vallen. Moeder is geld
1492
gaan leenen: geeft zij te veel weer, dan is het ons scha en geeft ze
1493
te weinig, dan is het ons schande.
1494
 
1495
Toen vroeg de man hem den weg.
1496
 
1497
--Daar, waar de eenden gaan, antwoordde Uilenspiegel.
1498
 
1499
De ruiter ging heen, doch als Uilenspiegel bezig was met van Klaas'
1500
tweeden schoen eene galei te maken, kwam hij terug.
1501
 
1502
--Gij hebt mij bedrogen, sprak hij; daar waar de eenden zijn, is het
1503
modder en veengrond, waarin zij ploeteren.
1504
 
1505
Uilenspiegel antwoordde:
1506
 
1507
--Ik zei u niet van te rijden waar zij ploeteren, doch daar waar
1508
zij gaan.
1509
 
1510
--Wijs mij ten minste den weg, die naar Heist gaat, sprak toen de man.
1511
 
1512
--In Vlaanderen, zei Uilenspiegel, zijn 't de menschen die gaan,
1513
en de wegen blijven liggen.
1514
 
1515
 
1516
 
1517
 
1518
XVII.
1519
 
1520
Op zekeren dag sprak Soetkin tot Klaas:
1521
 
1522
--Man, ik heb den dood op het lijf. 't Is nu al drie dagen, dat Thijl
1523
uit den huize is. Waar mag hij wel zijn?
1524
 
1525
Treurig antwoordde Klaas:
1526
 
1527
--Hij is waar de straathonden zijn, op den grooten weg, met nietdeugen
1528
van zijne soort. God was vol wreedheid, toen hij ons zulk een zoon
1529
gaf. Toen Thijl ter wereld kwam, zag ik in hem de vreugd van onzen
1530
ouden dag, een werktuig te meer in ons huis; ik meende hem een
1531
handwerk te leeren, maar 't boosaardige noodlot maakt hem tot een
1532
schelm, een dagdief.
1533
 
1534
--Wees niet te gestreng, man, sprak Soetkin. Onze zoon is maar negen
1535
jaar, hij is nog in den roes van de eerste jeugd. Moet hij, als de
1536
boomen, niet eerst zijne hulsels afwerpen, alvorens zich te kunnen
1537
tooien met zijne bladeren, die, voor den boom des volks, de eer en de
1538
deugd zijn? 't Is een kleine guit, ik weet het, maar zijne slimheid zal
1539
hem later te goede keeren, als hij ze tot een of ander goed ambacht
1540
aanwendt, in stee van ze tot kwade parten te gebruiken. Hij steekt
1541
geerne den draak met een ieder; maar later zal hij zijn plaats vinden
1542
in een lustige broederschap. Hij lacht gedurig; maar de gezichten,
1543
die zuur zien vóór hunne rijpheid, zijn een slecht voorteeken voor
1544
later. Zoo hij loopt, is 't dat hij zulks noodig heeft om te groeien;
1545
zoo hij niet werkt, is het dat hij nog niet begrijpt, dat werken een
1546
plicht is en als hij somwijlen dag en nacht, een halve week uitblijft,
1547
is het dat hij niet beseft hoeveel verdriet hij ons aandoet, want
1548
hij heeft een goed hart en ziet ons geerne.
1549
 
1550
Klaas schudde het hoofd en antwoordde niet, en toen hij sliep,
1551
lag Soetkin te weenen. En 's morgens, als zij dacht dat haar zoon
1552
wellicht ergens aan den weg ziek lag, ging zij op den dorpel der
1553
deure zien of hij niet afkwam; maar zij zag hem niet en zij zette
1554
zich aan 't venster, om van daar naar de straat te kijken. En meer
1555
dan eens bonsde heur het hert in de borst, als zij den lichten stap
1556
van een kind hoorde; maar als de kleine voorbijging en zij zag dat
1557
het Uilenspiegel niet was, weende zij weer, de arme moeder.
1558
 
1559
Doch Uilenspiegel was, met zijn deugnieten van kameraden, te Brugge
1560
op de Zaterdagsmarkt.
1561
 
1562
Daar zag men leerzenmakers en schoenlappers in hunne kramen,
1563
kleermakers met hoozen, wambuizen, bovenkerels; Antwerpsche
1564
meezenvangers, die 's nachts met een uil ter vogelvangst gaan; daar
1565
waren kooplui in wild, hondenvangers, verkoopers van kattevellen voor
1566
handschoenen, borstlappen en kragen, en koopers uit alle standen,
1567
poorters en poorteressen, knechten en dienstmaagden, broodmeesters,
1568
botteliers, eierboeren en -boerinnen en men hoorde ze, ieder op zijn
1569
wijs, vragen en bieden, de waren prijzen en afkeuren.
1570
 
1571
In een hoek van de markt was een schoone lijnwaden tente opgericht op
1572
vier palen. Aan den ingang van die tente stond een boer uit het Land
1573
van Aalst--met twee monniken naast zich om het geld te ontvangen--die
1574
voor een oortje aan de nieuwsgierigen een stukje van het schouderblad
1575
van de heilige Maria van Egypte liet zien. Met schorre, heesche stemme,
1576
roemde hij de verdiensten der gelukzalige; in zijnen lofzang vergat
1577
hij zelfs niet te zeggen hoe ze eens, bij gebreke aan geld, een jongen
1578
veerman, die haar overgezet had, betaalde met schoone munt der nature,
1579
om Gods gebod, omtrent het loon der werklieden, niet te overtreden.
1580
 
1581
En de twee monniken knikten om te bevestigen, dat de boer waarheid
1582
sprak. Naast hen stond een groot, dik wijf, met een rood gezicht,
1583
als Astarte zoo wulpsch, een oorverdoovend lawaai te maken op een
1584
gebarsten doedelzak, terwijl een lieftallig meisje naast haar zong
1585
als een nachtegaaltje, doch op haar lette niemand. Aan den ingang
1586
van de tent wiegelde eene kuip, met de beide ooren aan twee staken
1587
vastgemaakt. Als het wijf in hoogdravende woorden vertelde, dat het
1588
eene kuip wijwater was, die van Rome kwam en de monniken weer knikten
1589
om hare woorden te staven, verviel Uilenspiegel in diepe overpeinzing.
1590
 
1591
Aan een van de palen der tente stond een ezel gebonden, die meer hooi
1592
dan haver kreeg: met hangenden kop zag hij naar de aarde, maar zonder
1593
hoop er distels te zien opschieten.
1594
 
1595
--Jongens, riep Uilenspiegel, naar het wijf, de twee paters en 't
1596
weemoedige grauwtje wijzend, vermits de meesters zoo goed zingen,
1597
moet de ezel dansen. En hij liep naar een winkel, en kwam met zes
1598
duiten peper. Toen hief hij den steert van den ezel op en wreef er
1599
de peper onder.
1600
 
1601
Als het beest de peper gevoelde, keek het omme, om te zien van waar
1602
die ongewone warmte kwam. Het meende, dat het den vuurduivel achter
1603
de hielen had en wilde loopen om hem te ontvlieden; dan begon het
1604
dier te balken en te stampen en uit al zijne kracht aan den paal te
1605
trekken. Bij den eersten schok ging de kuip los, die tusschen de
1606
twee haken hing, en al het wijwater kletste op de tent en op hen,
1607
die er in waren. Weldra stortte de tent in en de aanwezigen, die naar
1608
de geschiedenis van Maria van Egypte luisterden, lagen als onder een
1609
natten mantel begraven. En Uilenspiegel en zijne vrienden hoorden van
1610
onder het doek groote beroering en geweeklaag, want de geloovigen,
1611
die binnen waren, beschuldigden malkander de kuip omvergetrokken
1612
te hebben, en wit van woede brachten ze elkander vele vuistslagen
1613
toe. Men zag het doek van de tente op en neer gaan, en telkens als
1614
Uilenspiegel op het doek een ronden vorm zag uitkomen, stak hij er in
1615
met eene speld. Dan hoorde hij grootere kreten en grootere uitdeeling
1616
van vuistslagen onder de tente.
1617
 
1618
En hij had dolle pret en het meest toen hij den ezel zag wegloopen met
1619
doek, met kuip en met palen achter zich aan, terwijl de baas van de
1620
tent, zijn wijf en zijn kind zich vastklampten aan den sleep van den
1621
ezel. Eindelijk kon het dier niet meer voort, het begon erbarmelijk
1622
te balken en te stampen, en hield maar op om onder zijn steert te
1623
zien of het vuur, dat er brandde, niet haast gebluscht was.
1624
 
1625
Maar de kwezelaars vochten voort en zonder aan hen te denken,
1626
scharrelden de monniken het geld bijeen, dat uit de schaal gevallen
1627
was.
1628
 
1629
Uilenspiegel hielp devotelijk mee, doch niet zonder profijt.
1630
 
1631
 
1632
 
1633
 
1634
XVIII.
1635
 
1636
Terwijl de zoon van den kooldrager als een schalk opwies, bracht de
1637
ziekelijke zoon van den grooten keizer zijne dagen in droefgeestigheid
1638
door. Edelvrouwen en heeren zagen hem, door kamers en gangen van 't
1639
paleis van Vallodolid, zijn armzalig lichaam op waggelende beentjes
1640
voortsleepen, alsof hij moeite had de zwaarte te dragen van zijn
1641
groot hoofd, met stekelig blond haar bedekt.
1642
 
1643
Steeds zocht hij de donkere gangen op en bleef er uren lang zitten, met
1644
de beenen uitgestrekt. En als een dienstknecht er uit onachtzaamheid
1645
op trapte, liet hij hem geeselen, en als hij hem hoorde huilen van
1646
pijn, deed het hem goed, maar hij lachte niet.
1647
 
1648
's Anderen daags haalde hij elders in de gangen van het paleis
1649
dezelfde streken uit. Edelvrouwen, heeren en schildknapen, die hem
1650
voorbijgingen, deed hij struikelen, en als zij vielen en zich bezeerden
1651
deed hem dat genoegen, maar hij lachte niet.
1652
 
1653
En zoo iemand hem aanraakte en niet viel, huilde hij alsof hij geslagen
1654
was: en de ontsteltenis ziende, was hij blij, maar hij lachte niet.
1655
 
1656
Zijne Majesteit hierover verwittigd, beval, dat men geen acht op den
1657
infant moest geven, zeggende, zoo hij niet wilde dat men hem trapte,
1658
hij zijne voeten niet moest zetten waar eens anders beenen gingen.
1659
 
1660
Zulks mishaagde Philippus, doch hij zei niets; men zag hem niet meer,
1661
tenzij in den tuin, wanneer hij, bij helderen zomer dag, zijn schraal
1662
lichaampje in de zonne ging warmen.
1663
 
1664
En als keizer Karel, van den oorlog teruggekeerd, zijn zoon vol
1665
somberheid zag zitten, sprak hij:
1666
 
1667
--Mijn zoon, hoe zeer verschilt gij van mij! Op uwen leeftijd klom ik
1668
op de boomen achter de eekhoorntjes; met een koord liet ik mij langs
1669
steile rotsen glijden om arendsnesten te ledigen. Ik kon er het leven
1670
bij inschieten, maar mijn lichaam werd er des te sterker om. Op de
1671
jacht vluchtten de wilde dieren, als ze mij zagen met mijn vuurroer.
1672
 
1673
--Ach! zuchtte de infant, 'k heb buikpijn, heer vader.
1674
 
1675
--Paxarete-wijn is een uitstekend geneesmiddel tegen de buikpijn,
1676
sprak Karel.
1677
 
1678
--Dien wijn lust ik niet; 'k heb hoofdpijn, heer vader.
1679
 
1680
--Mijn zoon, zei Karel, gij moet loopen, springen, stoeien, zooals
1681
de andere kinderen van uwen leeftijd doen.
1682
 
1683
--Mijne beenen zijn stijf, heer vader.
1684
 
1685
--Kan het anders? sprak Karel, gij maakt er houten beenen van. Wacht,
1686
ik ga u vastbinden op een vurig peerd.
1687
 
1688
De infant weende.
1689
 
1690
--Bind mij niet vast, sprak hij, ik heb pijn aan de lenden, heer vader.
1691
 
1692
--Maar, vroeg Karel, hebt gij dan overal pijn?
1693
 
1694
--Het zou niets zijn, zoo men mij gerust liet, zegde de infant.
1695
 
1696
--Denkt gij soms, hernam de keizer ongeduldig, uw koninklijk leven als
1697
de poëten in mijmering door te brengen? Laat hen hunne perkamenten
1698
met inkt bemorsen, in stilte, eenzaamheid en bespiegeling; aan u
1699
zoon van het zweerd, behoort het warme bloed, het oog van den arend,
1700
de list van den vos, de kracht van een Hercules. Waarom maakt gij het
1701
teeken des kruises? Een leeuwenwelp mag geen paternosterknauwer zijn!
1702
 
1703
--Het Angelus, heer vader, antwoordde de infant.
1704
 
1705
 
1706
 
1707
 
1708
XIX.
1709
 
1710
Bloei- en Zomermaand waren dat jaar oprecht de maanden der
1711
bloemen. Nooit zag men, in Vlaanderen, zulke welriekende hagedoornen,
1712
in de hovingen zooveel rozen, jasmijn en kamperfoelie. Als de
1713
Westenwind de geuren van dat bloemenland naar 't Oosten dreef, stak
1714
iedereen, en meest nog in Antwerpen, verrukt den neus omhoog, zeggende:
1715
 
1716
--Riekt gij dien goeden wind, die uit Vlaanderen waait?
1717
 
1718
Onverpoosd waren de vlijtige bijen bezig met honig uit de bloemen te
1719
zuigen, was te maken, het broedsel te verzorgen in de korven, te weinig
1720
in aantal om al de zwermen te bergen. Heerlijke muziek van den arbeid
1721
onder den blauwen hemel, die schitterend den rijken bodem overdekte!
1722
 
1723
Men maakte rieten, strooien, wisschen bijenkorven. Mandenmakers,
1724
kuipers, stroovlechters arbeidden van den vroegen morgen. En de
1725
kastenmakers konden bijlange het bestelde werk niet afdoen.
1726
 
1727
De zwermen bestonden uit dertig duizend werkbijen en twee duizend
1728
zevenhonderd hommels. De honigraten waren zoo lekker en van zulke
1729
zeldzame hoedanigheid, dat de deken van Damme er elf zond aan keizer
1730
Karel, als dankzegging omdat hij, door zijne ordonnantiën de Heilige
1731
Inquisitie weder ingevoerd had. Philippus at de honigraten op, maar
1732
hij had er geen genot van.
1733
 
1734
Schooiers, bedelaars, rabauwen en heel die bende luiaards, die vadsig
1735
langs de wegen slenteren en zich liever laten opknoopen dan zich aan
1736
eenigerhande bezigheid over te leveren, kwamen van heinde en verre
1737
aanloopen, verlekkerd door den honiggeur. En 's nachts zwierven zij
1738
in groote menigte door velden en hoven.
1739
 
1740
Klaas had korven gemaakt om er bijenzwermen heen te lokken; eenige
1741
waren gevuld, andere nog ledig. Klaas bleef heel den nacht waken om
1742
op zijn goed te letten. Als hij moede was, zegde hij tot Uilenspiegel
1743
zijne plaats in te nemen. Deze deed het gewillig.
1744
 
1745
Nu, op een nacht dat het koel was, kroop Uilenspiegel in een ledigen
1746
korf, en gansch ineengedrongen, keek hij door de gaten die er van
1747
boven in waren.
1748
 
1749
Op 't punt van insluimeren, hoorde hij de haag kraken en de stemmen
1750
van twee manslieden, die hij voor dieven aanzag. Hij keek door een
1751
der gaten van den bijenkorf en zag, dat de beide mannen lang haar
1752
en een langen baard hadden, hoewel een lange baard te dien tijde een
1753
teeken van adel was.
1754
 
1755
Zij gingen van korf tot korf, en zoo kwamen zij aan den zijnen en
1756
hem optillende, spraken zij:
1757
 
1758
--Deze is de zwaarste; vervolgens staken zij er hunne stokken onder
1759
en droegen hem mee.
1760
 
1761
Uilenspiegel vond het geenszins aangenaam, aldus in een bijenkorf
1762
vervoerd te worden. De nacht was donker en de dieven spraken geen
1763
woord. Alle vijftig stappen bleven zij staan om adem te scheppen en
1764
zich vervolgens weder op weg te begeven. Die vóór ging gromde van
1765
kwaadheid omdat de last zoo zwaar woog, en die van achteren, kermde
1766
weemoedig. Want in de wereld zijn twee soorten luiaards: zij, die
1767
kwaad zijn op den arbeid, en zij, die jammeren als er te werken valt.
1768
 
1769
Uilenspiegel, die niets te doen had, trok den dief, die vóór ging,
1770
bij zijn haar, en den anderen bij zijnen baard, zoodat de grommer
1771
den janker toeschreeuwde:
1772
 
1773
--Als gij niet ophoudt, aan mijn haar te trekken, geef ik u eene smete
1774
op den kop, dat hij in uwe borstkas valt en gij door uwe ribben kunt
1775
zien, als een dief door de traliën van het Steen.
1776
 
1777
--Ik deed het niet, vriend, jammerde de janker, gij zijt het die aan
1778
mijnen baard trekt.
1779
 
1780
De grommer antwoordde:
1781
 
1782
--Ik zoek geen ongedierte in een schurftigen baard!
1783
 
1784
--Maat, sprak de janker, doe de korf niet zoo schommelen, mijne armen
1785
houden het niet langer uit.
1786
 
1787
--Hewel, ik zal ze u van het lijf rukken. En hij trok zijnen riem over
1788
zijn hoofd, zette den korf op den grond en sprong op zijn makker. En
1789
zij vochten, de eene vloekend, de andere om genade smeekende.
1790
 
1791
Toen Uilenspiegel de slagen hoorde vallen, kroop hij uit den korf,
1792
sleepte dien in een boschje, waar hij hem terugvinden kon, en keerde
1793
toen huiswaarts.
1794
 
1795
En zoo is het, dat de slimmen voordeel halen uit twist en krakeel.
1796
 
1797
 
1798
 
1799
 
1800
XX.
1801
 
1802
Als Uilenspiegel vijftien jaar oud was, bouwde hij te Damme, met
1803
vier palen, eene kleine tent op, en riep dat een iegelijk er zijn
1804
tegenwoordig en toekomstig gelaat kon afgebeeld zien, in een schoone
1805
lijst van hooi.
1806
 
1807
Wanneer een opgeblazen rechtsgeleerde binnen kwam, zot van eigenwaan,
1808
stak Uilenspiegel zijn hoofd door de lijst en bootste het gezicht
1809
van een ouden aap na; dan sprak hij:
1810
 
1811
--Een ouden snuit kan rotten, maar geenszins bloeien; ben ik uw
1812
spiegel niet, heer dokter in de rechten?
1813
 
1814
Als Uilenspiegel tot klant een oudgediende kreeg, liet hij, in stee
1815
van zijn gezicht, in 't midden van de lijst een schotel vleesch en
1816
brood zien, en sprak hij:
1817
 
1818
--De oorlog zal u tot gehakt maken; wat geeft gij mij om de
1819
voorzegging, o snorrebaard, verzot op sakkers met wijden mond?
1820
 
1821
En als een oud heertje aan Uilenspiegel zijn poezelig wijfje liet
1822
zien, verborg de snaak zijn gelaat nogmaals en toonde in de lijste een
1823
boompje, aan welks takken messen, koffertjes, kammen en schrijfgerei
1824
hingen, alles van hoorn vervaardigd, en zeide:
1825
 
1826
--Vanwaar komen die schoone snuisterijen, messire? is het niet van den
1827
horenboom, die groeit in den boomgaard der oude manslieden? Wie zal
1828
nog zeggen, dat horendragers van geenerlei nut zijn in de samenleving?
1829
 
1830
En Uilenspiegel toonde in de lijste, nevens den boom, zijn jeugdig
1831
gezicht.
1832
 
1833
Als de ouderling hem hoorde, ontstak hij in hevige woede, doch zijn
1834
vrouwtje paaide hem, en glimlachend vroeg zij aan Uilenspiegel:
1835
 
1836
--En mijn spiegel, wilt ge hem mij toonen?
1837
 
1838
--Kom nader, was 't antwoord.
1839
 
1840
Zij deed het. Toen kuste hij haar waar hij maar kon.
1841
 
1842
--Uw spiegel, sprak hij, is bloeiende jeugd in trotschheid gehuld.
1843
 
1844
En de schoone ging heen, en vergat niet hem een paar gulden te geven.
1845
 
1846
Aan een dikken monnik, die hem vroeg om zijn tegenwoordig en toekomstig
1847
gezicht te zien, antwoordde Uilenspiegel:
1848
 
1849
--Gij zijt eene hespenkast, en een bierkelder zult gij ook zijn,
1850
want zout noodt tot drinken, niet waar, dikzak? Geef mij een oortje,
1851
omdat ik de waarheid zei.
1852
 
1853
--Mijn zoon, sprak de monnik, nooit dragen wij geld op ons.
1854
 
1855
--Dan is het, antwoordde Uilenspiegel, dat het geld u op zich draagt,
1856
want mij is 't bekend, dat gij het steekt tusschen twee zolen, onder
1857
den voet! Geef mij uw riemschoen.
1858
 
1859
Maar de monnik hernam:
1860
 
1861
--Mijn zoon, 't is het goed van het klooster. Maar als 't moet,
1862
zal ik u toch twee oortjes geven voor uwe moeite.
1863
 
1864
De monnik gaf ze en Uilenspiegel nam ze minzaam aan.
1865
 
1866
Daarna toonde hij ook aan de lieden van Damme, van Brugge, van
1867
Blankenberge, tot zelfs van Oostende, hunnen spiegel.
1868
 
1869
En in stee van te zeggen in Vlaamsche sprake: "Ik ben Ulieden spiegel",
1870
zei hij kortweg: "Ik ben Ulen spiegel", gelijk thans nog gezegd wordt
1871
in Oost- en West-Vlaanderen.
1872
 
1873
En zóó kwam hij aan zijn bijnaam Uilenspiegel.
1874
 
1875
 
1876
 
1877
 
1878
XXI.
1879
 
1880
Grooter geworden slenterde hij geerne langs kermissen en
1881
jaarmarkten. Zag hij ergens een hobo-, vedel- of doedelzakspeler,
1882
dan liet hij zich voor een oortje leeren, hoe men uit die speeltuigen
1883
welluidende tonen kan halen.
1884
 
1885
Zeer behendig werd hij in 't bespelen van den rommelpot, een speeltuig
1886
gemaakt met een pot, eene blaas en een rietje, en wel als volgt:
1887
over den pot spant men een natte blaas; een eind van het rietje
1888
wordt met een touwtje gebonden in het middenste van de blaas en het
1889
ander raakt den bodem van van den pot; vervolgens wordt de blaas tot
1890
barstens toe om den pot gespannen. 's Anderen morgens, als de blaas
1891
droog geworden is, kan men er op slaan als op een tamboerijn en zoo
1892
men met het rietje wrijft, bromt het schooner dan de viool.
1893
 
1894
En Uilenspiegel ging met zijn rommelpot, die het geblaf van wachthonden
1895
nabootste, aan de deur van de huizen kerstliederen zingen, in
1896
gezelschap van kinderen, waarvan een, op Driekoningen, een blinkende
1897
papieren ster droeg.
1898
 
1899
Als een meester-schilder te Damme kwam om de broeders van een of ander
1900
gilde geknield op het doek te malen, bekroop Uilenspiegel de lust te
1901
zien hoe hij werkte; daarom vroeg hij om zijne verf te mogen wrijven,
1902
en als loon wilde hij slechts eene snee brood, drie duiten en eene
1903
pint kuite aanveerden.
1904
 
1905
Terwijl hij de verf fijn wreef, ging hij de doenwijze zijns meesters
1906
na. Als deze weg was, beproefde hij te schilderen, maar overal streek
1907
hij scharlakenrood. Hij probeerde ook 't portret te maken van Klaas,
1908
Soetkin, Katelijne en Nele, alsmede van pinten en stoopen. En Klaas
1909
hem aan 't werk ziende, voorzeide, dat hij, zoo hij neerstig wou
1910
zijn, florijnen bij tientallen zou kunnen verdienen met opschriften
1911
te schilderen op de speelwagens in Vlaanderen en Zeeland.
1912
 
1913
Ook het houtsnijden en steenkappen leerde hij van een meester-metser,
1914
terwijl deze, in het koor van Onze Lieve Vrouwekerk, eenen zetel
1915
kwam maken, derwijze geschikt, dat de oude deken zitten kon zonder
1916
dat iemand het merkte.
1917
 
1918
Uilenspiegel was het, die het eerst een messenhecht sneed, zooals de
1919
Zeeuwen gebruiken. Hij maakte er een kunstig bewerkt snijwerk van,
1920
met van binnen een doodshoofd en van boven een wakende hond. Hetgeen
1921
zeggen wilde: het hecht getrouw tot aan den dood.
1922
 
1923
En alzoo begon zich de voorzegging van Katelijne te verwezenlijken,
1924
want Uilenspiegel was nu tegelijk schilder, beeldhouwer, boer en ook
1925
edelman: immers de Klaassen voeren, van vader tot zoon, drie zilveren
1926
pinten in een veld van bruinbier.
1927
 
1928
Maar Uilenspiegel bleef in alles ongedurig en Klaas zei dat, als dat
1929
spelletje zoo voortging, hij hem de stulp uit zou jagen.
1930
 
1931
 
1932
 
1933
 
1934
XXII.
1935
 
1936
De keizer, van den oorlog teruggekeerd, vroeg waarom zijn zoon
1937
Philippus hem niet was komen begroeten.
1938
 
1939
De aartsbisschop-leermeester van den infant antwoordde, dat hij niet
1940
gewild had, dat hij slechts van boeken en eenzaamheid hield.
1941
 
1942
De keizer vroeg, wáár hij zich ophield.
1943
 
1944
De leermeester antwoordde, dat men hem overal zoeken moest, waar het
1945
duister was. Zoo deden zij.
1946
 
1947
Als zij door menige zalen gegaan waren, kwamen zij eindelijk in een
1948
somber verblijf, door een smal venster verlicht. En op den grond
1949
stond een staak, waaraan een jong en lief aapje vastgemaakt lag,
1950
een diertje dat Zijne Hoogheid uit Indië gekregen had om er mede te
1951
spelen. Smeulende takkebossen lagen rondom en in het vertrek hing
1952
een walm van verkoold haar.
1953
 
1954
Het diertje, levend verbrand, had zoo verschrikkelijk geleden, dat
1955
zijn lichaampje niet geleek op dat van een wezen dat geleefd had,
1956
maar op een stuk gewrongen en gerimpelden wortel. En op zijn mondje,
1957
dat open was, als om genade te vragen, stond een bloedig schuim,
1958
en zijn arm gezichtje was nat van zijne tranen.
1959
 
1960
--Wie heeft dat gedaan? vroeg de keizer.
1961
 
1962
De leermeester dorst niet antwoorden en beiden bleven sprakeloos,
1963
droef en grammoedig staan.
1964
 
1965
Maar onverwacht werd de stilte door een lichten kuch gestoord, die uit
1966
den donkersten hoek kwam. Zijne Majesteit keerde zich om en zag den
1967
infant Philippus, in 't zwart gekleed bezig een citroen uit te zuigen.
1968
 
1969
--Don Philippus, sprak hij, kom hier om mij te groeten.
1970
 
1971
Zonder zich te verroeren, bekeek de infant hem met zijne vreesachtige
1972
oogen, waar geenerlei liefde in blonk.
1973
 
1974
--Zijt gij het, vroeg de keizer, die dat diertje verbrand hebt?
1975
 
1976
De infant boog het hoofd.
1977
 
1978
--Waart gij wreedaardig genoeg om het te bedrijven, wees dan vrank
1979
genoeg om het te bekennen.
1980
 
1981
De infant zweeg.
1982
 
1983
Zijne Majesteit ontnam hem den citroen, wierp dien op den grond
1984
en wilde zijn zoon slaan, maar de aartsbisschop hield hem terug,
1985
en fluisterde hem toe:
1986
 
1987
--Zijne Hoogheid zal later een groote ketterbrander zijn!
1988
 
1989
De keizer glimlachte en beiden gingen, den infant met zijn aapje
1990
alleen latend.
1991
 
1992
Maar ook anderen, die geen aapjes waren, kwamen in vlammen om.
1993
 
1994
 
1995
 
1996
 
1997
XXIII.
1998
 
1999
De Slachtmaand was gekomen, de kille hoestmaand der borstlijders.
2000
 
2001
't Is ook de maand, waarin de knapen bij benden over de rapenvelden
2002
heenstormen, om te rooven wat zij kunnen, tot groote schade der boeren,
2003
die ze tevergeefs achternazitten met stokken en vorken.
2004
 
2005
Op een avond nu dat Uilenspiegel van een strooptocht terugkwam,
2006
hoorde hij in een hoek van den haag, dicht bij hem, een gekerm. Hij
2007
bukte en zag, op eenen steen, een hondeken liggen.
2008
 
2009
--Wel, mijn beestje, sprak hij, wat doet ge hier zoo spa in den avond?
2010
 
2011
Hij wilde den hond streelen en hij voelde dat zijn rug nat was. Hij
2012
dacht, dat men hem had willen verdrinken en nam hem in de armen,
2013
om hem te drogen en te koesteren.
2014
 
2015
Thuis gekomen, sprak hij:
2016
 
2017
--Hier is een gekwetste, wat moet ik er mee doen?
2018
 
2019
--Hem verbinden, antwoordde Klaas.
2020
 
2021
Uilenspiegel zette den hond op de tafel. Klaas, Soetkin en hij zagen
2022
toen, bij het licht van de lamp, dat het diertje eene wond op de
2023
rug had. Soetkin wiesch ze, lei er balsem op en bond er een doek
2024
om. Uilenspiegel nam den hond in zijn bed, hoewel Soetkin hem in
2025
't hare wou hebben, bevreesd dat Uilenspiegel, die woelde als een
2026
duivel in een wijwatervat, in zijn slaap het diertje zou bezeeren.
2027
 
2028
Maar Uilenspiegel deed zijne goesting; hij verzorgde zijn hond zóó
2029
goed, dat de gekwetste na zes dagen liep zooals de meesten zijner
2030
verwaande natuurgenooten, met den steert omhoog.
2031
 
2032
En de schoolmeester hiet hem Titus Bibulus Snuffius: Titus in memorie
2033
van zekeren goeden Romeinschen keizer, dewelke dwalende honden placht
2034
op te nemen; Bibulus, omdat de hond eene dronkemansliefde voor kuite
2035
en bruinbier had, en Snuffius omdat hij steeds met den snoet in
2036
rattenholen en mollenritten aan 't snuffelen was.
2037
 
2038
 
2039
 
2040
 
2041
XXIV.
2042
 
2043
Aan het einde van de Onze-Lieve-Vrouwestraat stonden twee wilgeboomen
2044
aan den boord van een diepe gracht.
2045
 
2046
Tusschen de twee wilgen spande Uilenspiegel eene koorde, waarop hij
2047
op een Zondag na de vespers danste, zoo vlug, dat heel de menigte
2048
van straatloopers in de handen kletste. Toen kwam hij beneden en ging
2049
rond met zijn schaaltje, dat met geld gevuld werd, maar hij ledigde
2050
het in de schorte van Soetkin, en hield elf duiten voor zich.
2051
 
2052
Den volgenden Zondag wilde hij weer op de koorde dansen, maar eenige
2053
bengels, uit nijd over zijne behendigheid, hadden eene snee in de
2054
koorde gegeven, zoodat zij na eenige sprongen brak en Uilenspiegel in
2055
't water tuimelde.
2056
 
2057
Terwijl hij naar den oever zwom, riepen de kleine koordesnijders
2058
hem toe:
2059
 
2060
--Hoe gaat het, Uilenspiegel-vlug? Gaat gij nu in den vijver den
2061
karpers leeren dansen?
2062
 
2063
Uilenspiegel kwam uit het water en schudde zich af. En daar zij uit
2064
angst voor een pak slaag wegliepen, riep hij hun toe:
2065
 
2066
--Vreest niets; komt Zondag terug, 'k zal U andere kunsten toonen en
2067
gij zult uw deel in de winst hebben!
2068
 
2069
's Zondags nadien sneden de bengels de koorde niet door, doch hielden
2070
er de wacht bij, opdat niemand ze aanraakte, want er waren toeschouwers
2071
in groote menigte.
2072
 
2073
Uilenspiegel zei hun:
2074
 
2075
--Dat ieder mij een zijner schoenen geve, en 'k wed dat ik er mee dans,
2076
zoowel met den grootsten als met den kleinsten.
2077
 
2078
--En wat betaalt gij, als gij verliest? vroegen zij hem.
2079
 
2080
--Veertien pinten bruinbier, antwoordde Uilenspiegel, maar gij betaalt
2081
mij drie oortjes als ik win.
2082
 
2083
--Goed! riepen zij.
2084
 
2085
En zij gaven hem elk een hunner schoenen. Uilenspiegel legde ze alle
2086
in het voorschoot dat hij aan had en, met dien last, danste hij op
2087
de koorde, doch niet zonder moeite.
2088
 
2089
Van beneden riepen de koordesnijders:
2090
 
2091
--Gij hebt gezegd met elk onzer schoenen te zullen dansen; trek ze
2092
aan en houd uwe wedding.
2093
 
2094
Uilenspiegel danste voort en antwoordde:
2095
 
2096
--Ik heb niet gezegd uwe schoenen aan te trekken, doch er mee te
2097
dansen. Nu, ik dans, en alles danst mee in mijn voorschoot. Ziet gij
2098
het niet met uwe paddenoogen? Betaalt mij mijn drie oortjes.
2099
 
2100
Doch zij jouwden hem uit en schreeuwden, dat zij hunne schoenen
2101
moesten terughebben.
2102
 
2103
Uilenspiegel smeet ze alle te gelijk in een worp naar beneden. Een
2104
woedend gevecht volgde, daar niemand zijn schoen dadelijk terugvinden
2105
kon.
2106
 
2107
Uilenspiegel kwam naar beneden en begoot de vechters, maar niet met
2108
klaar water.
2109
 
2110
 
2111
 
2112
 
2113
XXV.
2114
 
2115
De infant, nu vijftien jaar oud, dwaalde als naar gewoonte door gangen
2116
en trappen en zalen van 't slot. Doch meestal slenterde hij rond de
2117
vertrekken der edelvrouwen, om de edelknapen te verschalken, die,
2118
gelijk hij, als katten in de gangen op loer lagen. Andere jonkers
2119
waren in den tuin, keken verzuchtend omhoog, en zongen eene ballade
2120
van minne.
2121
 
2122
Als de infant het hoorde, vertoonde hij zich eensklaps aan een der
2123
vensteren, en de arme edelknapen waren ontsteld als zij zijn bleeke
2124
tronie zagen, in stee van de zoete oogen hunner schoonen.
2125
 
2126
Onder de edelvrouwen van het hof was een lieftallige dame, een
2127
Vlaamsche van Dudzele, omtrent Damme, van ongemeene schoonheid en in
2128
de volheid harer jaren, met oogen, groenig-bruin, en rossig, krullend
2129
haar, dat schitterde als goud. Vroolijk van zin en vurig van aard,
2130
verheelde zij niemand hare neiging tot den gelukkige, wien zij, op
2131
heur aanbiddelijk erf, het hemelsch privilege van liefde schonk. De
2132
uitverkorene heurs herten was een schoon en fier ridder. Elken dag
2133
op vast uur, ging zij tot hem, hetgeen Philippus wist.
2134
 
2135
Hij zette zich op eene bank tegenover een venster en wachtte. En
2136
als zij hem voorbijging met flikkerend oog en met rozeroode lippen,
2137
en glanzend van jeugd en van liefde in haar kleed van goudbrocaat,
2138
zag zij den infant, die, zonder zich van zijne plaats te verheffen,
2139
tot haar zegde:
2140
 
2141
--Mevrouwe, hebt gij een oogenblik voor mij?
2142
 
2143
Driftig als de merrie, die in haren loop gestuit wordt op 't oogenblik
2144
dat zij rent naar den schoonen hengst, die in den beemd hinnikt,
2145
antwoordde zij:
2146
 
2147
--Hoogheid, een ieder moet gehoorzamen aan Uwen vorstelijken wil.
2148
 
2149
--Zet U naast mij, sprak de infant.
2150
 
2151
Onbeschaamd, listiglijk en onbermhertig zag hij haar aan:
2152
 
2153
--Zeg mij het Onze-vader in Vlaamsche tale; men heeft het mij geleerd,
2154
laas! ik heb het vergeten.
2155
 
2156
De arme vrouw zegde een Vader-ons, doch tamelijk vlug, maar hij dwong
2157
haar telkens tot langzamer spreken.
2158
 
2159
En aldus noodzaakte hij heur het tot tienmaal toe te zeggen, aan haar,
2160
die op dit uur aan andere gebeden dacht.
2161
 
2162
Daarna sprak hij vleiend van heure schoone gouden lokken, van heure
2163
heldere tint, heur klare oogen, maar niets dorst hij zeggen van
2164
heur gevleesde schouderen, noch van haren fraai gevormden boezem,
2165
noch van iets anders.
2166
 
2167
Zij meende te mogen heengaan en blikte reeds naar den tuin waar zij
2168
haren minnaar wachtte, toen hij vroeg of ze wist welke de deugden
2169
der vrouw zijn?
2170
 
2171
Daar zij niet antwoordde uit vreeze van verkeerd te spreken, deed
2172
hij het in heure plaats, en zegde hij op den toon van een zedenpreeker:
2173
 
2174
--Deugden der vrouwe zijn kuischheid, eerzaamheid en ingetogenheid.
2175
 
2176
Hij ried haar aan zich zedig te kleeden en alles wat heur was,
2177
zorgvuldiglijk te verbergen.
2178
 
2179
Zij knikte ten teeken van goedkeuring en zeide, dat zij zich voor
2180
Zijne Noordpoolachtige Hoogheid liever met tien berenhuiden dan met
2181
eene el neteldoek bedekken zou.
2182
 
2183
En terwijl hij onthutst was over dit antwoord, nam zij lachende
2184
de vlucht.
2185
 
2186
Nochmaals was het vuur der jeugd in de borst van den infant ontbrand:
2187
maar het was dit gloeiende vuur niet, dat de sterke zielen tot groote
2188
daden drijft, noch het zoete vuur, dat de teedere herten doet weenen:
2189
't was een somber vuur uit de helle, door Satan ontstoken. En het
2190
glom in zijne grijze oogen, gelijk de maan boven een kerkhof, in
2191
winternacht. En het brandde hem wreedelijk.
2192
 
2193
Daar de arme gluiperd geene liefde voor anderen voelde, dorst hij de
2194
edelvrouwen niet aanspreken; toen ging hij naar een afgelegen hoekje,
2195
in een kamertje, met witte muren, slecht verlicht, waar hij gemeenlijk
2196
zijne lekkernijen at en waar een groote menigte vliegen waren, om den
2197
wille van de brokkelingen. Daar streelde hij zichzelven, terwijl hij de
2198
vliegen met den kop tegen de ruiten plette en er met honderden doodde,
2199
totdat zijne vingeren te danig beefden om hunne bloedige bezigheid
2200
voort te zetten. En in die wreede uitspanning vond hij een genot,
2201
mits geilheid en wreedheid twee eerlooze zusteren zijn. Als hij
2202
uit dat hok kwam, was hij nog somberder dan te voren en een ieder
2203
ontvluchtte het bleeke gelaat van dien terugstootenden prins.
2204
 
2205
En de treurige Hoogheid leed, want slecht herte is smerte.
2206
 
2207
 
2208
 
2209
 
2210
XXVI.
2211
 
2212
De schoone vrouwe verliet Valladolid om naar heur slot van Dudzele,
2213
in Vlaanderen, te gaan.
2214
 
2215
Toen zij, met heuren dikken bottelier, door Damme trok, zag zij een
2216
veertienjarigen knaap, met den rug tegen eene hut geleund, op eenen
2217
doedelzak spelen. Rechtover hem zat een rosse hond, die jammerlijk
2218
huilde, daar die muziek hem niet aanstond. De zonne stond schitterend
2219
aan den hemel. Nevens den knaap zat een aanminnig meisje, dat, bij
2220
elk erbarmelijk gehuil van den hond, in een gulhertigen lach schoot.
2221
 
2222
Toen de schoone vrouwe en de dikke bottelier voorbij de stulp kwamen,
2223
bezagen zij Uilenspiegel, die blies, Nele, die lachte en Titus Bibulus
2224
Snuffius, die jankte.
2225
 
2226
--Stoute jongen, sprak zij tot Uilenspiegel, wilt ge wel ophouden
2227
dien armen hond zoo te doen huilen!
2228
 
2229
Maar Uilenspiegel bezag haar en blies nog harder op zijnen
2230
doedelzak. En Bibulus Snuffius jankte nog jammerlijker, en Nele
2231
schaterlachte nog luider.
2232
 
2233
De bottelier ontstak in woede, wees naar Uilenspiegel en sprak tot
2234
de edelvrouwe:
2235
 
2236
--Als ik dat schavuitengebroed eens afroste met de schee van mijn
2237
degen, zou de onbeschaamderik wel ophouden!
2238
 
2239
Uilenspiegel bezag den bottelier, hiet hem Jan Papzak, om den wille
2240
van zijn dikken buik en ging voort met blazen op zijn doedelzak. De
2241
bottelier liep op hem toe en dreigde hem met de vuist; maar Bibulus
2242
Snuffius vloog op hem af en beet Papzak in het been; van schrik viel
2243
de bottelier op den grond en schreeuwde om hulp.
2244
 
2245
De dame lachte Uilenspiegel toe en sprak:
2246
 
2247
--Kunt ge mij zeggen, doedelzakspeler, of de weg, die van Damme naar
2248
Dudzele leidt, niet veranderd is?
2249
 
2250
Uilenspiegel bleef voortblazen, schudde den kop en bezag de edelvrouwe.
2251
 
2252
--Maar waarom ziet ge mij zoo strak aan? vroeg zij.
2253
 
2254
Doch hij speelde voort en sperde de oogen open, alsof hij voor heur
2255
in bewondering stond.
2256
 
2257
--Zijt gij niet beschaamd, voor een jongen snaak als gij, de vrouwen
2258
aldus te bezien?
2259
 
2260
Uilenspiegel bloosde een weinig, speelde voort en bekeek heur nog meer.
2261
 
2262
--Ik heb U gevraagd, hernam zij, of de weg niet veranderd is, die
2263
van Damme naar Dudzele leidt?
2264
 
2265
--Weleer was hij groen, thans is hij droef en schraal, sedert hij
2266
het geluk mist U te mogen dragen, antwoordde Uilenspiegel.
2267
 
2268
--Wilt ge mij leiden?
2269
 
2270
Maar Uilenspiegel bleef zitten, haar steeds aanziende. En als ze hem
2271
zoo snaaksch zag en zoo jong en zoo levendig, vergaf zij hem geerne
2272
zijne woorden. Hij stond op om binnen te gaan.
2273
 
2274
--Waar gaat gij?
2275
 
2276
--Mijn beste kleeren aantrekken, antwoordde hij.
2277
 
2278
--Spoed U dan, sprak de edelvrouwe.
2279
 
2280
Toen zette zij zich neer op de bank naast de deur; de bottelier deed
2281
zooals zij. Zij wilde tot Nele spreken, maar Nele antwoordde heur niet,
2282
want zij was jaloersch.
2283
 
2284
Uilenspiegel kwam terug; hij was schoon gewasschen en had een
2285
bombazijnen wambuis aan. Hij zag er flink uit in zijn zondagspak.
2286
 
2287
--Gaat gij toch mee? vroeg Nele hem.
2288
 
2289
--Ik ben dadelijk terug.
2290
 
2291
--Wil ik in uwe plaats gaan? sprak Nele.
2292
 
2293
--Neen, zegde hij, de wegen zijn vol modder.
2294
 
2295
--Waarom, vroeg de dame gestoord en insgelijks jaloersch, waarom,
2296
kleine meid, wilt gij hem beletten van mede te gaan?
2297
 
2298
Nele antwoordde heur niet, maar twee dikke tranen welden in heure
2299
oogen, en treuriglijk en gramstorig bekeek zij de schoone edel vrouwe.
2300
 
2301
Gevieren begaven zij zich op weg, de dame op hare witte hakkenei
2302
met zwart fluweel getuigd; de bottelier met zijn waggelenden buik;
2303
Uilenspiegel, die de hakkenij bij den breidel hield, en Bibulus
2304
Snuffius, die, met den steert in de lucht, fier naast zijn meester
2305
stapte.
2306
 
2307
Geruimen tijd reden en gingen zij aldus voort, maar Uilenspiegel was
2308
niet op zijn gemak; stom als een visch snoof hij den fijnen benjoëreuk
2309
op, die opsteeg uit de kleeren van de dame, en hij bekeek, ter sluip,
2310
heur schoon paardentuig, heure zeldzame kleinooden en juweelen, en ook
2311
heur zachtaardig uitzicht, heure schitterende oogen, heuren schoonen
2312
boezem en heur haar, dat als een gouden helmet in de zonne schitterde.
2313
 
2314
--Waarom zegt gij zoo weinig, vriendje? vroeg zij.
2315
 
2316
Hij antwoordde niet.
2317
 
2318
--'t Ware jammer als gij uwe tong verloren hadt, want 'k had U geerne
2319
met een boodschap belast.
2320
 
2321
--Welke? vroeg Uilenspiegel.
2322
 
2323
--Gij moet, sprak de dame, mij hier verlaten en naar Koolkerke gaan,
2324
aan den anderen kant van den wind, en aldaar zeggen aan een edelman,
2325
half in 't zwart, half in 't rood gekleed, dat hij mij vandaag niet
2326
mag verwachten, maar Zondag komen moet, te tien uren van den nacht,
2327
in mijn slot, langs de sluippoort.
2328
 
2329
--Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.
2330
 
2331
--Waarom niet? vroeg de dame.
2332
 
2333
--Neen, ik ga niet! volhardde Uilenspiegel.
2334
 
2335
De dame sprak toen:
2336
 
2337
--Maar waarom toch maakt gij u driftig als een haantje, en wilt
2338
niet gaan?
2339
 
2340
--Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.
2341
 
2342
--Maar als ik U een gulden gaf?
2343
 
2344
--Neen! sprak hij.
2345
 
2346
--Een dukaat?
2347
 
2348
--Neen.
2349
 
2350
--Een karolus?
2351
 
2352
--Neen, sprak Uilenspiegel nog. En toch, voegde hij er bij met
2353
een zucht, zou ik dien liever dan eene mosselschelp in moeder heur
2354
tassche zien.
2355
 
2356
De dame glimlachte, en eensklaps riep zij uit:
2357
 
2358
--Ik ben mijne beugeltassche kwijt, een schoone zeldzame tassche van
2359
zijdelaken, met fijne perelen geborduurd. Te Damme had ik ze nog aan
2360
mijne ceintuur bevestigd.
2361
 
2362
Uilenspiegel verroerde zich niet, maar de bottelier ging naar de
2363
edelvrouwe:
2364
 
2365
--Mevrouwe, sprak hij, als die jonge schavuit ze gaat zoeken, ziet
2366
gij hem nimmer terug.
2367
 
2368
--En wie zal dan gaan? vroeg de edelvrouwe.
2369
 
2370
--Ik, sprak hij, hoewel ik oud van jaren ben.
2371
 
2372
En terstond ging hij op zoek.
2373
 
2374
Middag sloeg de klok; 't was drukkend warm en stille en eenzaam in
2375
het ronde. Uilenspiegel sprak geen woord, doch deed zijn nieuw wambuis
2376
uit, om de dame onder de schaduwe van een lindeboom te laten rusten,
2377
zonder dat de koelte van het gras heur kwellen kon. En hij bleef
2378
rechtstaan in verzuchting, naast heur.
2379
 
2380
Zij zag hem aan en voelde medelijden voor dien blooden jongen,
2381
en vroeg hem of hij niet moede was, zoo lang op zijne jonge beenen
2382
te staan. Hij antwoordde niet, doch liet zich naast heur vallen, en
2383
zij trok hem tot zich, en zijn hoofd rustte op heuren blooten boezem,
2384
en daar lag hij zoo goed, dat zij het als eene zonde beschouwd hadde,
2385
hem te zeggen, dat hij elders een hoofdkussen zoeken moest,
2386
 
2387
De bottelier kwam intusschen terug, zeggende dat hij de beugeltassche
2388
niet gevonden had.
2389
 
2390
--Ik heb ze wedergevonden, ik, antwoordde de dame, toen ik van mijn
2391
peerd steeg; in 't vallen was zij aan den stijgbeugel vastgeraakt. En
2392
nu, sprak zij tot Uilenspiegel, leid ons nu recht naar Dudzele en
2393
zeg mij uw naam.
2394
 
2395
--Mijn patroon, antwoordde hij, is de heer Sint Thijlbert, naam,
2396
die bediedt vlug te been, om te gaan waar het goed is; mijn naam is
2397
Klaas en mijn toenaam Uilenspiegel. Als ge U zelf in mijn spiegel wilt
2398
aanschouwen, zult gij overtuigd zijn, dat er, gansch Vlaanderenland
2399
door, geen schitterender bloem van schoonheid bestaat dan Uwe geurige
2400
bekoorlijkheid.
2401
 
2402
De dame bloosde van welbehagen en was geenszins verbolgen.
2403
 
2404
En gedurende die lange afwezigheid weenden Soetkin en Nele bitterlijk.
2405
 
2406
 
2407
 
2408
 
2409
XXVII.
2410
 
2411
Toen Uilenspiegel van Dudzele terugkwam, zag hij Nele, aan den
2412
inkoom van de stad, met den rug tegen een hek geleund, en een tros
2413
blauwe druiven in de hand. Een voor een at zij de vruchten, die
2414
haar verfrischten, maar blijken liet zij dit niet. Integendeel, zij
2415
scheen verstoord, want driftig beet zij de druiven van de rist. Zij
2416
was weemoedig, en had zulk een droevig en spijtig gezicht, dat
2417
Uilenspiegel, vol liefde, medelijden kreeg en, stille achter haar,
2418
heur eenen kus in den hals gaf.
2419
 
2420
Maar zij gaf hem een klinkenden kaakslag in de plaats.
2421
 
2422
--Die was raak, zei Uilenspiegel.
2423
 
2424
Zij weende dat de tranen over heure wangen rolden.
2425
 
2426
--Nele, sprak hij, gaat gij nu de fonteinen aan den ingang van de
2427
stad stellen?
2428
 
2429
--Loop heen! zegde zij.
2430
 
2431
--Maar ik kan niet heengaan, als gij zoo weent, liefste?
2432
 
2433
--Ik ben geene liefste, sprak Nele, en weenen doe ik niet.
2434
 
2435
--Neen, gij weent niet, maar er komt water uit uwe oogen.
2436
 
2437
--Wilt gij gaan, sprak zij.
2438
 
2439
--Neen! zegde hij.
2440
 
2441
Maar met heure bevende handjes, hield zij heur schort voor 't gezicht;
2442
zij beet er de stof van aan stukken, en heure tranen maakten het nat.
2443
 
2444
--Nele, vroeg Uilenspiegel, zeg eens, zal het straks schoon weder zijn?
2445
 
2446
En glimlachend zag hij heur liefderijk aan.
2447
 
2448
--Waarom vraagt ge mij dat? sprak zij.
2449
 
2450
--Omdat het spreekwoord zegt: na regen komt zonneschijn, antwoordde
2451
Uilenspiegel.
2452
 
2453
--Ga, sprak zij, ga bij uw schoone dame met haar zijden kleed, die
2454
hebt gij genoeg doen lachen.
2455
 
2456
Toen zong Uilenspiegel:
2457
 
2458
 
2459
    Hoor ik mijn lieveken krijschen
2460
    't Doet mijn herteken groot verdriet.
2461
    Honig zoo gij haar lachen hoort,
2462
    Peerlen zoo gij heur traantjes ziet....
2463
    Ei, mijn lieveken laat ik niet!...
2464
    En ik geef een bottel ten beste
2465
    Lekkeren Leuvenschen wijn.
2466
    En ik geef een bottel ten beste
2467
    Als Nele vroo wil zijn....
2468
 
2469
 
2470
--Gemeene man, sprak zij, gij lacht mij dan noch uit!
2471
 
2472
--Nele, sprak Uilenspiegel, ik ben een man, dat is waar, maar gemeen
2473
ben ik niet, want onze adellijke familie, eene schepenfamilie, voert
2474
drie zilveren pinten in een veld van bruinbier. Nele, is 't waar,
2475
dat men, in Vlaanderenland, kaaksmeten maait als men kussen zaait?
2476
 
2477
--Ik spreek u niet aan, zegde zij.
2478
 
2479
--Waarom doet ge dan uw mondje open om het mij te zeggen?
2480
 
2481
--Ik ben kwaad, sprak zij.
2482
 
2483
Uilenspiegel klopte heel zachtjes op heuren rug en sprak:
2484
 
2485
--Kus een vrouwtje en ze zal u kloppen; klop een vrouwtje en ze zal
2486
u kussen. Kus mij dan, liefste, vermits ik u klopte.
2487
 
2488
Nele keerde zich om. Hij opende zijne armen en, nog weenend, wierp
2489
zij er zich in en vroeg:
2490
 
2491
--Zult ge ginder niet meer gaan, Thijl?
2492
 
2493
Maar hij antwoordde niet, want hij had het te druk met heure bevende
2494
vingeren in de zijne te drukken en, met de lippen, de heete tranen
2495
te wisschen, die uit Nele's oogen vielen als de dikke droppelen van
2496
een stormregen.
2497
 
2498
 
2499
 
2500
 
2501
XXVIII.
2502
 
2503
In dien tijd weigerde Gent, de edele stad, haar aandeel te betalen
2504
in de bede, die haar zoon, keizer Karel, heur vroeg. Zij kon niet
2505
betalen, want zij had geen geld meer, en dit was de schuld van Karel
2506
zelf. Toch was dat een groote misdaad, en hij besloot haar in persoon
2507
te gaan kastijden.
2508
 
2509
Want de slagen, die eene moeder het zeerst doen, zijn die van heuren
2510
zoon.
2511
 
2512
Frans met den Langen Neus, zijn vijand, deed hem het aanbod om
2513
door Frankrijk te gaan. Karel nam het aan, en in stee van te
2514
worden gevangengezet, werd hij op vorstelijke wijze onthaald en
2515
gevierd. Altijd zijn de vorsten bereid elkander te helpen, om 't volk
2516
te onderdrukken.
2517
 
2518
Karel verbleef langen tijd te Valencijn, zonder eenig teeken van
2519
toorn te geven. De stad Gent, zijne moeder, leefde zonder vrees in
2520
het geloof, dat de Keizer, haar zoon, vergeten zou, wijl zij gehandeld
2521
had volgens recht.
2522
 
2523
Karel kwam onder de muren van de stad met vier duizend peerden. Alva
2524
was bij hem, alsmede de prins van Oranje. Het gemeen en de kleine
2525
ambachten hadden geerne die kinderlijke intrede belet en de tachtig
2526
duizend man van de stad en den bijvang op de been gebracht; maar de
2527
hoogpoorters verzetten zich daartegen, want zij vreesden, dat het volk
2528
de overhand zou krijgen. Nochtans had de stad Gent haren zoon met zijne
2529
vier duizend peerden in de pan kunnen hakken. Maar zij beminde hem nog,
2530
en de kleine ambachten zelven hadden weder vertrouwen gekregen.
2531
 
2532
Karel ook had haar lief, maar 't was om het geld, dat hij van haar
2533
in zijne kisten had en nog van haar trekken wilde.
2534
 
2535
Toen hij zich meester gemaakt had van de stad, stelde hij overal
2536
krijgswachten en liet hij dag- en nachtronden doen. Daarna sprak hij,
2537
in groote statie, de sententie over de stede uit.
2538
 
2539
De voornaamste poorters moesten vóór zijnen troon vergiffenis komen
2540
vragen, met een strop om den hals; Gent werd schuldig verklaard aan
2541
de ergste misdaden, dewelke zijn: ontrouw, inbreuk op de tractaten,
2542
ongehoorzaamheid, muiterij, opstand en majesteitsschennis. De keizer
2543
verklaarde alle geschonken privileges, rechten, vrijheden, costumen
2544
en gebruiken verbeurd en, de toekomst verbindende alsof hij God zelf
2545
was, bepaalde hij verder, dat zijne opvolgers, bij hunne komst als
2546
landheer, zweren moesten niets te zullen naleven dan de vernederende
2547
Karolijnsche Concessie, door hem aan de stad verleend.
2548
 
2549
De abdij van Sint-Baafs deed hij afbreken, om ter plaatse eene vesting
2550
te bouwen, van waar hij, gemakkelijk, de borst zijner moeder met
2551
kogels kon doorboren.
2552
 
2553
Als een slechte zoon, die met ongeduld naar den dood zijner ouderen
2554
wacht, verbeurde hij alle goederen en eigendommen van Gent, inkomsten
2555
en panden, geschut en oorlogstuig.
2556
 
2557
En hij vond, dat de stad te goed verdedigd was: daarom deed hij den
2558
Rooden Toren, den Paddenhoektoren, de Braampoort, de Steenpoort,
2559
de Walpoort, de Ketelpoort en vele andere poorten afbreken, dewelke
2560
als meesterstukken van bouwkunst en beeldhouwkunst doorgingen.
2561
 
2562
En als later vreemdelingen naar Gent kwamen, spraken zij verbaasd
2563
tot elkaar:
2564
 
2565
--Is dàt Gent, die platte en treurige stad? Men vertelde er ons
2566
wonderen van: men heeft ons bedrogen.
2567
 
2568
En die van Gent antwoordden:
2569
 
2570
--Keizer Karel heeft de stad heure krone ontnomen.
2571
 
2572
En dit zeggende, waren zij grammoedig en beschaamd. En uit het puin
2573
van de poorten haalde de keizer steenen voor zijne vesting.
2574
 
2575
Hij wilde, dat Gent arm werd, daar aldus de stad noch door arbeid,
2576
noch door handel of geld, zich tegen zijne stoutmoedige inzichten
2577
verzetten kon; daarom veroordeelde hij haar tot het betalen van het
2578
geweigerde aandeel in de schatting van vierhonderd duizend gouden
2579
karolusgulden en, daarboven, honderd vijftig duizend karolussen in
2580
eens, en elk jaar nog zes duizend als eeuwigdurende rente. Hij had
2581
geld van de stad in leening gekregen en moest haar voor hetzelve
2582
eene rente betalen van honderd vijftig pond grooten. Met geweld deed
2583
hij zich de schuldbrieven overhandigen en verscheurde ze. En op die
2584
manier betaalde hij zijne schuld.
2585
 
2586
In menige aangelegenheid had Gent hem lief gehad en geholpen. Maar
2587
hij stak haar eenen dolk in de borst, om bloed te hebben, daar hij
2588
geene melk meer vond.
2589
 
2590
Toen bezag hij Roeland, de schoone klokke, en aan haren klepel liet hij
2591
den poorter opknoopen, die storm geluid had, om de stad ten strijde
2592
te roepen, ten einde heur recht te verdedigen. Geene genade had hij
2593
voor Roeland, de fiere klokke, de tong zijner moeder, waarmee zij
2594
tot Vlaanderen sprak:
2595
 
2596
 
2597
    Als men my slaat dan is 't brandt,
2598
    Als men my luydt dan is 't storm in Vlaenderland.
2599
 
2600
 
2601
Mits zijne moeder te luide sprak, nam hij de klokke weg. En die van
2602
't platteland zeiden, dat Gent dood was, dat heur zoon, met eene tang,
2603
heure tong uit heuren mond had gerukt.
2604
 
2605
 
2606
 
2607
 
2608
XXIX.
2609
 
2610
Op een van die dagen,--heldere en frissche lentedagen, als heel de
2611
aarde liefde ademt,--zat Soetkin bij het open venster te naaien,
2612
neurde Klaas een deuntje, terwijl Uilenspiegel bezig was met Titus
2613
Bibulus Snuffius eene rechterskap op te zetten. De hond ging met
2614
zijne pooten te werk, alsof hij eene sententie moest uitspreken, maar
2615
't was alleen om den hoed af te krijgen.
2616
 
2617
Doch eensklaps sprong Uilenspiegel naar het venster en deed het
2618
dicht. Klaas en Soetkin keken op en zagen hun zoon rond de kamer
2619
loopen, op tafels en stoelen springen om een vogeltje te vangen,
2620
dat, met trillende vleugelen en piepend van angst, in den hoek van
2621
een balk aan de zoldering eene schuilpaats ging zoeken.
2622
 
2623
Uilenspiegel wilde het diertje grijpen, toen Klaas hem met ruwe
2624
stemme vroeg:
2625
 
2626
--Waarom springt gij aldus?
2627
 
2628
--Om het te vangen, antwoordde Uilenspiegel, het in eene kevie te
2629
zetten, zaad te geven en voor mij te doen zingen.
2630
 
2631
Maar de vogel piepte van angst, vloog weer rond de kamer en bezeerde
2632
zijn kopje tegen de ruiten.
2633
 
2634
Daar Uilenspiegel niet ophield met grijpen en springen, pakte Klaas
2635
hem ruw bij den schouder.
2636
 
2637
--Vang het beestje, sprak hij, doe het voor u zingen, maar ik zal
2638
u ook in eene kooi steken, met kloeke ijzeren staven gesloten en ik
2639
zal ook u doen zingen. Gij, die zoo geerne loopt, wordt opgesloten;
2640
in de schaduw gestoken als gij koude hebt, in den zonneschijn als
2641
gij het warm hebt. En op een Zondag zullen wij uitgaan en vergeten u
2642
eten te geven, en als wij 's Donderdags terugkomen, zullen wij Thijl,
2643
gestorven van honger, met de beenen uitgestrekt vinden.
2644
 
2645
Soetkin weende, Uilenspiegel vloog naar het venster.
2646
 
2647
--Wat doet gij? vroeg Klaas.
2648
 
2649
--Het venster open doen om den vogel buiten te laten, antwoordde hij.
2650
 
2651
Inderdaad, de vogel, een distelvink, vloog het venster uit, tjilpte
2652
blijde in de vrije lucht, en steeg als een pijl naar omhoog. Dan
2653
ging hij op een perelaar zitten, waar hij zijne vleugelen streek en
2654
zijne pluimen schudde en grammoedig, in zijne vogeltaal, Uilenspiegel
2655
allerlei verwenschingen naar het hoofd stuurde.
2656
 
2657
Toen sprak Klaas:
2658
 
2659
--Mijn zoon, nooit moogt ge aan mensch of dier de vrijheid ontnemen,
2660
want die is het hoogste goed. Laat een iegelijk de zonne zoeken als hij
2661
koude heeft, en de schaduw als hij het warm heeft. En God oordeele
2662
Zijne Heilige Majesteit, die het vrije geloof in Vlaanderenland
2663
aan ketenen legt en Gent, de edele stad, in een ijzeren kooi van
2664
slavernije sluit!
2665
 
2666
 
2667
 
2668
 
2669
XXX.
2670
 
2671
Philippus was getrouwd met Maria van Portugal, wier bezittingen hij
2672
bij de Spaansche krone gevoegd had; van haar had hij don Carlos,
2673
den wreedaardigen zot. Maar liefde gevoelde hij voor zijne vrouw niet.
2674
 
2675
De koningin leed aan de gevolgen van heure kraam. Zij bleef te bed en
2676
bij haar waren heure eeredames, onder dewelke de hertoginne van Alva.
2677
 
2678
Philippus liet heur dikwijls alleen, om ketters om hals te zien
2679
brengen. De edelvrouwen en kamerheeren deden als hij. En zoo ook de
2680
hertoginne van Alva, de adellijke baker van Maria.
2681
 
2682
In dien tijd vatte de officiaal een Vlaamschen beeldhouwer,
2683
Roomsch-katholiek van geloove, omdat een monnik hem den overeengekomen
2684
prijs voor een houten Lieve-Vrouwenbeeld geweigerd had, en nu het
2685
aangezicht van het beeld met zijnen beitel had geschonden, zeggende:
2686
dat hij liever zijn werk vernielde, dan het te laten onder den prijs.
2687
 
2688
Door den monnik als beeldschenner aangeklaagd, werd hij zonder genade
2689
op de pijnbank gelegd, en veroordeeld om levend te worden verbrand.
2690
 
2691
Op de pijnbank had men hem de voetzolen geroosterd en onderwege,
2692
van het gevang naar den brandstapel, met den san benito op het hoofd,
2693
riep hij gedurig:
2694
 
2695
--Snijdt mijne voeten af! Snijdt mijne voeten af!
2696
 
2697
En van verre hoorde Philippus die bange kreten, en hij trilde van
2698
genot, maar hij lachte niet.
2699
 
2700
De eeredames verlieten koningin Maria om de voltrekking van het vonnis
2701
bij te wonen: na haar volgde de hertoginne van Alva, die bij het hooren
2702
van de kreten van den Vlaamschen kunstenaar, ook het schouwspel wilde
2703
zien en de Koningin alleen liet.
2704
 
2705
Toen Philippus, zijne hooge dienaren, prinsen, graven, schildknapen en
2706
hofdames dáár waren, werd de beeldhouwer met een lange keten aan een
2707
paal geklonken, te midden van een vuur, gemaakt van rijshout en stroo,
2708
dat hem langzaam moest braden, terwijl hij zich zoo verre mogelijk
2709
van het laaie vuur wilde houden.
2710
 
2711
Hij was zoo goed als naakt, en nieuwsgieriglijk keek men hoe hij
2712
beproefde zijne zielskracht te stellen tegen de hitte des vuurs.
2713
 
2714
En middelerwijl had Maria dorst. Zij zag een halven meloen op eene
2715
schaal liggen, sleepte zich uit heur bedde, greep de vrucht en verslond
2716
die gulzig.
2717
 
2718
De verkoelende vrucht deed de kraamvrouw huiveren. Zij bleef op de
2719
vloer liggen, ze kon zich niet bewegen.
2720
 
2721
--Ik zou mij verwarmen, was hier iemand om mij te bedde te leggen?
2722
 
2723
Toen hoorde zij den armen beeldhouwer schreeuwen:
2724
 
2725
--Snijdt mijne voeten af!
2726
 
2727
--Ach! riep de arme vorstinne, is dat een hond, die huilt om mijnen
2728
dood te voorspellen?
2729
 
2730
Op dat oogenblik zag de beeldhouwer rondom zich; doch hij bespeurde
2731
niets dan vijandige Spaansche gezichten, en hij dacht aan Vlaanderen,
2732
het land van de dapperen; en, zijne lange keten achter zich sleepend,
2733
stapte hij naar den vuurgloed van stroo en van rijshout. Zich in zijn
2734
gansche lengte verheffend en de armen kruisend sprak hij:
2735
 
2736
--Ziet hoe de Vlamingen sterven onder het oog van de Spaansche
2737
beulen! Snijdt niet mijne, maar hunne voeten af, opdat ze naar
2738
geen nieuwe euveldaden loopen! Leve Vlaanderen! Vlaanderen in der
2739
eeuwigheid!
2740
 
2741
En de edelvrouwen juichten hem toe, vroegen genade voor hem, als ze
2742
zijne fiere houding zagen.
2743
 
2744
En de kunstenaar stierf.
2745
 
2746
Koningin Maria rilde over gansch heur lichaam, heure tanden klapperden
2747
van koude en, armen en beenen uitrekkend, kreunde zij:
2748
 
2749
--Legt mij te bedde, dat ik mij verwarme. En zij stierf.
2750
 
2751
En alzoo, volgens de voorzegging van Katelijne, de goede tooveres,
2752
zaaide Philippus overal dood, bloed en tranen.
2753
 
2754
 
2755
 
2756
 
2757
XXXI.
2758
 
2759
Maar Uilenspiegel en Nele hadden elkander innig lief.
2760
 
2761
Het was op 't einde van de Grasmaand; al de boomen stonden in bloei,
2762
de planten waren in lichtgroen gedost, de nachtegalen kwinkeleerden
2763
in het loover: de heele natuur had zich gereedgemaakt om de Meimaand
2764
waardig te ontvangen.
2765
 
2766
Dikwerf dwaalden Uilenspiegel en Nele getweeën langs de wegen. Nele
2767
ging aan Uilenspiegel's arm en hield hem met hare twee handjes
2768
vast. Uilenspiegel had dit geerne en sloeg soms zijn arm om Nele's
2769
middel, om heur beter vast te houden, zegde hij. En dit deed heur
2770
genoegen, doch zij uitte geen woord.
2771
 
2772
De wind voerde den balsemgeur der beemden over de wegen; in de verte
2773
loeide traagzaam de zee. Uilenspiegel stapte fier vooruit; als een
2774
jonge duivel, en Nele volgde schuchter als eene heilige uit den hemel,
2775
beschaamd over 't genot dat zij smaakte.
2776
 
2777
Zij leunde heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel: hij nam
2778
heure handjes in de zijne en kuste heur, al gaande, op het voorhoofd,
2779
op de koonen en op heuren liefelijken mond. Doch zij uitte geen woord.
2780
 
2781
Het werd warm en zij kregen dorst; zij gingen melk drinken bij eenen
2782
boer, maar zij waren niet verkoeld.
2783
 
2784
En zij zetten zich neer in het gras, aan den boord eener gracht. Nele's
2785
gelaat was bleek en zij scheen bekommerd; angstig keek Uilenspiegel
2786
heur aan.
2787
 
2788
--Zijt ge droef? sprak zij.
2789
 
2790
--Ja, antwoordde hij.
2791
 
2792
--Waarom? vroeg zij.
2793
 
2794
--Ik weet het niet, sprak hij, maar die bloesem van appelaars en
2795
kriekelaars, die zoele lucht als bezwangerd met het vuur van den
2796
bliksem, die blozende madeliefjes in de beemden, die witte hagedoorn,
2797
hier dicht bij ons....
2798
 
2799
... Wie zal mij zeggen waarom ik heel ontroerd ben, waarom ik mij
2800
steeds bereid voel tot sterven of slapen? En mijn hert klopt hevig als
2801
ik de vogelen hoor zingen, als ik zie dat de zwaluwen terugkeeren; ik
2802
zou willen vliegen, verder dan zon en mane. En nu eens heb ik koud,
2803
dan weer heb ik warm. Ha, Nele! Ik zou niet meer van deze wereld
2804
willen zijn, of duizend levens geven voor haar, die mij heure minne
2805
schenken zou....
2806
 
2807
Maar zij uitte geen woord en, glimlachend van geluk, keek zij naar
2808
Uilenspiegel.
2809
 
2810
 
2811
 
2812
 
2813
XXXII.
2814
 
2815
Op Allerzielen kwam Uilenspiegel uit Onze Lieve Vrouwekerk met eenige
2816
deugnieten van zijn leeftijd. Lamme Goedzak was onder hen verdwaald,
2817
als een lam te midden van de wolven.
2818
 
2819
Lamme, die op alle Zon- en feestdagen van zijne moeder drie oortjes
2820
kreeg, trakteerde de jonge snaken.
2821
 
2822
Hij trok dus met hen in het Roode Schild, bij Jan van Liebeke, die
2823
Kortrijkschen dobbelen knollaard opbracht.
2824
 
2825
De drank verhitte hunne hersenen en, wijl zij over kerken en gebeden
2826
spraken, uitte Uilenspiegel de meening, dat zielmissen enkel voordeel
2827
brengen aan de priesters.
2828
 
2829
Maar er was een judas onder 't gezelschap: hij ging Uilenspiegel als
2830
ketter verklikken. En ondanks de tranen van Soetkin en het smeeken van
2831
Klaas, werd Uilenspiegel gepakt en gevangengezet. Eene maand en drie
2832
dagen bleef hij in den kerker opgesloten, zonder iemand te zien. De
2833
cipier at de drie kwart van zijn eten op. Intusschentijd deed men
2834
onderzoek over het gedrag van den beklaagde. Er werd alleen bevonden,
2835
dat hij een meedoogenlooze spotter was, die met iedereen gekscheerde,
2836
maar dat hij nooit het minste kwaad gesproken had noch van den Heere
2837
God, noch van de Maagd Maria, noch van de santen. Weshalve de sententie
2838
dan ook zacht was; want men hadde hem kunnen brandmerken of geeselen
2839
met schorpioenen.
2840
 
2841
Om den wille van zijn jeugdigen leeftijd, veroordeelden de rechters
2842
hem enkel om, in zijn hemde, barrevoets en blootshoofds en met eene
2843
waskeers in de hand, achter de priesters te stappen, in 't midden
2844
van de eerste processie, die zou uitgaan.
2845
 
2846
Het was Ons-Heeren-Hemelvaart.
2847
 
2848
Als de processie binnentrok, moest hij in 't portaal van
2849
Onze-Lieve-Vrouwekerk blijven staan en uitroepen:
2850
 
2851
--Dank zij Jezus-Christus! Dank zij de eerweerde geestelijken! Hunne
2852
gebeden zijn zoet en verkwikkend voor de zielen in 't vagevuur; want
2853
elk ave is een emmer water, die haar op den rug valt, en elk pater
2854
eene kuip.
2855
 
2856
En het volk aanhoorde hem devotelijk, doch niet zonder lachen.
2857
 
2858
Op den Eersten-Sinksendag, moest hij nogmaals de processie volgen; hij
2859
was barrevoets en blootshoofds, in zijn hemde, met eene waskeers in de
2860
hand. Bij het binnengaan in 't portaal, met zijne keers eerbiediglijk
2861
in de hand, hoewel hij moeite deed om niet in lachen uit te bersten,
2862
sprak hij met een luide en heldere stem:
2863
 
2864
--Zoo de gebeden der christenen veel verlichting brengen
2865
aan de zielen van 't vagevuur, zoo geven die van den deken van
2866
Onze-Lieve-Vrouwekerk--een heilig man die alle deugden beoefent--zulk
2867
eene verkwikking aan de smerten des vuurs, dat dit laatste seffens in
2868
ijs verandert. Maar de duivelen, die het vuur moeten poken, krijgen
2869
er geen zier van.
2870
 
2871
En weer luisterde het volk devotelijk, doch niet zonder lachen,
2872
en de deken glimlachte inwendiglijk.
2873
 
2874
Verder werd Uilenspiegel voor drie jaren uit Vlaanderenland gebannen;
2875
hem werd tevens opgelegd eene bedevaart naar Rome te doen en terug
2876
te komen met de Pauselijke absolutie.
2877
 
2878
Klaas moest drie gulden voor deze sententie betalen, maar hij gaf er
2879
nog eenen aan zijn zoon en daarboven eene pelgrimspij.
2880
 
2881
Op den dag van 't vertrek was Uilenspiegel 't hert in, toen hij
2882
Klaas en Soetkin kuste, want ze schreide bitter, de arme moeder. Zij
2883
deden hem uitgeleide tot verre op den weg, in gezelschap van meerdere
2884
poorters en poorteressen.
2885
 
2886
Toen Klaas terug in de hut trad, sprak hij tot Soetkin:
2887
 
2888
--Vrouwe, 't is toch wreed een zoo jongen knaap tot zulke strenge
2889
straf te veroordeelen, en dit voor eenige lichtzinnige woorden.
2890
 
2891
--Gij weent, man, sprak Soetkin; gij bemint hem meer dan ge wilt laten
2892
blijken, want daar berst gij uit in mannelijke snikken, die de tranen
2893
van den leeuw zijn.
2894
 
2895
Maar hij antwoordde niet.
2896
 
2897
Nele was zich in de schuur gaan verbergen, opdat niemand zien zou,
2898
dat ook zij weende om Uilenspiegel. Van verre volgde zij Soetkin en
2899
Klaas, de poorters en poorteressen; en toen zij heuren vriend alleen
2900
zag voortgaan, liep ze naar hem en sprong hem om den hals:
2901
 
2902
--Ginder zult gij schoone vrouwen vinden, sprak zij.
2903
 
2904
--Schoon, misschien, antwoordde Uilenspiegel, maar toch zoo frisch
2905
niet als gij, want zij zijn allen verbrand van de zonne.
2906
 
2907
Lang nog stapten zij samen voort: Uilenspiegel was nadenkend en
2908
prevelde van tijd tot tijd:
2909
 
2910
--Die zielmissen zullen ze mij betalen.
2911
 
2912
--Welke missen en wie zal betalen? vroeg Nele.
2913
 
2914
Uilenspiegel antwoordde:
2915
 
2916
--Alle dekenen, parochiepapen, geestelijken, kosters en andere
2917
hooge en lage zotskappen, die ons allerhande domheden willen doen
2918
slikken. Was ik een noeste arbeider geweest, dan was ik voor drie jaar
2919
mijn dagloon bestolen, met hunne bedevaart. Maar 't is de arme Klaas,
2920
die betaalt. Mijne drie jaar zal ik hun honderdvoudig betaald zetten;
2921
ik zal hun eene zielmis zingen, die hun aan de ribben zal hangen.
2922
 
2923
--Laas! Thijl, wees toch voorzichtig, zij zouden u levend verbranden,
2924
antwoordde Nele.
2925
 
2926
Ik ben vuurvast, antwoordde Uilenspiegel.
2927
 
2928
En zij namen afscheid van elkander: zij badend in tranen, hij
2929
droefgeestig en gram.
2930
 
2931
 
2932
 
2933
 
2934
XXXIII.
2935
 
2936
Toen Uilenspiegel door Brugge, over de Woensdagmarkt kwam, zag hij
2937
daar eene vrouw, die rondgeleid werd door den beul en zijne knechten,
2938
en een groote menigte andere vrouwen, die rondom haar tierden en heur
2939
allerhande vuile beleedigingen toewierpen.
2940
 
2941
Daar zij boven aan heur kleed roode lapjes en den steen der justitie
2942
met zijne ijzeren ketenen om den hals droeg, begreep Uilenspiegel,
2943
dat het eene vrouw was, die het jeugdig en maagdelijk lichaam van hare
2944
dochteren verkocht had. Men zei hem, dat zij Barbara hiet en getrouwd
2945
was met Jason Darue; dat ze in dit gewaad van de eene plaats naar
2946
de andere gesleurd werd, totdat zij terugkwam op de Groote Markt,
2947
waar het schavot voor haar gereed stond. Uilenspiegel volgde haar
2948
met de menigte, die achter heur huilde en tierde. Op de Groote Markt
2949
teruggekomen, werd zij op het schavot gebracht, aan eenen paal
2950
gebonden, en de beul legde voor hare voeten een hoop gras en een
2951
klomp aarde: de bediedenis van het graf.
2952
 
2953
Ook zei men aan Uilenspiegel, dat ze vooraf in 't gevang gegeeseld was.
2954
 
2955
Voortgaande, ontmoette hij Hendrik Marischal, schooier, die in de
2956
kasselrij West-Ieperen gehangen was geweest; rond den hals toonde
2957
hij nog het merk van de koorden. Hij hing al in de lucht, zegde hij,
2958
en was verlost geworden alleenlijk door een goed gebed te doen tot
2959
Onze-Lieve-Vrouwe van Halle, zoodanig, dat, toen de baljuws en de
2960
rechters vertrokken waren, door een echt mirakel de koorden braken
2961
en hij ongedeerd ten gronde viel.
2962
 
2963
Maar later hoorde Uilenspiegel zeggen, dat die van de koorden verloste
2964
bedelaar een valsche Hendrik Marischal was, en dat men hem zijne
2965
leugen liet rondventen, omdat hij een perkament had, afgegeven door
2966
den deken van Onze-Lieve-Vrouwe van Halle, die, door het vertelsel
2967
van dien Hendrik Marischal, de galgenazen in grooten getale met rijke
2968
offeranden naar zijne kerk lokte. En Onze-Lieve-Vrouwe van Halle werd,
2969
zeer lang nog, Onze-Lieve-Vrouwe der Gehangenen genoemd.
2970
 
2971
 
2972
 
2973
 
2974
XXXIV.
2975
 
2976
In dien tijd moesten kettermeesters en godgeleerden keizer Karel
2977
voor de tweede reis vermanen: dat de Kerke ten onder ging; dat haar
2978
gezag miskend werd; dat zoo hij menigvuldige zegepralen behaald had,
2979
hij dit verschuldigd was aan de gebeden der Katholieke Kerk, die de
2980
keizerlijke macht op haren troon in stand hield.
2981
 
2982
Een aartsbisschop van Spanje vroeg hem om zes duizend hoofden te
2983
laten afkappen en evenveel lichamen te laten verbranden, ten einde
2984
de kwaadaardige Luthersche ketterije in de Nederlanden uit te
2985
roeien. Zijne Heilige Majesteit oordeelde, dat dit niet voldoende was.
2986
 
2987
Overal waar de ontzette Uilenspiegel dan ook voorbij kwam, zag hij
2988
niets dan hoofden op palen, meisjes in zakken genaaid en levend in 't
2989
water gesmeten, mannen naakt op het rad gebonden en met ijzeren staven
2990
geslagen, vrouwen levend in eenen kuil gelegd, met aarde boven haar
2991
en den beul op haren boezem dansen om dien te verpletteren. Maar de
2992
biechtvaders van hen die zich vooraf bekeerd hadden, kregen telkenmale
2993
twaalf stuivers voor hunne moeite.
2994
 
2995
Te Leuven zag hij de beulen dertig Lutheranen tegelijk verbranden
2996
en den brandstapel met schietpoeder aansteken. Te Limburg zag hij
2997
een gansche familie, mannen en vrouwen, dochteren en zonen, ter
2998
strafplaatse leiden. Allen zongen psalmen. Alleen de oude vader
2999
schreeuwde, terwijl hij verbrandde.
3000
 
3001
En Uilenspiegel ging zijns weegs, met beklemd en toegenepen herte.
3002
 
3003
 
3004
 
3005
 
3006
XXXV.
3007
 
3008
In het open veld gekomen schudde hij zich als een vogeltje, als een
3009
hond die den band ontloopen is, en zijn herte was verkwikt bij het
3010
aanschouwen van de boomen, van de beemden, van de heldere zonne.
3011
 
3012
Als hij drie dagen lang gegaan had, kwam hij omtrent Brussel, in de
3013
machtige gemeente Ukkel. Vóór het gasthof de Trompet, werd zijn neus
3014
gestreeld door een hemelschen geur van stoverije. Aan een kleinen
3015
schooier, die den reuk van de saus opsnoof, vroeg hij ter eere van
3016
welken heilige die wierook omhoog steeg? De kleine antwoordde, dat
3017
de broeders van de Goede Tronie na de vespers moesten bijeenkomen
3018
om de herinnering te vieren van de verlossing der gemeente door hare
3019
vrouwen en meisjes.
3020
 
3021
Uilenspiegel zag van verre eenen staak met een gaai erop, rond
3022
denwelken vrouwen met bogen liepen; hij vroeg of de vrouwlieden nu
3023
boogschieters waren geworden?
3024
 
3025
De jongen snoof nog eens den reuk van de keuken op en antwoordde, dat,
3026
in den tijd van den goeden hertog, die zelfde bogen, in de handen der
3027
Ukkelsche vrouwen, meer dan honderd baanstroopers van het leven naar
3028
den dood hadden gestuurd.
3029
 
3030
Uilenspiegel wilde meer weten, doch de kleine schooier zei dat hij
3031
geen woord meer zeggen zou, zoolang hij honger en dorst had, ten ware
3032
hij een oortje kreeg om zich te verzadigen. Uilenspiegel gaf het hem
3033
uit medelijden.
3034
 
3035
Zoodra de jongen het oortje had, trok hij, als een vos in een
3036
hoenderhok, het gasthof binnen, om weldra, met een halve worst en
3037
eene dikke snee brood triomfantelijk te voorschijn te komen.
3038
 
3039
Plotseling hoorde Uilenspiegel een zoete muziek van tamboerijnen en
3040
violen en zag hij vele dansende vrouwen, en onder haar een schoon
3041
wijf met een gouden ketting om den hals.
3042
 
3043
De schooier, in zijn schik, omdat hij zoo lekker gegeten had, zegde
3044
tot Uilenspiegel dat die jonge, schoone vrouw de koningin van de
3045
gaaischieting was, dat zij Mietje heette en de vrouw was van messire
3046
Renonckel, schepene van de gemeente. Dan vroeg hij aan Uilenspiegel
3047
nog zes duiten om te drinken: Uilenspiegel gaf ze hem. Toen hij
3048
gegeten en gedronken had, zette hij zich in de zonne op de hurken,
3049
en kuischte met zijne nagelen zijne tanden.
3050
 
3051
Als de boogschietsters Uilenspiegel in zijne pelgrimspij zagen,
3052
begonnen zij rond hem te dansen, zeggende:
3053
 
3054
--Dag, schoone pelgrim; komt gij van verre, jonge pelgrim?
3055
 
3056
Uilenspiegel antwoordde:
3057
 
3058
--Ik kom uit Vlaanderen, het schoone land der verliefde meidekens.
3059
 
3060
En droefgeestig dacht hij aan Nele.
3061
 
3062
--Wat was uwe misdaad? vroegen zij, terwijl zij haren dans staakten.
3063
 
3064
--Ik durf het niet zeggen, daar ze zoo groot is, sprak hij. Bij mij,
3065
mijne hertjes, is niemendal klein.
3066
 
3067
Zij lachten en vroegen waarom hij aldus moest reizen met den
3068
pelgrimsstaf, den bedelzak en de oesterschelpen?
3069
 
3070
--'t Is, antwoordde hij, omdat ik gezegd heb, dat de zielmissen
3071
voordeelig zijn voor de priesters.
3072
 
3073
--Zij brengen hun klinkende munt op, antwoordden de vrouwen, maar
3074
toch zijn zij ook voordeelig voor de zielen in 't vagevuur.
3075
 
3076
--Daar was ik niet bij, antwoordde Uilenspiegel.
3077
 
3078
--Komt gij met ons eten? vroeg de schoonste.
3079
 
3080
--Ik wil, sprak hij, met u eten, en u eten, u en uwe vriendinnen,
3081
de eene na de andere, want gij zijt fijne brokjes, lekkerder dan
3082
ortolanen, lijsters of sneppen.
3083
 
3084
--De Hemel vergeve u, dat wild is buiten prijs, zeiden zij.
3085
 
3086
--Zooals gij allen, mijne hertjes, antwoordde hij.
3087
 
3088
--'t Is te zien, spraken zij, maar wij zijn niet te koop.
3089
 
3090
--Noch te geven? vroeg hij.
3091
 
3092
--Ja, zegden zij, wij geven slagen aan degenen die te stout zijn. Hebt
3093
gij er van doen, wij zullen op u slaan lijk op kaf.
3094
 
3095
--Ik doe niet mee, sprak hij.
3096
 
3097
--Kom dan mee-eten, zegden zij.
3098
 
3099
Blijde als hij was rond zich vroolijke, lachende gezichten te zien,
3100
volgde hij heur naar de binnenplaats van het gasthof. Plotseling
3101
zag hij de broeders van de Goede Tronie, in groote staatsie, met
3102
vaandel, fluit, bazuin en tamboerijn, in het binnenhof komen; zij
3103
droegen waardiglijk den naam van hunne broederschap. Daar zij hem
3104
nieuwsgieriglijk bekeken, zeiden de vrouwen dat het een pelgrim was,
3105
dien ze op den weg ontmoet en meegebracht hadden naar 't festijn,
3106
omdat zijne tronie haar aanstond.
3107
 
3108
De mannen stemden hiermee in, en een hunner sprak:
3109
 
3110
--Reizende pelgrim, wilt gij eene bedevaart doen in sausen en
3111
stoverije?
3112
 
3113
--Daarvoor wil ik de leerzen van Duimken aantrekken, antwoordde
3114
Uilenspiegel.
3115
 
3116
Als hij met hen de zaal van 't festijn binnenging, zag hij op den
3117
Parijschen steenweg een twaalftal blinden. En toen zij voorbij hem
3118
kwamen, kloegen zij van honger en dorst. Uilenspiegel zei tot zich
3119
zelven, dat zij dien dag zouden avondmalen als prinsen, en wel ten
3120
koste van den deken van Ukkel, op afkorting van de zielmissen.
3121
 
3122
Hij ging tot hen en sprak:
3123
 
3124
--Hier zijn negen gulden, gij kunt komen eten. Riekt gij den geur
3125
niet van de stoverije?
3126
 
3127
--Laas! spraken zij, reeds een half uur lang, doch zonder hope.
3128
 
3129
--Gij zult eten, zegde Uilenspiegel, vermits gij nu negen gulden
3130
hebt. Maar hij gaf ze hun niet.
3131
 
3132
--Wees gezegend! spraken zij.
3133
 
3134
En, door Uilenspiegel geleid, zetten zij zich rond een kleine tafel,
3135
terwijl de broeders van de Goede Tronie met hunne wijven en dochteren
3136
aan de groote tafel gingen zitten.
3137
 
3138
Met een zelfvertrouwen van negen gulden, riepen de blinden luide
3139
en stout:
3140
 
3141
--Baas, geef ons te eten en te drinken, alles van 't beste!
3142
 
3143
De weerd, die van negen gulden had hooren spreken, dacht, dat die in
3144
hunne tasschen staken en vroeg wat de gasten wenschten.
3145
 
3146
Toen riepen allen tegelijk:
3147
 
3148
--Boonen met spek, hutspot met rundvleesch, kiekens, kalfsvleesch en
3149
hamelbout. Zijn de worsten voor de honden gemaakt?
3150
 
3151
--'k Heb witte en zwarte pensen geroken; 'k zou ze zien als ik nog
3152
mijne lanteernen had.--Waar zijn de koekebakken met Anderlechtsche
3153
boter? Zij zingen in de pan, sappig, knappend en hijgend naar het bier,
3154
waarmede wij ze zullen begieten.--Wie geeft de hesp met eieren die
3155
onzen mond placht te streelen?--Waar zijt gij, hemelsche soezels, die
3156
zwemmen midden in de nieren, hanekammen, kalfszwezeriken, ossesteerten,
3157
schapepooten, met veel ajuin, peper, kruidnagelen, muskaat, goed
3158
ondereengestoofd met drie pinten witten wijn als saus?--Wie brengt
3159
u tot mij, goddelijke kalfsworsten, die zoo goed zijt dat ge niets
3160
zegt als men u opeet? Kwaamt gij recht uit Luilekkerland, waar niet
3161
te werken valt, en eten en drinken een ambacht is? Gij zijt verdwenen
3162
lijk de droge bladeren van den jongsten herfst.--Ik wil een hamelbout
3163
met erwtjes.--Ik, verkensooren.--Ik, een rozenkrans van ortolanen,
3164
met sneppen als paters en een vetten kapoen als credo.
3165
 
3166
De weerd antwoordde bedaard:
3167
 
3168
--Gij krijgt een pannekoek van zestig eieren en, als wegwijzers om
3169
uwe vorken te bestieren, vijftig zwarte pensen, rookend op dien berg
3170
van eieren gestoken, en als drank dobbelen peeterman: dat zal de
3171
riviere wezen.
3172
 
3173
Het water kwam in den mond van de arme blinden.
3174
 
3175
Breng ons den berg, de wegwijzers en de rivier!
3176
 
3177
En de broeders van de Goede Tronie en hunne vrouwen, die reeds
3178
met Uilenspiegel aan tafel zaten, zeiden, dat deze voor de blinden
3179
onzichtbare smulpartij hun slechts de helft van het genot deed smaken.
3180
 
3181
Toen de weerd en vier koks den pannekoek opdienden, opgesmukt met
3182
peterselie en keur van kruiden, wilden de blinden er zich op werpen,
3183
maar de weerd gaf, niet zonder moeite, eerlijk aan elk zijn deel.
3184
 
3185
De boogschietsters waren verrukt als zij hen zagen slempen en zuchten
3186
van genoegen, want zij hadden grooten honger en sloegen de pensen
3187
binnen lijk oesters. De dobbele peeterman liep in hunne magen gelijk
3188
een waterval van het hooggebergte.
3189
 
3190
Toen de blinden hunne teilen uitgewischt hadden, vroegen zij opnieuw
3191
koekebakken, ortolanen en weer stoverije. De weerd bracht hun slechts
3192
een grooten schotel ossen-, kalfs- en schapenbeenderen, die in goede
3193
saus zwommen. Maar hij deelde niet rond.
3194
 
3195
Als zij hun brood en hunne handen, tot over de polsen, in de saus
3196
gedoopt hadden, en niets vonden dan hamel-, kalfs- en andere beenderen,
3197
meende een iegelijk dat zijn buurman al het vleesch had, en verwoed
3198
sloegen zij met de beenderen op elkanders gezicht.
3199
 
3200
Bij dat schouwspel lachten de broeders van de Goede Tronie naar
3201
hertelust en legden goedhertig een deel van 't festijn op de teil van
3202
de arme blinden, en een iegelijk die een been zocht om er mee te slaan,
3203
legde de hand op eene lijster, een kieken, een koppel leeuwerikken,
3204
terwijl de vrouwen hun het hoofd achterover hielden en hun Brusselschen
3205
wijn lieten drinken, zooveel zij konden. En als de arme lieden op den
3206
tast zochten van waar die stroom godendrank kwam, grepen zij een rok,
3207
die gezwind uit hunne handen glipte.
3208
 
3209
Zij lachten, aten, dronken en zongen zoo heerlijk! Eenigen vermoedden
3210
dat er poezele wijfjes moesten zijn en liepen, dol van liefde,
3211
de eetzale rond, maar de plaagzieke vrouwen draaiden zich om en
3212
verborgen zich achter een broeder van de Goede Tronie, roepende:
3213
"Kus mij, toe!" En als de blinden het deden, kusten zij in stee van
3214
de donzige huid eener vrouw, het harig gezicht van een man--maar niet
3215
zonder kletsen te krijgen.
3216
 
3217
De broeders van de Goede Tronie zongen, en zij zongen insgelijks. En
3218
de vrouwen glimlachten teeder, met stil genoegen, als zij hen zoo
3219
vol vroolijkheid zagen.
3220
 
3221
Toen die heerlijke uren voorbij waren, sprak de baas:
3222
 
3223
--Gij hebt goed gegeten en gedronken, geef mij nu zeven gulden.
3224
 
3225
Elk hunner zwoer dat hij de beurze niet had en beschuldigde zijn
3226
buurman. Een nieuw gevecht ontstond, in hetwelk zij elkaar trachtten
3227
te schoppen, te slaan en te stompen, maar de broeders van de Goede
3228
Tronie hielden de vechtenden van elkaar. En 't regende slagen in de
3229
lucht, behalve een die bij ongeluk terecht kwam op 't aangezicht van
3230
den baas, die, verwoed, nu allen aftastte en niets anders vond dan een
3231
versleten schapulier, zeven duiten, drie knoopen en hunne paternosters.
3232
 
3233
Hij wilde hen in het verkenskot steken en hen daar op water en brood
3234
zetten, totdat liefdadige zielen voor hen betaald hadden.
3235
 
3236
--Wilt gij, vroeg Uilenspiegel, dat ik borg voor hen blijve?
3237
 
3238
--Ja, antwoordde de baas, als iemand ook voor u borg is.
3239
 
3240
De Goede Tronies wilden borg zijn, maar Uilenspiegel voorkwam hen
3241
en zei:
3242
 
3243
--De deken zal borg zijn, ik ga het hem vragen.
3244
 
3245
Gedachtig aan de zielmissen, trok hij naar den deken en vertelde hem
3246
dat de baas uit de Trompet van den duivel bezeten was, en dat hij
3247
van anders niets sprak dan van verkens en blinden; dat de verkens de
3248
blinden opaten en de blinden de verkens. Middelerwijl, zoo vertelde
3249
hij, brak de baas thuis alles aan stukken, en hij bad hem den armen
3250
man van dien boozen duivel te komen verlossen.
3251
 
3252
De deken beloofde het, maar zei, dat hij niet dadelijk kon komen,
3253
mits hij bezig was met de rekening van 't kapittel te maken en dat
3254
dit zeer lastig was, zoo hij zijn garande wilde hebben.
3255
 
3256
Toen Uilenspiegel zag dat hij ongeduldig werd, zegde hij dat hij
3257
zou terugkomen met het wijf van den baas en dat de deken haar zelve
3258
kon spreken.
3259
 
3260
--'t Is goed, antwoordde de deken.
3261
 
3262
Uilenspiegel keerde terug bij den baas en zegde:
3263
 
3264
--Ik heb den deken gesproken, hij blijft borg voor de blinden. Terwijl
3265
gij op hen let, kan de bazinne meekomen, en hij zal heur herhalen
3266
wat ik u zegde.
3267
 
3268
--Ga mee, vrouw, sprak de baas.
3269
 
3270
De bazinne ging met Uilenspiegel bij den deken, die maar altijd aan
3271
't cijferen was, om zijn aandeel te vinden. Toen zij binnenkwam met
3272
Uilenspiegel, maakte hij met de hand een driftig gebaar, zeggende:
3273
 
3274
--Ga heen en wees gerust: morgen of overmorgen kom ik bij uwen man.
3275
 
3276
En toen Uilenspiegel naar de Trompet terugkeerde, sprak hij onderweg
3277
in zich zelven: "Hij zal honderd gulden betalen en dat zal mijn eerste
3278
zielmisse zijn."
3279
 
3280
En hij ging zijns weegs, en de blinden insgelijks.
3281
 
3282
 
3283
 
3284
 
3285
XXXVI.
3286
 
3287
's Anderen daags kwam Uilenspiegel op eene baan vol volk. Hij volgde
3288
de menigte en vernam, dat het dien dag beeweg naar Alsemberg was.
3289
 
3290
Hij zag er arme oude vrouwen, die, voor een gulden en om de zonden van
3291
voorname dames te boeten, barrevoets achterweerts gingen. Terzijde
3292
van den weg deed meer dan één pelgrim zich te goed aan wafelen en
3293
bruinbier, bij geschal van lieren, violen en doedelzakken. En de reuk
3294
van allerhande spijzen steeg ten hemel als een zoete wierook.
3295
 
3296
Maar daar waren ook pelgrims, die er gemeen en ellendig uitzagen;
3297
die hadden zes stuivers van de Kerk gekregen, om achterweerts den
3298
beeweg te doen.
3299
 
3300
Een kaalhoofdig manneken, met opengesperde oogen, volgde hen insgelijks
3301
achterweerts springend en vaderonzen zeggend.
3302
 
3303
Uilenspiegel, die wilde weten waarom hij aldus de kreeften naäapte,
3304
ging voor hem staan en sprong glimlachend lijk hij. Lieren, pijpen,
3305
violen en doedelzakken, waren met het geschreeuw van de pelgrims,
3306
de muziek van dien dans.
3307
 
3308
--Zeg eens, Jan van den Duivel, sprak Uilenspiegel, is het om zeker
3309
te zijn van vallen, dat gij averechts gaat?
3310
 
3311
De man antwoordde niet en bad voort.
3312
 
3313
--Of is het om de boomen te tellen, vervolgde Uilenspiegel, en
3314
misschien ook de bladeren er bij?
3315
 
3316
De man, die een credo zei, deed Uilenspiegel teeken dat hij zwijgen
3317
moest.
3318
 
3319
--Of, sprak deze, altijd vóór hem springend en zijne gebaren
3320
nabootsend, zijt gij misschien eensklaps zot geworden, dat gij
3321
loopt lijk de kreeften? Maar wie van een zot een verstandig antwoord
3322
verwacht, is zelf niet wijs. Niet waar, mijnheer de kaalkop?
3323
 
3324
Daar de man nog niet antwoordde, danste en sprong Uilenspiegel voort,
3325
doch hij maakte daarbij zooveel lawijd met zijne zolen, dat de weg
3326
klonk als een houten kist.
3327
 
3328
--Of zijt gij stom, mijnheer? vroeg Uilenspiegel ten slotte.
3329
 
3330
--Ave Maria, sprak de man, gratia plena et benedictus fructus ventris
3331
tui, Jesu.
3332
 
3333
--Of misschien doof? zei Uilenspiegel. Dat gaan wij dadelijk zien:
3334
men zegt, dat dooven vleierij noch beleediging hooren. Laat zien of
3335
de trommel van uw ooren van vel of van ijzer is: Meent gij, lanteerne
3336
zonder keers, mislukte voetganger, dat gij een mensch gelijkt? Ge
3337
kunt wachten totdat wij van vodden gemaakt zijn. Zag men ooit zulke
3338
gele tronie, zulk een kletshoofd, elders dan op een galgeveld? Zijt
3339
ge in uw leven nooit gehangen geweest?
3340
 
3341
En Uilenspiegel danste steeds voort, en de man, die kwaad werd,
3342
stapte boosaardig achterwaarts en bad zijn vaderonzen met heimelijke
3343
verbolgenheid.
3344
 
3345
--Of misschien, sprak Uilenspiegel, verstaat gij geen Hoogvlaamsch;
3346
daarom ga ik u in 't Platvlaamsch aanspreken: Zijt gij geen gulzigaard,
3347
dan zijt gij een dronkaard; zijt gij geen dronkaard, dan zijt gij
3348
verstopt; zijt gij niet verstopt, dan hebt gij den afgang; als er
3349
matigheid is, dan is zij het niet, die de tonnen van uw buik vult;
3350
zijt gij geen losbol, dan zijt gij een kapuin en als er op de duizend
3351
millioen mannen der aarde maar één horendrager was, dan zoudt gij
3352
het zijn....
3353
 
3354
Op die rede, viel Uilenspiegel op zijn achterste, met de beenen omhoog,
3355
want de man had hem zulk een vuistslag op den neus toegediend, dat
3356
het vuur hem uit zijne oogen sprong. Dan liet de man zich, ondanks
3357
zijn dikken buik, verraderlijk op hem vallen en sloeg hem overal,
3358
dat de slagen als hagelsteenen op het magere lichaam van Uilenspiegel
3359
vielen. En Uilenspiegels stok rolde mede ten gronde.
3360
 
3361
--Dat zal u leeren, sprak de man, eerlijke menschen kwellen die
3362
op bedevaart gaan. Want--gij moogt het wel weten--ik ook ga naar
3363
Alsemberg, volgens aloud gebruik, om Onze-Lieve-Vrouwe te bidden,
3364
een kind te willen doen afkomen, dat mijne vrouw ontving terwijl
3365
ik op reis was. Om zulk een groote genade te verkrijgen, moet men,
3366
zonder spreken, achterweerts loopen en dansen van den twintigsten
3367
stap voorbij zijn huis tot aan de trappen der kerk. Laas! nu moet ik
3368
geheel opnieuw beginnen.
3369
 
3370
Uilenspiegel, die zijn stok opgeraapt had, sprak:
3371
 
3372
--Ik zal u helpen, deugniet, die Onze-Lieve-Vrouwe wilt smeeken om
3373
de kinderen vóór hun geboorte te vermoorden.
3374
 
3375
En meteen sloeg hij den leelijken horendrager zoo deerlijk, dat hij
3376
hem voor dood op den weg liet.
3377
 
3378
En nog altijd steeg het gehuil der pelgrims en het geluid van  pijpen,
3379
lieren, violen en doedelzakken omhoog, met den geurigen wierook van
3380
gekook en gebraad.
3381
 
3382
 
3383
 
3384
 
3385
XXXVII.
3386
 
3387
Klaas, Soetkin en Nele zaten samen rond den heerd en praatten over
3388
den reizenden pelgrim.
3389
 
3390
--Meisje, sprak Soetkin, kondet gij hem voor altijd bij ons houden
3391
door uwe jeugd en uwe schoonheid!
3392
 
3393
--Laas! sprak Nele, ik kan niet.
3394
 
3395
--Omdat hij, antwoordde Klaas, meer behagen vindt in loopen, zonder
3396
ooit te rusten, tenzij om te eten.
3397
 
3398
--De leelijke stouterik! zuchtte Nele.
3399
 
3400
--Ik geef toe dat hij stout is, sprak Soetkin, maar leelijk is
3401
hij niet. Als Uilenspiegel Grieksch noch Romeinsch van gezicht is,
3402
is hij des te schooner; want Vlaamsch zijn zijne vlugge voeten, van
3403
't Brugsche Vrije zijn levendige bruine oogen; en zijn neus en mond
3404
zijn gemaakt door twee vossen, ervaren in de kunsten van slimheid
3405
en verstand.
3406
 
3407
--Wie dan, vroeg Klaas, maakte hem zijne armen van luierik en zijne
3408
beenen, die al te vlug loopen naar vermaak en pleizier?
3409
 
3410
--Zijn al te jeugdig herte, was 't antwoord van Soetkin.
3411
 
3412
 
3413
 
3414
 
3415
XXXVIII.
3416
 
3417
In dien tijd genas Katelijne, met kruiden, een os, drie schapen en een
3418
verken toebehoorende aan Speelman, doch de koe van Jan Beloen kon ze
3419
niet genezen. Jan beschuldigde haar van hekserij en verklaarde, dat
3420
zij het dier betooverd had, daar zij, terwijl zij het de geneeskruiden
3421
gaf, het gestreeld en aangesproken had, zeker in een duivelsche tale,
3422
want een eerlijk christenmensch mag het woord tot geen dier richten.
3423
 
3424
Gemelde Jan Beloen voegde er bij, dat hij gebuur was van Speelman,
3425
wiens os, schapen en verken zij genezen had en, zoo zij zijne
3426
koe gedood had, het zeker was op het opstoken van Speelman, die
3427
jaloersch was, omdat zijne akkers slechter bebouwd waren en minder
3428
opbrachten dan de zijne--van Beloen namelijk. Op getuigenis van Pieter
3429
Meulemeester, een man van goed gedrag en zeden, en ook van Jan Beloen,
3430
die bevestigden dat Katelijne te Damme bekend stond als tooveres,
3431
en naar allen schijn de koe gedood had, werd Katelijne aangehouden
3432
en veroordeeld om op de pijnbank te worden gelegd totdat zij hare
3433
misdaden bekende.
3434
 
3435
Zij werd ondervraagd door een schout, die altijd narrig was, want
3436
heel den dag door dronk hij brandewijn. Vóór hem en vóór die van de
3437
Vierschaar, deed hij Katelijne op de eerste pijnbank zetten.
3438
 
3439
De beul ontkleedde haar en keek of zij geenerlei hekserij verborgen
3440
hield.
3441
 
3442
Hij vond niets, en bond heur met koorden op de pijnbank. Toen
3443
zegde zij:
3444
 
3445
--Heilige Moeder Gods, laat mij sterven, dat ik mijne schamelheid
3446
aan die mannen niet hoeve te toonen!
3447
 
3448
Toen legde de beul natte doeken op heure borst, heuren buik en heure
3449
armen; vervolgens hief hij de bank op en goot hij heet water in
3450
heure keel, bij zulke groote hoeveelheid, dat zij gansch opgeblazen
3451
scheen. Vervolgens liet hij de bank nedervallen.
3452
 
3453
De schout vroeg aan Katelijne of zij hare misdaad wilde bekennen. Zij
3454
schudde het hoofd. Toen goot de beul nog heet water in haren mond,
3455
maar Katelijne gaf het allemaal over.
3456
 
3457
Op het oordeel van den heelmeester, werd zij toen losgemaakt. Zij
3458
sprak niet, doch klopte op hare borst om te zeggen, dat het heet
3459
water haar verbrand had. Toen de schout zag dat zij van haar eerste
3460
foltering bekomen was, sprak hij:
3461
 
3462
--Beken, dat gij tooveres zijt en dat gij de koe betooverd hebt.
3463
 
3464
--Ik zal niet bekennen, sprak zij. Zooveel het in de macht van mijn
3465
zwak herte ligt, zie ik alle beesten geerne, en ik deed nog liever leed
3466
aan mij zelve dan aan hen, daar zij zich niet verdedigen kunnen. Om
3467
de koe te helpen, heb ik de geneeskruiden gebruikt, die ik moest.
3468
 
3469
Maar de schout sprak:
3470
 
3471
--Gij hebt vergif gebruikt, want de koe is gestorven.
3472
 
3473
--Heere schout, antwoordde Katelijne, ik ben hier voor u en in uwe
3474
macht; en toch durf ik zeggen, dat een dier, evenals een mensch,
3475
van ziekte kan sterven, niettegenstaande de hulp van artsen en
3476
heelmeesteren. En bij Jezus-Christus, die voor onze zonden op het
3477
kruis is gestorven, zweer ik dat ik die koe geenerlei kwaad gewild heb,
3478
doch getracht heb ze te genezen met de gebruikelijke kruiden.
3479
 
3480
Woedend sprak toen de schout:
3481
 
3482
--Die tooverkol zal niet blijven afstrijden; men brenge heur op een
3483
andere pijnbank!
3484
 
3485
En daarna dronk hij een groot glas brandewijn.
3486
 
3487
De beul deed Katelijne zitten op het deksel eener eiken doodkist,
3488
die op pikkels stond. Dat deksel, in den vorm van een dak, was scherp
3489
als een mes. Een groot vuur brandde in den schoorsteen, want men was
3490
toen in de slachtmaand.
3491
 
3492
Katelijne werd op de doodkist en op een scherpe houten pinne gezet,
3493
en men deed haar nieuwlederen schoenen aan die te smal waren. Zóó
3494
schoof men heur tegen het vuur. Als zij de snede van de doodkist
3495
en de scherpe pinne in heur vleesch voelde dringen, en de hitte van
3496
't vuur het leder van de schoenen deed krimpen, riep zij uit:
3497
 
3498
--Ik lijd ongemeene smerten! Wie geeft mij zwart vergif?
3499
 
3500
--Breng haar dichter bij 't vuur, sprak de schout.
3501
 
3502
Toen ondervroeg hij Katelijne.
3503
 
3504
--Hoe dikwijls, sprak hij, reedt gij op een bezemsteel naar den
3505
heksensabbat? Hoe dikwijls deedt gij het koren in de aar, de vrucht
3506
op den boom, het kind in den schoot vergaan? Hoe dikwijls zaaidet
3507
gij haat en nijd in de herten van broeders en zusters?
3508
 
3509
Katelijne wilde spreken, maar zij kon niet, en zij zwaaide met hare
3510
handen als om "neen" te bedieden. Toen zegde de schout:
3511
 
3512
--Zij zal niet spreken vooraleer zij al heur heksenvet zal voelen
3513
smelten. Breng haar nog dichter bij het vuur.
3514
 
3515
Katelijne schreeuwde. De schout zegde heur:
3516
 
3517
--Bid Satan dat hij u verfrissching bezorge.
3518
 
3519
Met het gezicht vol smerte, wees zij naar heure schoenen, die rookten
3520
ten gevolge van de hitte des vuurs.
3521
 
3522
--Bid Satan, dat hij ze uitdoe, sprak de schout.
3523
 
3524
Tien uren sloeg de klok, dit was het etensuur van den wreedaard;
3525
hij vertrok met zijn schrijver, den beul en zijn knechten, en liet
3526
Katelijne alleen bij 't vuur, in de folterkamer.
3527
 
3528
Te elf uren kwamen zij terug, en zij vonden Katelijne stijf en
3529
onbeweeglijk zitten. De schrijver sprak:
3530
 
3531
--Ik geloof, dat zij dood is.
3532
 
3533
De schout beval Katelijne van de doodkist te nemen en heure schoenen
3534
uit te doen. De beul moest ze vaneen snijden en Katelijne's voeten
3535
waren rood en bloedden.
3536
 
3537
En de schout, die aan zijn maaltijd dacht, bezag ze, doch uitte geen
3538
woord; doch weldra kwam ze tot heur zelve terug; zij viel ten gronde
3539
zonder zich te kunnen oprichten ondanks al heure krachtsinspanning,
3540
en sprak tot den schout:
3541
 
3542
--Vroeger wildet gij mij voor echtgenoote, maar nu zult gij mij niet
3543
meer hebben. Viermaal drie is een heilig getal, en de dertiende is
3544
de echtgenoot.
3545
 
3546
Vervolgens, daar de schout wilde spreken, zegde zij tot hem:
3547
 
3548
--Zwijg stille: hij hoort beter dan de aartsengel, die in den hemel
3549
de hertkloppingen der rechtvaardigen telt. Waarom komt gij zoo
3550
spa? Viermaal drie is een heilig getal; het doodt de ellendelingen,
3551
die mij willen vervolgen.
3552
 
3553
De schout sprak:
3554
 
3555
--Zij ontvangt den duivel in heur bedde.
3556
 
3557
--Zij is uitzinnig, ten gevolge van de smerten der foltering, sprak
3558
de schrijver.
3559
 
3560
Katelijne werd terug naar 't gevang gebracht. Drie dagen nadien kwamen
3561
de schepenen in de Vierschaar bijeen en, na rijpe beraadslaging,
3562
werd Katelijne veroordeeld tot de straffe des vuurs.
3563
 
3564
De beul en zijne knechten brachten heur naar de Groote Markt van
3565
Damme, alwaar een schavot opgericht was, hetwelk zij beklom. Op de
3566
Markt stonden de provoost, de heraut en de rechters.
3567
 
3568
Driemaal klonken de bazuinen van den stadsheraut en deze sprak tot
3569
het volk:
3570
 
3571
--De magistraat van Damme, medelijden gekregen hebbende met vrouwe
3572
Katelijne, heeft haar niet willen straffen volgens al de strengheid
3573
van de wet van de stede, maar tot teeken dat zij tooveres is, zal heur
3574
haar verbrand worden; verder zal zij twintig gouden karolussen boete
3575
betalen en voor drie jaar gebannen worden uit de stede van Damme,
3576
op verbeurte van een lid.
3577
 
3578
En het volk juichte die barbaarsche goedertierenheid toe.
3579
 
3580
De beul bond Katelijne toen aan eenen paal, legde op heur geschoren
3581
hoofd eene pruik van werk en stak die in brand. En het werk brandde
3582
lang, en Katelijne schreeuwde en huilde van pijn.
3583
 
3584
Eindelijk werd zij losgemaakt; zij werd op eene kar buiten het
3585
grondgebied van Damme gebracht, want heure voeten waren verbrand.
3586
 
3587
 
3588
 
3589
 
3590
XXXIX.
3591
 
3592
Terwijl Uilenspiegel te 's-Hertogenbosch in Brabant was, wilden de
3593
heeren van de stad hem tot hunnen nar benoemen, maar die weerdigheid
3594
weigerde hij, zeggende: "Reizende pelgrims mogen zich nergens vestigen;
3595
hun verblijf is de groote baan."
3596
 
3597
Rond dien tijd kwam Philippus, die koning van Engeland was, zijne
3598
toekomstige erfstaten Vlaanderen, Brabant, Henegouwen, Holland en
3599
Zeeland bezoeken. Hij was in zijn negen en twintigste jaar; in zijne
3600
grijze oogen las men bittere droefgeestigheid, woeste geveinsdheid
3601
en wreedaardige vastberadenheid. Koud was zijn aangezicht, stijf
3602
zijn hoofd met vaalrood haar, alsmede zijn mager lichaam en zijne
3603
schrale beenen. Langzaam en slijmerig sprak hij, alsof hij wolle in
3604
den mond had.
3605
 
3606
Te midden van tornooien, steekspelen en feesten, bezocht hij
3607
achtereenvolgens het vroolijke hertogdom Brabant, het rijke graafschap
3608
Vlaanderen en zijne andere heerlijkheden. Overal beloofde hij onder
3609
eede de privileges te zullen eerbiedigen; maar toen hij te Brussel
3610
op 't Evangelie zwoer de Brabantsche gouden bul te zullen in stand
3611
houden, trok zijne hand zoodanig te zamen, dat men hem het heilige
3612
boek moest afnemen.
3613
 
3614
Hij ging naar Antwerpen, waar men drie en twintig zegebogen
3615
oprichtte om hem te ontvangen. De stad gaf tweehonderd zeven en
3616
tachtig duizend gulden uit om die bogen te betalen, alsmede voor
3617
de kleedij van achttien honderd negen en zeventig kooplieden, allen
3618
in karmozijnpanne, en voor de rijke livrei van vierhonderd zestien
3619
lakeien en den schitterenden zijden dos van vier duizend poorters,
3620
allen eender gekleed. Menigvuldige feesten werden gegeven door de
3621
rederijkerskamers van bijna al de steden der Nederlanden.
3622
 
3623
Daar werden gezien met hunne narren: de Prins van Liefde, van Doornijk,
3624
rijdende op eene zeuge, die Astarte hiet; de Koning der Zotten, van
3625
Rijsel, die een peerd bestierde bij den steert en achter hetzelve
3626
ging; de Prins van Genuchte, van Valencijn, die zich vermaakte met
3627
de veesten van zijnen ezel te tellen; de Abt van Vroolijkheid, van
3628
Atrecht, die zijn Brusselschen wijn dronk uit eene flesch, in de
3629
gedaante van een getijdenboek, en het boek lustig om lezen vond; de
3630
Abt der Gevulde Buiken van Ath, die gescheurde kleederen en versleten
3631
schoenen aanhad, maar eene worst droeg, met dewelke hij zijn buiksken
3632
vulde; de Proost van Onbezonnenheid, jonge knaap, die op een schuwe
3633
geit zat en aldus door het volk reed, ten gevolge waarvan hij slagen
3634
en stompen in groote menigte ontving; de Abt van den Zilveren Schotel,
3635
van de stad Le Quesnoy die, te peerd, gebaarde zich neder te zetten
3636
in eenen schotel, zeggende: hoe groot een beest ook weze, het toch
3637
kan gebraden worden.
3638
 
3639
En zij vertoonden allerhande onschuldige gekheden, maar de vorst
3640
bleef somber en stuursch.
3641
 
3642
's Avonds nog kwamen de markgraaf van Antwerpen, de burgemeesteren,
3643
hoofdmannen en dekenen bijeen om toch iets te vinden, dat Philippus
3644
zou doen lachen.
3645
 
3646
De markgraaf sprak:
3647
 
3648
--Hebt gij nooit hooren spreken van zeker Pierken Jacobsen, den nar
3649
van 's-Hertogenbosch, die bekend is voor zijn aardige streken?
3650
 
3651
--Ja, spraken zij.
3652
 
3653
--Hewel, zei de markgraaf, laat ons hem ter stede ontbieden, en dat hij
3654
iets aardigs vertoone, vermits onze nar lood in zijn schoenen heeft.
3655
 
3656
--Laat ons hem ontbieden! spraken zij.
3657
 
3658
Toen de bode van Antwerpen naar 's-Hertogenbosch kwam, zegde men hem,
3659
dat de nar Pierken gebersten was van 't lachen; maar dat er voor
3660
eenigen tijd een andere nar in de stad was, met name Uilenspiegel.
3661
 
3662
De bode ging hem zoeken in eene taveerne, waar hij gestoofde mosselen
3663
aan 't eten was.
3664
 
3665
Uilenspiegel was verrukt toen hij vernam, dat het voor hem was,
3666
dat de schepenbode van Antwerpen kwam, op een schoon peerd van het
3667
Veurne-Ambacht en een ander peerd bij den toom houdend.
3668
 
3669
Zonder af te stijgen, vroeg de bode hem of hij geen nieuwe poetsen
3670
kende om koning Philippus te doen lachen.
3671
 
3672
--Onder mijn haar liggen poetsen met de macht, antwoordde Uilenspiegel.
3673
 
3674
En zij reden weg. De twee peerden liepen spoorslags tot Antwerpen,
3675
met den bode en met Uilenspiegel.
3676
 
3677
Uilenspiegel verscheen vóór den markgraaf, de beide burgemeesters en
3678
de poorters van Antwerpen.
3679
 
3680
--Wat schikt gij te doen? vroeg de markgraaf hem.
3681
 
3682
--In de lucht vliegen, antwoordde Uilenspiegel.
3683
 
3684
--Hoe gaat gij dat aanleggen? vroeg de markgraaf.
3685
 
3686
--Weet gij wat nog minder weerd is dan eene blaas die berst?
3687
 
3688
--Neen, sprak de markgraaf.
3689
 
3690
--'t Is een geheim dat men uitbrengt, was 't antwoord van Uilenspiegel.
3691
 
3692
De feestherauten reden op hunne schoone peerden met karmozijnpanne
3693
getoomd, door de straten, markten en pleinen van de stad met slaande
3694
trom en schallenden hoorn. Op die wijze maakten zij bekend aan de
3695
signoorkens en signorinnekens, dat Uilenspiegel, de nar van Damme,
3696
op de kaai in de lucht zou vliegen, in de aanwezigheid van koning
3697
Philippus en zijn eerweerdig, doorluchtig en adelijk gezelschap.
3698
 
3699
Rechtover de estrade des konings stond een huis op Italiaansche wijze
3700
gebouwd, onder welks dak eene regengoot liep. En op die goot kwam
3701
een zoldervenster uit.
3702
 
3703
Dien dag reed Uilenspiegel door de stad op een ezel. Een voetknecht
3704
ging nevens hem. Uilenspiegel had het schoon karmozijnzijden kleed
3705
aangetrokken, hetwelk de heeren van de stad hem gegeven hadden. Tot
3706
hoofddeksel droeg hij eene kap, mede van karmozijnzijde, waaraan twee
3707
ezelsooren met een belleken aan. Hij droeg een halssnoer van koperen
3708
penningen, waarop het schild van Antwerpen prijkte. Aan de mouwen
3709
van zijn kleed zag men aan een puntigen elleboog een paar vergulde
3710
bellekens. Ook droeg hij puntleersjes, met een belleken aan elken top.
3711
 
3712
Zijn ezel, getoomd met karmozijnzijde, droeg op elke bil het schild
3713
van Antwerpen, met fijn goud geborduurd.
3714
 
3715
De knecht hield met de eene hand den ezel bij den kop en met de andere
3716
eenen tak, aan denwelken een koebelletje klingelde.
3717
 
3718
Uilenspiegel liet zijn knecht en zijn ezel op straat en klom in
3719
de dakgoot.
3720
 
3721
Daar deed hij de bellekens klinken en strekte de armen wijd open, alsof
3722
hij vliegen ging. Dan bukte hij zich naar koning Philippus, zeggende:
3723
 
3724
--Ik dacht, dat niemand dan ik in Antwerpen zot was, maar ik zie,
3725
dat de stad vol gekken is. Hadt gij mij gezegd dat gij vliegen zoudt,
3726
dan had ik u niet geloofd; maar een zot komt u zeggen dat hij het zal
3727
doen, en gij gelooft hem! Hoe wilt gij dat ik vliege, daar ik geene
3728
vleugelen heb?
3729
 
3730
De eenen lachten, de anderen vloekten, maar allen zegden:
3731
 
3732
--'t Is toch de waarheid.
3733
 
3734
Maar koning Philippus bleef stijf als een koning van steen.
3735
 
3736
En die van de gemeente fluisterden tot elkaar:
3737
 
3738
--'t Was de moeite niet, al die vermakelijkheden in te richten voor
3739
zulk een zuur gezicht.
3740
 
3741
En zij gaven drie gulden aan Uilenspiegel die heenging, nadat hij
3742
hun het karmozijnzijden kleed had teruggegeven.
3743
 
3744
--Wat zijn drie gulden in de tassche van een jonkman anders dan
3745
een sneeuwbal vóór 't vuur, dan een volle flesch vóór uw aanschijn,
3746
drinkebroers? Drie gulden! De bladeren vallen van de boomen, doch er
3747
schieten nieuwe op hunne plaats; maar de guldens gaan uit de zakken
3748
en keeren er nimmermeer in; de vlinders verdwijnen met den zomer,
3749
en de guldens ook, hoewel zij meer dan twee esterlings wegen.
3750
 
3751
Dus sprekende, staarde Uilenspiegel naar zijne drie gulden.
3752
 
3753
--Welk fier gezicht, murmelde hij, heeft, op de zijde van den
3754
beeldenaar, die gehelmde, geharnaste keizer Karel, met een zweerd
3755
in eene hand en den aardbol in de andere! Door de genade Gods is
3756
hij Roomsch keizer, koning van Spanje enz., en hij is wel genadig
3757
voor ons, de geharnaste keizer! En hier op de keerzijde, hebt ge een
3758
schild, op hetwelk de wapenen van zijne verschillende graafschappen,
3759
hertogdommen en heerlijkheden prijken, met die schoone spreuke:
3760
Da mihi virtutem contra hostes tuos: "Geef mij dapperheid tegen uwe
3761
vijanden". Hij was dapper, inderdaad, tegen de protestanten, die have
3762
en goed hadden, om van dezelven te erven. Ha! was ik keizer Karel,
3763
ik liet guldens voor een iegelijk slaan; zoo iedereen rijk was,
3764
zou niemand meer hoeven te werken.
3765
 
3766
Maar Uilenspiegel had niet lang genoegen in 't bezien van zijn geld:
3767
weldra verzwond het in 't gerinkel van bottels en pinten.
3768
 
3769
 
3770
 
3771
 
3772
XL.
3773
 
3774
Terwijl Uilenspiegel zich in karmozijnzijde op de dakgoot vertoonde,
3775
had hij Nele niet gezien, die hem, onder de menigte, glimlachend
3776
toekeek. Zij woonde te Borgerhout, omtrent Antwerpen, en zij had
3777
gedacht, dat, als een nar voor koning Philippus moest vliegen, het
3778
niemand anders kon zijn dan haar Uilenspiegel.
3779
 
3780
Terwijl hij droomend heenging, hoorde hij niet 't gerucht van haastige
3781
stappen achter zich, doch hij voelde de twee handjes wel, die langs
3782
achteren vóór zijne oogen werden gebracht. Aan Nele denkend, vroeg hij:
3783
 
3784
--Zijt gij het?
3785
 
3786
--Ja, sprak zij, ik loop achter u sedert dat gij uit de stad zijt. Kom
3787
mede met mij.
3788
 
3789
--Maar, antwoordde hij, waar is Katelijne?
3790
 
3791
--Gij weet niet, sprak zij, dat zij onrechtveerdig als tooveres
3792
gefolterd werd, vervolgens voor drie jaar uit Damme gebannen,
3793
en men haar pijnigde en brandde. Ik zeg u dit, opdat gij niet
3794
zoudt verschieten, want zij is uitzinnig ten gevolge van de hevige
3795
smerten. Gansche nachten soms beziet ze heure voeten, zeggende:
3796
Hansken, mijn zoete duivel, zie eens wat zij gedaan hebben met uwe
3797
vriendinne. En heur arme voeten gelijken twee bloedige wonden. Dan
3798
weent zij, zeggende: Andere vrouwen hebben een man of een minnaar,
3799
ik, ik leef op deze wereld als een weduwe. Maar dan zeg ik tot haar,
3800
dat haar Hansken boos zal wezen, als zij van hem tot anderen durft
3801
spreken. En zij luistert naar mij gedwee als een kind, behalve wanneer
3802
zij een os of eene koe, oorzake harer foltering, ziet; dan neemt zij
3803
ijlings de vlucht, zonder dat iets, barreelen of beken of grachten,
3804
haren loop kunne stuiten, totdat zij eindelijk nederzijgt aan den
3805
zoom van een weg of tegen den muur van eene hoeve, waar ik haar ga
3806
oprapen om heure bloedende voeten te verbinden. En ik geloof, dat
3807
zij met het brandende werk, ook heure hersenen verbrand hebben.
3808
 
3809
En beiden waren zeer bedroefd, terwijl zij dachten aan Katelijne.
3810
 
3811
Zij kwamen bij haar en zagen heur op eene bank in de zonne zitten,
3812
tegen den muur van heur huis. Uilenspiegel vroeg:
3813
 
3814
--Herkent gij mij?
3815
 
3816
Viermaal drie, sprak zij, is een heilig getal, en de dertiende is
3817
Thereb. Wie zijt gij, kind dezer booze wereld?
3818
 
3819
--Ik ben Uilenspiegel, antwoordde hij, de zoon van Klaas en van
3820
Soetkin.
3821
 
3822
Zij knikte tot teeken dat zij hem herkende; vervolgens wenkte zij
3823
hem om nader te komen en fluisterde hem in 't oor:
3824
 
3825
--Als gij hem ziet, wiens kussen koud als de sneeuw zijn, zeg hem
3826
dan te komen, Uilenspiegel.
3827
 
3828
Vervolgens heur verbrand haar toonende, sprak zij:
3829
 
3830
--Ik heb zeer; zij hebben mij mijnen geest afgenomen, maar als hij
3831
komt zal hij mijn hoofd vullen, dat nu hol is van binnen. Hoort
3832
gij? het klinkt als een klokke; 't is mijne ziel, die aan de deur
3833
klopt om henen te gaan, daar het brandt in de helle. Als Hansken komt
3834
en hij mijn hoofd niet wil vullen, zal ik hem zeggen er een gat in
3835
te snijden: de ziel, die daar binnen is en klopt om buiten te komen,
3836
bedrukt mij zoo deerlijk, dat ik het besterven zal. En nimmer slaap
3837
ik meer, steeds wacht ik op hem, dat hij mij mijn geest teruggeve.
3838
 
3839
En nederzijgend, zuchtte zij diep.
3840
 
3841
En de boeren, die van het veld kwamen op etenstijd, als de klokken
3842
luiden, gingen voorbij Katelijne en spraken:
3843
 
3844
--Daar is de zottinne.
3845
 
3846
En zij maakten het teeken des kruises.
3847
 
3848
En Nele en Uilenspiegel weenden, en Uilenspiegel moest zijne bedevaart
3849
voortzetten.
3850
 
3851
 
3852
 
3853
 
3854
XLI.
3855
 
3856
Zijn beeweg vervolgend, trad hij in dienst bij zekeren Judocus, de
3857
kwabakker geheeten, om den wille van zijne zure en norsche tronie. De
3858
kwabakker gaf hem voor eten drie oudbakken brooden per week en deed
3859
hem slapen in een kot onder het dak, waar het regende en waaide dat
3860
het een pleizier was.
3861
 
3862
Als Uilenspiegel zag, dat hij zoo slecht behandeld werd, bakte hij
3863
zijnen baas verscheidene poetsen en onder andere deze: als men 's
3864
morgens heel vroeg bakt, moet men 's nachts het meel builen. Nu op
3865
een nacht dat de mane scheen, vroeg Uilenspiegel een keers om te zien,
3866
en hij kreeg van zijn meester het volgende antwoord:
3867
 
3868
--Buil het meel in den maneschijn.
3869
 
3870
Uilenspiegel gehoorzaamde, en builde het meel op den grond, daar waar
3871
de maan scheen.
3872
 
3873
Als de kwabakker 's morgens kwam zien naar Uilenspiegel's werk,
3874
vond hij hem nog aan 't builen.
3875
 
3876
--Kost het meel dan geen geld meer, sprak hij, dat gij het nu op den
3877
grond built?
3878
 
3879
--Ik heb het meel in den maneschijn gebuild, gelijk gij mij geheeten
3880
hebt, antwoordde Uilenspiegel.
3881
 
3882
De bakker antwoordde:
3883
 
3884
--Ezel, die ge zijt: 't was door eene zeef dat gij het moest doen.
3885
 
3886
--Ik meende, dat de maan eene zeef van uwe vinding was, antwoordde
3887
Uilenspiegel. Maar er zal niet veel verloren gaan, ik zal het meel
3888
opscheppen.
3889
 
3890
--'t Is nu te laat, antwoordde de bakker, om deeg te maken en te
3891
bakken.
3892
 
3893
Uilenspiegel sprak:
3894
 
3895
--Baas, het deeg van onzen buurman is gereed in den trog, wil ik het
3896
gaan nemen?
3897
 
3898
--Loop naar de galg, antwoordde de kwabakker, neem wat er te vinden is.
3899
 
3900
--Ik ga, baas, antwoordde Uilenspiegel.
3901
 
3902
Hij liep naar het galgeveld en vond er de verdroogde hand van een
3903
dief. Hij bracht ze aan den kwabakker en sprak:
3904
 
3905
Dit is eene gelukshand, die onzichtbaar maakt, wie ze draagt. Wilt
3906
gij uwe slechte inborst verbergen?
3907
 
3908
--Ik zal u zwart maken bij het gerecht, antwoordde de kwabakker,
3909
en gij zult zien dat gij het heerenrecht hebt overtreden.
3910
 
3911
Toen zij getweeën vóór den burgemeester stonden, wilde de kwabakker al
3912
de misdaden van Uilenspiegel opsommen, maar deze zette groote oogen
3913
op en maakte den kwabakker zoo grammoedig, dat hij zijne aanklacht
3914
onderbrak om te vragen:
3915
 
3916
--Wel, wat is er?
3917
 
3918
Uilenspiegel antwoordde:
3919
 
3920
--Gij hebt mij gezegd, dat gij mij zoodanig zwart gingt maken, dat
3921
ik zou zien. Wel, ik zie niemendal....
3922
 
3923
--Uit mijne oogen! riep de bakker.
3924
 
3925
--Was ik in uw oogen, antwoordde Uilenspiegel, dan zou ik, als gij
3926
ze toedeedt, er langs de neusgaten moeten uitkruipen.
3927
 
3928
De burgemeester dacht dat men hem voor den aap hield en wilde hen
3929
niet langer aanhooren.
3930
 
3931
Uilenspiegel en de kwabakker kwamen samen buiten, de bakker hief zijn
3932
stok op, doch Uilenspiegel sprong ter zijde en sprak:
3933
 
3934
--Baas, daar het met slagen is dat men mijn meel built, neem gij
3935
de zemelen: dat is uwe norschheid; ik houd de bloem: dat is mijne
3936
vroolijkheid.
3937
 
3938
En zich omkeerende, zei hij: Als ge bakken wilt--hier is de oven.
3939
 
3940
 
3941
 
3942
 
3943
XLII.
3944
 
3945
De reizende Uilenspiegel ware geerne struikroover geworden, maar hij
3946
zei tot zich zelven, dat hij met struiken niets verrichten kon.
3947
 
3948
Hij stapte op goed valle 't uit naar Oudenaarde, waar toen een
3949
garnizoen Vlaamsche ruiters lag, om de stad te verdedigen tegen de
3950
Fransche benden, die het land verwoestten lijk sprinkhanen.
3951
 
3952
De hoofdman van de ruiters was een Fries, een zekere Kornjuin. Zij
3953
ook liepen het platteland af en knevelden het volk, dat aldus, als
3954
naar gewoonte, langs twee kanten tegelijk opgegeten werd.
3955
 
3956
Alles was hun deeg: kiekens en kapoenen, eenden en duiven, kalveren
3957
en verkens. Op een avond dat Kornjuin en zijne mannen met buit beladen
3958
terugkwamen, zagen zij aan den voet van een boom Uilenspiegel liggen,
3959
die sliep en zeker van stoverije droomde.
3960
 
3961
--Wat doet gij om te leven? vroeg Kornjuin.
3962
 
3963
--Sterven van honger, antwoordde Uilenspiegel.
3964
 
3965
--Wat is uw ambacht?
3966
 
3967
--Reizen voor mijne zonden, de anderen zien wroeten, op de koorde
3968
dansen, lieve gezichtjes schilderen, messenhechten snijden, op den
3969
rommelpot spelen en op de trompet blazen.
3970
 
3971
Als Uilenspiegel zoo stout zei, dat hij op de trompet kon blazen,
3972
was het omdat hij had hooren zeggen, dat, in het slot van Oudenaarde,
3973
de plaats open was van torenwachter, ten gevolge van den dood van
3974
den ouden man welke die bediening vervulde.
3975
 
3976
Kornjuin zei hem:
3977
 
3978
--Gij zult bazuinblazer van de stede wezen.
3979
 
3980
Uilenspiegel volgde hem en hij werd gebracht op een van de hoogste
3981
torens der vestingen, in een goed verlucht hokje, dat open was voor
3982
alle winden, behalve voor dien uit 't Zuiden.
3983
 
3984
Men zei hem, dat hij blazen moest als hij den vijand zag aankomen
3985
en, daarom steeds het hoofd vrij en de oogen helder moest houden,
3986
weshalve men hem niet te veel eten of drinken bracht.
3987
 
3988
De hoofdman en zijne huurlingen bleven in de toren en kermisten
3989
heel den dag ten koste van het platteland. Daar werd meer dan
3990
een kapoen, wiens eenige misdaad was vet te zijn, gedood en
3991
opgesmuld. Uilenspiegel, die altijd vergeten werd en zich tevreden
3992
moest houden met zijn mageren disch, vond in 't heel geen behagen
3993
in den reuk van de saus. De Franschen kwamen, namen het vee mee,
3994
doch Uilenspiegel blies het alarm niet.
3995
 
3996
Kornjuin kwam boven en vroeg:
3997
 
3998
--Waarom hebt gij niet geblazen?
3999
 
4000
Uilenspiegel sprak:
4001
 
4002
--Gij hadt kunnen denken, dat het als dank was voor mijn eten.
4003
 
4004
's Anderen daags bestelde de hoofdman een groot festijn voor zich en
4005
zijne huurlingen, maar Uilenspiegel werd nogmaals vergeten. Zij gingen
4006
zich deugd doen aan 't lekkere maal, toen Uilenspiegel alarm blies.
4007
 
4008
Kornjuin en zijne soldaten, meenende dat de Franschen daar waren,
4009
verlieten de tafel en sprongen te peerd. Zij reden in allerijl de
4010
stad uit, maar buiten vonden ze niets dan een os, die in de zonne
4011
herkauwde, en dien zij meenamen.
4012
 
4013
Middelerwijl had Uilenspiegel zich volgestopt met vleesch en met
4014
wijn. Toen de hoofdman terugkwam, zag hij hem lachend en met waggelende
4015
beenen staan aan de deur van de zaal van 't festijn. Hij sprak:
4016
 
4017
--'t Is verraderswerk van alarm te blazen als gij den vijand niet ziet,
4018
en van niet te blazen als ge hem wèl ziet.
4019
 
4020
--Mijnheer de hoofdman, antwoordde Uilenspiegel, ik heb geblazen om
4021
mij te verlichten, want in mijn toren was ik zoodanig opgeblazen van
4022
wind, dat ik vreesde te zullen wegvliegen. Laat mij maar ophangen,
4023
nu of een andere maal, zoo gij ezelsvel noodig hebt voor uwe trommelen.
4024
 
4025
De hoofdman ging henen en zei geen woord.
4026
 
4027
Maar Oudenaarde kreeg tijding, dat de genadige keizer Karel de stede
4028
zou komen bezoeken met een doorluchtig gezelschap. Bij die gelegenheid
4029
gaven de schepenen aan Uilenspiegel eenen bril, om Zijne Majesteit
4030
beter te zien aankomen. Uilenspiegel moest driemaal blazen, zoodra
4031
hij den keizer van Leupegem zag aankomen op een kwartier gaans van
4032
de Borgpoort.
4033
 
4034
Die van de stad zouden aldus den tijd hebben de klokken te luiden,
4035
het vuurwerk in gereedheid te brengen, het vleesch in den oven te
4036
zetten, de vaten aan te steken.
4037
 
4038
Zekeren dag, dat de wind uit Brabant woei en de hemel helder was,
4039
zag Uilenspiegel, rond den middag, een grooten troep ruiters op
4040
fiere peerden, op den weg die naar Leupegem leidt. Sommigen droegen
4041
banieren. Degene, die statig voorop reed, had een goudlakensche
4042
muts op met groote pluimen. Hij droeg een kleed van bruine panne,
4043
met bloemen geborduurd.
4044
 
4045
Uilenspiegel zette zijn bril op en zag dat het keizer Karel was,
4046
die hoogstgenadiglijk aan die van Oudenaarde kwam toestaan hem hunne
4047
beste wijnen en fijnste vleezen op te dienen.
4048
 
4049
Heel die troep kwam stapvoets af en snoof de frissche lucht op, die
4050
eetlust doet krijgen; maar Uilenspiegel zei tot zich zelven, dat die
4051
lieden de vette brokken gewoon waren en zij niet zouden sterven zoo
4052
zij eens over den pot sprongen, daar vasten gezond is. Hij zag ze
4053
dus komen, maar blies niet op de trompet.
4054
 
4055
Lachend en pratend kwamen zij nader, terwijl Zijne Heilige Majesteit
4056
het hoofd voorover boog, als om te zien of er in zijnen buik plaats
4057
genoeg was voor het festijn van die zijner goede stad Oudenaarde. Doch
4058
hij was verwonderd en ontevreden dat geenerlei klokke luidde, om
4059
zijne komst te kondschappen.
4060
 
4061
Ondertusschen kwam een boer de stad binnenloopen om te zeggen, dat hij
4062
in de omstreken een Franschen aanhang gezien had, die op Oudenaarde
4063
aanrukte, om alles te stelen en te rooven.
4064
 
4065
Op die rede sloot de poortwachter zijne poort en liet de andere
4066
poortwachters door een knaap der gemeente verwittigen. Maar de wacht
4067
kermiste zonder van iets te weten.
4068
 
4069
Zijne Majesteit kwam nader, zeer ontstemd, geen klokkengelui of
4070
kanongebulder te vernemen. Te vergeefs de ooren spitsend, hoorde
4071
hij niets dan de beiaard, die het half uur speelde. Hij kwam vóór de
4072
poort, vond die gesloten en sloeg er op met de vuisten om opengedaan
4073
te worden.
4074
 
4075
En de heeren van zijn gevolg, verstoord als Zijne Majesteit, gromden
4076
bittere woorden. De poortwachter, die omhoog op de vestingen stond,
4077
riep hun toe dat zij moesten stille zijn, of dat hij hun wat kogels
4078
zou zenden, hetwelk hun ongeduld eenigszins zou koelen.
4079
 
4080
Doch Zijne Majesteit, in woede ontstoken, riep:
4081
 
4082
--Blind verken, herkent gij uwen keizer niet?
4083
 
4084
De poortwachter antwoordde, dat de meest vergulde verkens niet altijd
4085
de kleinsten waren, dat hij overigens goed wist, dat de Franschen
4086
spotters van nature waren, en keizer Karel voor 't oogenblik oorloogde
4087
in Italië, en dus niet voor de poorten van Oudenaarde wezen kon.
4088
 
4089
Daarop schreeuwden de keizer en de heeren nog luider, zeggende:
4090
 
4091
--Als gij niet opendoet, laten wij U braden op eene lans. En eerst
4092
zult gij uwe sleutels inslikken.
4093
 
4094
Op het gerucht dat zij maakten, kwam een oudgediende uit de plaats waar
4095
't geschut stond. Hij keek over den muur en sprak tot den poortwachter:
4096
 
4097
--Gij zijt mis, dat is onze keizer; ik herken hem goed, hoewel hij
4098
verouderd is sedert hij Maria Vander Gheynst van hier naar 't kasteel
4099
van Lalaing voerde.
4100
 
4101
De poortwachter viel stokkedood van schrik, de soldaat nam de sleutels
4102
en deed de poort open.
4103
 
4104
De keizer vroeg waarom men hem zoolang had laten wachten; als de
4105
soldaat hem het geval uitgelegd had, beval Zijne Majesteit de poort
4106
weder te sluiten en de ruiters van Kornjuin te doen komen. Hij deed
4107
ze vóór hem gaan, slaande op de tamboerijnen en spelend op de pijpen.
4108
 
4109
Weldra ontwaakten de klokken de eene na de andere en begonnen zij te
4110
bimbommelen. Aldus voorafgegaan, kwam Zijne Majesteit met keizerlijk
4111
lawaai op de Groote Markt. Burgemeesteren en schepenen waren op het
4112
stadhuis vergaderd; schepen Jan Guigelaer kwam met veel gedruisch de
4113
zaal binnen en riep:
4114
 
4115
--Keizer Karel is alhier! Keizer Karel is alhier!
4116
 
4117
Ten uiterst verschrikt bij het hooren van die tijding, liepen
4118
burgemeesteren, schepenen en raadsheeren buiten om, in korps, keizer
4119
Karel te begroeten, terwijl hunne knapen de stede rondliepen om het
4120
vuurwerk in gereedheid te brengen, de kapoenen op 't vuur te zetten
4121
en de tonnen aan te steken.
4122
 
4123
Mannen, vrouwlieden en kinderen riepen tot elkander:
4124
 
4125
--Keizer Karel is op de Groote Markt!
4126
 
4127
Weldra was het volk in groote menigte naar de Markt gestroomd.
4128
 
4129
Grammoedig vroeg de keizer aan de twee burgemeesteren, of zij niet
4130
verdienden gehangen te worden, om aldus te kort te komen aan den
4131
eerbied, den vorst verschuldigd.
4132
 
4133
De burgemeesteren antwoordden, dat zij zulks inderdaad verdienden,
4134
maar dat Uilenspiegel, de torenwachter, het meer verdiende, vermits
4135
hij, op de mare van 't bezoek van Zijne Majesteit, op den toren gezet
4136
werd met een goeden bril, met uitdrukkelijk bevel driemaal te blazen,
4137
zoodra hij den keizerlijken stoet in het gezicht kreeg. Maar hij had
4138
het niet gedaan.
4139
 
4140
De keizer, nog immer gram, deed Uilenspiegel komen.
4141
 
4142
--Waarom, sprak hij, hebt gij bij mijne komst niet geblazen, terwijl
4143
gij een goeden bril hadt?
4144
 
4145
Dit zeggende, streek hij de hand over de oogen, om den wille van de
4146
zonne, en zoo bekeek hij Uilenspiegel.
4147
 
4148
Deze streek ook de hand over de oogen en antwoordde dat hij, sedert
4149
hij Zijne Heilige Majesteit door zijne vingeren zag kijken, geen bril
4150
meer wilde bezigen.
4151
 
4152
De keizer zei hem, dat hij ging gehangen worden; de poortwachter zei
4153
dat het wel besteed was, en de burgemeesteren zeiden geen woord om
4154
die sententie goed te keuren of tegen te spreken, want zij waren met
4155
schrik vervuld.
4156
 
4157
De beul en zijne knechten werden geroepen. Zij kwamen met eene ladder
4158
en een nieuwe koorde, grepen Uilenspiegel bij den kraag en deden hem
4159
vóór de honderd ruiters van Kornjuin gaan. In stee van hem gerust
4160
te laten om zijne gebeden te zeggen, begonnen deze hem te sarren en
4161
te plagen.
4162
 
4163
Het gemeen, dat volgde, zegde:
4164
 
4165
--'t Is een ongemeene wreedheid, dien armen jongen voor zulk een
4166
gering vergrijp ter dood te veroordeelen.
4167
 
4168
En de wevers, die daar in groote menigte onder de wapens stonden,
4169
zegden:
4170
 
4171
--Wij zullen Uilenspiegel niet laten hangen; dat is in strijd met de
4172
costume van Oudenaarde.
4173
 
4174
Doch men kwam aan het galgeveld. Uilenspiegel werd op de ladder
4175
getrokken, en de beul deed de koorde rond zijnen hals. De wevers
4176
drongen rond de galge. De provoost was daar, met de roede der justitie
4177
bij zich, met dewelke hij op bevel van den keizer het teeken tot de
4178
uitvoering moest geven.
4179
 
4180
Heel het vergaderde volk riep:
4181
 
4182
--Genade! genade voor Uilenspiegel!
4183
 
4184
Uilenspiegel, van op zijne ladder, sprak:
4185
 
4186
--Medelijden! genadige keizer!
4187
 
4188
De keizer hief de hand op en sprak:
4189
 
4190
--Als die deugniet mij iets vraagt, dat ik niet doen kan, schenk ik
4191
hem het leven!
4192
 
4193
--Spreek, Uilenspiegel! riep het volk.
4194
 
4195
De vrouwen weenden en zeiden:
4196
 
4197
--Hij moet sterven, de jongen, want de keizer kan alles.
4198
 
4199
En allen riepen:
4200
 
4201
--Spreek, Uilenspiegel!
4202
 
4203
--Heilige Majesteit, ik zal U noch geld, noch erfgoederen, noch het
4204
leven vragen, doch enkel iets voor hetwelk gij beloven moet, als
4205
ik zoo spreken durf, mij niet te zullen doen geeselen of radbraken,
4206
vóór dat ik naar de andere wereld vertrek.
4207
 
4208
--Dat beloof ik, sprak de keizer.
4209
 
4210
--Majesteit, zei Uilenspiegel, ik vraag dat, vóór ik gehangen worde,
4211
gij mijnen mond komt kussen met denwelken ik geen Vlaamsch spreke....
4212
 
4213
De keizer, die lachte evenals heel de menigte, antwoordde:
4214
 
4215
--Ik kan niet doen wat gij mij vraagt, en gij zult niet gehangen
4216
worden, Uilenspiegel.
4217
 
4218
Maar de burgemeesteren en schepenen veroordeelde hij om, zes maanden
4219
lang, eenen bril van achteren op het hoofd te dragen, opdat, zegde
4220
hij, als die van Oudenaarde van voren niet zien, zij tenminste van
4221
achteren zouden zien.
4222
 
4223
En, bij keizerlijk decreet, staat die bril nog heden op het wapen
4224
van de stad.
4225
 
4226
En Uilenspiegel ging zediglijk henen, met een kleine tassche vol geld,
4227
dat de vrouwen hem hadden gegeven.
4228
 
4229
 
4230
 
4231
 
4232
XLIII.
4233
 
4234
Uilenspiegel, die te Luik op de vischmarkt liep, zag een dikken
4235
jongeling, die een net met allerhande gevogelte onder den arm droeg
4236
en nog een ander vulde met schelvisch, forellen, paling en karpers.
4237
 
4238
Uilenspiegel herkende Lamme Goedzak.
4239
 
4240
--Wat doet gij hier, Lamme? vroeg hij.
4241
 
4242
--Gij weet, sprak hij, dat die van Vlaanderen welkom zijn in het
4243
zoete land van Luik; ik ben hier heengetrokken door de liefde. En gij?
4244
 
4245
--Ik zoek een meester om brood te verdienen, antwoordde Uilenspiegel.
4246
 
4247
--'t Is droge kost, zei Lamme. Een rozenkrans van ortolanen met eene
4248
lijster, als credo, staat verre daarboven.
4249
 
4250
--Zijt gij rijk? vroeg Uilenspiegel hem.
4251
 
4252
Lamme Goedzak antwoordde:
4253
 
4254
--'k Verloor mijn vader, mijn moeder en mijn jongere zuster, die mij
4255
altijd sloeg. Ik erfde hun vermogen en ik woon met eene dienstmaagd,
4256
die maar één oog heeft, zeer ervaren in de kunste van braden en koken.
4257
 
4258
--Wil ik uwe visch en uw gevogelte dragen, vroeg Uilenspiegel.
4259
 
4260
--Ja, sprak Lamme.
4261
 
4262
En beiden slenterden voort langs de markt.
4263
 
4264
Eensklaps vroeg Lamme:
4265
 
4266
--Weet gij waarom gij niet wijs zijt?
4267
 
4268
--Neen, antwoordde Uilenspiegel.
4269
 
4270
Omdat gij dit eten in de hand draagt, in stee van in uwe maag.
4271
 
4272
--Inderdaad, Lamme, antwoordde Uilenspiegel; maar sinds ik geen brood
4273
meer heb, willen de ortolanen mij niet meer bezien.
4274
 
4275
--Gij zult er hebben, Uilenspiegel, sprak Lamme, en gij zult mij
4276
dienen als gij mijne dienstmaagd vermoogt te bevallen.
4277
 
4278
Terwijl zij voortgingen, toonde Lamme aan Uilenspiegel, een schoone,
4279
lieve, poezele meid, in zijde gekleed, die langs de markt liep en
4280
Lamme toelonkte.
4281
 
4282
Een oud man, heur vader, ging achter heur met twee netten, één met
4283
visch, het ander met wild.
4284
 
4285
--Die, sprak Lamme, die wordt mijne gade.
4286
 
4287
--Ja, sprak Uilenspiegel, ik ken heur, 't is een Vlaamsche van
4288
Zottegem; zij woont in de rue Vinave-d'Isle, en de buren zeggen,
4289
dat hare moeder in heure plaats de straat vóór de deur keert en dat
4290
heur vader heure hemdenen strijkt.
4291
 
4292
Doch Lamme antwoordde niet en sprak blijde:
4293
 
4294
--Zij heeft mij bezien.
4295
 
4296
Getweeën kwamen zij aan het huis van Lamme, omtrent eene brug over
4297
de Maas, en Lamme klopte aan de deur. Een eenoogige dienstmaagd kwam
4298
opendoen. Uilenspiegel zag dat zij oud, lang, mager en norsch was.
4299
 
4300
--Sanginne, sprak Lamme tot haar, wilt gij dezen jongen man om u te
4301
helpen in uw werk?
4302
 
4303
--Ik zal hem probeeren, sprak zij.
4304
 
4305
--Neem hem, sprak hij, en laat hem de lekkernijen van uwe keuken
4306
proeven.
4307
 
4308
Sanginne bracht toen drie zwarte pensen, eene pint kuite en eene
4309
homp brood.
4310
 
4311
Terwijl Uilenspiegel aan 't eten was, smulde Lamme ook aan eene pens.
4312
 
4313
--Weet gij, vroeg hij hem, waar onze ziel woont?
4314
 
4315
--Neen, Lamme, sprak Uilenspiegel.
4316
 
4317
--In onze maag, antwoordde Lamme, daar wordt ze steeds doorploegd
4318
om ons voortdurend nieuwe geesteskracht te schenken. En welke zijn
4319
onze beste gezellen? Het zijn de fijne brokken, begoten met wijn van
4320
de Maas.
4321
 
4322
--Ja, sprak Uilenspiegel, pensen zijn aangenaam gezelschap voor een
4323
eenzame ziele.
4324
 
4325
--Hij vraagt nog, Sanginne, sprak Lamme.
4326
 
4327
Deze reis gaf Sanginne hem witte pensen.
4328
 
4329
Terwijl Uilenspiegel zich volstopte, zei Lamme, in gedachten
4330
verslonden:
4331
 
4332
--Als ik zal sterven, zal mijn maag met mij sterven, en hier beneden,
4333
in het vagevuur, zal men mij laten vasten, en laten ronddwalen met
4334
een slappen en ledigen buik.
4335
 
4336
--De zwarte waren beter, zei Uilenspiegel.
4337
 
4338
--Gij hebt er zes gegeten, sprak Sanginne, gij krijgt geene meer.
4339
 
4340
--Uilenspiegel, sprak Lamme, gij zult hier goed behandeld worden,
4341
en eten lijk ik.
4342
 
4343
--Dat woord zal ik onthouden, zei Uilenspiegel.
4344
 
4345
Uilenspiegel, ziende dat hij at lijk Lamme, was gelukkig. De pensen
4346
die hij gegeten had, gaven hem zulken moed, dat hij dien dag ketels,
4347
potten en pateelen deed blinken lijk zonnen.
4348
 
4349
Daar hij goed leven had in dit huis, verbleef hij geerne in kelder en
4350
keuken, en liet hij den zolder aan de katten. Eens had Sanginne twee
4351
kiekens te braden, en beval tot Uilenspiegel aan het spit te draaien,
4352
terwijl zij naar de markt om de toespijzen ging.
4353
 
4354
Als de twee kiekens gebraden waren, at Uilenspiegel er een op.
4355
 
4356
Sanginne kwam terug en ze sprak:
4357
 
4358
--Er waren twee kiekens, en ik zie er maar een meer.
4359
 
4360
--Doe uw ander oog open en gij zult ze alle twee zien, antwoordde
4361
Uilenspiegel.
4362
 
4363
Woedend ging zij dat vertellen aan Lamme Goedzak, die naar de keuken
4364
kwam en aldus sprak tot Uilenspiegel:
4365
 
4366
--Waarom spot gij met de meid? Er waren twee kiekens.
4367
 
4368
--Inderdaad, Lamme, sprak Uilenspiegel, maar als ik hier binnenkwam,
4369
hebt gij gezegd dat ik zou eten en drinken als gij. Er waren twee
4370
kiekens: een heb ik gegeten, het ander is voor u; mijne vreugd is
4371
voorbij, de uwe nog niet; zijt gij niet gelukkiger dan ik?
4372
 
4373
--Ja, sprak Lamme glimlachend, maar doe immer alles wat Sanginne u
4374
zal zeggen, en gij zult maar half werk hebben.
4375
 
4376
--Ik zal mijn best doen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel.
4377
 
4378
Telkens dat Sanginne hem dan ook iets gebood, deed hij het maar half,
4379
als zij hem zei van twee akers water te putten, bracht hij er maar
4380
een; als zij hem vroeg aan de tonne den pot met kuite te vullen,
4381
goot hij onderweg de helft in zijn keelgaat, en zoo verder.
4382
 
4383
Ten slotte werd Sanginne het moede en ze zei tot Lamme dat, als die
4384
deugniet langer in huis bleef, zij dadelijk heenging.
4385
 
4386
Lamme ging tot Uilenspiegel en zei:
4387
 
4388
--Gij moet heengaan, mijn jongen, niettegenstaande dat gij hier goed
4389
waart in huis. Hoor dien haan kraaien, 't is twee uren na middag,
4390
dat is een teeken van regen. Liever zette ik u niet buiten, als er
4391
slecht weder op handen is; maar bedenk, mijn jongen, Sanginne houdt met
4392
heur gekook en gebraad mijn levenslicht brandend; als zij mij verlaat,
4393
moet ik sterven. Ga heen dus, mijn vriend, op Gods genade, en neem deze
4394
drie gulden en dezen krans worsten, om u tot vertroosting te dienen.
4395
 
4396
En Uilenspiegel trok beschaamd en beteuterd henen, want hij betreurde
4397
Lamme en zijne keuken.
4398
 
4399
 
4400
 
4401
 
4402
XLIV.
4403
 
4404
De slachtmaand kwam te Damme en elders, maar 't was een late
4405
winter. Noch sneeuw, noch koude, noch regen; de zonne scheen van 's
4406
morgens tot 's avonds, de kinderen stoeiden in het stof van straten en
4407
wegen; en kooplieden, kramers, goudsmeden, wagenmakers en werklieden
4408
kwamen 's avonds na het eten, op de zulle hunner deur, kijken naar den
4409
immerblauwen hemel, naar de boomen, die nog hunne bladeren hadden,
4410
naar de ooievaars, die op de daken zaten en de zwaluwen, die nog
4411
niet vertrokken waren. De rozen hadden driemaal gebloeid en botten
4412
voor de vierde reize; de nachten waren zoel, de vogeltjes kweelden
4413
in de bosschen.
4414
 
4415
Die van Damme zegden:
4416
 
4417
--De winter is dood, laat ons hem verbranden.
4418
 
4419
En zij maakten een grooten man met een berensnoet, een langen vlassen
4420
baard en haar van schavelingen. Zij deden hem witte kleederen aan en
4421
verbrandden hem in groote plechtigheid.
4422
 
4423
Klaas was weemoedig; hij zegende geenszins den immerblauwen hemel,
4424
noch de zwaluwen die niet wilden vertrekken. Want te Damme brandde
4425
niemand meer kolen, tenzij voor de keuken, en daar iedereen er
4426
daarvoor genoeg had, ging niemand er koopen bij Klaas, die al zijne
4427
spaarpenningen uitgegeven had om zijn voorraad in te doen.
4428
 
4429
De kooldrager stond op de zulle zijner deur, toen hij zijn neus door
4430
een koel windeken voelde streelen,
4431
 
4432
--Ha! sprak hij, daar komt mijn brood aanwaaien.
4433
 
4434
Maar het koel windeken bleef niet waaien, en de hemel bleef immer
4435
blauw, en de bladeren wilden niet vallen. En Klaas weigerde zijn
4436
wintervoorraad voor halfprijs te verkoopen aan den gierigaard
4437
Grijpstuiver, den deken der vischverkoopers. En weldra was er gebrek
4438
in de arme stulp.
4439
 
4440
 
4441
 
4442
 
4443
XLV.
4444
 
4445
Doch koning Philippus had geen honger; hij at gebakjes bij zijne
4446
gemalin, Maria de leelijke, van het koninklijk huis der Tudor's. Hij
4447
beminde heur niet, doch hoopte die tengere vrouw te bevruchten om
4448
aan de Engelsche natie een Spaanschen koning te geven.
4449
 
4450
Maar de verbintenis van een steen met een brandende kool mislukte haar
4451
doel. Toch waren Philippus en Maria genoeg verbonden om protestanten
4452
met honderden te doen sterven door het vuur en het water.
4453
 
4454
Als Philippus niet uit Londen was, of als hij niet, onder eenige
4455
vermomming, in het een of ander slecht kot zijn vermaak zocht, bracht
4456
de nacht de beide echtgenooten bij elkander.
4457
 
4458
Dan leunde koningin Maria, in schoone Iersche kant en fijn Doornijksch
4459
lijnwaad gehuld, tegen het echtelijk bed, terwijl Philippus keek of
4460
hij bij zijne vrouw geenerlei teeken van zwangerschap zag; doch niets
4461
ziende, werd hij kwaad en bekeek de toppen zijner vingeren zonder
4462
een woord te uiten. Teederlijk zag de vorstinne hem aan; smeekte
4463
den ijskouden Philippus om liefde. Niets ontzag zij, tranen, kreten,
4464
noch smeekingen om een kus te ontvangen van hem, die heur zijn minne
4465
niet schonk.
4466
 
4467
Als een uitzinnige vrouw lachte en weende zij tegelijk om hem te
4468
verteederen; doch lachen noch tranen vermochten dit steenen herte
4469
te smelten.
4470
 
4471
Als een verliefde slang, kronkelde zij zich, sloeg zij te vergeefs
4472
hare armen rond hem en trok zij tegen heur hert de smalle borstkas,
4473
waar de wanstaltige ziel van den bloedigen koning in huisde; maar
4474
hij verroerde zich niet.
4475
 
4476
De arme vrouw deed heur best lieftallig te zijn; zij gaf hem al de
4477
zoete namen, die de minnezieken geven aan de verkorene heurs herten:
4478
Philippus bekeek de toppen zijner vingeren.
4479
 
4480
Soms antwoordde hij:
4481
 
4482
--Zult gij nooit kinderen hebben?
4483
 
4484
Op die rede boog Maria het hoofd.
4485
 
4486
--Is het mijne schuld, sprak zij, zoo ik onvruchtbaar ben? Heb
4487
medelijden met mij: ik leef als eene weduwe.
4488
 
4489
--Waarom hebt gij geene kinderen? sprak Philippus.
4490
 
4491
Toen viel de vorstinne op het tapijt, als door den dood getroffen. En
4492
hare oogen baadden in tranen, en zij hadde bloed geweend, hadde
4493
zij gekunnen.
4494
 
4495
En aldus wreekte God de slachtofferen, waarmede de beulen Engelands
4496
bodem hadden bedekt.
4497
 
4498
 
4499
 
4500
 
4501
XLVI.
4502
 
4503
Het gerucht liep, dat keizer Karel van zins was het recht van
4504
erflating te ontnemen aan al degenen, die in de kloosters stierven,
4505
hetgeen den Paus grootelijks mishaagde.
4506
 
4507
Uilenspiegel, die toen in de vallei der Maas was, dacht dat de keizer
4508
aldus te allen kant voordeel halen zou, want hij erfde als de familie
4509
niet erfde. Hij zette zich neder aan den oever van den stroom en
4510
wierp zijne lijn met het aas uit. Vervolgens knaagde hij aan een oude
4511
broodkorst; het speet hem wel, dat hij er geen kroes wijn bij had, maar
4512
hij zegde tot zich zelven: men kan 't niet altijd naar wensch hebben.
4513
 
4514
Toen wierp hij een stuk van zijn brood in 't water, want wie zijn
4515
maaltijd niet deelt met zijn evennaaste, is niet weerd dat hij leeft.
4516
 
4517
Een grondeling kwam het brood rieken en opende onnoozel den bek, in
4518
den waan, dat het brood er van zelf ging in vallen. Terwijl hij aldus
4519
in de lucht keek, werd hij eensklaps ingeslikt door een verradelijken
4520
snoek, die als een pijl op hem was toegeschoten.
4521
 
4522
Een karper, die argeloos in de lucht naar de vliegen hapte, onderging
4523
hetzelfde lot. Als de snoek verzadigd was, bleef hij onbeweeglijk stil,
4524
de kleine vischjes versmadend, die pijlsnel van hem wegzwommen. Terwijl
4525
hij aldus in trotschheid zijn gemak nam, schoot een hongerige,
4526
vraatzuchtige snoek met open muil op hem toe. Een woedend gevecht
4527
ontstond en weldra zag het water rondom hen rood van bloed. De
4528
verzadigde snoek verdedigde zich slecht tegen den hongerige, die wat
4529
achteruit zwom, zijn aandrift nam en op zijn tegenstrever toeschoot,
4530
welke hem met open muil afwachtte en de helft van zijn kop inslikte;
4531
hij wilde hem weder uit den muil stooten, doch hij slaagde er niet in,
4532
om den wille van zijne haaktanden. En beide spartelden wanhopiglijk.
4533
 
4534
Aldus aaneengehecht, zagen zij den sterken angel niet, die, aan een
4535
zijden snoer gebonden, langzaam omhoog kwam en in de vinne drong van
4536
den verzadigden snoek, beide optrok en ze met krachtigen zwenk op
4537
het gras smeet.
4538
 
4539
Uilenspiegel sneed hun de keel af en sprak:
4540
 
4541
--Snoeken, mijne vrienden, mocht gij de paus en de keizer zijn, die
4542
elkander verslinden, en ik het wakkere volk dat u beiden opscheert,
4543
op het uur dat God zal believen!
4544
 
4545
 
4546
 
4547
 
4548
XLVII.
4549
 
4550
En Katelijne, die Borgerhout niet verlaten had, dwaalde steeds door
4551
de velden en herhaalde gedurig: "Hansken, mijn man, zij hebben
4552
vuur op mijn hoofd gelegd; maak er een gat in, dat mijne ziel er
4553
uit kome. Helaas! zij klopt altijd en elke klop doet zeer als een
4554
hamerslag."
4555
 
4556
En Nele verzorgde de arme uitzinnige, en treurig dacht zij aan heuren
4557
vriend Uilenspiegel.
4558
 
4559
En te Damme bond Klaas zijne mutsaards en verkocht zijne kolen;
4560
en menigwerf werd hij droefgeestig als hij dacht aan Uilenspiegel,
4561
den banneling, die nog in langen tijd niet zou mogen terugkeeren naar
4562
de ouderlijke stulp.
4563
 
4564
Soetkin zat heele dagen aan het venster te kijken of zij heuren zoon
4565
niet zag aankomen.
4566
 
4567
Deze was nu bij Keulen en kreeg lust in 't hovenieren.
4568
 
4569
Hij ging zich als knecht verhuren bij Jan van Zuursmoel, die, ten
4570
tijde dat hij kapitein der landsknechten was, wegens wanbetaling van
4571
soldij bijna gehangen geweest was, weshalve hij een grooten afkeer
4572
had van hennep, door de boeren kennep genoemd.
4573
 
4574
Op zekeren dag nam Jan van Zuursmoel Uilenspiegel mede naar zijn akker,
4575
waarnaast een dagwand, geheel met kennep beplant.
4576
 
4577
Jan van Zuursmoel sprak tot Uilenspiegel:
4578
 
4579
--Telkenmale dat gij die leelijke plant ziet, moet gij ze met zooveel
4580
verachting bejegenen als gij maar kunt, want zij dient tot rad en
4581
tot galg.
4582
 
4583
--Ik zal het onthouden, antwoordde Uilenspiegel.
4584
 
4585
Eens nu dat Jan van Zuursmoel met eenige vrienden aan tafel zat,
4586
zei de keukenmeid tot Uilenspiegel:
4587
 
4588
--Ga naar den kelder en haal er den zennep, wat toen mosterd bediedde.
4589
 
4590
Uilenspiegel opzettelijk kennep in plaats van zennep verstaande,
4591
bejegende den mosterdpot met de meest mogelijke verachting en kwam
4592
hem vervolgens op de tafel stellen, heimelijk lachend.
4593
 
4594
--Waarom lacht gij? vroeg Jan van Zuursmoel. Meent gij dat onze
4595
neuzen van koper zijn? Eet zelf dien zennep, mits gij hem zelven
4596
gereedgemaakt hebt.
4597
 
4598
--Ik eet liever kaneelkoekjes, antwoordde Uilenspiegel.
4599
 
4600
Jan van Zuursmoel stond recht om hem te slaan.
4601
 
4602
--Wat hebt gij in dien mosterdpot gedaan? sprak hij.
4603
 
4604
--Wel baas, antwoordde Uilenspiegel, herinnert gij u niet den dag, toen
4605
ik u moest volgen naar den akker en gij mij, den zennep aanwijzende,
4606
zegdet: "Overal waar gij die leelijke plant ziet, moet gij ze met
4607
zooveel verachting bejegenen als gij maar kunt, want zij dient tot
4608
rad en tot galg." En ik heb het gedaan, baas, ik heb ze al mijne
4609
verachting uitgedrukt; gaat ge mij nu slaan omdat ik gehoorzaam was?
4610
 
4611
--Ik heb kennep gezeid en niet zennep, riep Jan van Zuursmoel.
4612
 
4613
--Baas, ge hebt zennep gezeid en niet kennep, antwoordde Uilenspiegel.
4614
 
4615
Nog langen tijd twistten zij aldus voort, Uilenspiegel op nederigen
4616
toon, Jan van Zuursmoel met een woedend geschreeuw, waarin hij de
4617
woorden hennep, zennep, kemp-zemp, zemp-kemp ondereen mengde als een
4618
verwarde streng zijde.
4619
 
4620
En de gasten lachten als duivels, die zich goed doen aan
4621
preekheerenribben en kettermeestersnieren.
4622
 
4623
Maar Uilenspiegel moest de deur uit.
4624
 
4625
 
4626
 
4627
 
4628
XLVIII.
4629
 
4630
Nele was nog zeer bedroefd voor heur zelve en voor heure uitzinnige
4631
moeder.
4632
 
4633
Als Uilenspiegel zich bij een kleermaker verhuurde, zei deze tot hem:
4634
 
4635
--Als gij naait, naai dicht aaneen, dat ik de steken niet
4636
zie. Uilenspiegel ging zich onder eene tonne zetten en begon daar
4637
te naaien.
4638
 
4639
--Wat is dàt nu? riep de kleermaker.
4640
 
4641
--Ik ben in de ton gekropen om te naaien, dan kunt gij immers de
4642
steken niet zien? antwoordde Uilenspiegel.
4643
 
4644
--Kom, sprak de kleermaker, zet u hier neer op de tafel, en stik uwe
4645
steken dicht bij elkander, en maak het kleed als deze wolf.--Wolf
4646
was de naam van een boerenwambuis.
4647
 
4648
Uilenspiegel nam het wambuis, sneed het aan stukken, naaide het aaneen,
4649
zooveel als hij kon in de gedaante van een wolf.
4650
 
4651
Toen de kleermaker dat zag, riep hij uit:
4652
 
4653
--Wat duivel? maakt gij daar?
4654
 
4655
--Een wolf, antwoordde Uilenspiegel.
4656
 
4657
--Leelijke spotter, sprak de kleermaker, ik had u gezegd van een
4658
wolf te maken, 't is waar, maar gij weet toch wel, dat een wolf een
4659
boerenwambuis is.
4660
 
4661
Eenigen tijd naderhand zegde hij hem:
4662
 
4663
--Jongen, gooi nog eens gauw de mouwen aan dien bovenkerel daar,
4664
eer gij slapen gaat.
4665
 
4666
Uilenspiegel hing den bovenkerel aan eenen nagel en bracht heel den
4667
nacht door met de mouwen naar het kleedingstuk te werpen.
4668
 
4669
Op het leven dat hij maakte, kwam de kleermaker kijken.
4670
 
4671
--Deugniet, sprak hij, welke kwade poets zijt gij mij nu aan 't bakken?
4672
 
4673
--Gij heet dat een kwade poets? antwoordde Uilenspiegel. Bezie die
4674
mouwen, heel den nacht gooi ik ze naar den bovenkerel, en ze blijven
4675
er nog niet op.
4676
 
4677
--Dat spreekt van zelf, zei de kleermaker, daarom gooi ik u op straat,
4678
misschien blijft gij er op.
4679
 
4680
 
4681
 
4682
 
4683
XLIX.
4684
 
4685
Als Katelijne bij een of anderen braven gebuur was, die op heur wilde
4686
letten, ging Nele verre, verre alleen, zelfs tot Antwerpen, langsheen
4687
de Schelde of elders, turend naar de wiegelende schuitjes en naar de
4688
stoffige wegen, of ze soms heuren vriend Uilenspiegel niet ontwaarde.
4689
 
4690
Eens dat Uilenspiegel te Hamburg op de jaarmarkt was, zag hij
4691
overal kooplieden, en onder hen, eenige oude joden, woekeraars en
4692
schacheraars.
4693
 
4694
Uilenspiegel, die ook wilde koopmanschap drijven, raapte eenige
4695
peerdevijgen op en droeg ze mee naar huis, 't is te zeggen naar een
4696
hoek van den vestingmuur. Daar liet hij ze drogen. Vervolgens kocht
4697
hij roode en groene zijde, van dewelke hij zakjes maakte; daarin
4698
stak hij de peerdevijgen, en hij bond de zakjes toe met een lint,
4699
alsof er muskus in stak.
4700
 
4701
Vervolgens maakte hij een houten bakje, hetwelk hij met een oude koord
4702
om zijn hals hing, en hij kwam op de markt met het bakje vol roode
4703
en groene zakjes, 's Avonds stelde hij een keersken midden tusschen
4704
de zakjes, om ze te verlichten.
4705
 
4706
Als men hem kwam vragen wat hij verkocht, antwoordde hij op
4707
geheimzinnigen toon:
4708
 
4709
--Ik zal het u zeggen, maar spreek niet te luide.
4710
 
4711
--Wat is het dan? vroegen de klanten.
4712
 
4713
--Het zijn, antwoordde Uilenspiegel, profetische zaadkorrels, die
4714
recht van Arabië naar Vlaanderen kwamen; zij zijn met groote kunste
4715
gereedgemaakt door meester Abdul-Medil, afstammeling van den grooten
4716
Mahomed.
4717
 
4718
De klanten zeiden tot elkander:
4719
 
4720
't Is een Turk.
4721
 
4722
Anderen spraken:
4723
 
4724
--Maar neen, 't is een pelgrim, die uit Vlaanderen komt; hoort gij
4725
't niet aan zijne tale?
4726
 
4727
En armoedige, in lompen gehulde liefhebbers spraken:
4728
 
4729
--Geef ons eenige profetische zaadkorrels.
4730
 
4731
--Als gij guldens zult hebben om te betalen, antwoordde Uilenspiegel.
4732
 
4733
En de armoedige, in lompen gehulde liefhebbers gingen beteuterd henen,
4734
zeggende:
4735
 
4736
--Alles is toch voor de rijken hier op de wereld!
4737
 
4738
Maar weldra werd op de markt het gerucht verspreid, dat daar een
4739
Vlaming was met profetische zaadkorrels.
4740
 
4741
--Ja, zeiden de poorters tot elkander, ze zijn te Jeruzalem op het graf
4742
van Jezus Christus gewijd, maar men zegt dat hij ze niet wil verkoopen.
4743
 
4744
En de poorters kwamen bij Uilenspiegel en vroegen hem van zijne
4745
zaadkorrels.
4746
 
4747
Maar Uilenspiegel, die groote winsten wilde opstrijken, antwoordde dat
4748
zij niet rijp genoeg waren, en hij hield het oog op twee rijke joden,
4749
die langs de markt slenterden.
4750
 
4751
--Ik zou wel eens willen weten, sprak een der poorters, wat er geworden
4752
zal van mijn schip, dat op zee is.
4753
 
4754
--Het zal ten hemel varen, als de baren hoog genoeg rijzen, antwoordde
4755
Uilenspiegel.
4756
 
4757
Een ander liet hem zijn dochter zien, een blozende, poezele meid,
4758
en vroeg hem of het goed met haar zou loopen.
4759
 
4760
--Alles loopt zooals de natuur het wil, antwoordde Uilenspiegel,
4761
want hij had het meisje een sleutel zien geven aan een jongen man,
4762
die, glanzend van geluk, aan Uilenspiegel vroeg:
4763
 
4764
--Koopman, geef mij een van uwe profetische zakjes, opdat ik wete of
4765
ik dezen nacht alleene zal slapen.
4766
 
4767
--Er staat geschreven, sprak Uilenspiegel, wie verleiding zaait,
4768
zal horens maaien.
4769
 
4770
De jonge snaak was grammoedig en vroeg:
4771
 
4772
--Wat wilt gij zeggen?
4773
 
4774
--De zaadkorrels zeggen, antwoordde Uilenspiegel, dat zij u wenschen
4775
een gelukkig huwelijk en een vrouw, die u geen Vulcanus-hoed
4776
opzet. Kent gij dat hoofddeksel?
4777
 
4778
Vervolgens sprak hij op den toon van een zedenpreeker:
4779
 
4780
--Want de vrouw die een godspenning geeft op den huwelijkskoop,
4781
geeft naderhand heel de waar aan anderen weg.
4782
 
4783
Stoutweg vroeg de meid aan Uilenspiegel:
4784
 
4785
--Ziet men dat allemaal in uwe profetische zakjes?
4786
 
4787
--Men ziet er mede eenen sleutel in, fluisterde Uilenspiegel heur
4788
stil in het oor.
4789
 
4790
Maar de jongeling was weg met den sleutel.
4791
 
4792
Eensklaps zag Uilenspiegel een dief van den stal van een spekslachter
4793
eene worst nemen van eene elle lang en die onder zijn mantel
4794
verbergen. Maar de koopman zag het niet. Blijgezind kwam de dief bij
4795
Uilenspiegel, en hij vroeg hem:
4796
 
4797
--Wat verkoopt gij daar, ongeluksprofeet?
4798
 
4799
--Zakjes, waarin gij zult zien dat uwe liefde voor de worsten u naar
4800
de galg zal brengen.
4801
 
4802
Op die rede nam de dief ijlings de vlucht, terwijl de bestolen
4803
koopman riep:
4804
 
4805
--Houdt den dief! houdt den dief!
4806
 
4807
Maar deze was de gaten uit.
4808
 
4809
Terwijl Uilenspiegel sprak, kwamen de twee rijke Joden, die met
4810
aandacht geluisterd hadden, naar hem toe en vroegen:
4811
 
4812
--Wat verkoopt gij daar, Vlaming?
4813
 
4814
--Zakjes, antwoordde Uilenspiegel.
4815
 
4816
--En wat ziet men met uwe profetische zaadkorrels? vroegen zij weder.
4817
 
4818
--Men ziet de toekomst, als men op de zaadkorrels zuigt, antwoordde
4819
Uilenspiegel.
4820
 
4821
De twee joden spraken stille tot elkander, en de oudste zei tot
4822
den anderen:
4823
 
4824
--Zoo zouden wij weten wanneer onze Messias komt; dat ware voor ons
4825
een groote vertroosting. Laat ons een van die zakjes koopen.
4826
 
4827
--Hoeveel, uwe zakjes? vroegen zij.
4828
 
4829
--Vijftig gulden, antwoordde Uilenspiegel. Is het te veel, trekt dan
4830
maar op. Wie den akker niet koopt, heeft ook den vetten mest niet
4831
van noode.
4832
 
4833
Ziende dat Uilenspiegel zoo vastberaden was, telden zij hem de
4834
somme en namen zij een van de zakjes. Zij trokken er mee naar
4835
hunne vergaderplaats, alwaar weldra al de joden in groote menigte
4836
heenstroomden, toen zij gehoord hadden, dat de twee ouden een geheim
4837
hadden gekocht, met hetwelk zij de komst van den Messias konden
4838
voorzeggen.
4839
 
4840
Zoodra dit gekend was, wilden allen, zonder betalen, aan het zakje
4841
zuigen; maar de oudste, die het zakje gekocht en betaald had en Jehu
4842
hiet, wilde alleen de eer en 't genot hebben.
4843
 
4844
--Zonen van Israël, sprak hij, het zakje in de hand houdend, de
4845
Christenen bespotten ons; zij maken jacht op ons, en roepen achter
4846
ons alsof wij cahorsijnen of woekeraars waren. De Philistijnen willen
4847
ons nog dieper dan den grond doen buigen; zij spuwen ons in 't gelaat,
4848
want God heeft onze bogen ontspannen en de teugels losgelaten. Heere,
4849
God van Abraham, van Isaäc en van Jacob, hoelang nog moet het kwaad
4850
ons geworden, terwijl wij het goede verbeiden; hoelang moeten de
4851
duisternissen heerschen, terwijl wij het licht verwachten? Goddelijke
4852
Messias, zult gij weldra op de aarde nederdalen? Wanneer zullen de
4853
Christenen zich verschuilen in holen en spelonken, bevend voor de
4854
kastijding, die zij bij uwe verschijning zullen ontvangen?
4855
 
4856
En de joden riepen:
4857
 
4858
--Kom Messias! Zuig, Jehu!
4859
 
4860
Jehu zoog aan het zakje en, met walg spuwend, riep hij jammerend uit:
4861
 
4862
--Ik zeg U, in der waarheid, dat het drek is; de Vlaamsche pelgrim
4863
is een dief.
4864
 
4865
Toen sprongen al de joden bij, en zij openden het zakje. Als zij zagen
4866
wat er in stak, liepen zij in woede naar de jaarmarkt om Uilenspiegel
4867
te vinden, maar deze had niet op hen gewacht.
4868
 
4869
 
4870
 
4871
 
4872
L.
4873
 
4874
Een man van Damme, die aan Klaas zijne kolen niet kon betalen, had
4875
hem het schoonste van zijn kateil gegeven, zijnde een handboog met
4876
twaalf goed aangezette pijlen.
4877
 
4878
En als er niet te werken was, ging Klaas op jacht: meer dan één
4879
beestje, te groot liefhebber van kool, werd door hem gedood en
4880
veranderd in hazepeper.
4881
 
4882
Klaas zette zich toen gretig te eten, en Soetkin zag naar den eenzamen
4883
weg en zeide:
4884
 
4885
--Thijl, mijn zoon, riekt gij den lekkeren geur van de saus
4886
niet?... Ongetwijfeld heeft hij nu honger.
4887
 
4888
En droomerig, had zij hem zijn deel van 't festijn willen wegzetten.
4889
 
4890
--Als hij honger heeft, sprak Klaas, is het zijne schuld; dat hij
4891
terugkome en hij zal eten als wij.
4892
 
4893
Klaas hield duiven; ook hoorde hij geerne, rondom zich, distelvinken,
4894
leeuwerikken, musschen en andere vogelen zingen en piepen, en
4895
schoot hij geerne muizenvalken en speurgalen, die de kleine vogelen
4896
verslinden.
4897
 
4898
Nu, eens dat hij in zijne lochting kolen mat, toonde Soetkin hem een
4899
grooten vogel, die in de lucht boven het duivenhok zweefde.
4900
 
4901
Klaas nam zijn handboog en sprak:
4902
 
4903
--De duivel redde Zijne Sperwerachtigheid!
4904
 
4905
Toen hij den pijl in den boog had gestoken, hield hij zich in de
4906
lochting, alwaar hij al de bewegingen van den vogel met de oogen
4907
volgde om hem niet te missen. Het was valavond. Klaas kon enkel een
4908
zwarte stip onderscheiden. Hij schoot den pijl af en zag een ooievaar
4909
in de lochting vallen.
4910
 
4911
Klaas was er droef om, maar Soetkin nog meer, en zij riep:
4912
 
4913
--Nu hebt gij den vogel Gods gedood!
4914
 
4915
Zij nam toen den ooievaar en zag dat hij maar aan den vleugel gewond
4916
was; zij ging ongel halen en sprak, terwijl ze zijne wonde vermaakte:
4917
 
4918
--Ooievaar lief, 't is niet behendig voor u, die geerne gezien wordt,
4919
van in de lucht te zweven als een steekvogel, die gehaat wordt. Aldus
4920
treffen de pijlen des volks soms den verkeerden man. Hebt gij zeer aan
4921
uwen vleugel, arme ooievaar, dat gij mij zoo gewillig laat begaan? Hoe
4922
weet gij dat onze handen handen van vrienden zijn?
4923
 
4924
Als de ooievaar genezen was, kreeg hij alles te eten wat hem lustte;
4925
doch liefst at hij de visch, die Klaas voor hem in de vaart ging
4926
vangen. En telkens dat de vogel Gods hem zag komen, opende hij gretig
4927
den bek.
4928
 
4929
Hij volgde Klaas als een hondje, maar liefst bleef hij in de keuken,
4930
alwaar hij zijne maag warmde en met den snavel op Soetkin sloeg,
4931
terwijl zij het noenmaal bereidde, als om heur te vragen:
4932
 
4933
--Is er niets bij voor mij?
4934
 
4935
En 't was aardig dien ernstigen geluksbode op zijne lange pooten de
4936
hut te zien rondloopen.
4937
 
4938
 
4939
 
4940
 
4941
LI.
4942
 
4943
Maar de slechte dagen waren teruggekomen: droevig wrocht Klaas alleen
4944
op zijn akker, want er was geen werk voor hen beiden. Soetkin bleef in
4945
de stulp en bereidde op allerhande manieren de boonen, hun dagelijksch
4946
maal, om Klaas' eetlust te streelen. En zij zong en zij lachte, opdat
4947
hij heure droefheid niet merken zou. De ooievaar stond bij heur,
4948
op één poot en met den bek in de pluimen.
4949
 
4950
Een man te peerd hield voor hunne woning stil; hij was heel in 't
4951
zwart gekleed en had een mager en droevig gezicht.
4952
 
4953
--Is hier iemand thuis? vroeg hij.
4954
 
4955
--God zegene Uwe Droefgeestigheid, antwoordde Soetkin; ben ik dan
4956
een schimme, dat gij mij vraagt of iemand thuis is?
4957
 
4958
--Waar is uw vader? vroeg de ruiter.
4959
 
4960
--Als mijn vader den naam draagt van Klaas, is hij ginder, antwoordde
4961
Soetkin, en bezig met koren te zaaien.
4962
 
4963
De ruiter ging weg, en Soetkin toog ook henen vol droefheid, want
4964
voor de zesde reize moest ze, zonder geld, brood bij den bakker gaan
4965
halen. En toen ze met ledige handen terugkwam, was zij versteld Klaas
4966
triomfantelijk te zien terugkomen op het peerd van den zwarten man, die
4967
te voet naast hem ging en het dier bij den toom hield. Klaas hield vol
4968
trotschheid in de hand een lederen tassche, dewelke goed gevuld scheen.
4969
 
4970
Toen hij van 't peerd steeg, omhelsde hij den man en klopte hem
4971
vervolgens vriendelijk op den schouder.
4972
 
4973
--Leve mijn broeder Judocus, de goede heremijt! riep hij uit, terwijl
4974
hij de tassche deed rinkelen. God beware hem in vreugd, in vet en in
4975
gezondheid. 't Is Judocus vol zegen, Judocus vol overvloed, Judocus
4976
met zijne vette soep! De ooievaar heeft geenszins gelogen!
4977
 
4978
En hij legde de tassche op de tafel. Jammerend sprak Soetkin toen:
4979
 
4980
--Man, wij hebben geen eten vandaag: de bakker heeft mij brood
4981
geweigerd.
4982
 
4983
Brood? sprak Klaas, de tassche openend en goudstukken op de tafel
4984
gietend, brood? Daar is brood, boter, vleesch, wijn, bier! Daar zijn
4985
hespen, mergpijpen, reigerpastijen, ortolanen, ganzen, krakelingen,
4986
daar is ambrozijn, lijk bij de groote heeren! daar is bier met tonnen
4987
en wijn met vaten! Gestraft wordt de bakker, want wij zullen bij hem
4988
niets meer koopen.
4989
 
4990
--Maar man, sprak Soetkin verbaasd.
4991
 
4992
--Nu luister, sprak Klaas, en wees verblijd. Katelijne, in stee
4993
van in 't markgraafschap Antwerpen hare ballingschap uit te doen,
4994
is vergezelschapt door Nele, te voet naar Meiborg gegaan. Daar heeft
4995
Nele tot mijn broeder Judocus gezegd, dat wij ondanks onzen harden
4996
arbeid, veelal in armoe verkeeren. En naarvolgens die goede bode mij
4997
zooeven gezegd heeft--en Klaas wees naar den zwarten ruiter--heeft
4998
Judocus den heiligen Roomschen godsdienst verlaten, om de Luthersche
4999
ketterije aan te hangen.
5000
 
5001
De zwarte man sprak:
5002
 
5003
--Ketters zijn zij, die de Groote Hoer volgen. Want de Paus vergeet
5004
zijne plichten en drijft handel in de heilige zaken.
5005
 
5006
--Stil! zei Soetkin, spreek niet zoo luide, gij zoudt ons gedrieën
5007
op den brandstapel brengen!
5008
 
5009
--Dus, vervolgde Klaas, Judocus heeft aan dezen braven bode gezegd,
5010
aangezien hij strijden ging onder de troepen van Frederik van Saksen,
5011
wien hij vijftig goed gewapende mannen bezorgde, hij zooveel geld
5012
niet van noode had, want dat het, bij rampspoed, toch zou worden
5013
gestolen door een of anderen landsknecht. Breng dus, zoo sprak hij,
5014
met mijnen zegen, die zevenhonderd karolusgulden aan Klaas, mijnen
5015
broeder en zeg hem dat hij goed leve en het heil zijner ziel gedenke.
5016
 
5017
--Ja, sprak de ruiter, want 't is tijd: God geeft een ieder naar zijne
5018
werken en handelt met een iegelijk volgens de verdiensten zijns levens.
5019
 
5020
--Heer, sprak Klaas, 't zal mij ondertusschen toch niet verboden
5021
zijn mij in de goede tijding te verblijden? Verweerdig u hier te
5022
blijven. Om uwe boodschap te vieren, zullen wij eten heerlijke pensen,
5023
menigvuldige karbonaden, een hammetje dat daar even zoo rond en zoo
5024
lekker bij den spekslager lag, dat mijne tanden wel een voet lang
5025
uit mijnen mond kwamen.
5026
 
5027
--Laas! sprak de man, alleen de goddeloozen denken aan genuchten,
5028
terwijl de blikken des Heeren op hen zijn gevestigd.
5029
 
5030
--Nu, bode, sprak Klaas, wilt gij met ons eten en drinken of niet?
5031
 
5032
De man antwoordde:
5033
 
5034
--De geloovigen zullen hunne zielen aan de aardsche genoegens mogen
5035
wijden, als de Babylonische Hoer ten gronde zal liggen!
5036
 
5037
Daar Klaas en Soetkin een kruis sloegen, wilde hij heengaan.
5038
 
5039
Klaas sprak tot hem:
5040
 
5041
--Zoo het U behaagt aldus met een slecht onthaal te vertrekken,
5042
geef dan den vredekus aan mijn broeder Judocus en waak over hem in
5043
't gevecht.
5044
 
5045
--Ik zal het doen, sprak de man.
5046
 
5047
En hij toog henen, terwijl Soetkin eten ging halen om dit uit de
5048
lucht gevallen fortuin te vieren. Dien avond kreeg de ooievaar twee
5049
grondelingen en een kabeljauwskop.
5050
 
5051
De mare verspreidde zich weldra te Damme, dat de arme Klaas, door
5052
het toedoen van zijn broeder Judocus, de rijke Klaas was geworden. En
5053
de deken zei, dat Katelijne zeker Judocus betooverd had, daar Klaas
5054
van hem een groote somme gelds had gekregen en dat hij niet eens een
5055
kleedje aan Onze-Lieve-Vrouw had geofferd.
5056
 
5057
Klaas en Soetkin waren gelukkig; Klaas wrocht op het veld of verkocht
5058
zijne kolen, en Soetkin bleef de wakkere huisvrouw.
5059
 
5060
Maar Soetkin, altoos droefgeestig, zocht steeds, met de oogen, heuren
5061
zoon Uilenspiegel op de wegen.
5062
 
5063
En alle drie smaakten het geluk, dat God hun zond, in afwachting van
5064
hetgeen de menschen hun zouden jonnen.
5065
 
5066
 
5067
 
5068
 
5069
LII.
5070
 
5071
Keizer Karel ontving dien dag uit Engeland een brief, in denwelken
5072
zijn zoon hem schreef:
5073
 
5074
 
5075
 
5076
"Heer en Vader,
5077
 
5078
"Het mishaagt mij grootelijks te moeten leven in een land, waar
5079
de gevloekte ketteren vermenigvuldigen als vlooien, rupsen en
5080
sprinkhanen. Het vuur en het zweerd zouden niet te veel zijn om ze
5081
te rukken van den stam des levendmakenden booms die onze Moeder de
5082
Heilige Kerk is. Alsof mijn leed nog niet voldoende ware, beschouwen
5083
mijne onderdanen mij niet als een koning, maar als den echtgenoot
5084
van hunne koningin, die zonder haar geenerlei gezag zou hebben. Zij
5085
spotten met mij, zeggende in kwaadwillige boekskens, waarvan niemand
5086
den schrijver of drukker kan vinden, dat de Paus mij betaalt om
5087
stoornis en verderf te brengen in het koninkrijk, door ketteren te
5088
hangen en te branden en, zoo ik een dringende schatting opleggen
5089
wil--want meermaals laten zij mij met opzet zonder geld--antwoorden
5090
zij in boosaardige paskwils, dat ik er maar te vragen heb aan Satan,
5091
voor denwelken ik werk. Die van 't Parlement bieden mij, uit vreeze,
5092
hoogst nederig hunne verontschuldiging aan, maar zij geven toch niets.
5093
 
5094
"Doch de muren van Londen zijn bedekt met opschriften, waarin ik
5095
voorgesteld word als een vadermoorder, gereed om Uwe Majesteit te
5096
treffen, om van hem te erven.
5097
 
5098
"Maar gij weet, Heer en Vader dat onaangezien rechtmatigen trots,
5099
ik aan Uwe Majesteit nog lange en glorierijke dagen wensch.
5100
 
5101
"Ook verspreiden zij in de stad eene prent, geëtst op koper,
5102
waarop ik afgebeeld word staande bij eene klavecimbel, in dewelke
5103
katten opgesloten zijn, die met hare pooten op de snaren slaan
5104
en wier steerten steken uit ronde gaten, waaraan zij met ijzeren
5105
roeden vastgemaakt zijn. Een man, die ben ik, verbrandt de steerten
5106
met een gloeiend ijzer, om de dieren met de pooten op de toetsen
5107
te doen slaan en erbarmlijk te doen kermen. Ik ben afgebeeld zoo
5108
wanstaltig en met zulken grijnslach, dat ik mij niet wil bezien. En
5109
gij weet, Heer en Vader, of ik mij ooit aan zulk onheilig vermaak
5110
overleverde. Ongetwijfeld deed ik wel eens, voor mijn pleizier,
5111
katten mauwen, doch ik lachte niet. Als echte muitmakers, rekenen
5112
zij mij dit alles als eene misdaad aan, hoewel de dieren geene ziel
5113
hebben, en een iegelijk, en inzonderheid vorstelijke personen, zich
5114
van hen mag bedienen tot nut en verzet. Maar in Engeland is men zoo
5115
verzot op dieren, dat men ze beter behandelt dan de dienstknechten;
5116
stallen en hondehokken zijn hier paleizen en hier zijn heeren, die
5117
in den stal bij hun peerd slapen.
5118
 
5119
"Daarenboven is mijne gade en koningin onvruchtbaar. Om mij te
5120
beleedigen zeggen ze, dat ik, niet zij--die jaloersch, onhandelbaar,
5121
en bovenmate minneziek blijft--daarvan de schuld is. Mijnheer en Vader,
5122
alle dagen bid ik deemoedig Onzen Heere, dat Hij mij Zijne genade
5123
schenke, in de hoop dat Hij mij een anderen troon geve, al was het
5124
bij de Turken, in afwachting van dien tot denwelken eenmaal geroepen
5125
zal worden de zoon Uwer Allerglorierijkste en Allerzegevierendste
5126
Majesteit.
5127
 
5128
"Ondertekend: Philippus."
5129
 
5130
 
5131
De keizer antwoordde als volgt:
5132
 
5133
 
5134
 
5135
"Mijnheer en Zoon,
5136
 
5137
"Uwe vijanden zijn groot, ik betwist het geenszins, doch tracht
5138
zonder grammoedigheid een schitterender kroon te verbeiden. Reeds
5139
meermalen heb ik het voornemen uitgedrukt, mij terug te trekken uit
5140
de Nederlanden en uit mijne andere bezittingen, want ik voel dat ik,
5141
oud en jichtig als ik word, niet meer zal kunnen wederstaan aan Hendrik
5142
van Frankrijk, den tweeden van dien naam, want de Fortuin lacht steeds
5143
den jongeren toe. Verlies ook niet uit het oog, dat gij, meester van
5144
Engeland, door uwe macht, Frankrijk, onzen vijand, kwetst en vernedert.
5145
 
5146
"Ik werd deerlijk verslagen vóór Metz, alwaar ik veertig duizend man
5147
verloor; ik moest vluchten voor den koning van Saksen. Als God mij
5148
door Zijne Goedertierenheid in mijn vroegere kracht en macht niet
5149
wil herstellen, ben ik van zins, Mijnheer en Zoon, U mijne rijken af
5150
te staan.
5151
 
5152
"Heb dus geduld en doe ondertusschen uwen plicht tegen de ketterijen,
5153
van dewelke gij niemand moet sparen, noch mannen, noch vrouwlieden,
5154
noch kinderen, want mij is niet zonder leed ter kennis gekomen,
5155
dat Mevrouw de koninginne hun dikwijls genade wil schenken.
5156
 
5157
"Uw verkleefde vader,
5158
 
5159
Onderteekend: Karel."
5160
 
5161
 
5162
 
5163
 
5164
LIII.
5165
 
5166
Daar Uilenspiegel lang, zeer lang gegaan had, waren zijne voeten tot
5167
bloedens toe gekwetst. Doch in het bisdom Mentz ontmoette hij eenen
5168
wagen met pelgrims, die hem naar Rome bracht.
5169
 
5170
Toen hij in die stad kwam en uit den wagen stapte, zag hij aan de
5171
poort eener afspanning een poezele vrouwe staan, die hem toelachte.
5172
 
5173
Heur minnelijk gezichtje beviel hem ten volle.
5174
 
5175
--Weerdin, sprak hij, wilt gij een reizenden pelgrim herbergen, die,
5176
met zonden overladen, den Heiligen Vader om genade komt smeeken?
5177
 
5178
--Wij herbergen al degenen, die betalen.
5179
 
5180
--Ik heb honderd dukaten in mijne tassche, antwoordde Uilenspiegel,
5181
die er maar éénen had, en met u wil ik den eersten verteren; laat
5182
ons een bottel ouden Roomschen wijn drinken.
5183
 
5184
--De wijn is niet duur in deze heilige stede, sprak zij; kom binnen
5185
en drink voor een soldo.
5186
 
5187
Zij dronken samen lang en ledigden, onder vriendelijk gekeuvel,
5188
zulke menigte flesschen, dat de weerdin aan heure meid zeggen moest
5189
de klanten in heure plaats te gerieven, terwijl zij en Uilenspiegel
5190
in een marmeren achterkamer zaten, waar het koel was als in den winter.
5191
 
5192
Heur hoofd op zijn schouder leunend, vroeg zij hem wie hij was.
5193
 
5194
--Ik ben messire van Geenland, grave van Nergensthuis heere van
5195
Vastendonk, en 'k heb te Damme, dat mijne geboorteplaats is, vijf en
5196
twintig bunders maneschijn.
5197
 
5198
--Waar ligt dat land? vroeg de weerdin, uit Uilenspiegel's beker
5199
drinkend.
5200
 
5201
--'t Is een land, sprak hij, waar men stoute verbeelding, onzinnige
5202
verwachtingen en ijdele beloften zaait; een land, waar gij niet
5203
vandaan zijt, met uwe lichtbruine huid, met uwe oogen die flonkeren
5204
als perelen; ze zijn van de kleur van de zonne, die goudbruine
5205
lokken; 't is het erfdeel van Venus, die gevleesde schouderen, die
5206
goddelijke borsten, die ronde armen, die fijne handjes. Willen wij
5207
samen avondmalen?
5208
 
5209
--Schoone pelgrim uit Vlaanderen, sprak zij, wat komt gij hier doen?
5210
 
5211
--Den paus spreken, antwoordde Uilenspiegel.
5212
 
5213
--Laas! sprak zij, den paus spreken! Ik, die hier vandaan ben, heb
5214
het nog nooit gekunnen.
5215
 
5216
--Ik zal het kunnen, sprak Uilenspiegel.
5217
 
5218
--Maar, sprak zij, weet gij waar hij gaat, hoe hij is, en kent gij
5219
zijne levenswijze?
5220
 
5221
--Onderweg zegde men mij, antwoordde Uilenspiegel, dat hij Julius de
5222
derde heet, dat hij ontuchtig, lichtzinnig is, dat hij goed klapt en
5223
snedig antwoordt. Men zei ook mij, dat hij een ongemeene vriendschap
5224
opgevat heeft voor een zwarten, vuilen bedelaar, die met een aapje
5225
de aalmoes vroeg, dat hij hem tot kardinaal gemaakt heeft en dat hij
5226
ziek is als hij hem een dag niet ziet.
5227
 
5228
--Drink, sprak zij, en spreek niet zoo luide.
5229
 
5230
--Men zei ook, vervolgde Uilenspiegel, dat hij eens vloekte als een
5231
soldenier, toen hij een kouden pauw niet terugvond, dien hij had doen
5232
wegzetten voor zijn avondmaal, en dat hij sprak: Ik, de stadhouder
5233
Gods, mag wel vloeken om een pauw, wanneer mijn meester grammoedig
5234
om eenen appel was! Gij ziet liefste, dat ik den paus ken en weet
5235
wie hij is.
5236
 
5237
--Laas! zegde zij, spreek daarvan aan anderen niet. Maar gij zult
5238
hem niet zien.
5239
 
5240
--Ik zal hem spreken, zei Uilenspiegel.
5241
 
5242
--Als gij dát kunt, betaal ik U honderd florijnen.
5243
 
5244
--Ik heb ze gewonnen! sprak Uilenspiegel.
5245
 
5246
Hoewel zijne beenen vermoeid waren, doorliep hij 's anderen daags
5247
de stad en vernam hij, dat de paus dien dag de misse zou lezen in de
5248
kerk van San Giovanni in Laterano. Uilenspiegel toog er henen, ging
5249
zoo dicht bij den paus staan als hij kon, en telkens dat de paus den
5250
kelk of de hostie ophief, keerde Uilenspiegel den rug naar het autaar.
5251
 
5252
De paus was bijgestaan door een schelmschen, zwaarlijvigen kardinaal,
5253
die, met een aapje op den schouder, het volk het sacrament gaf,
5254
met menigvuldige ontuchtige gebaren daarbij. Hij deed den paus de
5255
handelwijze van Uilenspiegel kennen, en als de misse gedaan was,
5256
kwamen vier groote pijkeniers zich meester maken van den pelgrim.
5257
 
5258
--Van welk geloove zijt gij? vroeg hem de paus.
5259
 
5260
--Van hetzelfde als mijne hospita, Zeer Heilige Vader, antwoordde
5261
Uilenspiegel.
5262
 
5263
De paus ontbood de vrouwe.
5264
 
5265
--Wat gelooft gij? vroeg hij haar.
5266
 
5267
--Alles wat Uwe Heiligheid gelooft, antwoordde zij.
5268
 
5269
--En ik van 's gelijken, sprak Uilenspiegel.
5270
 
5271
De paus vroeg hem, waarom hij den rug naar het autaar gekeerd had.
5272
 
5273
--Ik voelde mij onweerdig het te aanschouwen, antwoordde Uilenspiegel
5274
deemoedig.
5275
 
5276
--Zijt gij pelgrim? vroeg hem de paus.
5277
 
5278
--Ja, sprak hij, en 'k kom uit Vlaanderen om vergiffenis voor mijne
5279
zonden te vragen.
5280
 
5281
De paus zegende hem en Uilenspiegel ging henen met de weerdin, die
5282
hem honderd florijnen telde. Met de tassche gevuld, verliet hij Rome
5283
om naar Vlaanderenland terug te keeren.
5284
 
5285
Maar zeven dukaten moest hij betalen voor het perkament, op hetwelk
5286
zijne vergiffenis geschreven stond.
5287
 
5288
 
5289
 
5290
 
5291
LIV.
5292
 
5293
Te dien tijde kwamen twee premonstratenzer broeders te Damme aflaten
5294
verkoopen. Boven hunne monnikspij, droegen zij een schoon fijn hemde,
5295
met kant bezet.
5296
 
5297
Aan de deur der kerke, bij helder weder, en onder 't portaal als het
5298
regenachtig was, hingen zij hun tarief uit; daarin gaven zij voor zes
5299
duiten, voor een oortje, voor een half pond parisis, voor zeven, voor
5300
twaalf karolusgulden, honderd, tweehonderd, driehonderd, vierhonderd
5301
jaar aflaat, en, al naarvolgens de prijzen, halven aflaat en vollen
5302
aflaat en de vergiffenis voor de afschuwelijkste schelmstukken, ja
5303
zelfs voor het koesteren van begeerten ten opzichte van de Heilige
5304
Maagd. Maar dát kostte zeventien gulden.
5305
 
5306
Aan de klanten die betaalden, stelden zij kleine stukjes perkament
5307
ter hand, op dewelke het cijfer van de jaren aflaat geschreven was. En
5308
daaronder stond het opschrift:
5309
 
5310
 
5311
      Is er iemand die niet en wil zijn
5312
        Gebraeden ofte geroosterd fijn,
5313
      Bij duizend jaer in 't vaegevuer,
5314
    Of in de Helle voor allen duer,
5315
      Hij coope de aflaten maer
5316
      De gratiën en de kwijtscheldingen te gaer
5317
        Voor ietswat geld ende goed:
5318
      God hem dan het loonen moet.
5319
 
5320
 
5321
En er kwamen koopers van tien uren in 't ronde.
5322
 
5323
Een van de goede broeders preekte dikwijls voor het volk; hij had
5324
roode kaken en een driedubbele kin.
5325
 
5326
--Ongelukkige! sprak hij, een of anderen zijner toehoorders beziende;
5327
ongelukkige! daar zijt gij in de helle! Het vuur verbrandt u
5328
wreedelijk: men legt u te koken in een ketel vol vet, in denwelken
5329
men oliekoekjes voor Astarte bakt; gij zijt niets meer dan eene worst
5330
in Lucifer's panne, een hamelbout in die van Gielgirot, den grooten
5331
duivel, want men snijdt u eerst aan stukken! Zie nu dien grooten
5332
zondaar, die de aflaten versmaadde; zie dien schotel stoverije: hij
5333
is 't, hij is 't, zijn goddeloos lichaam, zijn vermaledijd lichaam
5334
is vaneengekookt tot eene brij. En met welke saus! sulfer, pek en
5335
teer! En al die arme zondaren worden alzoo opgegeten om opnieuw tot
5336
hunne smerte in 't leven te komen. En 't is een gedurig geween en
5337
tandengeknars. Ontferm U onzer, genadige God! Ja, daar ligt gij in de
5338
helle, arme verdoemde, al die smerten te lijden. Zoo men voor u maar
5339
éénen denier gaf, dan zoudt gij bereids verlichting aan de rechterhand
5340
gevoelen; met nog een halven denier bij, waren uwe twee handen uit
5341
het vuur. Maar de rest van uw lichaam? Voor één gulden slechts, zou
5342
de dauw des aflaats op u nedervallen. O, verkwikkende koelte! En in
5343
tien dagen, in honderd dagen, in duizend jaar, al naar gelang dat men
5344
betaalt, geen gebraad, geen oliekoekje, geen stoverije meer! En als
5345
't voor u niet is, zondaar, liggen er soms geen vrienden of magen
5346
van u, geene gade of geen liefje in de gruwelijke diepte des vuurs?
5347
 
5348
En dit zeggende, stiet de monnik met den elleboog tegen den broeder,
5349
die met een zilveren schotel naast hem stond. En op dat teeken sloeg
5350
de broeder de oogen neer en schudde devotelijk den schotel om het
5351
geld bij te roepen.
5352
 
5353
... Hebt gij, vervolgde de monnik, hebt gij in het helsche vuur
5354
soms geen zoon, geene dochter, geen kindje, dat gij lief hadt? Zij
5355
schreeuwen, zij weenen, zij roepen U. Zoudt gij doof blijven voor hun
5356
bange klachte? Dat kunt gij niet; uw hert van ijs gaat smelten, maar
5357
dat zal u een karolus kosten. En kijk, bij den klank van dien karolus
5358
op dit verachtelijk metaal ... (de andere monnik schudde nogmaals
5359
zijn schotel) maakt zich eene ruimte in het vuur, en stijgt de arme
5360
ziele tot aan den mond van eenen vuurberg. Daar is zij in de versche,
5361
in de vrije lucht! Waar zijn de smerten des vuurs? De zee is nabij,
5362
de arme ziele werpt er zich in, zij zwemt op den rug, op den buik, op
5363
de golven. Hoor, hoe zij schreeuwt van vreugde, zie, hoe zij duikelt
5364
in 't water! De engelen bezien haar en zijn gelukkig. Zij wachten
5365
heur, maar zij kan uit het water niet weg, zoo goed, zoo koel is het
5366
daar. Zij weet niet, de arme ziele, dat daarboven heerlijke geurige
5367
baden heur wachten, in dewelke groote stukken kandijsuiker drijven,
5368
en die koel zijn als ijs. Daar komt een haai: zij vreest hem niet. Zij
5369
klimt op zijnen rug, maar hij voelt heur niet; zij wil met hem in
5370
't diepste der zee dringen. Zij gaat er de zeenimfen groeten, die
5371
waterzooi eten in koralen ketels en versche oesters in perelmoeren
5372
tellooren. En zij wordt goed ontvangen, onthaald en gevierd; de engelen
5373
roepen heur altijd omhoog. Gansch verkwikt, gelukkig, begint zij te
5374
zingen als een leeuwerik en vliegt zij naar 't hoogste der hemelen,
5375
alwaar God glorierijk op Zijnen troon is gezeten. Zij vindt daar al
5376
heure vrienden en magen terug, behalve diegenen, die de aflaten en
5377
Onze Moeder de Heilige Kerke versmaadden en branden in het diepste
5378
der helle. En dat voor altijd, altijd, altijd, in de eeuwigheid der
5379
eeuwigheden. Maar de andere ziele, zij is bij den Heere; zij verkwikt
5380
zich in welriekende baden en knabbelt kandijsuiker. Koopt aflaten,
5381
mijne broeders: men heeft er tegen alle prijzen, tegen dukaten,
5382
tegen gouden florijnen, Engelsche sovereings! Kopergeld wordt niet
5383
versmaad. Koopt! koopt! alhier is de heilige winkel; armen en rijken
5384
worden gediend, maar krediet geeft men niet, mijne broeders, want
5385
koopen zonder klinkende munt is eene misdaad in de oogen van den Heer."
5386
 
5387
De broeder, die niet preekte, rammelde met den schotel. Guldens,
5388
dukaten, lammeren, oortjes, stuivers en deniers vielen er in als
5389
hagelsteenen.
5390
 
5391
Klaas, die nu geld had, betaalde een gulden voor tienduizend jaar
5392
aflaat. De monniken gaven hem daarvoor een stuksken perkament.
5393
 
5394
Eindelijk ziende, dat er in Damme niemand overbleef dan de
5395
hertevreters, die geen aflaten zouden koopen, trokken de beide broeders
5396
naar Heist.
5397
 
5398
 
5399
 
5400
 
5401
LV.
5402
 
5403
Gekleed met zijne pelgrimspij en met eene absolutie in regel op zak,
5404
verliet Uilenspiegel de heilige stede. Hij ging recht voor zich en
5405
kwam te Bamberg, waar de smakelijkste groenten der wereld zijn.
5406
 
5407
Hij kwam in eene afspanning, waar een vroolijke weerdinne hem vroeg:
5408
 
5409
--Jonge meester, wilt gij eten voor uw geld?
5410
 
5411
--Ja, sprak Uilenspiegel. Maar voor hoeveel eet men hier?
5412
 
5413
De hospita sprak:
5414
 
5415
--Aan de tafel der heeren eet men voor zes gulden; aan de tafel der
5416
poorters voor vier, en aan de huistafel voor twee.
5417
 
5418
--Hoe meer, hoe liever! antwoordde Uilenspiegel.
5419
 
5420
Hij ging dus aan de tafel der heeren zitten. Als hij wel zijne bekomst
5421
en zijn maal met Rijnwijn begoten had, sprak hij tot de weerdin:
5422
 
5423
--Bazin, ik heb goed gegeten voor mijn geld: geef mij mijne zes gulden.
5424
 
5425
De weerdinne sprak:
5426
 
5427
--'t Is om te lachen, zeker! Betaal mij maar gauw!
5428
 
5429
--Liefste bazinne, antwoordde Uilenspiegel, gij ziet er geen slechte
5430
betaalster uit; integendeel, gij ziet er zoo eerlijk, zoo rechtschapen
5431
uit, dat gij mij nog liever achttien gulden zoudt geven, dan mij de
5432
zes te weigeren die gij mij schuldig zijt. Wat schoone oogen! 't is
5433
de zonne, die mij bestraalt, die mijne liefde hooger doet schieten dan
5434
't hondsgras in een verlaten kluis.
5435
 
5436
De weerdinne sprak:
5437
 
5438
--Ik heb geen zaken noch met uwe liefde noch met uw hondsgras, betaal
5439
mij en trek op!
5440
 
5441
--Optrekken, sprak Uilenspiegel, en u niet meer zien. 'k Zei nog
5442
liever vaarwel aan 't leven. Bazinne, zoete bazinne, ik, arme pelgrim,
5443
pleeg niet voor zes gulden te eten; ik heb mij vol gepropt en straks
5444
laat ik de tong hangen als een hond in de zonne: wil mij betalen, ik
5445
verdiende eerlijk de zes gulden door het lastige werk mijner tanden;
5446
geef ze mij, en 'k zal u streelen, u zoenen, u kussen, met meer vuur
5447
dan wel zeven en twintig minnaars te zamen.
5448
 
5449
--Zoo spreekt gij voor 't geld, antwoordde zij.
5450
 
5451
--Moet ik u voor niets opeten? vroeg hij.
5452
 
5453
--Neen, sprak zij, hem afwerend.
5454
 
5455
--Ah! zuchtte hij, steeds naderend, uwe huid is als room zoo zacht,
5456
uw haar als gebraden fazant, en uwe lippen als rijpe kersen! Maar
5457
zijn er lekkerder kersen dan gij?
5458
 
5459
--Ik vind het goed, leelijke stouterik, sprak zij glimlachend, mij op
5460
den koop toe nog zes gulden te vragen! Wees tevreden dat ik u eten gaf,
5461
zonder betaling te eischen.
5462
 
5463
--Wist gij, sprak Uilenspiegel, hoeveel plaats er nog is!
5464
 
5465
--Vertrek, sprak de hospita, eer mijn man komt!
5466
 
5467
--Zie, sprak Uilenspiegel, ik zal een redelijke schuldeischer zijn,
5468
geef mij slechts één gulden voor den dorst, die zal komen.
5469
 
5470
--Daar, stouterik, sprak zij.
5471
 
5472
En zij gaf hem een gulden.
5473
 
5474
--Mag ik nog terugkomen? vroeg Uilenspiegel.
5475
 
5476
--Wilt gij wel heengaan! sprak zij.
5477
 
5478
--Wél heengaan, zei Uilenspiegel, dat ware naar u toe gaan, maar 't
5479
is een slecht heengaan, die schoone oogen te moeten verlaten. Als ge
5480
mij wilt houden, zal ik alle dagen maar voor één gulden eten....
5481
 
5482
--Moet ik een stok nemen?
5483
 
5484
--Wilt gij den mijnen? antwoordde Uilenspiegel.
5485
 
5486
Zij lachte, maar hij moest henengaan.
5487
 
5488
 
5489
 
5490
 
5491
LVI.
5492
 
5493
Rond dien tijd kwam Lamme Goedzak weder te Damme wonen, mits het land
5494
van Luik niet meer rustig was, ter oorzake van de ketterij. Zijne
5495
vrouw kwam volgeerne mede, omdat de Luikenaars, spotters van nature,
5496
lachten met Lamme's lamlendigheid.
5497
 
5498
Lamme ging dikwijls bij Klaas, die sedert hij geërfd had, veel in de
5499
taveerne den Blauwen Toren verbleef, alwaar hij eene tafel gekozen had
5500
voor zich zelven en zijne gezellen. Aan de naburige tafel zat een man
5501
profijtelijk zijn kapperken te drinken; 't was Judocus Grijpstuiver,
5502
de gierige deken der vischverkoopers, die niets dan haring at en
5503
meer van zijn geld hield dan van zijner ziele zaligheid. Klaas droeg
5504
in zijn tassche het stuk perkament, op hetwelk zijn aflaat van tien
5505
duizend jaar geschreven stond.
5506
 
5507
Op een avond dat hij met Lamme Goedzak, Jan van Roosebeke en Mathijs
5508
van Assche in den Blauwen Toren zat, en Judocus Grijpstuiver er ook
5509
was, ging Klaas lustig aan 't drinken; Jan van Roosebeke zegde tot hem:
5510
 
5511
--'t Is zonde Gods van zoo te drinken!
5512
 
5513
Klaas antwoordde:
5514
 
5515
--Voor elk pintje te veel brandt men maar een halven dag. En 'k heb
5516
tienduizend jaar aflaat in mijn tassche. Wie wil er honderd jaar,
5517
om zonder vrees voor de pijnen der hel, den god Bacchus te dienen?
5518
 
5519
Allen riepen:
5520
 
5521
--Hoeveel vraagt gij er voor?
5522
 
5523
--Eene pinte, antwoordde Klaas, maar honderd vijftig jaar geef ik
5524
voor eene portie konijn.
5525
 
5526
En een ieder kwam bij en betaalde aan Klaas pinten, kuite en
5527
muskens, hesp en konijn, en voor een ieder sneed hij een stuksken
5528
perkament. Doch 't was niet Klaas die alles at en dronk, maar wel
5529
Lamme Goedzak, dewelke at dat hij oogenschijnlijk opzwol, terwijl
5530
Klaas met zijne waar de taveerne rondging.
5531
 
5532
Grijpstuiver keerde zijn schrokkig gezicht naar hem.
5533
 
5534
--Kunt gij tien dagen missen? vroeg hij.
5535
 
5536
--Neen, antwoordde Klaas, dat is moeilijk om passen.
5537
 
5538
Iedereen lachte, en Grijpstuiver kropte zijne woede op.
5539
 
5540
Toen trok Klaas naar zijne hut, gevolgd door Lamme, die stapte alsof
5541
hij wollen beenen aan zijn lijf had.
5542
 
5543
 
5544
 
5545
 
5546
LVII.
5547
 
5548
Rond het einde van heur derde jaar ballingschap, keerde Katelijne te
5549
Damme terug naar heur huis. En gedurig sprak zij uitzinnig: "Vuur op
5550
het hoofd, de ziele klopt, maakt een gat, zij wil er uit". En altijd
5551
vluchtte zij weg, bij het zien van ossen en schapen. En zij zette
5552
zich neer op de bank onder de linden achter heure hut, en schudde
5553
het hoofd, terwijl zij, zonder ze te herkennen, die van Damme bekeek,
5554
dewelke tot elkander lispten: "Daar is de zottinne".
5555
 
5556
Doch reizend over velden en wegen, zag Uilenspiegel een ezel, getuigd
5557
met leder en koperen nagelen, en den kop versierd met roodwollen
5558
kwasten en kwispels.
5559
 
5560
Eenige oude wijven stonden rond den ezel en zeiden, allen te gelijk
5561
sprekend: "Niemand mag hem vastnemen; 't is het afgrijselijke rijbeest
5562
van den grooten toovenaar, den baron von Raiz, die levend verbrand
5563
werd, om acht kinderen aan den duivel geofferd te hebben.--Zoo rap is
5564
hij gevlucht, dat niemand hem krijgen kon; Satan houdt de hand boven
5565
zijnen kop.--Want terwijl hij, vermoeid op den weg, een oogenblik
5566
stilstond om adem te halen, zijn de stadsserjanten gekomen om hem te
5567
pakken, maar hij balkte en sloeg zoo geweldig met zijne achterpooten,
5568
dat zij niet naderen dorsten.--En 't is niet 't gebalk van een ezel,
5569
maar 't gebalk van een duivel.--Men heeft hem dus distelen laten
5570
eten zonder hem voor de vierschaar te dagen of als toovenaar levend
5571
te branden?--Die mannen, die mannen, zij hebben geen greintje moed
5572
in hun lijf".
5573
 
5574
Niettegenstaande al deze schoone reden, namen allen schreeuwend de
5575
vlucht, zoodra de ezel de ooren spitste of met den steert zijne zijden
5576
sloeg; en tienmaal kwamen zij aldus nader al kakelend en snaterend,
5577
om tienmaal weder de vlucht te nemen.
5578
 
5579
Maar Uilenspiegel zag haar van verre en sprak lachend tot zich zelven:
5580
 
5581
--Zie ze parlesanten! Hoe ouder ze zijn, hoe meer ze babbelen: de
5582
jongeren zitten meer met minnarijen in 't hoofd.
5583
 
5584
Den ezel beziende, ging hij voort:
5585
 
5586
--Dat betooverde grauwtje staat goed op zijne pooten, dunkt mij;
5587
ik ga het ergens berijden of verkoopen.
5588
 
5589
Zonder een woord te spreken, kocht hij een maatje haver, hetwelk
5590
hij den ezel vóór zette. Hij sprong vervolgens gezwind op den rug
5591
van het dier, nam den teugel vast, keerde zich naar het Noorden,
5592
het Oosten en het Westen en zegende de oude wijven. Dezen, van schrik
5593
bevangen, vielen op de knieën, en 's avonds vertelden zij aan den hoek
5594
van den heerd, dat een engel verschenen was met een vilten hoed met
5595
fazanteveeren en heur allen gezegend had en dat hij, door bijzondere
5596
gunste van God, weggereden was op den ezel des toovenaars.
5597
 
5598
En Uilenspiegel ging met zijn ezel te midden van malsche beemden, waar
5599
peerden huppelden, en koeien en veerzen loom in de zonne herkauwden.
5600
 
5601
En hij heette hem Jef.
5602
 
5603
De ezel was blijven staan en deed zich deugd aan de distelen. Somwijlen
5604
nochtans, huiverde hij over gansch zijne huid en sloeg hij met den
5605
steert op zijne zijden om de vraatzuchtige horzels te verdrijven die,
5606
evenals hij, wilden eten, doch van zijn vleesch en zijn bloed.
5607
 
5608
Uilenspiegel, wiens maag naar eten riep, was weemoedig en sprak:
5609
 
5610
--Gij zoudt wel gelukkig zijn, mijnheer de ezel, zoo gij kondt blijven
5611
smullen zonder dat iemand u stoort en u herinneren komt dat gij
5612
sterfelijk zijt, dat wil zeggen geboren om te lijden en te verduren.
5613
 
5614
... Evenals gij, vervolgde hij, heeft de man met de Heilige Muil zijne
5615
horzel en dat is mijnheer Luther; en Zijne Genadige Majesteit Karel
5616
heeft ook de zijne, dat is messire Frans de eerste, de koning met
5617
zijn langen neus en zijn nog langeren degen. Ik, arme zwerveling,
5618
mag dus ook mijne horzel wel hebben, mijnheer de ezel. Laas! in
5619
al mijne zakken zijn gaten, en langs de gaten schaveelen dukaten,
5620
guldens en daalders, gelijk een legioen muizen die vluchten voor den
5621
klauw eener kat. Ik weet niet waarom het geld van mij niet houdt,
5622
ik houde nochtans zooveel van het geld. 't Is eene leugen, dat de
5623
Fortuin eene vrouw is, want zij bemint maar de oude gierigaards, die
5624
haar vrekkig sluiten in kisten, in koffers, in zakken, en haar nooit
5625
met het tipje van heur gouden neusje aan 't venster laten komen. Dat
5626
is de horzel die mij bijt en mij knaagt, die mij kittelt zonder mij
5627
te doen lachen. Maar gij luistert niet, mijnheer de ezel, gij denkt
5628
maar aan eten. Ha! buikvuller, uwe lange ooren blijven doof voor den
5629
kreet mijner ledige maag. Aanhoor mij, ik wil het!
5630
 
5631
En hij zweepte hem. De ezel begon te balken.
5632
 
5633
--Laat ons gaan, nu gij gezongen hebt, sprak Uilenspiegel.
5634
 
5635
Maar de ezel verroerde zich niet meer dan een paal en scheen van zins
5636
al die distelen van den weg tot de laatste naar binnen te jagen. En
5637
hij sloeg er geen enkele over.
5638
 
5639
Dat ziende, steeg Uilenspiegel af; hij sneed een bussel distelen,
5640
stak die onder den bek van den ezel en mende dezen bij den neus tot
5641
op het grondgebied van den landgraaf van Hessen.
5642
 
5643
--Mijnheer de ezel, sprak Uilenspiegel onderweg, gij loopt achter
5644
mijn bos distelen en versmaadt de lekkere planten waarmede de lange
5645
weg volstaat. Gij zijt lijk de mannen die loopen achter eenen bos
5646
roem, eenen bos gewin, eenen bos liefde, dien de Geluksgodin onder
5647
hunnen neus steekt. Op het einde van den weg zien zij, gelijk gij,
5648
dat de nagejaagde buit weinig weerde heeft, terwijl zij onderweg èn
5649
rust èn werk èn gezondheid lieten.
5650
 
5651
Aldus met zijn ezel klappend, bereikte Uilenspiegel het kasteel van
5652
den landgraaf.
5653
 
5654
Twee kapiteins der boogschutters speelden op de trap met dobbelsteenen.
5655
 
5656
Een hunner, ros van haar en groot van gestalte, bezag Uilenspiegel,
5657
die zediglijk op Jef zat en hen aankeek.
5658
 
5659
--Wat wilt gij, met uwe hongerige en reizende tronie? sprak hij.
5660
 
5661
--'k Heb inderdaad honger, antwoordde Uilenspiegel, en reize geenszins
5662
voor mijn vermaak.
5663
 
5664
--Zoo gij honger hebt, sprak de kapitein, kunt gij met den hals de
5665
koorde opeten, die zwiert aan de eerste galge die gij ontmoet.
5666
 
5667
--Heer kapitein, antwoordde Uilenspiegel, als gij mij de schoone gouden
5668
koorde geeft die rond uwen hoed ligt, zal ik mij met de tanden gaan
5669
ophangen aan die vette hesp, die ginder bij dien spekslachter zwiert.
5670
 
5671
--Van waar komt gij? vroeg de kapitein.
5672
 
5673
--Uit Vlaanderen, was 't antwoord van Uilenspiegel.
5674
 
5675
--Wat wilt gij?
5676
 
5677
--Aan Zijne Landgrafelijke Hoogheid eene schilderij van mijne hand
5678
toonen.
5679
 
5680
--Kom binnen, als gij een schilder en van Vlaanderen zijt, sprak de
5681
kapitein, ik zal u bij mijnen meester brengen.
5682
 
5683
Toen Uilenspiegel bij den landgraaf was, groette hij hem drie reizen
5684
en nog meer.
5685
 
5686
--Uwe Hoogheid, sprak hij, verweerdige mij aan zijne edele voeten eene
5687
schilderij neder te leggen, die ik voor hem maakte, en op dewelke
5688
ik het konterfeitsel verbeeldde van de Allerheiligste Maagd Maria,
5689
in haren vorstelijken dos.
5690
 
5691
... Die schilderij zal misschien de eer hebben Uwe Hoogheid te
5692
bevallen, vervolgde hij, in welk geval ik mij vermete te hopen het
5693
ambt te verkrijgen van schilder Uwer Grootmoedigheid.
5694
 
5695
De landgraaf bezag het doek, dat goed gemaald was, en sprak:
5696
 
5697
--Gij zult onze schilder zijn; neem plaats in dien zetel.
5698
 
5699
En Uilenspiegel kuste hem op beide wangen en nam plaats in den zetel.
5700
 
5701
--Gij ziet er niet rijk uit, sprak de landgraaf.
5702
 
5703
Uilenspiegel antwoordde:
5704
 
5705
--Inderdaad sire; Jef, mijn ezel kon distelen eten, doch drie dagen
5706
reeds leef ik van ellende en eet ik rook van hope.
5707
 
5708
--Straks krijgt gij beters, sprak de landgraaf lachend, maar waar is
5709
uw ezel?
5710
 
5711
Uilenspiegel antwoordde:
5712
 
5713
--Ik liet hem op de Groote Markt, rechtover 't kasteel Uwer Genade;
5714
ik ware gelukkig zoo Jef dezen nacht op stal was.
5715
 
5716
De edele landgraaf gebood dadelijk aan een zijner schildknapen den
5717
ezel van Uilenspiegel als zijn eigen beest te behandelen.
5718
 
5719
Weldra kwam het uur des avondmaals, dat een recht festijn was. En de
5720
spijzen rookten op tafel, en de wijn liep als een stroom door de kelen.
5721
 
5722
Uilenspiegel en de landgraaf werden zoo rood als hanen. Uilenspiegel
5723
was vol vreugd, maar de landgraaf bleef nadenkend.
5724
 
5725
--Schilder, sprak hij eensklaps, gij zult mijn portret moeten maken,
5726
want 't is een groote voldoening voor een sterfelijken vorst, aan
5727
zijne nazaten de geheugenis zijner trekken te laten.
5728
 
5729
--Sire, antwoordde Uilenspiegel, uw wensch is mijn wil, maar 't
5730
schijnt mij, nietsweerdige, dat uwe Edelheid in de toekomende eeuwen
5731
niet veel genoegen zal smaken, zoo alleene op het doek te staan. Hij
5732
moet vergezelschapt wezen door zijne adellijke gemalinne, mevrouw de
5733
Landgravin, door zijne edelvrouwen en heeren, door zijne dapperste
5734
kapiteins, te midden waarvan zijne Hoogheid en Mevrouwe schitteren
5735
zullen als twee zonnen te midden van lanteernen.
5736
 
5737
--Inderdaad, antwoordde de landgraaf, en wat moet ik u betalen voor
5738
dat groot kunstwerk?
5739
 
5740
--Honderd gulden op voorhand of anderszins, antwoordde Uilenspiegel.
5741
 
5742
--Hier zijn ze vooraf, sprak de edele landgraaf.
5743
 
5744
--Allergenadigste heer, hernam Uilenspiegel, gij giet olie in mijne
5745
lamp, ze zal branden te uwer eere.
5746
 
5747
's Anderen daags vroeg hij aan den landgraaf de hovelingen vóór
5748
hem te doen komen, welke de eer hadden hem op het doek te mogen
5749
vergezelschappen.
5750
 
5751
Toen kwam de hertog van Luneburg, hoofdman der landsknechten in dienst
5752
van den landgraaf. 't Was een dikke vent, die verging in zijn vet. Hij
5753
naderde Uilenspiegel en fluisterde hem deze woorden in 't oor:
5754
 
5755
--Als gij mij op de schilderij de helft van mijnen buik niet afneemt,
5756
laat ik u opknoopen door mijne soldaten.
5757
 
5758
En de hertog ging voort.
5759
 
5760
Toen kwam een lange dame, die een bochel op den rug had, terwijl haar
5761
borst plat was als het zwaard der wrekende gerechtigheid.
5762
 
5763
--Heer schilder, sprak zij, als gij mij langs voren geen twee bochels
5764
geeft, in stee van éénen langs achteren, doe ik u als giftmenger
5765
vierendeelen.
5766
 
5767
En de hofdame ging voort.
5768
 
5769
Vervolgens kwam een jonge eerejuffer die blond, frisch en lieftallig
5770
was, doch drie tanden miste in de bovenste rij.
5771
 
5772
--Heer schilder, sprak zij, als ge mij lachen doet en niet al mijne
5773
tanden laat zien, doe ik u in stukskens kappen door mijn minnaar,
5774
die daar staat.
5775
 
5776
En zij wees naar den kapitein van de boogschutters die den dag te
5777
voren op de trappen van het paleis met de dobbelsteenen speelde;
5778
daarop ging zij voort.
5779
 
5780
En allen gingen aldus hem voorbij; ten slotte bleef Uilenspiegel
5781
alleen met den edelen landgraaf.
5782
 
5783
--Als gij het ongeluk hebt, sprak de edele landgraaf, alle die lieden
5784
niet trouwelijk uit te schilderen, laat ik u het hoofd afkappen.
5785
 
5786
--Zonder hoofd, dacht Uilenspiegel, gevierendeeld, in stukskens
5787
gekapt of voor het minste gehangen, zal het veel voorzichtiger zijn,
5788
niemand te schilderen. Ik zal er over nadenken.
5789
 
5790
--Waar is de zaal op welker muren ik al die doorluchtige lieden moet
5791
malen? vroeg Uilenspiegel aan den landgraaf.
5792
 
5793
--Volg mij, sprak de landgraaf.
5794
 
5795
En hij bracht hem naar een ruime kamer met groote witte muren.
5796
 
5797
--Hier is zij, sprak hij.
5798
 
5799
--Het ware goed, zei Uilenspiegel, dat men vóór die muren groote
5800
gordijnen hing, om mijn schilderwerk te behoeden voor stof en voor
5801
de beleediging der vliegen.
5802
 
5803
--Dat zal geschieden, sprak de edele landgraaf.
5804
 
5805
Toen de gordijnen hingen, vroeg Uilenspiegel drie leerjongens, om
5806
zijne verven te malen, naar hij zeide.
5807
 
5808
Dertig dagen lang gastreerden Uilenspiegel en de leerjongens en lieten
5809
zij zich de fijne vleezen en de oude wijnen goed smaken. De landgraaf
5810
zorgde voor alles.
5811
 
5812
Doch den een en dertigsten dag stak hij zijn neus in de kamer, alwaar
5813
Uilenspiegel gezegd had, dat niemand mocht binnenkomen.
5814
 
5815
--Hewel, Thijl, sprak hij, waar zijn de portretten?
5816
 
5817
--Ze zijn verre, antwoordde Uilenspiegel.
5818
 
5819
--Mag ik ze zien?
5820
 
5821
--Nog niet.
5822
 
5823
Den zes en dertigsten kwam hij weer met zijn neus voor de deur.
5824
 
5825
--Hewel, Thijl? vroeg hij.
5826
 
5827
--Edele landgraaf, zij gaan op hun laatste.
5828
 
5829
Den zestigsten dag maakte de landgraaf zich kwaad en, de kamer
5830
binnentredend, sprak hij:
5831
 
5832
--Op staanden voet gaat gij mij het schilderwerk toonen.
5833
 
5834
--Ja, geduchte heer, sprak Uilenspiegel, maar gelief het gordijn niet
5835
te openen, alvorens de kapiteins en de edelvrouwen van uw hof hier
5836
binnen te roepen.
5837
 
5838
--Dat zij komen, sprak de edele landgraaf.
5839
 
5840
Op dit bevel traden allen binnen.
5841
 
5842
Uilenspiegel stond voor het dichtgesloten gordijn.
5843
 
5844
--Doorluchtige Landgraaf, sprak hij, en gij, mevrouwe de Landgravinne,
5845
en gij, hertog van Luneburg, en gij allen, schoone damen en
5846
dappere kapiteins, achter dit gordijn heb ik, op mijn beste, uw
5847
lieve of krijgshaftige gezichten geschilderd. Een iegelijk zal zich
5848
dadelijk herkennen. Gij zijt nieuwsgierig uw konterfeitsel te zien;
5849
't is redelijk, doch verweerdigt u geduld te nemen en laat mij nog
5850
een woord of vijf zeggen. Gij, schoone damen en dappere kapiteins,
5851
die allen van edelen bloede zijt, kunt mijn schilderwerk zien en
5852
bewonderen, maar mocht onder u zich iemand bevinden van onadellijk
5853
bloed, niets zou hij zien dan een witten muur. En nu, verweerdigt U
5854
uwe doorluchtige oogen te openen.
5855
 
5856
Uilenspiegel schoof het gordijn weg.
5857
 
5858
--Alleen de edelen kunnen iets zien; lieden van gemeene afkomst
5859
blijven blind voor dit kunststuk.
5860
 
5861
Al de hovelingen sperden de oogen open, gebaarden in bewondering
5862
te staan, zich zelven en anderen wederzijds te herkennen, doch in
5863
werkelijkheid zagen zij niets dan een naakten muur, hetwelk hen
5864
gansch onthutste.
5865
 
5866
Doch de nar die aanwezig was, sprong drie voet hoog, en, zijn
5867
narrenstok zwaaiend, sprak hij:
5868
 
5869
--Men mag mij uitmaken voor boer, en daarenboven voor schurk, voor
5870
deugniet, maar 'k zal het roepen en schreeuwen van de daken, dat ik
5871
daar een witte muur, een naakten muur, een blooten muur voor mijnen
5872
neus heb! Zoo helpe mij God en alle zijne santen.
5873
 
5874
Uilenspiegel sprak:
5875
 
5876
--Als de zotten spreken, is 't tijd dat de wijzen optrekken.
5877
 
5878
Hij wilde het paleis verlaten, als de landgraaf hem tegenhield.
5879
 
5880
--Snaak, sprak hij, die overal gaat en komt om het schoone en goede
5881
te prijzen en luidkeels te spotten met de dwaasheid; gij, die in
5882
tegenwoordigheid van zooveel grooten der aarde, als man uit het volk,
5883
zoo onbermhertig dorst spotten met hunne blazoenen en voorrechten,
5884
gij zult eens gehangen worden om uw stoute tong.
5885
 
5886
--Als de koord van goud is, antwoordde Uilenspiegel, zal zij breken
5887
van schrik als ze mij ziet komen.
5888
 
5889
--Daar, sprak de landgraaf, hem vijftien gulden in de hand stoppend,
5890
zie hier een stukje van de koorde!
5891
 
5892
--Hertelijk dank, genadige heer, antwoordde Uilenspiegel, elke
5893
afspanning van den weg krijgt er een vezel van, een gouden vezel,
5894
die al die dieven van weerden tot rijkaards maakt.
5895
 
5896
En hij sprong op den ezel en reed weg, met zijn hoedeken fier naar
5897
omhoog.
5898
 
5899
 
5900
 
5901
 
5902
LVIII.
5903
 
5904
De bladeren verdorden op de boomen en de Octoberwind begon te
5905
waaien. Soms was Katelijne gedurende eenige uren bij heur verstand. En
5906
Klaas zei dan dat de geest Gods heur in zijne zoete ontferming kwam
5907
bezoeken. In die oogenblikken had zij de macht, door woorden en
5908
gebaren, Nele te betooveren en dan zag het meisje, meer dan honderd
5909
uren verder, alles wat omging op pleinen, in straten of in huizen.
5910
 
5911
Op een dag dat Katelijne bij heure zinnen was en oliekoeken at, wel
5912
begoten met dobbele kuite, in gezelschap van Klaas, van Soetkin en
5913
Nele, sprak Klaas:
5914
 
5915
--'t Is heden de troonafstand van Zijne Heilige Majesteit keizer
5916
Karel. Zeg, Nele, liefste, zoudt gij tot Brussel, in Brabant,
5917
kunnen zien?
5918
 
5919
--Ja, zoo Katelijne wil, antwoordde Nele.
5920
 
5921
Katelijne deed het meisje op eene bank zitten en betooverde heur door
5922
woorden en teekenen, en Nele viel zachtjes in slaap.
5923
 
5924
Katelijne zegde heur:
5925
 
5926
--Ga in het kleine huis omtrent de Warande, het geliefkoosd verblijf
5927
van keizer Karel.
5928
 
5929
--Ik ben, sprak Nele stille, in een kleine kamer, groen
5930
geschilderd. Daar zit een man van vier en vijftig jaar, grijs en kaal,
5931
met blonden baard op een vooruitstekende kin, met onheilspellenden
5932
blik in zijne sluwe, wreede en listige oogen. Dien man heet men
5933
Heilige Majesteit. Hij is aamborstig en hoest. Naast hem zit nog
5934
een man, jonger, met een afschuwelijk gelaat gelijk een aap met een
5935
waterhoofd. Ik zag hem te Antwerpen, 't is koning Philippus. Zijne
5936
Heilige Majesteit verwijt hem, dat hij zeker weer bij eene of andere
5937
slet in eene kroeg van de benedenstad uitgeslapen heeft. Hij zegt hem
5938
dat zijn haar naar de taveerne riekt, en dit geen vermaak is voor een
5939
koning die te kiezen heeft tusschen de aanbiddelijkste vrouwen met
5940
satijnen huid, die uit geurige baden komen, wat beter is, zegt hij,
5941
dan een vuile smots die met moeite uit de armen komt van een dronken
5942
soldaat. Geene vrouw, onder de schoonsten en edelsten, 't zij maagd,
5943
gehuwd of weduw, zegt hij hem, zou hem willen wederstaan; trotsch
5944
zouden zij heure minnarijen verlichten met den gloed van wierookvaten,
5945
in stee van het walmende licht eener stinkende vetkeers.
5946
 
5947
De koning antwoordt Zijne Heilige Majesteit, dat hij hem in alles
5948
gehoorzaam zal wezen. Ik zie dat Zijne Heilige Majesteit een hoestbui
5949
krijgt en eenige slokken kruidenwijn drinkt.
5950
 
5951
Hij zegt tot Philippus: Aanstonds zullen voor Ons verschijnen de
5952
Staten-Generaal, prelaten, edelen en poorters: Oranje de Zwijger,
5953
Egmond de IJdele, Hoorn de Onbeminde, Brederode de Leeuw en
5954
allen die van het Gulden Vlies, van hetwelk ik u grootmeester zal
5955
maken. Honderden liefhebbers voor dat speelgoed zult gij zien die
5956
zich den neus zouden laten afsnijden, zoo zij het op den borst aan
5957
een gouden ketting mochten dragen, tot teeken van hoogen adel.
5958
 
5959
Op jammerenden toon vervolgt Zijne Heilige Majesteit tot koning
5960
Philippus: Gij weet mijn zoon, dat ik te uwen voordeele afstand doe,
5961
aan de wereld een grootsch schouwspel ga geven, en voor eene groote
5962
menigte spreken zal, hikkend en hoestend,--want wederom heb ik te
5963
veel gegeten, mijn zoon,--en gij zoudt een steenen hert moeten hebben,
5964
zoo gij, na mij aanhoord te hebben, niet eenige tranen wildet storten.
5965
 
5966
--Ik zal weenen, vader, antwoord koning Philippus.
5967
 
5968
Vervolgens spreekt Zijne Heilige Majesteit tot zijn dienstknecht
5969
Dubois.
5970
 
5971
--Dubois, zegt hij, geef mij een stukje suiker met Madeira: ik heb den
5972
hik. Als mij dat maar niet overkomt terwijl ik het woord voer. Zal
5973
die gans van gisteren dan nooit zakken? Als ik een beker wijn van
5974
Orléans dronk? Neen, die is te hard. Als ik eenige ansjovisjes at? Ze
5975
zijn zoo vettig. Dubois, geef mij een glas Romagne-wijn.
5976
 
5977
Dubois geeft aan Zijne Heilige Majesteit wat hij vraagt; vervolgens
5978
doet men hem een karmozijnpannen kleed en een gouden mantel aan;
5979
men gordt een zweerd om zijne lenden; in zijne handen steekt men den
5980
schepter en den wereldbol, op zijn hoofd zet men de krone.
5981
 
5982
Zijne Heilige Majesteit treedt uit het huis der Waranda, gezeten op een
5983
muilezel en gevolgd door koning Philippus en hooge personages. Zij gaan
5984
naar een groot gebouw, dat zij het Paleis heeten, en vinden daar in een
5985
kamer een rijkgekleeden, grooten mageren man, dien zij Oranje noemen.
5986
 
5987
Zijne heilige Majesteit spreekt dien man aan en zegt:
5988
 
5989
--Zie ik er goed uit, neef Willem?
5990
 
5991
--Maar de man geeft geen antwoord.
5992
 
5993
Daarop zegt Zijne Heilige Majesteit--half lachend, half grammoedig:
5994
 
5995
--Neef, zult gij dan altijd zwijgen, zelfs om aan een oude pruik de
5996
waarheid te zeggen? Moet ik nog regeeren of moet ik afstand doen,
5997
Zwijger?
5998
 
5999
--Heilige Majesteit, antwoordt de magere man, als de winter daar is,
6000
laten de sterkste eiken hunne bladeren vallen.
6001
 
6002
Drie uren slaat de klok.
6003
 
6004
--Zwijger, zegt hij, leen mij uwen schouder, dat ik er op leune.
6005
 
6006
En Zijne Majesteit gaat met hem en zijn gevolg een groote zaal binnen,
6007
zet zich neder onder een verhemelte, behangen met karmozijnzijde. Daar
6008
zijn drie stoelen. Zijne Heilige Majesteit neemt den middelste,
6009
die schooner en hooger is dan de andere en waarop een keizerlijke
6010
kroon prijkt; koning Philippus neemt den tweede, en de derde is voor
6011
eene vrouwe, ongetwijfeld eene koningin. Rechts en links zitten,
6012
op gestoffeerde banken, mannen in 't rood gekleed, die om den hals
6013
een gulden schaap dragen. Achter hen staan meerdere personages, die
6014
zeker heeren en prinsen zijn. Rechtover Zijne Heilige Majesteit,
6015
een paar treden lager, zitten in laken gekleede mannen op houten
6016
banken. Ik hoor hen zeggen dat zij zoo zediglijk gekleed en gezeten
6017
zijn, omdat zij alleen alle lasten betalen. Iedereen is rechtgestaan
6018
als Zijne Heilige Majesteit binnenkwam, doch weldra zette hij zich
6019
neer en deed hij iedereen teeken hetzelfde te doen.
6020
 
6021
Langen tijd spreekt hij over het jicht, daarna overhandigt de vrouw,
6022
die eene koningin schijnt te wezen, Zijne Heilige Majesteit eene rol
6023
perkament, waarop dingen geschreven staan die Zijne Heilige Majesteit
6024
hoestend en met zwakke stemme afleest:
6025
 
6026
--Ik heb menigvuldige reizen gedaan in Spanje, in Italië, in de
6027
Nederlanden, in Engeland en in Afrika, dit alles voor de glorie Gods,
6028
den roem mijner wapenen en het welzijn mijner volkeren.
6029
 
6030
Ten slotte zegt hij dat hij zwak en vermoeid is, en dat hij de kroon
6031
van Spanje, de graafschappen, hertogdommen, heerlijkheden van deze
6032
landen wil leggen in de handen van zijnen zoon Philippus.
6033
 
6034
Hij weent en allen weenen mede.
6035
 
6036
Nu staat koning Philippus recht en, op de knieën vallend, roept
6037
hij uit:
6038
 
6039
--Heilige Majesteit, is het mij toegelaten die krone uit uwe handen
6040
te ontvangen, terwijl gij nog zoo bekwaam zijt die met eere te dragen?
6041
 
6042
Zijne Heilige Majesteit fluistert hem toe een welwillende aanspraak
6043
te houden tot de mannen, die op de gestoffeerde banken zitten.
6044
 
6045
Koning Philippus keert zich naar hen en zegt op gemelijken toon,
6046
zonder recht te staan:
6047
 
6048
--Ik ken tamelijk goed Fransch, doch niet genoeg om het woord tot
6049
ulieden te richten. Gij zult hooren wat de bisschop van Atrecht,
6050
mijnheer Granvelle, u mijnentwege zal zeggen.
6051
 
6052
--Slecht geproken, mijn zoon, lispt Zijne Heilige Majesteit.
6053
 
6054
En inderdaad, de vergadering mompelt, als zij den jongen koning zoo
6055
fier en zoo trotsch ziet. De vrouwe, die de koningin is, spreekt mede
6056
zijnen lof; nu komt de beurt aan een ouden doctor en als deze gesproken
6057
heeft, geeft Zijne Heilige Majesteit een teeken van dankzegging. Als
6058
die aanspraken en plechtigheden gedaan zijn, verklaart Zijne Heilige
6059
Majesteit zijne onderzaten ontslagen van hunnen eed van getrouwheid;
6060
hij teekent de akten, stapt van zijnen troon en doet er Philippus op
6061
plaats nemen. En iedereen weent. Vervolgens trekken zij terug naar
6062
het huis der Warande.
6063
 
6064
Daar zijn zij weder getweeën in de groene kamer; zijne Heilige
6065
Majesteit schaterlacht en zegt tot koning Philippus, die niet lacht:
6066
 
6067
--Hebt gij gezien hoe gauw men met spreken, hikken en lachen die
6068
menschen verteedert? Wat tranenvloed! En die dikke Maes die, op 't
6069
einde zijner aanspraak, begon te weenen gelijk een kind. Gij zelf
6070
scheent ontroerd, doch niet genoegzaam. Dat zijn de vertooningen die
6071
't volk moet hebben. Wij mannen, hebben die minnaressen 't liefst,
6072
die ons 't duurst kosten. En zoo ook is het volk. Hoe meer wij
6073
ze doen betalen, hoe liever ze ons zien. In Duitschland duldde ik
6074
den hervormden eeredienst, dien ik in de Nederlanden strengelijk
6075
strafte. Als de prinsen van Duitschland katholiek geweest waren, dan
6076
ware ik Lutheraan geworden om hunne goederen verbeurd te verklaren. Zij
6077
denken dat mijn ijver voor 't Roomsch geloove oprecht is, en 't spijt
6078
hun dat ik hen verlaat. Door mijn toedoen zijn, in de Nederlanden,
6079
uit hoofde van ketterije, vijftig duizend hunner dapperste mannen en
6080
bevalligste meidekens om hals gebracht. Zonder de verbeurdverklaringen
6081
te rekenen, deed ik hun meer schattingen en beden betalen dan Indië
6082
en Peru samen: zij zijn droef mij te verliezen. Ik heb den vrede van
6083
Cadzand gescheurd, Gent, de fiere stad, getemd, uit den weg geruimd wat
6084
mij hinderen kon; vrijheden, keuren en privileges, alles is onderworpen
6085
aan 't gezag van de keizerlijke ambtenaren. Die goede menschen wanen
6086
zich vrij, omdat ik hun toelaat boogschietingen te houden en hunne
6087
gildevaandels plechtiglijk door de straten te dragen. Zij voelen mijn
6088
meesterschap; in eene kevie gestoken, bevinden zij er zich goed: zij
6089
zingen en betreuren mij. Mijn zoon, wees met hen, lijk ik het was:
6090
zoet van woorden, ruw van daden; geef likjes zoolang gij niet bijten
6091
moet. Zweer, zweer altijd op hunne vrijheden, keuren en privileges,
6092
doch vernietig ze, zoodra ze u een gevaar kunnen worden. IJzer zijn
6093
zij, als men ze met schuchtere handen aanraakt, glas als men ze met
6094
een sterken arm breekt. Bestrijd de ketterije, niet om haar verschil
6095
met den Roomschen godsdienst, maar omdat zij, in de Nederlanden,
6096
eindigen zou met ons gezag te vernielen; zij die den Paus met zijne
6097
drie kronen aanvallen, zouden gauw gedaan krijgen met vorsten die er
6098
maar ééne dragen. Maak als ik van de vrijheid van geweten eene daad
6099
van majesteitsschennis, met verbeurte van goederen, en gij zult erven,
6100
gelijk ik heel mijn leven geërfd heb; en als gij hen zult verlaten
6101
om afstand te doen of te sterven, zullen zij zeggen: Heil! de goede
6102
vorst! En zij zullen weenen!
6103
 
6104
--En ik hoore niets meer, vervolgde Nele; Zijne Heilige Majesteit is
6105
op een praalbed gaan liggen en slaapt, en koning Philippus, trotsch
6106
en vermetel, staart hem koel en liefdeloos aan.
6107
 
6108
Op die woorden werd Nele gewekt door Katelijne.
6109
 
6110
En Klaas bleef, in gedachten verslonden, kijken naar de vlam die in
6111
den heerd flikkerde.
6112
 
6113
 
6114
 
6115
 
6116
LIX.
6117
 
6118
Uilenspiegel verliet den landgraaf van Hessen en besteeg zijn
6119
ezel. Toen hij over de Groote Markt reed, zag hij verbolgen gezichten
6120
van eenige heeren en damen, maar dat deerde hem niet.
6121
 
6122
Weldra kwam hij op het grondgebied van den hertog van Luneburg en
6123
ontmoette daar een troep Smadelijke Broeders, lustige Vlamingen van
6124
Sluis, die alle Zaterdagen geld uitlegden om eens per jaar eene reize
6125
in Duitschland te doen.
6126
 
6127
Zij zaten in een open wagen, bespannen met een kloek peerd uit het
6128
Veurne--Ambacht, en zoo reden zij zingend en juichend door de wegen
6129
en sompen van het hertogdom Luneburg. Er waren er die op de pijp,
6130
de schalmeie, den vedel, den doedelzak speelden, en dat alles maakte
6131
groot lawaai. Naast den wagen liep veeltijds een dikzak die op een
6132
rommelpot speelde, in de hope wat te vermageren.
6133
 
6134
Zij waren aan hun laatsten gulden; als zij Uilenspiegel
6135
zagen komen, riepen zij hem eene afspanning binnen om hem te
6136
trakteeren. Uilenspiegel nam gereedelijk aan. Daar hij zag dat de
6137
Smadelijke Broeders tot elkaar knipoogden en heimelijk lachten,
6138
terwijl zij hem inschonken, begreep hij dat men hem eene poets wilde
6139
bakken. Hij ging buiten, doch bleef aan de deur luisteren. Hij hoorde
6140
den dikzak zeggen:
6141
 
6142
--'t Is de schilder van den landgraaf, die hem meer dan duizend gulden
6143
gaf om zijn portret te maken. Onthalen wij hem op bier en op wijn,
6144
en hij zal dobbel en dik tegenbetalen.
6145
 
6146
--Amen, zegden de anderen.
6147
 
6148
Uilenspiegel zadelde zijn ezel, bracht hem duizend passen verder,
6149
bij een pachter en gaf twee oortjes aan de meid om op het dier te
6150
letten. Vervolgens keerde hij terug naar de taveerne en zette zich neer
6151
bij de Smadelijke Broeders, zonder van iets te gebaren. Ze schonken
6152
hem in en betaalden 't gelag. Uilenspiegel liet de guldens van den
6153
landgraaf in zijne tassche rinkelen en zei, dat hij zoo even aan
6154
eenen boer zijnen ezel verkocht had voor zeventien zilveren daalders.
6155
 
6156
De dikzak die op den rommelpot speelde, ging bij den baas en sprak,
6157
naar Uilenspiegel wijzend:
6158
 
6159
--'t Is de schilder van den landgraaf, hij zal alles betalen.
6160
 
6161
Als de baas guldens en daalders in Uilenspiegel's tassche hoorde
6162
rammelen, bracht hij eten en drinken op tafel. Uilenspiegel
6163
liet het zich goed smaken. En altijd rinkelde het geld in zijne
6164
beurze. Menigwerf had hij ook op zijnen hoed geslagen en gezegd dat
6165
daar zijn grootste schat stak. Als de smulpartij twee dagen en eenen
6166
nacht geduurd had, zeiden de Smadelijke Broeders tot Uilenspiegel:
6167
 
6168
--Laat ons opkramen en 't gelag betalen.
6169
 
6170
Uilenspiegel antwoordde:
6171
 
6172
--Als een rat in een kaas zit, vraagt zij om ergens elders te gaan?
6173
 
6174
--Neen, spraken zij.
6175
 
6176
--En als een mensch goed eten en drinken heeft, vraagt hij naar het
6177
stof van de wegen of naar 't water van de grachten die vol echelen
6178
steken?
6179
 
6180
--Neen, spraken zij.
6181
 
6182
--Laat ons dus hier blijven, vervolgde Uilenspiegel, zoolang mijne
6183
guldens en daalders ons dienen tot trechters om de goddelijke dranken
6184
van den baas in onze kelen te gieten.
6185
 
6186
En hij zei tot den baas van nog wijn en nog worsten te brengen.
6187
 
6188
Terwijl zij aten en dronken, sprak Uilenspiegel:
6189
 
6190
--Ik betaal alles, nu ben ik eens de landgraaf. Als mijne beurze
6191
ledig was, wat zoudt gij doen, kameraden? Als dat ongeluk overkomt,
6192
neemt dan mijn vilten hoedeken: het steekt vol gouden karolussen.
6193
 
6194
--Laat ons eens tasten, spraken allen te gader.
6195
 
6196
En zuchtend, voelden zij tusschen hunne vingeren groote geldstukken
6197
die gouden karolussen moesten zijn. Doch een hunner bleef den hoed
6198
met zooveel vriendschap vasthouden, dat Uilenspiegel hem den hoed
6199
moest afnemen, zeggende:
6200
 
6201
--Ongeduldige koeier, wacht ten minste tot het uur van melken daar is.
6202
 
6203
--Geef mij de helft van uw hoedeken, sprak de Smadelijke Broeder.
6204
 
6205
--Neen, sprak Uilenspiegel, want schadelijk ware het voor uwe hersenen
6206
half in de zonne en half in de schaduw te loopen.
6207
 
6208
En, zijn hoofddeksel aan de baas gevend, sprak hij:
6209
 
6210
--Houd hem goed vast, het is wat te warm. Ik ga mij wat lichter maken.
6211
 
6212
Hij ging buiten en de baas hield het hoedeken vast.
6213
 
6214
Maar Uilenspiegel liep naar den boer, steeg op zijn ezel en sloeg
6215
den weg in naar Emden.
6216
 
6217
Als de Smadelijke Broeders, hem niet zagen terugkomen, zeiden zij
6218
tot elkander:
6219
 
6220
--Zou hij weg zijn? Wie zal dan 't gelag betalen?
6221
 
6222
De baas kreeg argwaan en sneed Uilenspiegels hoed middendoor.
6223
 
6224
Maar in stee van karolussen, vond hij tusschen het vilt en de voering
6225
niets dan kwade koperen penningen.
6226
 
6227
Toen voer hij heftig uit tegen de Smadelijke Broeders.
6228
 
6229
--Diefelijke broeders, gij gaat niet uit mijn huis, vóór dat gij mij
6230
al uwe kleederen gelaten hebt, behalve uwe hemde, sprak hij.
6231
 
6232
En zij moesten zich uitkleeden om hun gelag te betalen. In hun hemde
6233
reden zij aldus over velden en wegen, want zij hadden hun peerd noch
6234
hun wagen willen verkoopen.
6235
 
6236
En een iegelijk onderweg had medelijden met hen en gaf hun geerne wat
6237
brood, wat bier en soms ook een stuk vleesch; want overal zegden zij
6238
dat zij door dieven uitgeschud waren.
6239
 
6240
En zij hadden in 't gelijk maar ééne hooze.
6241
 
6242
Zoo kwamen zij naar Sluis terug, in hun hemde op de wagen dansend en
6243
op den rommelpot spelend.
6244
 
6245
 
6246
 
6247
 
6248
LX.
6249
 
6250
Intusschen reed Uilenspiegel op zijn ezel door de landen en sompen
6251
van den hertog van Lunenburg, het Watersignoorken, zooals de Vlamingen
6252
hem heetten.
6253
 
6254
Jef gehoorzaamde Uilenspiegel als een hondje, dronk bruinbier, danste
6255
beter dan een Hongaarsche dansmeester en legde zich, bij het minste
6256
teeken, op den rug met de vier pooten omhoog.
6257
 
6258
Uilenspiegel wist dat de hertog van Lunenburg--verbolgen omdat hij,
6259
te Darmstadt, in tegenwoordigheid van den landgraaf van Hessen, met
6260
hem den spot had gedreven--hem op straffe van den strop den toegang
6261
tot zijn grondgebied ontzegd had.
6262
 
6263
Plotseling zag Uilenspiegel Zijne Hertogelijke Hoogheid in persoon
6264
aankomen en mits hij zijn geweldig karakter kende, werd hij bang. Hij
6265
sprak tot zijn ezel:
6266
 
6267
--Jef, jongen, daar komt de hertog van Lunenburg. Aan den hals voel
6268
ik een groote krieuweling; nu, Jef, ik zou niet geerne gehangen
6269
worden. Gedenk dat wij broeders in ellende en in lange ooren zijn;
6270
gedenk ook welk een goeden vriend gij aan mij zoudt verliezen.
6271
 
6272
En Uilenspiegel wischte zich de oogen en Jef begon te balken.
6273
 
6274
--Wij leven samen gelukkig, vervolgde Uilenspiegel, of rampspoedig,
6275
naarvolgens de omstandigheden; gedenk dat, Jef!--De ezel balkte
6276
voort, want hij had honger.--En nooit zult ge mij vergeten, sprak
6277
zijn meester, want welke liefde is sterker dan die, welke dezelfde
6278
vreugde beleeft en denzelfden rampspoed beweent? Jef, jongen, gij
6279
moet u op den rug leggen.
6280
 
6281
De zachtaardige ezel deed wat zijn meester begeerde en de hertog zag
6282
hem met de vier pikkels omhoog liggen. Uilenspiegel zette zich neer
6283
op den buik van den ezel.
6284
 
6285
--Wat doet gij daar? sprak de hertog. Weet gij dan niet dat ik, bij
6286
mijn laatste plakkaat, u verboden heb uwe stoffige voeten in mijne
6287
gewesten te zetten?
6288
 
6289
Uilenspiegel antwoordde:
6290
 
6291
--Genadige heer, heb erbarming met mij.
6292
 
6293
En naar zijn ezel wijzend:
6294
 
6295
--Gij weet wel, heer, dat hij, die tusschen zijne vier palen woont,
6296
bij wet en recht immmer vrij is.
6297
 
6298
De hertog antwoordde:
6299
 
6300
--Verlaat mijne gewesten of gij zult sterven!
6301
 
6302
--Genadige heer, antwoordde Uilenspiegel, met een paar gulden zou ik
6303
er rapper buitenrollen.
6304
 
6305
--Nietdeug, sprak de hertog, het is u niet genoeg ongehoorzaam te zijn,
6306
ge vraagt er mij nog geld bij!
6307
 
6308
--Ik moet het wel vragen, heer, mits ik het niet nemen kan.
6309
 
6310
De hertog gaf hem een gulden.
6311
 
6312
Toen sprak Uilenspiegel tot zijn ezel:
6313
 
6314
--Jef, sta op en groet Zijne Hoogheid.
6315
 
6316
De ezel stond op en begon te balken. Toen gingen beiden hun weg.
6317
 
6318
 
6319
 
6320
 
6321
LXI.
6322
 
6323
Soetkin en Nele zaten aan een der vensteren van de hut en keken naar
6324
de straat. En Soetkin sprak tot Nele:
6325
 
6326
--Liefste, ziet gij mijn zoon Uilenspiegel niet komen?
6327
 
6328
--Neen, sprak Nele, dien leelijken landlooper zien wij nooit meer
6329
terug.
6330
 
6331
Nele, antwoordde Soetkin, gij moogt niet kwaad zijn, maar gij moet
6332
hem beklagen, omdat hij niet bij ons is, de arme jongen!
6333
 
6334
--Ik weet het, sprak Nele, maar hij heeft elders een huis, verre van
6335
hier, een huis, rijker dan 't zijne, waar hij zeker door een schoone
6336
dame getroeteld wordt.
6337
 
6338
--'t Ware gelukkig voor hem, zei Soetkin; daar eet hij misschien
6339
ortolanen.
6340
 
6341
--Dat men hem keien te eten gaf, zuchtte Nele, gauw zou hij hier zijn
6342
de slokker.
6343
 
6344
Soetkin lachte en zei:
6345
 
6346
--Van waar, liefste, die boosheid?
6347
 
6348
Maar Klaas, die stil in zijn hoekje mutsaards bond, antwoordde:
6349
 
6350
--Ziet gij dan niet dat Nele verliefd is?
6351
 
6352
--Wel, sprak Soetkin, wat doortrapte meid, die mij daar nooit een
6353
woord over sprak. Is 't waar, liefste, hebt gij er zin in?
6354
 
6355
--Geloof er niets van, sprak Nele.
6356
 
6357
--Gij zult, zei Klaas, een goeden man aan hem hebben, met een grooten
6358
mond, een hollen buik en een lange tonge, die van de guldens duiten
6359
zal maken en nooit een oortje van zijnen arbeid, een straatlooper en
6360
een nietdeug.
6361
 
6362
Doch, blozend en kwaad, antwoordde Nele:
6363
 
6364
--Waarom hebt gij hem niet anders gemaakt?
6365
 
6366
--Daar weent ze nu, sprak Soetkin, zwijg toch, man.
6367
 
6368
 
6369
 
6370
 
6371
LXII.
6372
 
6373
Als Uilenspiegel te Neurenberg kwam, gaf hij zich uit voor grootmeester
6374
in de medicijnen, overwinnaar van alle kwalen, wereldberoemd
6375
lichaamzuiveraar, die pest, koorts en alle ziekten verdreef.
6376
 
6377
In het gasthuis van die stad lagen zooveel zieken dat men ten einde
6378
raad was. De overste had de komst van Uilenspiegel vernomen; hij ging
6379
hem bezoeken en vroeg of hij werkelijk allerlei ziekten genezen kon?
6380
 
6381
--Uitgenomen de laatste, antwoordde Uilenspiegel; maar beloof mij
6382
tweehonderd gulden voor genezing der overigen; doch ik wil geen duit,
6383
als al uwe zieken niet zeggen, dat zij genezen zijn en het gasthuis
6384
kunnen verlaten.
6385
 
6386
's Anderen daags trad hij, met doctorale waardigheid de ziekenzaal
6387
binnen. Hij ging overal rond, bezocht elken zieke afzonderlijk en zei:
6388
 
6389
--Zweer mij dat gij aan niemand zult zeggen wat ik u in het oor ga
6390
vertellen. Welke ziekte hebt gij?
6391
 
6392
De kranke zei het hem, en zwoer bij hoog en leeg te zullen zwijgen.
6393
 
6394
--Weet, sprak Uilenspiegel, dat ik morgen een uwer tot asch moet
6395
verbranden, om daarmede een wonderbaar geneesmiddel te bereiden, dat
6396
alle zieken zullen te drinken krijgen. Hij, die niet gaan kan, wordt
6397
tot pulver verbrand. Morgen kom ik terug met de overste, en ik zal
6398
roepen: "Dat al degenen die niet ziek zijn, hun pak maken en heengaan."
6399
 
6400
Den volgenden morgen kwam Uilenspiegel en riep gelijk hij gezegd
6401
had. Al de zieken, kreupelen, jichtlijders, koortslijders, wilden om
6402
't zeerste buiten. En zelfs zij die in geen tien jaar uit hun bedde
6403
waren gekomen, liepen de straat op.
6404
 
6405
De overste vroeg of zij genezen waren en of zij gaan konden.
6406
 
6407
--Ja, antwoordden zij, in 't gedacht dat er één op de binnenplaats
6408
tot assche verbrand werd.
6409
 
6410
Toen sprak Uilenspiegel tot den overste:
6411
 
6412
--Betaal mij; gij ziet, allen zijn buiten en verklaren dat zij
6413
genezen zijn.
6414
 
6415
De overste betaalde hem tweehonderd gulden, en Uilenspiegel spoedde
6416
zich buiten de stad.
6417
 
6418
Maar twee dagen nadien zag de overste alle zijne zieken zieker
6419
terugkomen, behalve één dien de frissche lucht genezen had, en die nu
6420
dronken door de straten liep, al zingende: "Hoezee voor den grooten
6421
dokter Uilenspiegel!"
6422
 
6423
 
6424
 
6425
 
6426
LXIII.
6427
 
6428
Als de tweehonderd gulden verteerd waren, kwam Uilenspiegel te Weenen,
6429
alwaar hij zich verhuurde bij eenen wagenmaker, die zijne gasten
6430
gedurig beknorde, omdat zij den blaasbalg van de smidse niet vlug
6431
genoeg trokken.
6432
 
6433
--Op maat schreeuwde hij, en volgt met den blaasbalg.
6434
 
6435
Eens dat de baas naar zijnen hof ging, maakte Uilenspiegel den
6436
blaasbalg los, schouderde hem en volgde aldus zijnen meester. Als
6437
deze verwonderd opkeek, sprak Uilenspiegel.
6438
 
6439
--Baas, gij hebt mij geheeten met den blaasbalg te volgen, waar moet
6440
ik hem leggen, terwijl ik de anderen haal?
6441
 
6442
--Jongen, antwoordde de baas, dat heb ik u niet gezegd, breng den
6443
blaasbalg op zijne plaats terug.
6444
 
6445
Maar de baas wilde hem die poets betaald zetten. Hij stond, van
6446
dien dag af, te middernacht op, maakte zijne gasten wakker en deed
6447
hen werken.
6448
 
6449
De werklieden spraken:
6450
 
6451
--Baas, waarom wekt gij ons te midden van den nacht?
6452
 
6453
--Ik heb de gewoonte, antwoordde de baas, mijne gasten de eerste
6454
zeven dagen maar een halven nacht te laten slapen.
6455
 
6456
Den volgende nacht, wekte hij weer zijne gasten te
6457
middernacht. Uilenspiegel, die op den zolder sliep, bond zijn bed op
6458
zijnen rug en kwam aldus de smidse binnen.
6459
 
6460
De baas sprak tot hem:
6461
 
6462
--Zijt gij zot? Waarom laat gij uw bed niet op zijne plaats?
6463
 
6464
--Ik heb de gewoonte, antwoordde Uilenspiegel, de eerste zeven dagen
6465
van de week de helft van den nacht op mijn bed en de andere helft
6466
onder mijn bed te slapen.
6467
 
6468
--Zoo, antwoordde de meester, maar ik heb nog een tweede gewoonte, dat
6469
is van mijne onbeschaamde gasten op straat te smijten, met toelating
6470
de eerste week boven den grond, en de tweede onder den grond door
6471
te brengen.
6472
 
6473
--In uwen kelder, baas, bij de tonnen bruinbier?
6474
 
6475
 
6476
 
6477
 
6478
LXIV.
6479
 
6480
Als Uilenspiegel den wagenmaker verlaten had, verhuurde hij zich,
6481
op de terugreis naar Vlaanderen, als leerknaap bij eenen schoenmaker,
6482
die liever aan zijne deur stond, dan met zijne else op den stoel zat.
6483
 
6484
Uilenspiegel, die hem voor de honderdste maal zag opstaan, vroeg hoe
6485
hij de overleeren moest snijden.
6486
 
6487
--Snijdt er, sprak de baas, voor groote en middelmatig voeten, opdat
6488
zij passen aan al wie groot of klein vee drijft.
6489
 
6490
--Zoo zal geschieden, baas, antwoordde Uilenspiegel.
6491
 
6492
Als de schoenmaker weg was, sneed Uilenspiegel overleeren die alleen
6493
goed waren voor merriën, ezelinnen, veerzen, zeugen en ooien.
6494
 
6495
Als de baas terug in zijn werkhuis kwam en zijn leder versneden zag,
6496
riep hij uit:
6497
 
6498
--Wat steekt gij daar uit?
6499
 
6500
--Wat gij mij gezegd hebt, was 't antwoord van Uilenspiegel.
6501
 
6502
--Ik heb u gezegd, hernam de baas, schoenen te snijden die passen
6503
aan allen die ossen, varkens en schapen drijven, en nu snijdt gij
6504
schoenen voor die beesten.
6505
 
6506
Uilenspiegel antwoordde:
6507
 
6508
--Baas, in dit seizoen waarin alle beesten minneziek zijn, wie anders
6509
dan de zeug, de ezelin, de veers en de ooie mennen den beer, den ezel,
6510
den stier en den ram?
6511
 
6512
Hij maakte zich buiten, doch hij mocht niet meer binnen.
6513
 
6514
 
6515
 
6516
 
6517
LXV.
6518
 
6519
Het was in de Grasmaand, de lucht was zoet, doch nadien begon het te
6520
vriezen en de hemel zag grijs als op Allerzielen. Uilenspiegel's derde
6521
jaar ballingschap was sedert lang verstreken, en Nele verwachtte alle
6522
dagen heuren hertsvriend terug.
6523
 
6524
--Laas! sprak zij, 't gaat sneeuwen op de kersebloesems, op de
6525
bloeiende seringa's, op al de arme planten die bij de zoele warmte
6526
eener vroege lente vol hope ontloken waren. Lichte sneeuwvlokjes
6527
vallen reeds op de wegen. En 't sneeuwt ook op mijn arm herte.
6528
 
6529
Waar zijn zij, de heldere zonnestralen, die de gezichten verblijden,
6530
de daken rooder maken, den hemel blauw en de ruiten vlammend? Waar
6531
zijn zij die warmte schenken aan aarde, lucht, aan vogelen en
6532
insecten? Laas! nu heb ik dag en nacht koude van droefheid en bangen
6533
twijfel. Waar zijt gij mijn lief, mijn Uilenspiegel?
6534
 
6535
 
6536
 
6537
 
6538
LXVI.
6539
 
6540
Uilenspiegel naderde Ronse, en hij had honger en dorst, doch wilde
6541
niet klagen; hij beproefde de menschen te doen lachen om aan brood
6542
te geraken. Maar het ging hem niet af, de menschen kwamen en gingen
6543
en gaven hem niets.
6544
 
6545
Het was koud, beurtelings sneeuwde, regende en hagelde het op den
6546
rug van den zwerver. Als hij een hond een been zag afknagen, kwam
6547
het water hem in den mond. Hij had wel een gulden willen verdienen,
6548
doch wist niet hoe hij een gulden in zijne tassche zou krijgen.
6549
 
6550
Omhoog zoekend, zag hij duiven die van hunne piere witte plakjes
6551
op den weg lieten vallen, maar guldens waren het niet. Hij zocht
6552
langs de groote wegen, maar ook tusschen de kasseien schoten geene
6553
guldens omhoog.
6554
 
6555
Rechts zoekend, zag hij wel een grimmige wolk in de lucht drijven,
6556
maar hij wist wel dat, zoo er uit dien gieter iets moest vallen,
6557
het geene guldenbui zou wezen. Links vorschend, zag hij een grooten,
6558
luien kastanjelaar, die leefde en waste zonder iets te verrichten.
6559
 
6560
--Ha! sprak hij, waarom zijn er ook geen guldenaars? Daar zouden
6561
schoone vruchten aan groeien.
6562
 
6563
Eensklaps barstte de zwarte wolk, en de hagelsteenen vielen en sloegen
6564
geducht op Uilenspiegel's rug.
6565
 
6566
--Laas, sprak hij, ik voel het wel, 't is alleen naar dwalende honden
6567
dat men steenen smijt.--Toen zette hij het op een loopen.--'t Is
6568
mijne schuld niet, vervolgde hij, als ik geen paleis of zelfs geen
6569
tent heb om mijn schraal lichaam te beschutten. Ho! die leelijke
6570
hagelsteenen, zij zijn hard als kogels. Neen, 't is mijne schuld
6571
niet, als ik in lompen gehuld de wereld rondzwerf, 't is enkellijk
6572
omdat het mij behaagt. Waarom ben ik geen keizer? Die hagelsteenen
6573
willen, lijk slechte woorden, halsstarrig in mijne ooren dringen.--En
6574
hij liep.--Arme neus, voegde hij erbij, weldra zijt gij doorboord,
6575
en kunt gij dienen tot pepervat op de festijnen van de grooten der
6576
aarde, op wie het nooit te hagelen pleegt. En zijne kaken afwisschend,
6577
sprak hij:--Deze kunnen weldra dienen tot schuimspanen voor de koks,
6578
die het te warm bij hunne ovens hebben. Ha! verre herinnering aan
6579
heerlijke pastijen van weleer! Ik heb honger. Ledige buik, beklaag
6580
u niet, jammerende ingewanden, houdt u stil. Fortuin, waar zit gij
6581
nu? breng mij ergens waar ik te eten vind.
6582
 
6583
Terwijl hij aldus tot zich zelven sprak, werd de hemel helder; het
6584
hagelde niet meer, de zonne vertoonde zich en Uilenspiegel sprak:--Daar
6585
is de zonne, mijne eenige vriendin, die mij komt drogen! Maar eensklaps
6586
zag hij van verre op den weg een gespikkelden hond op zich afkomen,
6587
met hangende tong en puilende oogen.
6588
 
6589
--Dat beest is razend, riep Uilenspiegel. Hij raapte een grooten steen
6590
op en klom gezwind in een boom; nauwelijks had hij den eersten tak
6591
bereikt, of de hond was dáár, en Uilenspiegel smeet hem den steen op
6592
den kop. De hond bleef staan, trachtte nog Uilenspiegel te bijten,
6593
maar hij kon niet en viel dood ten gronde.
6594
 
6595
Dat deed Uilenspiegel geen genoegen en te minder daar hij, beneden
6596
gekomen, zag dat de hond geen drogen muil had, gelijk gewoonlijk bij
6597
dolle honden 't geval is. Vervolgens het vel beziende, zei hij tot
6598
zich zelven dat het schoon genoeg was om te verkoopen; hij stroopte
6599
het, waschte het, hing het aan een paal, liet het in de zonne wat
6600
drogen en stak het in zijne tassche.
6601
 
6602
Daar honger en dorst hem kwelden, ging hij eenige hoeven binnen,
6603
doch dorst het vel niet te koop bieden, uit vreeze dat de hond aan
6604
den boer toebehoord had. Hij vroeg een stuk brood, maar men weigerde
6605
het hem. De nacht kwam. Zijne beenen waren vermoeid en hij ging een
6606
kleine afspanning binnen. Daar zag hij een oude bazin, die een ouden
6607
hond streelde, wiens vel op dat van den doode geleek.
6608
 
6609
--Van waar komt gij, reiziger? vroeg de oude bazinne.
6610
 
6611
Uilenspiegel antwoordde:
6612
 
6613
--Ik kom van Rome, alwaar ik den hond van den Paus van eene verkoudheid
6614
genas, die hem grootelijks hinderde.
6615
 
6616
--Hebt gij den Paus gezien? vroeg zij, een glas bier tappend.
6617
 
6618
--Laas! zei Uilenspiegel, het glas ledigend, het is mij alleen
6619
toegestaan geweest zijn heilige voeten en zijn doorluchtige muilen
6620
te kussen.
6621
 
6622
De oude hond van de bazinne kuchte, doch spuwde niet.
6623
 
6624
--Wanneer deedt gij dat? vroeg de oude.
6625
 
6626
--Nu twee maanden geleden, antwoordde Uilenspiegel. Men verwachtte
6627
mij, ik kwam en klopte:--Wie is daar? vroeg de aartsdoorluchtige,
6628
aartsgeheime en aartsbuitengewone kardinaal-kamerheer van Zijne
6629
Zeer Heilige Heiligheid.--Ik, heer kardinaal, antwoordde ik, ik
6630
kom opzettelijk uit Vlaanderen om de voeten van den Paus te kussen
6631
en zijnen hond van het slijm te verlossen.--Ha! zijt gij het,
6632
Uilenspiegel? sprak de Paus langs den anderen kant, achter een
6633
deurken. Het zou mij veel genoegen doen u te zien, maar nu is dat
6634
onmogelijk. De heilige Decretalen verbieden mij mijn gezicht aan de
6635
vreemdelingen te toonen, als men er met het heilige scheermes over
6636
gaat--Laas! zei ik, het slaat mij erg tegen, ik was uit verre landen
6637
gekomen om de voeten Uwer Heiligheid te kussen en zijn hond van het
6638
slijm te genezen. Moet ik onverrichter zake terugkeeren?--Neen, sprak
6639
de Heilige Vader; vervolgens hoorde ik hem roepen:--Aartskamerheer,
6640
schuif mijn stoel tot bij de deur en open het schuifken. Zoo
6641
werd gedaan.--En door het schuifje zag ik twee voeten steken met
6642
gouden muilen aan, en 'k hoorde eene stem die als de donder rolde,
6643
zeggen:--Dit zijn de doorluchtige voeten van den Prins der Prinsen,
6644
den Koning der Koningen, den Keizer der Keizers. Kus, geloovige,
6645
kus de heilige muilen. En ik kuste de heilige muilen en mijn neus was
6646
gansch vervuld met den hemelschen geur die uit die voeten opsteeg. Toen
6647
ging het schuifken weder toe en dezelfde geduchte stemme gebood mij te
6648
wachten. De deur ging toen open en daar kwam een hond te voorschijn,
6649
om de waarheid te zeggen, een ruige, kuchende hond met loopende oogen
6650
en zoo opgeblazen, dat hij schier niet gaan kon.
6651
 
6652
De Heilige Vader verweerdigde zich nog mij te zeggen:--Uilenspiegel,
6653
gij ziet mijnen hond; hij heeft slijm en andere ziekten gekregen met
6654
te knagen aan het gebeente van geradbraakte ketteren. Genees hem,
6655
mijn zoon, gij zult er u wel mee bevinden.
6656
 
6657
--Drink, sprak de oude.
6658
 
6659
--Schenk, antwoordde Uilenspiegel. Zijne rede vervolgend, sprak hij:
6660
Ik deed den hond purgeeren door middel van een wonderbaar drankje,
6661
dat ik zelf gereedgemaakt heb. Hij piste drie dagen en drie nachten
6662
aan één stuk, en was toen genezen.
6663
 
6664
--Jezus, Maria! sprak de oude, laat mij u kussen, doorluchtige pelgrim,
6665
die den Paus gezien hebt en ook mijn hond kunt genezen.
6666
 
6667
Doch Uilenspiegel, die niet erg ingenomen was met de kussen der oude,
6668
sprak:--Zij, wier lippen de heilige muilen aangeraakt hebben, mogen,
6669
twee jaar lang, geene kussen van eenige vrouwe ontvangen. Geef mij
6670
wat goede karbonaden, een koppel bloedworsten en bier in overvloed,
6671
en ik zal uwen hond zulke heldere stem geven, dat hij gemakkelijk
6672
zal kunnen meezingen op de okzaal in de groote kerk.
6673
 
6674
--Mocht het waar zijn, sprak de oude, ik gaf u een gulden voor
6675
uwe moeite.
6676
 
6677
--Ik zal het doen, sprak Uilenspiegel, maar slechts na het eten.
6678
 
6679
Zij diende hem alles wat hij gevraagd had. Hij at en dronk zijn
6680
bekomst en had wel, uit erkentelijkheid, de oude gekust, hadde hij
6681
niet gezegd dat dit niet mogelijk was.
6682
 
6683
Terwijl hij sprak, kwam de oude hond met zijne pooten op zijne
6684
knieën om een stuksken te vragen. Uilenspiegel gaf er hem meerdere;
6685
vervolgens sprak hij tot de hospita:
6686
 
6687
--Wat zoudt gij doen, als iemand bij u at en niet wilde betalen?
6688
 
6689
--Ik zou den dief zijn opperste kleed afnemen, sprak de oude.
6690
 
6691
--Goed, sprak Uilenspiegel; daarna nam hij den hond in den arm en
6692
ging er mee naar den stal, alwaar hij hem opsloot met een been. Hij
6693
nam het vel van den dooden hond en, bij de oude terugkomend, vroeg
6694
hij haar of zij bij heur woord bleef, dat zij het opperste kleed zou
6695
uitdoen van dengene die at zonder betalen.
6696
 
6697
--Zeker, antwoordde zij.
6698
 
6699
--Wel, uw hond heeft met mij medegegeten zonder betalen; en ik heb
6700
hem volgens uw voorschrift zijn opperste en eenig kleed uitgedaan.
6701
 
6702
En hij toonde heur de huid van den dooden hond.
6703
 
6704
--Ha! snikte de oude, dat is wreed van u, mijnheer de dokter. Arm
6705
hondje! het was mij als een kind. Waarom ontnaamt gij mij den eenigen
6706
vriend, dien ik op aarde bezat? Nu mag ik sterven!
6707
 
6708
--Ik zal hem weder in 't leven roepen, sprak Uilenspiegel.
6709
 
6710
--Weder in 't leven! sprak zij. En hij zal mij nog streelen, nog
6711
aankijken, nog likjes geven? Doe het, mijnheer de dokter; niet
6712
alleenlijk zult gij voor niet een lekker maal hebben genoten, maar
6713
'k geef u nog een gulden op den koop toe.
6714
 
6715
--Ik zal hem weder in 't leven roepen, sprak Uilenspiegel, maar ik
6716
moet warm water hebben, siroop om de voegen van het nieuw vel toe
6717
te plakken, eene naald en garen, en saus van karbonaden, en men moet
6718
mij alleen laten.
6719
 
6720
De oude gaf hem alles wat hij vroeg; en hij trok met het vel van den
6721
dooden hond naar den stal.
6722
 
6723
Daar streek hij saus aan den snoet van den ouden hond, die hem liet
6724
begaan; van onderen op zijnen buik en aan zijne pooten maakte hij
6725
groote streepen met siroop.
6726
 
6727
Hij stiet driemaal een grooten schreeuw en sprak: Sta op! sta op! ik
6728
beveel het, vuile hond!
6729
 
6730
Vervolgens stak hij gezwind het vel van den dooden hond in zijne
6731
tassche, gaf den levenden hond een schop en joeg hem alzoo de
6732
gelagkamer binnen.
6733
 
6734
Als de oude heuren hond levend en likkebaardend terugzag, wilde zij
6735
hem kussen van geluk. Maar Uilenspiegel liet het haar niet toe.
6736
 
6737
--Gij moogt uwen hond maar streelen, sprak hij, als hij al de siroop
6738
afgelikt heeft die aan zijn vel plakt; dan eerst zullen de naden goed
6739
dicht zijn. Tel mij nu mijne tien gulden.
6740
 
6741
--Eén had ik gezeid, sprak de oude.
6742
 
6743
--Eén voor het nieuw vel en negen om den hond in 't leven te roepen.
6744
 
6745
En zij telde ze hem. Uilenspiegel toog henen en smeet het vel van den
6746
dooden hond in de gelagkamer, zeggende:--Daar, vrouwe, bewaar het oude
6747
vel, het kan dienen om het nieuwe te vermaken, als de mot er in komt.
6748
 
6749
 
6750
 
6751
 
6752
LXVII.
6753
 
6754
Dien Zondag ging te Brugge de Heilig-Bloedprocessie uit. Klaas zei
6755
tot zijne vrouw en tot Nele van er heen te gaan, daar zij misschien
6756
Uilenspiegel in de stad zouden ontmoeten. Hij zelf zou thuis blijven
6757
om den pelgrim te ontvangen, mocht hij terugkomen.
6758
 
6759
De vrouwen vertrokken getweeën. Klaas bleef aan zijne deur zitten
6760
en vond Damme doodsch en verlaten. Hij hoorde niets dan het kleppen
6761
van eene of andere dorpsklok in 't ronde, terwijl de wind, bijwijlen
6762
uit Brugge, het getintel van den beiaard en een groot geraas van
6763
falkonetten en van vuurpijlen bracht, die ter eere van het Heilig
6764
Bloed afgeschoten werden.
6765
 
6766
Klaas zocht droomerig Uilenspiegel op de wegen, doch hij zag niets
6767
dan een blauwen, onbewolkten hemel, eenige honden die met hangende
6768
tong in de zonne lagen, wat musschen die tjilpend zich wentelden in
6769
't stof, eene kat die ze beloerde, en het zonnelicht dat vriendelijk
6770
in al de huizen drong en er de koperen ketels en tinnen pateelen op
6771
den schoorsteen glinsteren deed.
6772
 
6773
Doch Klaas was treurig te midden van al die vreugd en, zijn zoon
6774
zoekend, tuurde hij in den dikken damp, die over de weiden hing en
6775
spitste het oor om te luisteren of hij hem niet hoorde tusschen het
6776
blijde geritsel der bladeren en het vroolijk gekweel der vogelen in
6777
de boomen. Eensklaps zag hij op den weg van Maldegem een man van
6778
lange gestalte afkomen, maar seffens zag hij dat het Uilenspiegel
6779
niet was. Hij zag hem stilstaan bij een rapenveld en gulzig eenige
6780
dier knollen opeten.
6781
 
6782
--Die moet grooten honger hebben, sprak Klaas.
6783
 
6784
Nadat hij hem een oogenblik uit het zicht verloren had, zag hij
6785
hem weder te voorschijn komen aan den hoek van de Reigerstraat,
6786
en hij herkende den bode van Judocus, die hem zevenhonderd gouden
6787
karolusguldens gebracht had. Hij ging hem tegemoet en sprak:
6788
 
6789
--Kom binnen!
6790
 
6791
De man antwoordde:
6792
 
6793
--Gezegend zijn zij, die goed zijn jegens den dolenden reiziger.
6794
 
6795
Buiten op de vensterbank lagen broodkruimelen, die Soetkin voor de
6796
vogelen had gestrooid. Zij kwamen daar 's winters hun eten zoeken. De
6797
man nam de brokkelingen en at ze gulzig op.
6798
 
6799
--Gij hebt honger en dorst, sprak Klaas.
6800
 
6801
--Voor acht dagen werd ik uitgestroopt door de roovers, sprak de man,
6802
en sedert dien voed ik mij met rapen en wortelen langs de wegen.
6803
 
6804
--'t Is dus tijd eenige versterking te nemen. Hier is, sprak Klaas,
6805
de schapraai openend, hier is eene teil vol boonen, hier zijn eieren,
6806
pensen, hesp, Gentsche worst, en nog hier is waterzooi. Beneden in
6807
den kelder ligt Leuvensche wijn te rusten, die bereid is naar de wijze
6808
van Bourgondië, als robijn zoo rood en zoo klaar. Hij vraagt maar om
6809
gedronken te worden. Nu, wij gaan wat hout op het vuur doen. Hoort
6810
gij de pensen zingen op den rooster? Dat is een liedje van wellust.
6811
 
6812
Klaas keerde de pensen op den rooster en sprak:
6813
 
6814
--Hebt gij mijn zoon, mijn Uilenspiegel, niet gezien?
6815
 
6816
--Neen, antwoordde hij.
6817
 
6818
--Brengt gij nieuws van Judocus, mijn broeder? vroeg Klaas, terwijl hij
6819
alles opdiende: gerooste pensen, een eierpannekoek, kaas, twee groote
6820
bekers en Leuvenschen wijn, die helder en rood in de bottels flikkerde.
6821
 
6822
De man antwoordde:
6823
 
6824
--Uw broeder is te Sippenaken gestorven op het rad. En dit om, als
6825
ketter, de wapenen tegen den keizer te hebben gevoerd.
6826
 
6827
Klaas was als waanzinnig en beefde, over gansch zijn lijf, zoo groot
6828
was zijn gramschap.
6829
 
6830
--De beulen, de moordenaars! Judocus! mijn arme broeder!
6831
 
6832
--Onze vreugde en onze smerten zijn niet van deze wereld, zegde de man.
6833
 
6834
En hij begon te eten. Vervolgens sprak hij:
6835
 
6836
--Ik heb uw broeder bijgestaan in het gevang, ik deed mij doorgaan
6837
voor een zijner neven. Ik kom alhier, omdat hij mij zeide: Ga bij mijn
6838
broeder Klaas, als gij voor 't geloove niet sterft als ik; zeg hem van
6839
in den vrede des Heeren te leven, door werken van bermhertigheid te
6840
plegen en zijn zoon heimelijk in de wet van Christus op te brengen. Het
6841
geld dat ik hem gaf, werd genomen van het arme, onwetende volk; dat hij
6842
het gebruike om Thijl op te voeden in de leering van God en zijn woord.
6843
 
6844
Op die rede, gaf de bode aan Klaas den vredekus.
6845
 
6846
En Klaas jammerde:
6847
 
6848
--Op het rad gestorven! mijn arme broeder!
6849
 
6850
En zoo groot was zijn smert, dat hij niet tot bezinning kon
6851
komen. Doch, daar hij zag dat de man dorst had en zijn glas uitstak,
6852
schonk hij hem wijn in, maar hij at en dronk zonder vreugde.
6853
 
6854
Soetkin en Nele bleven zeven dagen weg; gedurende dien tijd bleef de
6855
bode de gast van den koolbrander.
6856
 
6857
Al die nachten hoorden zij Katelijne huilen:
6858
 
6859
--Het vuur! het vuur! Maak open, maak open; de ziel wil er uit!
6860
 
6861
En als Klaas naar heure hut ging, stilde hij heur met zoete woorden.
6862
 
6863
Na zeven dagen toog de vreemde henen, zonder iets van Klaas te willen
6864
aanveerden dan twee karolussen, om onderwege te eten en te slapen.
6865
 
6866
 
6867
 
6868
 
6869
LXVIII.
6870
 
6871
Nele en Soetkin waren van Brugge teruggekomen. Klaas zat in de keuken
6872
als een kleermaker, knoopen aan een oude hooze te naaien. Nele stond
6873
naast hem en hitste tegen den ooievaar Titus Bibulus Snuffius op, die
6874
beurtelings vooruit en achteruit sprong en kefte. De ooievaar stond,
6875
op één poot, hem ernstig te bezien, met zijn langen hals in de pluimen
6876
zijner borst. Als Titus Bibulus Snuffius hem zoo vreedzaam zag, kefte
6877
hij nog meer. Maar de vogel, wien die muziek op den duur verveelde,
6878
gaf eensklaps eenen slag met zijn bek in den rug van den hond, die
6879
jankend en jammerend wegvluchtte.
6880
 
6881
Klaas lachte, Nele insgelijks en Soetkin keek gedurig naar de straat
6882
of Uilenspiegel niet afkwam.
6883
 
6884
Eensklaps sprak zij:
6885
 
6886
--Daar is de provoost met vier sergeanten. 't Is toch zeker niet voor
6887
ons. Twee van de mannen loopen de hut om.
6888
 
6889
Klaas hief zijn hoofd op.
6890
 
6891
--En de twee anderen blijven staan voor de deur, vervolgde Soetkin.
6892
 
6893
Klaas stond recht.
6894
 
6895
--Wien gaat men hier vangen? sprak zij. Jezus God! man, zij komen
6896
hier binnen.
6897
 
6898
Klaas sprong van de keuken in den hof, gevolgd door Nele en zei:
6899
 
6900
--Red de karolussen, ze steken achter den brandmuur van den
6901
schoorsteen.
6902
 
6903
Nele begreep hem: toen zag ze dat hij over de haag sprong, dat de
6904
serjanten hem bij den kraag vatten, dat hij worstelde om los te
6905
geraken en zij weende en riep:
6906
 
6907
--Hij is onschuldig! hij is onschuldig! doet geen kwaad aan Klaas, aan
6908
mijn vader! Uilenspiegel, waar zijt gij? Gij zoudt ze den kop inslaan!
6909
 
6910
En zij sprong naar een der serjanten en reet zijn gezicht met
6911
heure nagelen vaneen. En zij riep: Zij gaan hem dooden! en zij viel
6912
machteloos op het gras van den hof.
6913
 
6914
Op het gerucht kwam Katelijne toegeloopen, en stijf en onbeweeglijk
6915
aanzag zij het schouwspel.
6916
 
6917
--Het vuur! het vuur! Maakt open: de ziel wil er uit!
6918
 
6919
Soetkin onkundig van hetgeen er gebeurde, sprak op vroolijken toon
6920
tot de serjanten, die binnengekomen waren:
6921
 
6922
--Mijne heeren, wien zoekt gij hier in deze arme woning? Als 't mijn
6923
zoon is, die is verre. Hebt gij lange beenen?
6924
 
6925
Doch op dit oogenblik schreeuwde Nele om hulp; Soetkin liep in den
6926
hof. Daar zag zij heuren man tegenspartelend medegesleept door de
6927
beide serjanten.
6928
 
6929
--Sla ze dood! riep zij. Uilenspiegel waar zijt gij?
6930
 
6931
En zij wilde heuren man ter hulp komen, maar een der serjanten greep
6932
heur vast, niet zonder moeite.
6933
 
6934
Klaas verweerde zich zoo geducht, dat hij ware ontsnapt, hadden de
6935
twee andere serjanten hunne gezellen de hand niet geleend.
6936
 
6937
En, met de handen gebonden, brachten ze hem terug naar de keuken,
6938
waar Soetkin en Nele heete tranen weenden en snikten.
6939
 
6940
--Heer provoost, sprak Soetkin, wat heeft mijn arme man gedaan,
6941
dat gij hem bindt als een dief?
6942
 
6943
--Ketter, sprak een der serjanten.
6944
 
6945
--Ketter? hernam Soetkin, zijt gij een ketter, gij? Die duivels liegen!
6946
 
6947
--Ik stel mijn vertrouwen op God, antwoordde Klaas.
6948
 
6949
Hij werd buitengeleid; Nele en Soetkin volgden hem weenend, in den
6950
waan dat zij ook voor den rechter moesten verschijnen. Mannen en
6951
vrouwlieden kwamen bij heur; maar als zij hoorden dat Klaas opgeleid
6952
werd onder verdenking van ketterije, kregen zij zulken schrik dat zij
6953
haastelijk weer in huis liepen en de deuren toededen. Alleen eenige
6954
meisjes dorsten bij Klaas komen en hem vragen:
6955
 
6956
--Waar gaat gij alzoo gekoord en gebonden, kooldrager?
6957
 
6958
--Op Gods genade, meidekens, antwoordde hij.
6959
 
6960
--Men bracht hem naar het Steen; Soetkin en Nele zetten zich neer
6961
aan de poort. Als het avond werd, zei Soetkin tot Nele te gaan zien
6962
of Uilenspiegel niet teruggekomen was.
6963
 
6964
 
6965
 
6966
 
6967
LXIX.
6968
 
6969
Weldra liep de mare in de omliggende dorpen, dat een man gevangengezet
6970
was uit hoofde van ketterije en dat de kettermeester Titelman, deken
6971
van Ronse, bijgenaamd de Inquisiteur Zonder Genade, het onderzoek
6972
zou bestieren.
6973
 
6974
Uilenspiegel verbleef toen te Koolkerke, in de beste vriendschap met
6975
een schoone pachterse, een jonge weduwe die hem niets weigeren kon
6976
van hetgeen heur eigendom was. Hij werd daar gevierd en geliefkoosd,
6977
tot op den dag dat een verraderlijke medeminnaar, een schepene der
6978
gemeente, hem in den morgen afwachtte als hij uit de taveerne kwam
6979
en hem afrossen wilde. Maar Uilenspiegel, om zijne woede te stillen,
6980
smeet hem in een vijver, waaruit de schepene met de grootste moeite
6981
klaveren kon, groen als een kikvorsch en nat als een spons.
6982
 
6983
Uilenspiegel duchtte de weerwraak van den schepene en maakte dat hij
6984
zoo gauw mogelijk uit Koolkerke kwam.
6985
 
6986
En hij liep regelrecht naar Damme.
6987
 
6988
De avond viel: hij hadde thuis willen zijn; in zijnen geest zag
6989
hij Nele zitten naaien, Soetkin het avondmaal bereiden, Klaas zijne
6990
mutsaards binden en Titus Bibulus Snuffius knagen aan een been.
6991
 
6992
Een rondleurder vroeg hem in 't voorbijgaan:
6993
 
6994
--Waar loopt gij zoo haastig?
6995
 
6996
--Naar Damme, naar mijn huis, was 't antwoord van Uilenspiegel.
6997
 
6998
De rondleurder sprak:
6999
 
7000
--De stad is niet meer veilig, ter oorzake van de ketteren die men
7001
er pakt.
7002
 
7003
En hij ging voort.
7004
 
7005
Aan de afspanning het Roode Schild gekomen, ging Uilenspiegel er
7006
binnen, om een glas dobbele kuite te drinken.
7007
 
7008
De baas zei hem:
7009
 
7010
--Zijt gij de zoon van Klaas niet?
7011
 
7012
--Die ben ik, antwoordde Uilenspiegel.
7013
 
7014
--Haast u, sprak de baas, want het uur van rampspoed is voor uwen
7015
vader geslagen.
7016
 
7017
Uilenspiegel vroeg wat hij zeggen wilde.
7018
 
7019
De baas antwoordde, dat hij het ongelukkiglijk maar al te gauw
7020
zou weten.
7021
 
7022
En Uilenspiegel liep voort.
7023
 
7024
Toen hij Damme binnen kwam, liepen de honden die op de zullen der
7025
deuren zaten, hem keffend en blaffend achterna. Op dat gerucht kwamen
7026
de vrouwen buiten en allen vroegen hem te gelijk:
7027
 
7028
--Van waar komt gij? Hebt gij nieuws van uwen ongelukkigen vader? Waar
7029
is uwe arme moeder? Zit zij ook in het Steen? Laas! als zij hem maar
7030
niet levend verbranden!
7031
 
7032
Uilenspiegel liep nog harder.
7033
 
7034
Hij kwam Nele tegen, die hem zegde:
7035
 
7036
--Thijl, ga niet naar huis: die van de stad hebben er een bewaker
7037
gesteld van wege den keizer.
7038
 
7039
Uilenspiegel bleef staan.
7040
 
7041
--Nele, sprak hij, is 't waar dat zij Klaas, mijn vader in 't gevang
7042
hebben gestoken?
7043
 
7044
--Ja, sprak Nele, en Soetkin weent aan de poort van het Steen.
7045
 
7046
Het hert van den verloren zoon bonsde van smerte en hij zei tot Nele:
7047
 
7048
--Ik wil ze zien.
7049
 
7050
--Neen, dat moet gij niet doen, sprak Nele, maar wel volbrengen hetgeen
7051
Klaas gezegd heeft, vóóraleer hij gepakt werd: Red de karolussen,
7052
zij steken achter den brandmuur van den schoorsteen. Die moet gij
7053
eerst redden, want zij zijn 't erfdeel van Soetkin, van de arme vrouwe.
7054
 
7055
Uilenspiegel luisterde niet, maar liep tot aan de poort van het
7056
Steen. Daar vond hij Soetkin zitten; hij kuste heur snikkend en zij
7057
weenden beiden. Door hun jammeren was het volk in menigte naar 't
7058
gevang toegeloopen. Maar de serjanten kwamen, en verjoegen de arme
7059
Soetkin en Uilenspiegel.
7060
 
7061
Moeder en zoon gingen toen naar het huis van Nele, naast hunne
7062
woonstee, vóór dewelke zij een der landsknechten zagen, die men uit
7063
Brugge ontboden had, uit vreeze voor de onlusten, die tijdens de
7064
uitspraak en gedurende de lijfstraf konden uitbreken. Want Klaas werd
7065
geerne gezien door de burgers van Damme.
7066
 
7067
De soldenier zat vóór de deur, en zoog de laatste droppelen uit eene
7068
bottel brandewijn. Toen zij ledig was, smeet hij ze waar ze vliegen
7069
wilde. Vervolgens trok hij zijn jachtmes en stak hij kasseien uit.
7070
 
7071
Snikkend kwam Soetkin bij Katelijne binnen.
7072
 
7073
En schuddebollend sprak Katelijne: "Het vuur! Maakt open, mijne ziel
7074
wil er uit!"
7075
 
7076
 
7077
 
7078
 
7079
LXX.
7080
 
7081
De burgstorm had geluid om de rechters ter vierschare te roepen;
7082
omtrent vier uren zaten zij rond den boom der justitie.
7083
 
7084
Klaas werd vóór hen geleid en hij zag onder het verhemelte den Baljuw
7085
van Damme zitten; aan zijne zijden waren de drossaard, de schepenen
7086
en de griffier.
7087
 
7088
Op het geluid van de klokke kwam het gemeen in groote menigte
7089
toegeloopen, en het sprak:
7090
 
7091
--Vele onder de rechters zitten daar niet om naar recht te vonnissen,
7092
maar als slaven in dienst van den Keizer.
7093
 
7094
De griffier verklaarde dat de rechtbank zich voorafgaandelijk
7095
ter vierschare rond den lindeboom vergaderd hebbende, beslist had
7096
dat, gehoord de aantijgingen en getuigenissen, de genaamde Klaas,
7097
koolbrander, geboortig van Damme, echtgenoot van Soetkin, dochter van
7098
Joostens, bij den lijve moest gevat worden. En nu, voegde hij er bij,
7099
gaan wij tot het verhoor der getuigen over.
7100
 
7101
Hans Barbier, buurman van Klaas, werd eerst onderhoord. Nadat hij den
7102
eed afgelegd had, sprak hij: "Op mijner ziele zaligheid bevestig en
7103
verzeker ik dat Klaas, alhier tegenwoordig, door mij gekend is meer
7104
dan vijftien jaar; dat hij altijd eerlijk geleefd heeft volgens de
7105
wetten Onzer Moeder de Heilige Kerk; dat hij nooit smadelijk over
7106
haar gesproken of bij mijn wete nooit eenigen ketter geherbergd heeft,
7107
noch het boek van Luther verborgen, noch over gemeld boek gesproken,
7108
noch iets gedaan dat hem in verdenking kan brengen, de wetten en
7109
ordonnantiën van het keizerrijk overtreden te hebben. Zoo helpen mij
7110
God en al zijne santen."
7111
 
7112
Jan Van Roosebeke werd vervolgens onderhoord en zei "dat, gedurende de
7113
afwezigheid van Soetkin, vrouw van Klaas, hij verscheidene reizen in
7114
het huis van den beschuldigde twee mannenstemmen had meenen te hooren
7115
en dat hij dikwijls, na de avondklokken, in een kleine zolderkamer,
7116
een licht en twee klappende mannen gezien had, waaronder Klaas. Wat
7117
betreft te zeggen of de andere man al of niet een ketter was, dat kon
7118
hij niet, daar hij hem van verre gezien had. Maar wat Klaas betreft,
7119
vervolgde hij, in volle waarheid moet ik zeggen dat hij, sedert ik hem
7120
ken, geregeld zijn Paschen houdt, op de groote heiligdagen Onzen Heere
7121
ontvangt, en alle Zondagen naar de misse gaat, uitgenomen nochtans
7122
dien van het Heilig Bloed en de volgende. Meerder weet ik niet. Zoo
7123
helpen mij God en al zijne santen."
7124
 
7125
Ondervraagd of hij Klaas, in de taveerne den Blauwen Toren, geene
7126
aflaten had zien verkoopen en met het vagevuur niet had hooren spotten,
7127
antwoordde Jan Van Roosebeke dat Klaas inderdaad aflaten verkocht had,
7128
maar zonder eenigerlei verachting of spotternije, en dat hij, Jan Van
7129
Roosebeke, er van hem gekocht had gelijk ook Judocus Grijpstuiver,
7130
de deken der vischverkoopers, had willen doen.
7131
 
7132
De baljuw maakte nu de feiten en punten bekend, uit hoofde waarvan
7133
Klaas voor de vierschare gedaagd was en sprak:
7134
 
7135
--De aanbrenger, toevallig eens te Damme gebleven, ten einde zijn
7136
geld te Brugge niet in slemperijen en braspartijen te verteren,
7137
gelijk dit meer gebeurt bij deze heilige gelegenheid, stond in
7138
pais een luchtje te scheppen aan zijne zulle, toen hij een man de
7139
Reigerstraat zag ingaan. Klaas, den man ziende, ging hem tegen en
7140
groette hem. De man was in 't zwart gekleed. Hij ging bij Klaas
7141
binnen en de deur bleef half open. Nieuwgierig om te weten wie
7142
die man was, ging de aanbrenger in de gang en hoorde Klaas met den
7143
vreemdeling spreken over zekeren Judocus, zijn broeder, die, onder
7144
de protestantsche troepen gevangengenomen, omtrent Aken geradbraakt
7145
werd. De vreemdeling zei tot Klaas: aangezien het geld hetwelk
7146
zijn broeder hem gegeven had, genomen was van het arme, onwetende
7147
volk, hij het moest gebruiken om zijn zoon op te brengen in den
7148
hervormden eeredienst. Ook zette hij Klaas aan om den schoot Onzer
7149
Moeder de Heilige Kerk te verlaten, en nadat hij allerlei goddelooze
7150
woorden uitgesproken had, antwoordde Klaas alleenlijk: De beulen! De
7151
moordenaars! Mijn arme broeder! En dusdoende lasterde de beschuldigde
7152
Onzen Heiligen Vader den Paus en Zijne Koninklijke Majesteit, omdat zij
7153
de ketterije terecht willen straffen als eene misdaad van goddelijke
7154
en menschelijke majesteitsschennis. Als de man gedaan had met eten,
7155
hoorde de aanbrenger Klaas uitroepen: "Arme Judocus, dat God zich
7156
uwer ontferme; zij waren wreed jegens u." Daardoor beschuldigde hij
7157
God zelf van goddeloosheid, door te willen veronderstellen dat Hij
7158
ketteren in zijnen hemel zou ontvangen. En Klaas hield niet op te
7159
zeggen: "Mijn arme broeder!" Gelijk een kettersch predikant, riep
7160
de vreemdeling toen in woede uit: "Zij zal vallen, de Babylonische
7161
Hoer, en het verblijf worden van duivelen en roofdieren." Klaas
7162
riep daarop: "De beulen, de moordenaars! Mijn arme broeder!" De
7163
vreemdeling, zijne rede vervolgende, sprak: "Want de engel zal eenen
7164
steen oprapen, zoo groot als een molensteen. En hij zal hem in de
7165
zee smijten en zeggen: Zoo wordt het groot Babylon weggeworpen en
7166
nimmermeer teruggevonden."--"Heer, sprak Klaas, uw mond is vol
7167
grammoedigheid; maar zeg mij wanneer de heerschappij zal komen
7168
in dewelke de zachtmoedigen in pais op de wereld zullen kunnen
7169
leven?"--"Nooit! antwoordde de vreemdeling, zoolang de antichrist
7170
regeert, dat is de paus, die een vijand van licht en waarheid
7171
is."--"Ha! sprak Klaas, gij spreekt zonder eerbied van Onzen Heiligen
7172
Vader. Hij is onwetend van de wreede folteringen waarmede de arme
7173
protestanten gestraft worden." De vreemdeling antwoordde: "Zeker
7174
weet hij het, want het is op zijne bevelen dat zij worden om hals
7175
gebracht door den keizer, nu door den koning, die profijt trekt uit
7176
de verbeurdverklaringen, die van de gestorvenen erft en juist liefst
7177
de rijken uit hoofde van ketterije voor de Vierscharen daagt." Klaas
7178
antwoordde: "Overal spreekt men ervan in Vlaanderenland, ik moet het
7179
gelooven. Het vleesch des menschen is zwak, al is het ook koninklijk
7180
vleesch. Mijn arme Judocus!" En Klaas gaf alzoo te verstaan dat het
7181
uit een verachtelijk winstbejag is dat Zijne Majesteit de ketteren
7182
doet straffen. Mits de vreemdeling wilde voortgaan, antwoordde Klaas:
7183
"Gelief, Heere, met deze reden niet voort te gaan, want werden zij
7184
gehoord, ik zou het duur moeten bekoopen."
7185
 
7186
... Klaas stond op om naar den kelder te gaan, waaruit hij met een
7187
kan bier terugkwam: "Ik ga de deur toedoen", sprak hij vervolgens,
7188
en de aanbrenger hoorde niets meer, want hij moest haastelijk het huis
7189
verlaten. Maar met valavond werd de deur weer geopend. De vreemdeling
7190
ging heen, maar weldra kwam hij weder kloppen, zeggende: "Klaas,
7191
't is koud; ik weet niet waar slapen; verleen mij eene schuilplaats;
7192
niemand heeft mij zien binnenkomen; alles is stil." Klaas liet hem
7193
binnen, stak eene lanteerne aan en men zag hem,--den ketter den weg
7194
wijzend,--de trap opgaan en den vreemdeling brengen in een kleine
7195
dakkamer waarvan het venster uitzicht geeft in den hof.
7196
 
7197
--Wie anders, riep Klaas uit, kan dat alles overgedragen hebben dan
7198
gij, deugniet van een vischverkooper? Stondt gij dien Zondag niet stijf
7199
als een paal aan uwe zulle, schijnheilig naar de zwaluwen te kijken?
7200
 
7201
En hij wees naar Judocus Grijpstuiver, deken der vischverkoopers,
7202
die met zijn leelijke tronie tusschen het volk te zien was.
7203
 
7204
De vischverkooper grijnslachte, toen hij hoorde dat Klaas aldus zich
7205
zelven verried. Allen die van 't gemeen, mannen, vrouwen en meidekens,
7206
zeiden tot elkaar:
7207
 
7208
--Arme man, die woorden kosten hem het leven!
7209
 
7210
Doch de griffier ging voort:
7211
 
7212
--De ketter en Klaas spraken dien nacht en ook de zes volgende
7213
nachten langdurig met elkander; men kon den vreemdeling vele gebaren
7214
van dreigement of van zegening zien maken, de handen ten hemel zien
7215
heffen, als zijne gelijken in ketterije plegen te doen. Klaas scheen
7216
zijne reden goed te keuren. Voorzeker spraken zij die dagen, avonden
7217
en nachten smadelijk over de misse, de biecht, de aflaten en Zijne
7218
Koninklijke Majesteit....
7219
 
7220
--Niemand heeft dat gehoord, sprak Klaas, en zonder bewijzen mag men
7221
mij daarvan niet beschuldigen!
7222
 
7223
De griffier hernam:--Men heeft andere dingen gehoord. Als de
7224
vreemdeling den zevenden dag omtrent den valavond vertrok, hebt
7225
gij hem uitgeleide gedaan tot aan den paalsteen van Katelijne's
7226
akker. Daar vroeg de vreemdeling u wat gij gedaan hadt met de leelijke
7227
afgodenbeelden--en de baljuw sloeg een kruis--van de Allerheiligste
7228
Maagd, van Sint-Nikolaas en van Sint-Maarten? Gij antwoordet dat
7229
gij ze gebroken en in den put gesmeten hadt. Zij werden inderdaad,
7230
verleden nacht, in uwen put gevonden, en de stukken ervan liggen in
7231
de folterkamer.
7232
 
7233
Op die rede scheen Klaas verstomd. De baljuw vroeg hem of hij niets
7234
te antwoorden had; Klaas zegde van neen.
7235
 
7236
De baljuw vroeg hem of hij de vermaledijde gedachte niet herroepen
7237
wilde, die hem de beelden had doen breken, alsmede de goddelooze doling
7238
dewelke hem smadelijke woorden ten opzichte van Zijne Goddelijke
7239
Majesteit en ten opzichte van Zijne Koninklijke Majesteit had doen
7240
uitspreken.
7241
 
7242
Klaas antwoordde dat zijn lijf aan Zijne Koninklijke Majesteit,
7243
maar dat zijn geweten aan Christus behoorde, wiens wet hij wilde
7244
opvolgen. De baljuw vroeg hem of die wet diegene van de Heilige
7245
Kerk was.
7246
 
7247
--Zij staat geschreven in de Heilige Schrift, antwoordde Klaas.
7248
 
7249
Aangemaand te antwoorden op de vraag of de Paus de Stadhouder van
7250
Christus op dees aarde is, sprak hij:
7251
 
7252
--Neen!
7253
 
7254
--Ondervraagd of hij geloofde dat het verboden was de beelden van
7255
de Heilige Maagd en van de Heiligen te aanbidden, antwoordde hij,
7256
dat het afgoderij was. Ondervraagd over het stuk of de oorbiecht goed
7257
is en heilzaam, antwoordde hij:
7258
 
7259
--Christus heeft gezegd: Belijdt uwe zonden aan malkander.
7260
 
7261
Hij was kloekmoedig in zijne antwoorden, hoewel hij in den grond
7262
treurig en angstig scheen.
7263
 
7264
Acht uren had de klok geslagen en de avond viel: de heeren der
7265
rechtbank stelden de uitspraak uit tot den volgenden dag.
7266
 
7267
 
7268
 
7269
 
7270
LXXI.
7271
 
7272
In Katelijne's hut weende Soetkin, waanzinnig van smerte. En gedurig
7273
sprak zij:
7274
 
7275
--Mijn man! mijn arme man!
7276
 
7277
Uilenspiegel en Nele omhelsden heur met oneindige teederheid. Zij
7278
drukte hen toen in heure armen en weende in stilte. Dan deed zij hun
7279
teeken heur alleen te laten. Nele sprak tot Uilenspiegel:
7280
 
7281
--Laat heur, zij wil het; wij zullen de karolussen redden.
7282
 
7283
En zij togen henen; Katelijne liep rond Soetkin en sprak:
7284
 
7285
Maak open: mijne ziel wil er uit!
7286
 
7287
En Soetkin, met strakke oogen, keek heur aan zonder heur te zien.
7288
 
7289
De hutten van Klaas en van Katelijne paalden aaneen, die van Klaas
7290
stond wat achteruit en had een hofje van voren. Bij het huisje van
7291
Katelijne hoorde een boonenveld, dat op de straat uitgaf. Dat veld
7292
was afgesloten met een groene haag, waarin Uilenspiegel en Nele,
7293
toen ze jong waren, een gat gemaakt hadden, om bij malkander te komen.
7294
 
7295
Uilenspiegel en Nele gingen in het boonenveld en van daar zagen zij
7296
den landsknecht welke, met waggelenden kop in de lucht spuwde, maar
7297
het speeksel viel terug op zijn wambuis. Een flesch lag nevens hem.
7298
 
7299
--Nele, sprak Uilenspiegel stille, die dronken soldaat heeft niet
7300
genoeg gedronken, hij moet nog meer drinken. Eerst dan zullen wij
7301
hem meester zijn. Laat ons de flesch nemen.
7302
 
7303
Bij den klank hunner stemmen, keerde de soldenier zijn zwaren kop
7304
naar hen toe; hij zocht zijne flesch en, die niet vindende, spuwde hij
7305
voort in de lucht om in den maneschijn zijn speeksel te zien vallen.
7306
 
7307
--De brandewijn zit tot aan zijne tanden, sprak Uilenspiegel, ziet gij,
7308
Nele, hoe moeilijk hij spuwt?
7309
 
7310
Als de soldenier opnieuw gespuwd en in de lucht gekeken had, stak hij
7311
de hand uit naar de flesch. Hij vond ze, zette ze aan zijn mond, stak
7312
zijn hoofd achteruit, klopte zachtjes op de flesch om er de laatste
7313
droppelen uit te halen en lokte er aan als een kind aan de borst
7314
zijner moeder. Er niets meer in vindende, smeet hij de flesch weg,
7315
vloekte toen in het Hoogduitsch, spuwde weer, liet den kop rechts en
7316
links vallen, knauwde een onverstaanbaar vaderons en sliep in.
7317
 
7318
Uilenspiegel, die begreep dat die slaap niet van langen duur wezen
7319
zou, zegde dat zij hem nog zwaarder moesten doen ronken; hij kroop
7320
door de haag, nam de flesch van den dronkenlap, gaf ze aan Nele,
7321
die ze met brandewijn vulde.
7322
 
7323
De soldaat snorkte door; Uilenspiegel kroop weder door het gat van
7324
de haag, stak de volle flesch tusschen de beenen van den dronkaard
7325
en keerde terug in het boonenveld, waar hij met Nele bleef wachten.
7326
 
7327
De koelte van de versch gevulde flesch deed den soldaat de oogen
7328
openen, en onwillekeurig tastte hij naar het voorwerp, dat hem koude
7329
veroorzaakte.
7330
 
7331
Zijn dronkaards-instinct zei hem, dat het wel eene volle flesch kon
7332
wezen, en hij greep ze vast. Uilenspiegel zag hem, in den maneschijn,
7333
de flesch schudden om te hooren of er iets in was, er van proeven,
7334
lachen en verwonderd zijn dat zij zoo vol was, dan een slok drinken,
7335
de flesch neerzetten, weernemen en nog drinken.
7336
 
7337
Toen zong hij:
7338
 
7339
 
7340
    Komt in 't blauw heer Maneschijn
7341
    's Avonds bij vrouw Zee....
7342
 
7343
 
7344
Bij de Hoogduitschers is vrouwe Zee de gemalinne van heer Maan,
7345
die de meester der vrouwen is. Hij zong dus:
7346
 
7347
 
7348
    Komt in 't blauw heer Maneschijn
7349
    's Avonds bij vrouw Zee,
7350
    Vrouwe Zee dan biedt hem aan
7351
    Heet haar grooten roemer wijn,
7352
    Komt in 't blauw heer Maneschijn.
7353
 
7354
    Met hem zal ze aan tafel gaan,
7355
    Om zijn hals haar armen slaan,
7356
    En is 't rijke maal gedaan,
7357
    In haar bed hem liggen gaan,
7358
    Komt in 't blauw de heere Maan.
7359
 
7360
    Dien' me zoo mijn lievekijn,
7361
    Lekker eten, heeten wijn,
7362
    Dien' me zoo mijn lievekijn,
7363
    Komt in 't blauw heer Maneschijn.
7364
 
7365
 
7366
Na elk referein nam hij een slok en na het laatste ledigde hij de
7367
flesch. En toen viel hij in slaap. En hij hoorde niet dat Nele zegde:
7368
"Ze steken in eenen pot achter den brandmuur van den schoorsteen",
7369
noch dat Uilenspiegel langs het stalleken in de keuken van Klaas
7370
drong. Uilenspiegel hief de plaat van den brandmuur op, nam den pot en
7371
de karolussen en ging toen de karolussen begraven naast den steenput
7372
van Katelijne, daar hij wel wist dat men ze misschien in den put,
7373
doch geenszins er nevens zou zoeken.
7374
 
7375
Vervolgens keerden zij terug bij Soetkin, die weende en zuchtte:
7376
 
7377
--Mijn man! mijne arme man!
7378
 
7379
Nele en Uilenspiegel bleven heel den nacht bij heur waken.
7380
 
7381
 
7382
 
7383
 
7384
LXXII.
7385
 
7386
Den volgenden dag riep de burgstorm de rechters ter vierschare.
7387
 
7388
Als zij op de vier banken rond den boom der justitie zaten,
7389
onderhoorden zij nogmaals Klaas en vroegen hem of hij zijne dolingen
7390
wilde herroepen.
7391
 
7392
Klaas hief de handen ten hemel en sprak:
7393
 
7394
--Christus, mijn Heer, ziet mij van omhoog. Ik bekeek de zonne toen
7395
mijn Thijl ter wereld kwam. Waar is hij nu, de zwerver? Soetkin,
7396
mijn goede, mijn zoete vrouwe, zult gij kloekmoedig zijn in 't ongeluk?
7397
 
7398
Toen bezag hij den lindeboom en vloekte hij hem:
7399
 
7400
--Storm en droogte! dat de boomen van den grond onzer vaderen liever
7401
verschroeien dan te gedogen, dat men in hunne schaduw het vrije
7402
geweten ten dood verwijst! Waar zijt gij, mijn jongen? Ik was hard
7403
jegens u Mijne Heeren, ontfermt U mijner, en oordeelt mij gelijk Onze
7404
Goedertieren Heere zou doen.
7405
 
7406
En allen die hem aanhoorden, moesten weenen, behalve de rechters en
7407
Judocus Grijpstuiver.
7408
 
7409
Toen vroeg hij of er voor hem geenerlei vergiffenis was, zeggende:
7410
 
7411
--Ik heb altijd veel gewrocht en weinig gewonnen; ik was goed jegens
7412
den arme en gedienstig voor elkeen. Ik heb de Roomsche Kerke verlaten
7413
om te gehoorzamen aan den geest Gods, die tot mij sprak. Ik smeek om
7414
geen andere gratie dan de verandering van de straffe des vuurs in die
7415
van eeuwigdurende verbanning uit Vlaanderenland, op verbeurte mijns
7416
levens, straffe die voorwaar streng genoeg is.
7417
 
7418
Allen riepen:
7419
 
7420
--Genade, heeren! erbarming!
7421
 
7422
Maar Judocus Grijpstuiver riep niet mede.
7423
 
7424
De baljuw gaf de toehoorders teeken te zwijgen en zegde dat het door
7425
de plakkaten strengelijk verboden was, genade voor ketteren te vragen,
7426
maar dat, zoo Klaas zijne doling wilde afzweren, hij zou gehangen
7427
worden in stee van verbrand.
7428
 
7429
En het volk sprak:
7430
 
7431
--Gehangen of verbrand, 't is toch de dood!
7432
 
7433
En de vrouwen weenden en de mannen morden.
7434
 
7435
--Ik zweer niets af, sprak Klaas. Doet met mijn lijf wat uwer genade
7436
zal believen.
7437
 
7438
Titelman, de deken van Ronse, riep toen uit:
7439
 
7440
--Het is ondraaglijk zulk een kettergespuis tot zijne rechters het
7441
hoofd te zien verheffen; het lichaam tot assche verbranden is een
7442
kortstondige pijne; men moet de ziele redden en de ketteren, door
7443
middel van de torture, dwingen hunne dolingen af te gaan, opdat zij
7444
aan 't volk het gevaarlijk schouwspel niet geven van ketteren, die
7445
in onboetveerdigheid sterven.
7446
 
7447
Op die rede weenden de vrouwen nog meer en zeiden de mannen:
7448
 
7449
--Hij heeft het stuk bekend: 't is dus de straffe, maar niet de
7450
torture.
7451
 
7452
De rechtbank besliste dat, mits de tortuur niet voorgeschreven was
7453
door de ordonnantiën, Klaas die niet moest verduren. Nogmaals tot
7454
afzweren vermaand, antwoordde hij:
7455
 
7456
--Ik kan niet.
7457
 
7458
Krachtens de plakkaten, werd hij plichtig verklaard aan simonie,
7459
wegens het verkoopen van aflaten, aan ketterije en aan het herbergen
7460
van ketters en als dusdanig werd hij veroordeeld om "geëxecuteerd
7461
te worden met den viere, zoo dat er de dood naar volge", vóór de pui
7462
van het schepenhuis.
7463
 
7464
Zijn lichaam zou twee dagen aan den staak blijven hangen om tot
7465
voorbeeld te dienen en daarna gevoerd worden ter plaatse patibulaire,
7466
zooals zij het galgeveld heetten.
7467
 
7468
De rechtbank kende den aanbrenger Judocus Grijpstuiver--wiens' naam
7469
niet genoemd werd--vijftig gulden op de eerste honderd karolusgulden
7470
der erfenis en den tienden penning op het overige toe.
7471
 
7472
Als Klaas dat vonnis hoorde, sprak hij tot den deken der
7473
vischverkoopers:
7474
 
7475
--Gij zult een kwaden dood sterven, slecht mensch, die voor een kleine
7476
som gelds eene weduw en eenen wees, twee ongelukkigen maakt.
7477
 
7478
De rechters hadden Klaas laten uitspreken, want zij ook--behalve
7479
Titelman--voelden groote verachting voor den deken der vischverkoopers
7480
en zijne eerlooze aanklacht.
7481
 
7482
Grijpstuiver was bleek van woede en van schaamte.
7483
 
7484
En Klaas werd terug naar het Steen gebracht.
7485
 
7486
 
7487
 
7488
 
7489
LXXIII.
7490
 
7491
Den volgenden dag, werd het vonnis aan Nele, Uilenspiegel en Soetkin
7492
bekend gemaakt.
7493
 
7494
Zij vroegen den rechters om in het gevang te mogen gaan, hetwelk hun
7495
toegestaan werd, behalve aan Nele.
7496
 
7497
Als zij binnenkwamen, zagen zij Klaas met een keten aan den muur
7498
geklonken. Een klein houtvuur smeulde in den heerd, ter oorzake van de
7499
wakheid. Want bij wet en recht is het in Vlaanderen voorgeschreven,
7500
goed te zijn voor hen die moeten sterven, en hun brood, vleesch of
7501
kaas, alsmede wijn te geven. Maar de schrokkige cipiers overtreden
7502
dikwijls de wet, en talrijk zijn zij, die het grootste en beste deel
7503
van het eten der arme gevangenen achterhouden.
7504
 
7505
Weenend vloog Klaas om den hals van Uilenspiegel en Soetkin, maar
7506
hij was de eerste die ophield met weenen, want hij wilde sterk zijn,
7507
als man en als hoofd van het huis.
7508
 
7509
Soetkin snikte en Uilenspiegel sprak:
7510
 
7511
--Kon ik die ijzers breken.
7512
 
7513
Soetkin snikte en sprak:
7514
 
7515
--Ik zal bij koning Philippus gaan, hij zal genade verleenen.
7516
 
7517
Klaas antwoordde:
7518
 
7519
--De koning erft van de martelaren.
7520
 
7521
Dan voegde hij er bij:
7522
 
7523
--Lieve vrouw en kind! treurig en smertvol ga ik deze wereld
7524
verlaten. Zoo ik eenigen schrik koester voor het lijden mijns
7525
lichaams, ben ik mede bedroefd als ik er aan denk dat, als ik dood
7526
ben, gij beiden arm en ellendig zult zijn, want de koning zal u uwe
7527
have ontnemen.
7528
 
7529
Uilenspiegel antwoordde met stille stemme:
7530
 
7531
--Gisteren heb ik met Nele alles gered.
7532
 
7533
--Dat doet mij genoegen, antwoordde Klaas; de aanbrenger zal niet
7534
lachen op mijn lijk.
7535
 
7536
--Hij sterve, de judas, sprak Soetkin met haatvollen blik.
7537
 
7538
Maar Klaas dacht aan de karolussen en sprak:
7539
 
7540
--Dat was slim van u, Thijlken, mijn lieveling; Soetkin, mijn arme
7541
Soetkin, zal dus in haren ouden dag geen honger hoeven te lijden.
7542
 
7543
En Klaas omhelsde heur, drukte heur tegen zijne borst, en zij snikte
7544
nog harder, bij de gedachte dat zij weldra heuren braven beschermer
7545
zou kwijt zijn.
7546
 
7547
Klaas bezag Uilenspiegel en sprak:
7548
 
7549
--Mijn zoon, dikwijls deedt gij kwaad, door langs de wegen te
7550
slenteren als de rabauwen; dat moogt gij nimmermeer doen, mijn kind,
7551
noch uw moeder alleen laten, want gij, als man, moet heur beschermer
7552
en verdediger zijn.
7553
 
7554
--Dat zal ik, vader, sprak Uilenspiegel.
7555
 
7556
--O mijn arme man! zei Soetkin hem kussend. Welke misdaad bedreven wij
7557
dan? Wij leefden getweeën gelukkig in eere en in deugd; wij beminden
7558
elkander, dat weet gij, Heere God, die ons ziet! Wij stonden vroeg
7559
op om te werken en 's avonds aten wij, U dankend, het zuur gewonnen
7560
brood van den dag. Ik ga naar den koning; ik zal hem verscheuren met
7561
mijne nagelen. Heere God, wij hebben niets misdaan!
7562
 
7563
Maar de cipier kwam binnen en zei dat ze moesten vertrekken.
7564
 
7565
Soetkin vroeg om te blijven. Klaas voelde heur arm gezicht branden
7566
tegen het zijne, en de tranen van Soetkin maakten zijne wangen nat,
7567
en heel heur lichaam trilde en huiverde in zijne armen. Hij vroeg om
7568
heur bij hem te laten.
7569
 
7570
De cipier zei nog dat ze moesten henengaan en trok Soetkin uit de
7571
armen van Klaas.
7572
 
7573
Klaas sprak tot Uilenspiegel:
7574
 
7575
--Waak over haar.
7576
 
7577
Uilenspiegel beloofde het hem. En de zoon de moeder ondersteunend,
7578
togen Uilenspiegel en Soetkin henen.
7579
 
7580
 
7581
 
7582
 
7583
LXXIV.
7584
 
7585
Den volgenden dag, die de dag van de lijfstraffe was, namen de buren
7586
uit medelijden, Uilenspiegel, Soetkin en Nele mede naar Katelijne's
7587
huis en sloten hen op.
7588
 
7589
Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat zij van verre de kreten
7590
van den martelaar hooren en, door het venster, de vlammen van den
7591
brandstapel zien konden.
7592
 
7593
Schuddebollend dwaalde Katelijne door de stad, roepende:
7594
 
7595
--Maakt open: de ziel wil er uit!
7596
 
7597
Te negen uren werd Klaas in zijn hemde, met de handen op den rug
7598
gebonden, uit de gevangenis gehaald. Volgens de sententie, was de
7599
brandstapel opgericht in de Onze-Lieve-Vrouwestraat, rondom een staak,
7600
die vóór de pui van 't schepenhuis geplaatst was. De beul en zijne
7601
knechten waren nog bezig met het hout opeen te stapelen.
7602
 
7603
Klaas, omringd door zijne serjanten, wachtte geduldig, terwijl de
7604
provoost te peerd, de staffieren van 't baljuwschap en de negen uit
7605
Brugge ontboden landsknechten groote moeite hadden om het morrende
7606
volk tegen te houden.
7607
 
7608
Allen zeiden dat het wreedheid was een man, die steeds goed, gedienstig
7609
en neerstig was, in zijn ouden dag aldus te martelen.
7610
 
7611
Doch eensklaps knielden zij neder om te bidden. De doodklok begon
7612
te kleppen.
7613
 
7614
De uitzinnige Katelijne stond vooraan in het volk.
7615
 
7616
Naar Klaas en den brandstapel kijkend, sprak zij:
7617
 
7618
--Het vuur! Het vuur! Maakt een gat: de ziel wil er uit.
7619
 
7620
Als Soetkin en Nele de klokke hoorden, sloegen beiden een kruis. Maar
7621
Uilenspiegel deed het niet, zeggende dat hij God niet aanbad op de
7622
manier van de beulen. De hut rondloopend, beproefde hij deuren en
7623
vensteren open te breken, maar de buren, die buiten stonden, beletten
7624
het hem.
7625
 
7626
Doch Soetkin sloeg eensklaps heur voorschoot vóór heur gezicht
7627
en gilde:
7628
 
7629
--De rook!
7630
 
7631
De drie bedroefden zagen een groote zwarte rookwolk dwarrelend omhoog
7632
stijgen. 't Was de rook van den brandstapel, waarop Klaas aan eenen
7633
staak was gebonden en dien de scherprechter aan drie kanten aangestoken
7634
had, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.
7635
 
7636
Klaas keek rond zich, en als hij Soetkin en Uilenspiegel in de menigte
7637
niet zag, was hij tevreden dat zij hem niet zouden zien lijden.
7638
 
7639
Klaas bad, het hout knetterde, de mannen morden, de vrouwen weenden,
7640
Katelijne sprak:--Doet het vuur uit, maakt een gat, de ziel wil er
7641
uit,--en de doodklok klepte, en ander gerucht hoorde men niet.
7642
 
7643
Soetkin werd eensklaps bleek als de dood, zij huiverde over gansch
7644
heur lichaam en wees naar den hemel. Een lange, smalle vlam was uit
7645
den brandstapel opgestegen en verhief zich bijwijlen boven de daken
7646
van de lage huizen. De vlam was bitter smertelijk voor Klaas, want al
7647
naar gelang van de grillen des winds, knaagde zij aan zijne beenen,
7648
verschroeidde en verbrandde zij zijn haar en zijnen baard.
7649
 
7650
Uilenspiegel drukte Soetkin in zijne armen en wilde heur van voor
7651
het venster trekken. Zij hoorden een bangen kreet: 't was Klaas,
7652
wiens lichaam aan eenen kant brandde. Maar hij zweeg en weende. En
7653
zijne borst was nat van zijne tranen.
7654
 
7655
Toen hoorden Soetkin en Uilenspiegel een groot rumoer. 't Waren de
7656
poorters, vrouwen en kinderen die riepen:
7657
 
7658
--Klaas werd niet veroordeeld om te sterven met zacht vuur, maar met
7659
groote vlammen. Beul, pook het vuur aan!
7660
 
7661
De beul deed het, doch het vuur wilde niet laaien.
7662
 
7663
--Verworg hem, riepen zij.
7664
 
7665
En zij smeten steenen naar den provoost.
7666
 
7667
--De vlam! de groote vlam! huilde Soetkin.
7668
 
7669
Te midden van den rook, zag zij nu een roode vlam ten hemel stijgen.
7670
 
7671
--Hij gaat sterven, sprak de weduw. God, ontferm U der ziele van
7672
den onschuldigen martelaar. Waar is de koning, dat ik hem met mijne
7673
nagelen het hert uitrukke?
7674
 
7675
En de doodklok klepte.
7676
 
7677
Soetkin hoorde Klaas nog een grooten kreet slaken, maar zij zag noch
7678
zijn lichaam dat zich wrong en kronkelde door de smerte des vuurs,
7679
noch zijn gezicht dat ineentrok, zijn hoofd dat hij langs alle kanten
7680
keerde en draaide en tegen den staak sloeg. Het volk ging voort met
7681
roepen en fluiten, de vrouwen en kinderen smeten nog steenen, toen
7682
plotseling heel de brandstapel ontgloeide, en allen, te midden van
7683
rook en van vlammen, Klaas hoorden zuchten:
7684
 
7685
--Soetkin! Thijl!
7686
 
7687
En zijn hoofd viel op zijne borst alsof het van lood was.
7688
 
7689
En uit Katelijne's woning kwam een schellen, hertverscheurenden
7690
kreet. En toen hoorde men niets meer dan de uitzinnige, die
7691
schuddebollend sprak: "De ziel wil er uit".
7692
 
7693
Klaas was dood. De brandstapel viel ineen aan den voet van den staak,
7694
aan denwelken het arme, verkoolde lichaam bij den hals bleef hangen.
7695
 
7696
En de doodklep klepte.
7697
 
7698
 
7699
 
7700
 
7701
LXXV.
7702
 
7703
Met gebogen hoofd en gevouwen handen stond Soetkin zwijgend tegen
7704
den muur van den keuken. En Uilenspiegel had zijne armen om heuren
7705
hals geslagen, zonder spreken of weenen.
7706
 
7707
Hij was verschrikt van het koortsvuur dat in zijn moeders lichaam
7708
brandde.
7709
 
7710
De buren, die terugkwamen, zeiden dat Klaas gedaan had met lijden.
7711
 
7712
--Hij is in den hemel, sprak de weduw.
7713
 
7714
--Bid voor hem, sprak Nele tot Uilenspiegel, en zij gaf hem heuren
7715
rozenkrans; maar hij stiet dien van zich af, omdat, zoo hij zeide,
7716
de bollekens door den paus gewijd waren.
7717
 
7718
De nacht was gevallen en Uilenspiegel zei:
7719
 
7720
--Moeder, ga slapen, ik zal bij u waken.
7721
 
7722
--Gij moet niet waken, sprak Soetkin, want de slaap doet goed aan
7723
jonge menschen.
7724
 
7725
Nele maakte hun elk eene legerstee in de keuken en ging toen henen.
7726
 
7727
En zij bleven er getweeën, terwijl het vuur van de wortels in den
7728
heerd uitbrandde.
7729
 
7730
Soetkin ging slapen, Uilenspiegel deed als zij en hoorde ze weenen
7731
in heur bedde.
7732
 
7733
Buiten, in de nachtelijke stilte, deed de wind de boomen huilen lijk
7734
de zee en joeg, als voorboden van den herfst, dwarrelende stofwolken
7735
tegen de ruiten.
7736
 
7737
Het scheen Uilenspiegel dat hij een man zag over en weer gaan, dat
7738
hij stappen hoorde in de keuken. Toen hij opkeek, zag hij den man
7739
niet meer; maar hij luisterde en hoorde alleen den wind, die in den
7740
schoorsteen huilde en Soetkin, die in heur bedde weende.
7741
 
7742
Dan opnieuw hoorde hij stappen, en, achter zich, tegen zijn hoofd,
7743
een bangen zucht.--Wie is daar? sprak hij.
7744
 
7745
Niemand antwoordde, maar hij hoorde drie kloppen op de
7746
tafel. Uilenspiegel, verschrikt en huiverend, vroeg nogmaals:--Wie is
7747
daar? Hij kreeg geen antwoord, maar hoorde drie kloppen op de tafel
7748
en voelde twee armen die hem vastgrepen, en over zijn gelaat zich
7749
een ruig lichaam buigen, dat een groot gat in de borst had en naar
7750
verbrand rook.
7751
 
7752
--Vader, sprak Uilenspiegel, is het uw arm lichaam, dat aldus op
7753
mij drukt?
7754
 
7755
Hij kreeg geen antwoord, en, hoewel de schimme omtrent hem was,
7756
hoorde hij buiten roepen: "Thijl! Thijl!" Soetkin stond schielijk op
7757
en kwam aan Uilenspiegel's bed. "Hoort gij niets?" vroeg zij hem.
7758
 
7759
--'t Doet, vader die mij roept.
7760
 
7761
Ik, sprak Soetkin, ik heb een koud lichaam in mijn bedde gevoeld;
7762
en de stroozakken schudden en de gordijnen gingen open en toe en
7763
'k hoorde eene stemme die sprak: "Soetkin"; eene stemme die zwak
7764
als een ademtocht was, en stappen zoo licht als het dansen der
7765
muggen. Vervolgens tot den Geest van Klaas sprekend, zegde zij:
7766
"Man, zoo gij iets begeert in den hemel alwaar God U opgenomen heeft,
7767
moet gij het zeggen, opdat wij uwen wil kunnen volbrengen."
7768
 
7769
Eensklaps sloeg de wind met geweld de deur open en de kamer werd
7770
met stof vervuld, en Uilenspiegel en Soetkin hoorden in de verte een
7771
akelig ravengekras.
7772
 
7773
Zij kwamen samen buiten en gingen naar den brandstapel.
7774
 
7775
Het was stikdonker, behalve wanneer de gure Noordenwind de wolken in
7776
den hemel als herten voortjoeg en de bleeke maan heur zilveren licht
7777
ter aarde zond.
7778
 
7779
Een stadsserjant stond op wacht bij den brandstapel. Soetkin en
7780
Uilenspiegel hoorden den klank zijner stappen op den harden grond en
7781
het gekras eener raaf, die zekere raven bijriep, want het werd in de
7782
verte beantwoord door andere raven.
7783
 
7784
Als Uilenspiegel en Soetkin bij den brandstapel waren, viel de raaf
7785
op Klaas' schouderen neer, en zij hoorden heur pikken in het lijk,
7786
en andere raven vlogen weldra bij.
7787
 
7788
Uilenspiegel wilde op den brandstapel springen om de raven te verjagen;
7789
de serjant sprak tot hem:
7790
 
7791
--Tooveraar, 't is nuttelooze moeite die gij doen gaat, weet dat de
7792
handen van verbranden het vermogen niet hebben onzichtbaar te maken
7793
als die van gehangenen.
7794
 
7795
--Heer serjant, antwoordde Uilenspiegel, ik ben geen tooveraar, maar
7796
de wees van hem die daar hangt, en deze vrouw is zijne weduwe. Wij
7797
willen hem nogmaals kussen en een weinig van zijne assche meenemen,
7798
tot gedenkenis. Laat het ons toe, heer, gij die geen vreemd soldenier,
7799
maar een zoon van Vlaanderen zijt.
7800
 
7801
--Doet als gij vraagt, antwoordde de serjant.
7802
 
7803
De wees en de weduw klommen op het verkoold hout en kwamen bij het
7804
lijk; weenend kusten zij Klaas zijn gezicht.
7805
 
7806
Ter plaats van het hert, waar de vlam een groot gat had geknaagd, nam
7807
Uilenspiegel een weinig asch van den doode. Vervolgens nederknielend,
7808
begonnen zij te bidden. En toen de ochtendschemering de kimmen lichtte,
7809
zaten beiden daar nog; doch de sergeant deed hen heengaan, uit vreeze
7810
voor straf.
7811
 
7812
Thuis, nam Soetkin een stukje roode en een stukje zwarte zijde; zij
7813
maakte een zakje van, in hetwelk zij de assche stak; en zij naaide
7814
twee linten aan het zakje, opdat Uilenspiegel het om den hals kon
7815
dragen. Zij langde hem het zakje en sprak:
7816
 
7817
--Dat deze assche, die het hert van mijn man is, dit rood, dat zijn
7818
bloed is, dit zwart, dat onze rouw is, steeds op uwe borst blijve,
7819
als een vuur van wrake voor zijne beulen!
7820
 
7821
--Dat zal, zwoer Uilenspiegel.
7822
 
7823
En de weduw kuste den wees, en de zonne stond op.
7824
 
7825
 
7826
 
7827
 
7828
LXXVI.
7829
 
7830
's Anderen daags kwamen de serjanten en omroepers der gemeente in de
7831
hut van Klaas, om al het huisraad op straat te brengen en publiek te
7832
verkoopen. Van uit Katelijne's huis zag Soetkin de wieg van ijzer en
7833
kooper beneden komen die, van vader tot zoon, altijd in Klaas' huis
7834
was geweest, waarin de arme doode geboren was en ook Uilenspiegel ter
7835
wereld kwam. Vervolgens bracht men ook het bedde beneden, in hetwelk
7836
Soetkin heuren zoon had ontvangen. En vervolgens de schapraai, en
7837
de ketels, pateelen en potten, die niet meer blonken lijk weleer,
7838
maar nu vuil van het stof waren.
7839
 
7840
En ook eene tonne enkele en een klein vaatje dobbele kuite en, in
7841
een groote mande, ten minste dertig flesschen wijn; en alles werd op
7842
straat gezet, tot den laatsten stoel uit het huis.
7843
 
7844
Met bloedend herte, doch zonder klagen, zag zij zich heur nederigen
7845
rijkdom, alle die herinneringen van vroeger, alle die vrienden
7846
ontnemen. De omroeper stak de keers aan en het huisraad werd stuk
7847
voor stuk verkocht. De keers was bijkans op, als de deken der
7848
vischverkoopers alles tegen een spotprijs gekocht had om het voort
7849
te verkoopen. Hij scheen vergenoegd als een wezel, die de hersenen
7850
eener henne uitzuigt.
7851
 
7852
Uilenspiegel zei in zich zelven: "Gij zult niet blijven lachen,
7853
moordenaar."
7854
 
7855
De verkoop was gedaan en nochtans bleven de serjanten overal zoeken,
7856
zonder de karolussen te vinden. De vischverkooper riep:
7857
 
7858
--Gij zoekt slecht: ik weet dat Klaas voor zes maanden zevenhonderd
7859
karolussen bezat.
7860
 
7861
Uilenspiegel zei in zich zelven: "Gij zult niet erven, moordenaar."
7862
 
7863
Eensklaps keerde Soetkin zich naar hem en sprak, met den vinger naar
7864
den vischverkooper wijzend:
7865
 
7866
--Dáár is de aanbrenger!
7867
 
7868
--Ik weet het, zei Uilenspiegel.
7869
 
7870
--Duldt gij, sprak zij, dat hij uws vaders bloed erve?
7871
 
7872
--Nog liever zat ik een heelen dag op de pijnbank, antwoordde
7873
Uilenspiegel.
7874
 
7875
--Ik ook, sprak Soetkin, maar spreek niet uit medelijden, hoe groot
7876
ook de smerte weze die ik lijde.
7877
 
7878
--Eilaas! gij zijt eene vrouwe, zei Uilenspiegel.
7879
 
7880
--Arme jongen, sprak Soetkin, ik bracht u ter wereld en kan tegen
7881
't lijden. Maar gij, als ik u zag.... Vervolgens verbleekend: Ik zal
7882
de Heilige Maagd bidden, die heuren zoon aan het kruis zag....
7883
 
7884
En zij weende, en kuste Uilenspiegel.
7885
 
7886
En aldus sloten zij een verdrag, dat hun haat en hunne kracht
7887
versterkte.
7888
 
7889
 
7890
 
7891
 
7892
LXXVII.
7893
 
7894
De vischverkooper moest maar de helft van de koopsom betalen, mits de
7895
andere helft hem als aanbrenger toekwam, tot dat men de zevenhonderd
7896
gouden karolussen vond, die hem tot zijn eerlooze daad aangezet hadden.
7897
 
7898
Soetkin weende 's nachts en werkte 's daags in het huishouden. Dikwijls
7899
hoorde Uilenspiegel haar in zich zelve zeggen:
7900
 
7901
--Als hij erft, laat ik mij dooden.
7902
 
7903
Nele en hij, wisten dat zij doen zou wat zij zeide; zij deden hun
7904
best om Soetkin te bewegen naar Walcheren te trekken, alwaar zij magen
7905
had. Soetkin wilde niet, zeggende dat zij zich niet verwijderen wilde
7906
van den bodem, die weldra heur gebeente zou ontvangen.
7907
 
7908
Ondertusschen ging de vischverkooper opnieuw tot den baljuw en zegde,
7909
dat de aflijvige voor eenige maanden zevenhonderd karolussen geërfd
7910
had, dat Klaas een spaarzam man was en dat hij dus die groote som
7911
niet verteerd had, maar dat ze ergens verborgen moest zijn.
7912
 
7913
De baljuw vroeg hem wat kwaad Uilenspiegel en Soetkin hem hadden gedaan
7914
om, na den eenen zijn vader en de andere heuren man te hebben ontnomen,
7915
hen nu nog zoo wreedelijk te vervolgen.
7916
 
7917
De vischverkooper antwoordde dat hij, als hoogpoorter van Damme,
7918
de wetten van den lande wilde doen eerbiedigen om 's keizers
7919
goedertierenheid te verwerven.
7920
 
7921
Daarop liet hij in handen van den baljuw een geschrevene aanklacht en
7922
hij bracht getuigen, die, in volle waarheid sprekende, huns ondanks
7923
moesten bevestigen, dat de vischverkooper niet loog.
7924
 
7925
Op die getuigenissen verklaarden de heeren van de Schepenkamer,
7926
dat de vermoedens van plichtigheid voldoende waren om de torture toe
7927
te passen. Dienvolgens lieten zij het huis opnieuw afzoeken door de
7928
serjanten, die last hadden moeder en zoon naar het Steen te brengen,
7929
alwaar zij zouden opgesloten blijven, tot dat de scherprechter van
7930
Brugge kwam, die men op staanden voet had ontboden.
7931
 
7932
Toen Soetkin en Uilenspiegel gekoord en gebonden door de straat kwamen,
7933
stond de vischverkooper aan zijne deur naar hen te kijken.
7934
 
7935
En de poorters en poorteressen van Damme stonden ook aan hunne
7936
deur. Mathijssen, de naaste gebuur van den vischverkooper, hoorde
7937
Uilenspiegel tot den lafaard zeggen:
7938
 
7939
--Gij, die eene weduwe martelt, wordt gedoemd door den Heere!
7940
 
7941
En ook Soetkin, die zei:
7942
 
7943
--Gij, die eenen wees vervolgt, zult een kwaden dood sterven!
7944
 
7945
Toen die van Damme aldus vernomen hadden dat het op een tweede
7946
aanklacht van Grijpstuiver was, dat men moeder en zoon naar 't gevang
7947
bracht, jouwden zij den vischverkooper uit en smeten 's avonds steenen
7948
in zijne ruiten. En zijne deur werd vol vuiligheid bestreken.
7949
 
7950
En hij dorst niet meer buitenkomen.
7951
 
7952
 
7953
 
7954
 
7955
LXXVIII.
7956
 
7957
Omtrent tien uur des voormiddags werden Soetkin en Uilenspiegel in
7958
de folterkamer gebracht.
7959
 
7960
Daar waren de baljuw, de griffier en de schepenen, de beul van Brugge,
7961
zijn knecht en een chirurgijn-baardemaker.
7962
 
7963
De baljuw vroeg aan Soetkin of zij niets achterhield dat den keizer
7964
toekwam. Zij antwoordde dat zij, mits zij niets bezat, niets kon
7965
achterhouden.
7966
 
7967
--En gij? vroeg hij aan Uilenspiegel.
7968
 
7969
--Voor zeven maanden, antwoordde hij, erfden wij zevenhonderd
7970
karolussen; eenigen daarvan zijn verteerd. En ik weet niet waar de
7971
andere zijn, maar ik denk dat de reiziger, die tot onzen rampspoed
7972
ten onzent verbleef, die heeft medegenomen, want nooit heb ik thuis
7973
karolussen gezien.
7974
 
7975
De baljuw vroeg toen nog eens of beiden in hun gezegde bleven
7976
volherden.
7977
 
7978
Zij antwoordden, dat zij geenerlei goed achterhielden dat den keizer
7979
toekwam.
7980
 
7981
Ernstig doch vol medelijden, sprak de baljuw:
7982
 
7983
Mits de lasten tegen u beiden zwaar zijn, zult gij, zoo gij geen
7984
bekentenis doet, de pijnbank moeten verduren.
7985
 
7986
--Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel. De vischverkooper heeft alles
7987
gekocht wat er was.
7988
 
7989
--Arme jongen, sprak Soetkin, de mannen kunnen geen smerten als de
7990
vrouwen verdragen.
7991
 
7992
Als zij zag dat Uilenspiegel om harentwille wit als een doode was,
7993
zeide zij nog:
7994
 
7995
--Ik haat en 'k ben sterk.
7996
 
7997
--Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel.
7998
 
7999
--Neem mij in zijne plaats, zei Soetkin.
8000
 
8001
De baljuw vroeg aan den beul of alles gereed was om de waarheid
8002
te ontrukken.
8003
 
8004
De beul antwoordde:
8005
 
8006
Alles is gereed.
8007
 
8008
De rechters, na beraadslaagd te hebben, besloten dat men moest beginnen
8009
met de vrouw, om 't stuk te doen bekennen.
8010
 
8011
--Want, sprak een der schepenen, geen zoon is zoo wreedaardig dat hij
8012
zijne moeder kan zien lijden, zonder te bekennen om heur te verlossen.
8013
 
8014
De baljuw sprak tot den scherprechter:
8015
 
8016
--Zet de vrouw op den stoel en doe de stokskens aan heure handen
8017
en voeten.
8018
 
8019
De beul gehoorzaamde.
8020
 
8021
--Ho! doet dat niet, mijne heeren, riep Uilenspiegel. Bindt mij vast
8022
in heure plaats, breekt mijne vingeren en teenen, maar spaart heur!
8023
 
8024
--De vischverkooper! riep Soetkin. Ik haat en 'k ben sterk.
8025
 
8026
Uilenspiegel werd nog bleeker, beefde en zweeg.
8027
 
8028
De stokskens, die van palmhout waren, werden tusschen de vingeren
8029
gestoken. Door middel van koordjes waren zij tot een zoo vernuftigen
8030
toestel gemaakt, dat de beul naar den wil van den rechter, al
8031
de vingeren kon pletteren, of den lijder maar een geringe pijn
8032
veroorzaken.
8033
 
8034
Hij stak de stokskens tusschen de vingeren en teenen van Soetkin.
8035
 
8036
--Trek aan, zei de baljuw.
8037
 
8038
De hangman deed het wreedelijk.
8039
 
8040
Toen sprak de baljuw tot Soetkin:
8041
 
8042
--Zeg mij waar de karolussen liggen.
8043
 
8044
--Ik weet het niet, antwoordde zij zuchtend.
8045
 
8046
--Nijp harder, sprak hij.
8047
 
8048
Uilenspiegel wilde zijne armen losrukken, die op zijnen rug waren
8049
gebonden, om Soetkin te hulpe te komen.
8050
 
8051
--Doet niet prangen, heeren rechters, het zijn teere en broze
8052
vrouwenvingeren. Een vogeltje zou ze aan stukken pikken. Prangt niet;
8053
heer scherprechter, ik spreek geenszins tot u, want gij moet doen
8054
wat die heeren u heeten. Spant niet, hebt medelijden.
8055
 
8056
--De vischverkooper! riep Soetkin.
8057
 
8058
En Uilenspiegel zweeg.
8059
 
8060
Doch, als hij zag dat de beul de stokskens harder deed spannen,
8061
riep hij opnieuw:
8062
 
8063
--Erbarming, heeren! Daar breekt gij heure vingeren die zij noodig
8064
heeft om te werken. Laas! heure voeten, nu zal zij niet meer kunnen
8065
gaan! Erbarming, heeren!
8066
 
8067
--Vischverkooper, gij zult een bangen dood sterven! riep Soetkin.
8068
 
8069
En heure beenderen kraakten en 't bloed van heure voeten gutste
8070
ten gronde.
8071
 
8072
Uilenspiegel zag het en sprak, bevend van smert en van gramschap:
8073
 
8074
--Vrouwenbeenderen, breekt ze toch niet, heeren rechters.
8075
 
8076
--De vischverkooper! zuchtte Soetkin.
8077
 
8078
En heure stem was zacht als de stem van eene schim.
8079
 
8080
--Heeren rechters, de handen en voeten zijn rood van 't bloed. Men
8081
heeft heure beenderen gekraakt.
8082
 
8083
De chirurgijn-baardemaker raakte ze aan, en Soetkin stiet een kreet
8084
van smerte.
8085
 
8086
--Beken in heure plaats, zei de baljuw tot Uilenspiegel.
8087
 
8088
Maar Soetkin bezag hem met opengesperde oogen, als die van een
8089
doode. En hij begreep dat hij niet spreken mocht, en weende zonder
8090
een woord te uiten.
8091
 
8092
--Daar die vrouwe de kloekmoedigheid des mans heeft, sprak toen de
8093
baljuw, moet men ze beproeven door heuren zoon onder heure oogen uit
8094
te rekken.
8095
 
8096
Soetkin hoorde niet, want zij lag in bezwijming, door de pijnen die
8097
zij uitstond.
8098
 
8099
Men deed ze met azijn tot heur zelve komen.
8100
 
8101
Vervolgens werd Uilenspiegel ontkleed en bloot voor de oogen zijner
8102
moeder gesteld. De beul scheerde hem zijn haar af, om te zien of
8103
hij geenerlei tooverteeken verbolgen hield. Toen zag hij op zijn
8104
rug een zwarte geboortevlek. Verscheidene reizen stak hij er in met
8105
een lange naalde; er kwam bloed uit, en hij was van oordeel dat het
8106
litteeken geen tooverije verborg. Op 't bevel van den baljuw, werden
8107
Uilenspiegel's handen gebonden met twee koorden, die rond een wielken
8108
aan een zolderbalk hingen, zoodat de beul, op bevel van de rechters,
8109
hem met geweldige schokken kon optrekken en weer laten vallen; dit
8110
deed hij wel negen reizen, na vooraf aan elk been een gewicht van
8111
vijf en twintig pond te hebben gebonden.
8112
 
8113
Bij den negenden schok, scheurde de huid en werden polsen en enkels
8114
ontwricht.
8115
 
8116
--Belijd, sprak de baljuw.
8117
 
8118
--Neen, antwoordde Uilenspiegel.
8119
 
8120
Soetkin bezag heuren zoon, doch zij had de kracht niet om te roepen
8121
of te spreken; zij stak alleenlijk heure bloedige handen uit, ten
8122
teeken dat men die folteringen zou staken.
8123
 
8124
Maar de beul trok Uilenspiegel nogmaals op, om hem te laten vallen. En
8125
het vel der polsen en enkels scheurde erger en zijn voeten werden
8126
nog erger ontwricht; doch hij schreeuwde niet.
8127
 
8128
Soetkin weende en zwaaide met heure bloedige handen.
8129
 
8130
--Belijd, sprak de baljuw, en gij krijgt vergiffenis.
8131
 
8132
--De vischverkooper heeft vergiffenis noodig, antwoordde Uilenspiegel.
8133
 
8134
--Is 't om met de rechters te spotten? vroeg een der schepenen.
8135
 
8136
--Spotten? Laas, antwoordde Uilenspiegel, ik heb er geen lust toe,
8137
ge moogt mij gelooven.
8138
 
8139
Soetkin zag toen den beul, op bevel van den baljuw, een fornuis
8140
aanstoken, terwijl een beulsknecht twee keersen deed branden.
8141
 
8142
Zij wilde rechtstaan op heure vermorzelde voeten, doch zij viel terug,
8143
uitroepende:
8144
 
8145
--Weg met dat vuur! Ach! heeren rechters, spaart zijne jeugd. Weg
8146
met dat vuur!
8147
 
8148
--De vischverkooper! riep Uilenspiegel, heur ziende wankelen.
8149
 
8150
--Trek Uilenspiegel een voet boven den grond, sprak de baljuw; stel
8151
het fornuis onder zijne voeten en eene keers onder elken oksel.
8152
 
8153
De beul gehoorzaamde. Het haar onder de okselen knetterde en schroeide
8154
onder de vlamme.
8155
 
8156
Uilenspiegel schreeuwde, en Soetkin sprak weenend:
8157
 
8158
--Doe dat vuur weg.
8159
 
8160
--Belijd, sprak de baljuw, en gij zult verlost zijn. Belijd voor
8161
hem, vrouwe.
8162
 
8163
En Uilenspiegel sprak:
8164
 
8165
--De vischverkooper verdient het eeuwige vuur!
8166
 
8167
Soetkin schudde het hoofd tot teeken dat zij niets te zeggen
8168
had. Uilenspiegel knarste op zijne tanden, en weenend keek Soetkin
8169
met verwilderde oogen naar heuren zoon.
8170
 
8171
Nochtans toen de beul de keersen uitgeblazen had en het gloeiend
8172
fornuis onder Uilenspiegels voeten plaatste riep zij uit:
8173
 
8174
--Heeren rechters, hebt medelijden met hem, hij weet niet wat hij zegt.
8175
 
8176
--En waarom niet? vroeg de baljuw listiglijk.
8177
 
8178
--Ondervraagt heur niet, heeren rechters, sprak Uilenspiegel, gij
8179
ziet wel dat de smert heur waanzinnig maakt. De vischverkooper heeft
8180
gelogen.
8181
 
8182
--Spreekt gij als hij, vrouw? vroeg de baljuw.
8183
 
8184
Soetkin knikte van ja.
8185
 
8186
--Verbrandt den vischverkooper! riep Uilenspiegel.
8187
 
8188
Soetkin zweeg, hief den arm tot vermaledijding omhoog.
8189
 
8190
Doch als zij het fornuis zag gloeien onder de voeten haars zoons,
8191
riep zij uit:
8192
 
8193
--Heere God! Heilige Maria, die in de hemelen zijt, stelt toch een
8194
einde aan die marteling! Ontferming! Doe het vuur weg!
8195
 
8196
--De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel nog.
8197
 
8198
Hij spuwde bloed door den mond en de neusgaten, en hij bleef met
8199
gebogen hoofde, boven de gloeiende kolen hangen.
8200
 
8201
Toen riep Soetkin:
8202
 
8203
--Hij is dood! Zij hebben hem vermoord! Ha! hem ook! Rechters, doet
8204
het vuur weg! Laat mij hem in mijne armen nemen, om getweeën te
8205
sterven. Gij weet dat ik niet kan wegloopen, met mijn gebroken voeten.
8206
 
8207
--Geef de weduw haren zoon, sprak de baljuw.
8208
 
8209
Vervolgens gingen de rechters tot beraadslaging over.
8210
 
8211
De hangman maakte Uilenspiegel los en legde hem naakt en met bloed
8212
overdekt op den schoot zijner moeder, terwijl de chirurgijn-baardemaker
8213
de beenderen weer in de gewrichten bracht.
8214
 
8215
En Soetkin kuste Uilenspiegel, en weende en sprak:
8216
 
8217
Mijn zoon, arme martelaar! Ik zal u genezen, zoo de heeren rechters het
8218
gedoogen; maar wordt toch wakker, Thijl, mijn zoon! Heeren rechters,
8219
als gij hem gedood hebt, zal ik tot Zijne Majesteit gaan; want gij
8220
hebt gehandeld tegen wet en recht, en gij zult zien wat een arme
8221
vrouwe tegen de boozen vermag. Maar, heeren rechters, laat ons in
8222
vrijheid. De hand Gods valt zwaar op ons neder, en wij zijn slechts
8223
getweeën op de wereld.
8224
 
8225
Na beraadslaging, brachten de rechters de volgende sententie uit:
8226
 
8227
"Omme dieswille dat gij, Soetkin, weduwvrouwe van Klaas, en gij, Thijl,
8228
zoon van Klaas, in de wandelinge Uilenspiegel, beschuldigd het goed
8229
geroofd te hebben dat door verbeurdverklaring, niettegenstaande alle
8230
privileges, aan Zijne Koninklijke Majesteit toebehoorde, in weerwil
8231
van de pijnbank en voldoende beproevingen, niets beleden hebt;
8232
 
8233
"Overwegende het gebrek aan bewijzen, en gezien den erbarmlijken
8234
staat uwer ledematen, vrouwe, en de tortuur die gij onderstaan
8235
hebt, man, verklaart de vierschaar u beiden vrij en staat u toe,
8236
niettegenstaande uwe armoede, te wonen bij hem of heur van de stede,
8237
waar het u believen zal.
8238
 
8239
"Aldus gewijsd ende geprononcieerd te Damme, den drij en twintigsten
8240
van Wijnmaand van 't jaar onzes Heeren 1558."
8241
 
8242
--Weest gezegend, heeren rechters, sprak Soetkin.
8243
 
8244
--De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel.
8245
 
8246
En moeder en zoon werden op eene kar naar 't huis van Katelijne
8247
gevoerd.
8248
 
8249
 
8250
 
8251
 
8252
LXXIX.
8253
 
8254
In dat jaar, het acht en vijftigste der eeuw, kwam Katelijne bij
8255
Soetkin binnen en sprak:
8256
 
8257
"Dezen nacht heb ik mij laten vervoeren, door middel van eenen stok
8258
met zalve bestreken, naar den Onze-Lieve-Vrouwetoren. Daar zag ik de
8259
sylphen de gebeden der menschen overgeven aan de engelen, dewelke naar
8260
het hoogste der hemelen vlogen om ze naar den troon Gods te dragen. En
8261
heel het hemelrijk was met fonkelende sterren bezaaid. Eensklaps
8262
verhief zich van op een brandstapel een zwarte gedaante, die omtrent
8263
mij op den toren kwam zitten. Ik herkende Klaas gelijk hij was in
8264
zijn leven, met zijne kooldragerskleeren.--Wat doet gij hier op
8265
Onze-Lieve-Vrouwetoren? vroeg hij mij,--Maar gij zelf, antwoordde
8266
ik, waar gaat gij henen, vliegend door de lucht als eene zwaluw?--Ik
8267
ga, sprak hij, naar het oordeel; hoort gij de trompet van den engel
8268
niet? Ik stond dicht tegen hem, en voelde dat zijn lichaam niet vast
8269
was gelijk dat der levenden, maar zoo licht dat ik er doorging als
8270
door een warmen damp. Aan mijne voeten, heel Vlaanderenland door,
8271
flikkerden eenige lichtjes, en ik sprak in mij zelve: Zij die vroeg
8272
opstaan en spade werken, zijn gezegend door God.
8273
 
8274
En heel den nacht hoorde ik de trompet van den engel schallen. En ik
8275
zag een andere gedaante omhoog stijgen; ze kwam uit Spanje; deze was
8276
oud en afgeleefd; siroop van kweeperen hing nog aan hare lippen. Om de
8277
schouders droeg zij een karmozijnpannen mantel, gevoerd met hermelijn,
8278
op het hoofd eene keizerskroon, in de eene hand eene ansjovis, in de
8279
andere een beker bier.
8280
 
8281
Zij kwam, zeker uit vermoeienis, op Onze-Lieve-Vrouwetoren
8282
zitten. Nederknielend vroeg ik haar: Gekroonde Majesteit, vol eerbied
8283
lig ik voor U neder, doch ik ken U niet. Van waar komt gij, wat doet
8284
gij op de wereld?--Ik kom, sprak zij, van Sint-Just in Estramadura,
8285
en was keizer Karel de vijfde.--Maar, vroeg ik, waar vaart gij henen,
8286
in dien kouden nacht, door dien hemel vol hagelwolken?--Ik ga, was
8287
het antwoord, naar het oordeel.
8288
 
8289
Als de keizer zijne ansjovis wilde eten en zijn bier wilde drinken,
8290
schalde de trompet van den engel. En de keizer verhief zich in de
8291
lucht, grommend omdat hij niet voorteten kon. Ik volgde Zijne Heilige
8292
Majesteit. Hij vloog door het luchtruim, hijgend van vermoeienis,
8293
blazend van aamborstigheid, en soms brakend, want hij was van overdaad
8294
gestorven. Wij klommen hooger en hooger, gelijk de pijlen uit eenen
8295
boog van kornoelje-hout. De sterren vlogen ons voorbij en lieten
8296
vurige strepen na. De trompet des engels weerschalde, met een machtig,
8297
klaterend geweld. Bij elk geschal dat door de ruimte klonk, sloeg
8298
de lucht uiteen, alsof een orkaan had geblazen. En aldus werd de weg
8299
gebaand. Duizend uren hoog en nog meer, zagen we Christus, in al zijn
8300
heerlijkheid op een sterrentroon gezeten. Aan zijne rechterzijde, zat
8301
de engel die de daden der menschen opteekent in een bronzen boek, en
8302
aan zijne linkerzijde, Maria, zijne moeder, die de zondaren voorsprak.
8303
 
8304
Klaas en keizer Karel knielden neder voor den troon.
8305
 
8306
De engel sloeg den keizer de krone van 't hoofd:--Christus alleen is
8307
keizer, sprak hij.
8308
 
8309
Zijne Heilige Majesteit scheen verstoord, doch nederig vroeg hij:
8310
Zou ik dit ansjovisje en dit bier niet mogen behouden, want 'k heb
8311
honger van die lange luchtvaart?--Gelijk heel uw leven, antwoordde
8312
de engel; nu, eet en drink maar.
8313
 
8314
Als hij gedaan had, vroeg Christus:
8315
 
8316
--Komt gij met zuivere ziele naar 't oordeel?
8317
 
8318
--Ik hoop het, zoete heer Jezus, want ik heb gebiecht, antwoordde
8319
keizer Karel.
8320
 
8321
--En gij, Klaas? vroeg Christus; gij beeft niet lijk die keizer.
8322
 
8323
--Heer Jezus, antwoordde Klaas, geenerlei ziele is teenemaal zuiver,
8324
doch ik heb geen angst voor U, die het opperste goed en de opperste
8325
rechtveerdigheid zijt; maar ik vrees voor mijne zonden, die groot in
8326
getal waren.
8327
 
8328
--Spreek, aardworm, sprak de engel tot den keizer.
8329
 
8330
--Heer, antwoordde Karel met verlegene stem, gezalfd door de hand uwer
8331
priesteren, werd ik koning van Castilië, keizer van Duitschland en
8332
Roomsch koning gewijd. Steeds nam ik de instandhouding van de macht,
8333
die van U komt, ter herte, en ik ging de ketterije te keer te vuur
8334
en te zweerd, met put en galg.
8335
 
8336
--Leugenaar, sprak de engel, gij wilt ons bedriegen. In Duitschland
8337
duldet gij de ketteren, want gij vreesdet hen, maar gij deedt ze
8338
onthalzen, branden, hangen en levend begraven in de Nederlanden,
8339
dáár waar gij vreesdet niet genoeg te erven van die noeste bijen, zoo
8340
rijk aan honig. Honderd duizend menschen werden ter dood gebracht,
8341
niet omdat gij Christus, mijnen Heere, bemindet, maar omdat gij
8342
een dwingeland, een landverwoester waart, die niemand bemindet, dan
8343
zichzelven, en daarna het vleesch, de visch, het bier en den wijn,
8344
want gij waart gulzig als een hond en dronkt als eene spons.
8345
 
8346
--En gij, Klaas, spreek, zegde Christus.
8347
 
8348
Doch de engel stond recht en sprak:
8349
 
8350
--Deze heeft niets te zeggen. Hij was goedhertig, neerstig, gelijk
8351
heel het Vlaamsche volk, dat geerne werkt en geerne lacht, dat den
8352
eed gestand bleef, denwelken het aan zijne vorsten gezworen had, in
8353
den waan dat zijne vorsten ook den hunne zouden houden. Hij had geld,
8354
hij werd in beschuldiging gesteld, en omdat hij een ketter gehuisd had,
8355
werd hij levend verbrand.
8356
 
8357
Maria sprak toen:--Arme martelaar! doch in het hemelrijk zijn frissche
8358
bronnen, fonteinen die melk en wijn spuiten; kom mee, kooldrager,
8359
ik zal u leiden.
8360
 
8361
Nogmaals schalde de trompet van den engel en, van uit het diepste des
8362
afgronds, zag ik een schoonen, naakten man verrijzen, met een ijzeren
8363
krone op 't hoofd. En op den band van de krone stond geschreven:
8364
Droef tot op den dag der gerechtigheid.
8365
 
8366
Hij naderde den troon en zeide tot Christus:
8367
 
8368
--Ik ben uw slaaf tot dat ik uw meester worde.
8369
 
8370
--Satan, sprak Maria, eens komt een dag waarop er geen meesters noch
8371
slaven meer zijn, waarop Christus dewelke liefde is, en Satan, die
8372
de hoogmoed is, beteekenen zullen: Macht en kennis.
8373
 
8374
--Vrouwe, gij zijt goed en schoon, zegde Satan.
8375
 
8376
En naar den keizer wijzend, vroeg hij aan Christus:
8377
 
8378
--Wat moet ik hiermee doen?
8379
 
8380
Christus antwoordde:
8381
 
8382
--Dien gekroonden worm zult gij brengen in eene zaal, waar al de
8383
foltertuigen verzameld zijn, die onder zijne regeering gebruikt
8384
werden. Telkens dat een arme onschuldige de pijne des waters
8385
verduren zal, die de menschen opzwelt lijk blazen; of de pijne der
8386
keersen, die hunne voetzolen en okselen verbranden; of de pijne
8387
der radbraking, die de ledematen plettert; of de pijne der olie;
8388
telkens dat een vrije ziel op den brandstapel den laatsten snik
8389
zal geven, moet hij op zijne beurt dien dood, die smerten verduren,
8390
opdat hij leere hoeveel kwaad een onrechtveerdig man doen kan, die
8391
over millioenen gebiedt; hij verga in de gevangenissen, hij sterve
8392
op de brandstapels, zuchte in ballingschap, ver van het Vaderland;
8393
hij worde geschavotteerd, ontpoorterd, gegeeseld, gebrandmerkt; hij
8394
weze rijk, opdat de bedezetters hem alles ontnemen; de afgunstige
8395
klage hem aan en de verbeurdverklaring brenge hem ten onder. Gij zult
8396
van hem maken een ezel, opdat hij zachtzinnig, mishandeld en slecht
8397
gevoed weze; een arme, opdat hij bedele en beleedigingen erlange; een
8398
arbeider, opdat hij zich afbeule en niet genoegzaam te eten krijge;
8399
vervolgens, als hij als mensch naar ziel en lichaam alles geleden
8400
heeft, maakt gij van hem een hond, opdat hij braaf weze en slagen
8401
krijge; een slaaf, omdat hij aan den meestbiedende verkocht worde;
8402
een soldenier, opdat hij vechte voor anderen en zich late dooden
8403
zonder te weten waarom. En als hij na afloop van driehonderd jaar
8404
aldus alle smerten, alle ellenden geproefd heeft, zult gij er een
8405
vrijen man van maken. Is hij in dien staat goed, gelijk Klaas was,
8406
geef dan in een lachend, lommerig oord, onder een schoonen boom, de
8407
eeuwige ruste aan zijn gebeente, en zijne vrienden zullen aan zijn
8408
graf komen weenen en bloemen strooien ter zijner gedachtenis.
8409
 
8410
--Genade, mijn zoon, zeide Maria, hij wist niet wat hij deed, want
8411
macht doet het herte versteenen.
8412
 
8413
--Geene genade, sprak Christus.
8414
 
8415
--Ach, zeide Zijne Majesteit, had ik slechts een glas wijn van
8416
Andalusië.
8417
 
8418
--Kom, sprak Satan, 't is uit met wijn, met gebraad en gevogelte.
8419
 
8420
En naar het diepste der helle bracht hij de ziele van den armen keizer,
8421
die nog van zijn stukje ansjovis at.
8422
 
8423
Uit medelijden liet Satan hem begaan. Dan zag ik die Heilige Maagd,
8424
die Klaas naar het hoogste des hemelrijks leidde, daar waar de sterren
8425
met trossen aan 't gewelf hangen. En daar waschten de engelen hem,
8426
tot dat hij schoon en jong was. En zij gaven hem rijstpap met zilveren
8427
lepels. En de hemel sloot zich."
8428
 
8429
--Hij is in den hemel, sprak de weduwe.
8430
 
8431
--De assche klopt op mijn hert, zei Uilenspiegel.
8432
 
8433
 
8434
 
8435
 
8436
LXXX.
8437
 
8438
Gedurende de volgende drie en twintig dagen, werd Katelijne bleek en
8439
mager, en dorde zij, alsof zij verteerd werd door een inwendig vuur.
8440
 
8441
Zij riep niet meer: Het vuur! Maakt open! mijn ziel wil er uit! doch
8442
in vervoering sprak zij gedurig tot Nele: Bruid ben ik; bruid moet
8443
gij wezen. Schoon is hij; lang haar; vurige liefde; koude knieën en
8444
koude armen!
8445
 
8446
En Soetkin bezag haar treuriglijk, en dacht dat het een nieuwe uiting
8447
van waanzin was.
8448
 
8449
Heure rede vervolgend, sprak Katelijne:
8450
 
8451
--Driemaal drie is negen, een heilig getal. Hij alleen die 's nachts
8452
fonkelende oogen als katoogen heeft, ziet de geheimenis.
8453
 
8454
Toen Soetkin heur op een avond zoo bezig hoorde, schudde zij
8455
vertwijfeld het hoofd. Doch Katelijne sprak:
8456
 
8457
--Vier en drie, ongeluk onder Saturnus; onder Venus, een
8458
bruiloftgetal. Koude armen! Koude knieën! Een herte van vuur!
8459
 
8460
Soetkin antwoordde:
8461
 
8462
--Gij moogt van die leelijke heidensche afgoden niet spreken.
8463
 
8464
Katelijne hoorde dit; zij sloeg een kruis en sprak:
8465
 
8466
--Gezegend zij de grijze ruiter. Nele moet een man hebben, een schoonen
8467
man met een zweerd, een zwarten man met blinkend gelaat.
8468
 
8469
--Ja, sprak Uilenspiegel, eene mannenstoverij, voor dewelke ik met
8470
mijn mes de saus zal maken.
8471
 
8472
Nele bezag teederlijk heuren vriend, want zij was gelukkig omdat hij
8473
jaloersch was.
8474
 
8475
--Ik wil dien niet, sprak zij.
8476
 
8477
Katelijne antwoordde:
8478
 
8479
--Wanneer komt hij, die in 't grijs gekleed, en altijd anders geleersd
8480
en gespoord is?
8481
 
8482
Soetkin sprak:
8483
 
8484
--Bidt God voor de uitzinnige.
8485
 
8486
--Uilenspiegel, zei Katelijne, haal ons twee stoopen dobbele kuite,
8487
terwijl ik de heetekoeken bak.
8488
 
8489
Soetkin vroeg waarom zij den Zaterdag vierde, naar de wijs van
8490
de Joden.
8491
 
8492
Katelijne antwoordde:
8493
 
8494
--Omdat het deeg gerezen is.
8495
 
8496
Uilenspiegel stond met den grooten kroes van Engelsch tin in de hand,
8497
waarin juist twee stoopen gingen.
8498
 
8499
--Moeder, vroeg hij, wat moet ik doen?
8500
 
8501
--Ga, sprak Katelijne.
8502
 
8503
Daar zij geene meesteresse in huis was, wilde Soetkin niet
8504
tegenspreken. Zij zegde tot Uilenspiegel:--Ga, mijn zoon.
8505
 
8506
Uilenspiegel liep naar den Staak en kwam terug met twee stoopen
8507
dobbele kuite.
8508
 
8509
Weldra verspreidde de geur der heetekoeken zich in de keuken, en
8510
allen hadden honger, tot zelfs Soetkin.
8511
 
8512
Uilenspiegel liet het zich goed smaken. Katelijne had hem een grooten
8513
beker gegeven, zeggende dat, aangezien hij de eenige man, hoofd van
8514
het huis, was, hij meer moest drinken dan de anderen en vervolgens
8515
moest zingen.
8516
 
8517
En zij lachte heimelijk, maar Uilenspiegel dronk, doch zong niet. Nele
8518
weende als zij Soetkin bleek en gansch ineengevallen zag zitten;
8519
alleen Katelijne was vroolijk.
8520
 
8521
Na het avondmaal gingen Soetkin en Uilenspiegel naar boven op den
8522
zolder slapen; Katelijne en Nele bleven in de keuken, alwaar heure
8523
bedden nu stonden.
8524
 
8525
Rond twee uren des morgens als Uilenspiegel, door het zware bier,
8526
al lang sliep, lag Soetkin gelijk alle nachten wakker, Maria biddende
8527
dat zij heur slaap zou zenden, doch Maria aanhoorde heur niet.
8528
 
8529
Eensklaps hoorde zij den schreeuw van een nachtuil en, uit de keuken,
8530
antwoordde een dergelijke kreet; vervolgens, in de verte, in den
8531
kouter, weerklonken andere kreten en altijd scheen het heur dat men
8532
die in de keuken beantwoordde.
8533
 
8534
Denkend dat het nachtvogelen waren, sloeg zij er niet verder
8535
acht op. Zij hoorde peerdengehennik en hoevengetrappel op den
8536
steenweg. Zij opende het venster en zag inderdaad twee gezadelde
8537
peerden, die stampend het gras van den berm schoren. Toen hoorde zij
8538
een schreeuwende vrouwenstem, een dreigende mannenstem, herhaalde
8539
slagen, nieuwe kreten, eene deur met gedruis toeslaan en angstige
8540
stappen de trap opklimmen.
8541
 
8542
Uilenspiegel snorkte en hoorde er niets van; de deur van den
8543
zolder vloog open en, schier naakt, sprong Nele hijgend en snikkend
8544
binnen. En in haast schoof zij eene tafel, stoelen, een oud komfoor en
8545
al het huisraad dat zij vinden kon, tegen de deur. De laatste sterren
8546
verbleekten aan het uitspansel; de hanen kraaiden; zij kondigden den
8547
dageraad aan.
8548
 
8549
Op het gerucht dat Nele maakte, keerde Uilenspiegel zich om in zijn
8550
bed, zonder wakker te worden.
8551
 
8552
Nele viel om Soetkin's hals en sprak:--Soetkin, ik ben bang, steek
8553
eene keers aan.
8554
 
8555
Soetkin deed het en Nele zuchtte voortdurend.
8556
 
8557
Als de keers aangestoken was, bezag Soetkin het meisje, en ze zag dat
8558
heur hemd op den schouder gescheurd was. Op heur voorhoofd, heure
8559
kaken, in heuren hals zag zij bloedende schrammen, gelijk krabben
8560
van nagels.
8561
 
8562
--Nele, vroeg Soetkin heur kussend, van waar komen die, schrammen?
8563
 
8564
Steeds bevend en zuchtend, sprak het meisje:
8565
 
8566
--Doe ons niet verbranden, Soetkin.
8567
 
8568
Doch Uilenspiegel werd wakker en wreef zich de oogen, verblind als hij
8569
was door de klaarte der keers. Soetkin vroeg:--Wie is beneden? Nele
8570
antwoordde:--Zwijg, 't is de man dien Katelijne mij geven wil.
8571
 
8572
Soetkin en Nele hoorden Katelijne plotseling schreeuwen, en heure
8573
beenen knikten van schrik.--Hij slaat heur om mij, sprak Nele.
8574
 
8575
--Wie is er in huis? riep Uilenspiegel, uit zijn bed
8576
springend. Vervolgens liep hij door de kamer tot dat hij een zwaar
8577
stookijzer gevonden had, dat in eenen hoek lag.
8578
 
8579
--Niemand, sprak Nele, ga niet beneden, Uilenspiegel!
8580
 
8581
Maar hij luisterde niet, liep naar de deur, trok stoelen, tafels en
8582
komfoor uit den weg. Katelijne schreeuwde nog altijd beneden. Nele
8583
en Soetkin hielden Uilenspiegel vast, om zijn lijf, bij zijne beenen,
8584
en spraken:--Ga niet beneden, Uilenspiegel, 't zijn duivelen.
8585
 
8586
--Ja, sprak hij, duivelsche man van Nele, ik breng u het stookijzer
8587
tot gade. Een huwelijk van ijzer en vleesch. Laat mij, beneden!
8588
 
8589
Doch zij lieten hem niet los, want zij waren sterk, en klampten zich
8590
vast aan de leun van de trap. Maar zij vermochten niet hem te houden,
8591
en, naar beneden vliegend als een lawine, stormde hij de keuken
8592
binnen. Daar zag hij Katelijne bleek en ontdaan, en hoorde haar
8593
zeggen:--Hansken, waarom verlaat gij mij? 't Is mijne schuld niet;
8594
Nele is stout.
8595
 
8596
Zonder te luisteren, opende Uilenspiegel de deur van het
8597
stalleken. Hij vond er niemand; hij liep naar den kouter en van
8598
daar op den steenweg: van verre zag hij twee dravende peerden in
8599
den morgennevel verdwijnen. Hij wilde ze achterhalen, maar ze renden
8600
gelijk de stormwind, die de droge bladeren opjaagt.
8601
 
8602
Vol gramschap en vertwijfeling kwam hij binnen, fluisterend:--Zij
8603
hebben heur gehoond! En met een onheilspellend vuur in de oogen, bezag
8604
hij Nele; deze, die huiverend voor Soetkin en Katelijne stond, sprak:
8605
 
8606
--Neen, Thijl, mijn geliefde, neen.
8607
 
8608
Dit zeggende, keek zij hem zoo droef en oprecht in de oogen, dat
8609
Uilenspiegel zag dat zij de waarheid sprak. Toen ondervroeg hij heur:
8610
 
8611
--Van waar kwamen die kreten? Waar gingen die mannen? Waarom is
8612
uw hemde gescheurd? Van waar komen die krabben op uwe kaken en uw
8613
voorhoofd?
8614
 
8615
--Luister, Uilenspiegel, doe ons niet verbranden. Katelijne--God
8616
beware heur voor de helle--heeft sedert drie-en-twintig dagen een in
8617
't zwart gekleeden, geleersden en gespoorden duivel tot vriend. Zijn
8618
gelaat blinkt lijk het vuur dat 's zomers, als 't warm is, schittert
8619
op de baren der zee.
8620
 
8621
--Waarom zijt gij vertrokken, Hansken, mijn lieveling? sprak Katelijne,
8622
Nele is stout.
8623
 
8624
Maar Nele, vervolgende, sprak:--Hij schreeuwt als een nachtuil om zijne
8625
komst te melden. Moeder ziet hem alle Zaterdagen in de keuken. Zij
8626
zegt, dat zijne kussen als ijs zijn en zijn lichaam als sneeuw. Hij
8627
slaat heur als zij niet doet wat hij heet. Eens bracht hij heur enkele
8628
guldens mee, doch hij nam heur al de andere af.
8629
 
8630
Bij dit verhaal vouwde Soetkin de handen, om voor Katelijne te
8631
bidden. Katelijne sprak blijde:
8632
 
8633
--Mijn lijf en mijn geest, alles zij hem. Hansken, mijn liefste,
8634
leid mij nog naar den Sabbat. 't Is Nele, die nooit komen wil! Nele
8635
is stout.
8636
 
8637
--Bij de ochtendschemering toog hij henen, vervolgde het meisje,
8638
's anderen daags vertelde moeder mij dan allerhande zonderlinge
8639
dingen.... Maar bezie mij toch zoo kwaad niet, Uilenspiegel. Gisteren
8640
zeide zij mij dat een schoon heer, in 't grijs gekleed en Hilbert
8641
genaamd, mij ten huwelijk wilde en thuis zou komen, om zich te
8642
toonen. Ik antwoordde dat ik geen man wilde, hij mocht schoon zijn of
8643
leelijk. Zij deed mij opblijven om hen te verbeiden; want zij is dan
8644
geenszins van heure zinnen, als 't minnarijen geldt. Wij waren half
8645
ontkleed, gereed om te gaan slapen; ik sliep op genen stoel. Toen
8646
zij binnenkwamen, werd ik niet wakker. Plotseling voelde ik iemand
8647
die mij omhelsde, mij in mijnen hals kuste. En in den maneschijn zag
8648
ik een helder gezicht, gelijk het schuim der branding in Hooimaand,
8649
bij broeiend weer, en hoorde ik stille fluisteren:--Ik ben Hilbert,
8650
uw verloofde; wees aan mij; 'k zal u rijk maken. Zijn gezicht stonk
8651
naar visch. Ik stiet hem weg; hij wilde mij nemen met geweld, maar
8652
'k was sterker dan tien mannen als hij. Doch hij scheurde mijn hemde,
8653
kwetste mij aan mijn aangezicht en herhaalde: Wees aan mij, 'k zal
8654
u rijk maken.--Ja, zei ik, lijk mijne moeder, wier laatsten duit gij
8655
nemen zult.--Toen verdubbelde hij zijne pogingen, maar hij vermocht
8656
niets tegen mij. Hij was nog leelijker dan een doode, en ik krabde
8657
hem zoo geweldig met mijne nagelen in zijne oogen, dat hij kermde. Zoo
8658
geraakte ik los, en kwam ik bij Soetkin vluchten.
8659
 
8660
Katelijne herhaalde gedurig:
8661
 
8662
--Nele is stout. Waarom zijt gij zoo gauw vertrokken, Hansken,
8663
mijn liefste?
8664
 
8665
--Waar waart gij, slechte moeder, sprak Soetkin, terwijl men de eer
8666
van uw kind wilde rooven?
8667
 
8668
--Nele is stout, zegde Katelijne. Ik zat bij mijn zwarten heer,
8669
toen de grijze duivel met bloedend gelaat bij ons kwam en sprak: Kom
8670
mede, kameraad, het deugt hier niet; de mannen willen ons doodslaan
8671
en de vrouwen hebben messen aan heure vingeren. Daarop sprongen zij
8672
te peerd en verdwenen zij in den nevel. Nele is stout!
8673
 
8674
 
8675
 
8676
 
8677
LXXXI.
8678
 
8679
's Anderen daags, onder 't ontbijt, sprak Soetkin tot Katelijne:
8680
 
8681
--Gij ziet dat wee en smerte mij overal volgen, wilt gij mij uw huis
8682
doen ontvluchten, met uwe verdoemde hekserijen?
8683
 
8684
Maar Katelijne sprak:
8685
 
8686
Nele is stout. Kom weder, mijn Hansken.
8687
 
8688
Den volgenden Woensdag kwamen de beide duivelen terug. Sedert den
8689
Zaterdag sliep Nele bij de weduwe Vanden Houte, zeggende dat zij
8690
niet langer bij Katelijne mocht vernachten, om Uilenspiegel, mits
8691
dit opspraak zou verwekken.
8692
 
8693
Katelijne ontving heuren zwarten heer en zijnen vriend in de keete,
8694
die tot waschhuis diende en waar de broodoven stond. En zij onthaalde
8695
ze op ouden wijn en gerookte ossetong. De zwarte sprak tot Katelijne:
8696
 
8697
--Om een groot werk te verrichten, hebben wij veel geld van noode;
8698
geef ons wat gij kunt.
8699
 
8700
Toen Katelijne hun maar één gulden geven wilde, dreigden ze heur met
8701
den dood. Maar zij lieten heur los voor twee gouden karolussen en
8702
zeven deniers.
8703
 
8704
--Komt 's Zaterdags niet meer, zeide zei. Uilenspiegel kent dien dag
8705
en gewapend zal hij u wachten om u beiden te dooden, en na u zou ik
8706
ook sterven.
8707
 
8708
--Wij zullen den naasten Dinsdag komen, zegden zij.
8709
 
8710
Dien dag sliepen Uilenspiegel en Soetkin zonder vreeze voor de
8711
duivelen, want zij meenden dat ze 's Zaterdags kwamen.
8712
 
8713
Katelijne stond op en ging zien in de keete of heure vrienden daar
8714
waren.
8715
 
8716
Zij was zeer ongeduldig, want sedert dat zij Hansken weergezien had,
8717
was heure uitzinnigheid grootelijks verminderd, daar het minnegekheid
8718
was, naar men zeide.
8719
 
8720
Als zij hen niet zag, was zij droef en troosteloos; maar in het veld,
8721
uit de richting van Sluis, hoorde zij 't geschreeuw van den nachtuil
8722
en zij ging er op af. En langs eenen dijk van rijshout en graszoden
8723
stappend, hoorde zij aan den anderen kant van dien dijk de beide
8724
duivelen samen in gesprek. De eene zei:
8725
 
8726
--Ik moet de helft hebben.
8727
 
8728
De andere antwoordde:
8729
 
8730
--Gij krijgt niets; wat Katelijne behoort, behoort mij.
8731
 
8732
Zij vloekten en twisten wie de have en de minne van Katelijne en Nele
8733
al te gader hebben zou. Doch van schrik, bleef Katelijne roerloos
8734
luisteren. Weldra hoorde zij ze vechten en een hunner zeggen: "Dat
8735
ijzer is koud", dan een gereutel en den val van een zwaar lichaam.
8736
 
8737
Verschrikt, keerde zij naar heure woning terug. Rond twee uren van
8738
den nacht hoorde zij opnieuw het gekras van den nachtuil, doch deze
8739
reis was 't in hare lochting. Zij deed open en zag heuren vriend voor
8740
de deur staan. Zij vroeg hem:
8741
 
8742
--Wat hebt gij met den andere gedaan?
8743
 
8744
--Hij zal niet meer komen.
8745
 
8746
Hij omhelsde en kuste haar. En zij vond hem nog kouder dan gewoonte. En
8747
Katelijne was goed bij heur verstand. Toen hij heenging, eischte hij
8748
twintig gulden, alles wat zij bezat: zij gaf er hem zeventien.
8749
 
8750
Door nieuwsgierigheid gedreven, keerde zij 's anderen daags terug
8751
naar den dijk, maar zij vond niets dan op het gras eenen bloedplas zoo
8752
groot als eene doodkist, 's Avonds wischte de regen de bloedvlek uit.
8753
 
8754
En den volgenden Woensdag hoorde zij opnieuw het gekras van den
8755
nachtuil.
8756
 
8757
 
8758
 
8759
 
8760
LXXXII.
8761
 
8762
Telkens dat Uilenspiegel geld noodig had om Katelijne 't
8763
gemeenschappelijk verteer te betalen, ging hij 's nachts den steen
8764
opheffen van het gat nabij den waterput, en nam hij eenen karolus.
8765
 
8766
Op een avond zaten de drie vrouwen te spinnen; Uilenspiegel maakte
8767
eene doos, die de baljuw hem besteld had. Met veel vaardigheid sneed
8768
hij er een schoone jachtpartij op, met eenen koppel Henegouwsche
8769
honden, groote, bloeddorstige honden van Candia, Brabantsche honden
8770
die getweeën loopen en ooreneters genoemd worden, verders allerhande
8771
dikke en magere honden, alsmede mopsen en hazewinden.
8772
 
8773
Terwijl Katelijne daar was, vroeg Nele aan Soetkin of ze heuren
8774
schat niet elders verbergen zou. De weduwe antwoordde argeloos,
8775
dat hij niet beter kon zijn dan nevens den muur van den steenput.
8776
 
8777
Rond het midden van den Donderdagnacht, werd Soetkin gewekt door
8778
Bibulus Snuffius, die zeer vinnig blafte, doch niet langdurig. Ze
8779
dacht dat het niets was, en sliep weder in.
8780
 
8781
Toen Soetkin en Uilenspiegel Vrijdagsmorgens met den dageraad,
8782
opstonden, zagen zij, dat Katelijne tegen heure gewoonte, in de keuken
8783
niet was; en het vuur was niet aangestoken en de melk kookte niet. Zij
8784
waren verwonderd en keken of ze bij toeval in de lochting niet was. In
8785
weerwil van den motregen, zagen zij heur staan met loshangend haar,
8786
in heur hemd, nat en bibberend, zonder te durven binnenkomen.
8787
 
8788
--Wat doet gij daar, schier naakt, in den regen?
8789
 
8790
--Ha! zegde ze, ja, ja, groot wonder!
8791
 
8792
En ze wees naar den hond die, verworgd, levenloos uitgestrekt lag.
8793
 
8794
Uilenspiegel dacht terstond aan den schat. Hij liep er henen. Het
8795
hol was ledig en de aarde in 't ronde gestrooid.
8796
 
8797
Hij vloog naar Katelijne, en driftig heur slaande vroeg hij:
8798
 
8799
--Waar zijn de karolussen?
8800
 
8801
--Ja, ja, groot wonder! antwoordde Katelijne.
8802
 
8803
Nele, die toeliep, verdedigde heure moeder en smeekte:
8804
 
8805
--Sla niet, Uilenspiegel!
8806
 
8807
Hij hield op met slaan. Soetkin kwam toen bij en vroeg wat er scheelde.
8808
 
8809
Uilenspiegel wees naar den verworgden hond en het ledige gat.
8810
 
8811
Soetkin werd doodsbleek en sprak:
8812
 
8813
--Gij beproeft mij wel hard, heer God. Mijn arme voeten!
8814
 
8815
En zij zegde dat, om de smert die zij uitstond en om de pijniging
8816
die zij nutteloos ondergaan had voor de gouden karolussen. Nele, als
8817
ze Soetkin zoo verduldig zag, begon vertwijfeld te weenen. Katelijne
8818
zwaaide met een stuk perkament en vervolgde:
8819
 
8820
--Ja, groot wonder is er geschied. Dezen nacht is hij gekomen, braaf
8821
en schoon. Op zijn gelaat had hij dien witten schijn niet meer, die mij
8822
steeds zoo verschrikte. Hij sprak mij liefdevol aan. Ik was verrukt en
8823
mijn hert hoorde hem toe. Hij zegde mij: Nu ben ik rijk en weldra breng
8824
ik duizend gouden florijnen.--Ja, zeide ik, dat doet mij meer genoegen
8825
voor u dan voor mij, Hansken, mijn liefste.--Maar is hier niemand,
8826
in huis, dien gij liefhebt en voor wien ik iets doen kan?--Neen,
8827
antwoordde ik, zij die hier zijn, hebben niemand van noode.--Zijn
8828
Soetkin en Uilenspiegel dan rijk? vroeg hij.--Zij leven zonder
8829
iemands hulpe, antwoordde ik.--Niettegenstaande de verbeurte?--Daarop
8830
antwoordde ik dat gij liever de pijnbank onderstaan hadt, dan uwe have
8831
te laten ontnemen.--Dat wist ik, sprak hij. En stille en zachtjes
8832
giegelend, begon hij te spotten met den baljuw en de schepenen,
8833
omdat zij u geenerlei belijdenis konden ontrukken. En toen lachte ik
8834
insgelijks. 't Ware ook dom geweest, sprak hij, van hunnen schat in
8835
het huis te verbergen.... Ik lachte. "Of in den kelder?" Ik knikte
8836
van neen. "Of in de lochting?" Ik antwoordde niet.--Ha! sprak hij,
8837
dit ware zeer onvoorzichtig.--Integendeel, sprak ik, want water noch
8838
muur zullen iets uitbrengen. En hij lachte voort.
8839
 
8840
--Dien nacht vertrok hij vroeger dan gewoonte, na mij een poeierken
8841
gegeven te hebben met hetwelk ik, naar hij zeide, naar den schoonsten
8842
sabbat zou gaan. Ik deed hem uitgeleide tot aan de deur van de
8843
lochting, en ik was slaapdronken. Ik ging, zooals hij gezeid had,
8844
naar den sabbat en kwam eerst met de ochtendschemering weder, hier
8845
ter plaatse, waar ik den hond verworgd en het gat open vond. Dat is
8846
een wreede slag voor mij, want ik beminde hem teederlijk en schonk
8847
hem mijne ziel. Maar ik zal u alles geven wat ik bezit, en dag en
8848
nacht werken om u te onderhouden.
8849
 
8850
--Ik ben als ijzer op het aambeeld; God en een dief treffen mij
8851
tegelijk, zegde Soetkin.
8852
 
8853
--Zóó moogt gij niet spreken, antwoordde Katelijne; hij is geen dief,
8854
maar een duivel. Ten blijke zal ik u het perkament toonen, dat hij
8855
in de lochting achterliet. Daarop staat geschreven: "Vergeet nimmer
8856
mij te dienen. Binnen driemaal twee weken en vijf dagen, krijgt gij
8857
dobbel terug. Koester geen twijfel, of het kost u het leven."--En
8858
hij zal woord houden.
8859
 
8860
--Arme zinnelooze! sprak Soetkin.
8861
 
8862
Het was heur laatste verwijt.
8863
 
8864
 
8865
 
8866
 
8867
LXXXIII.
8868
 
8869
De twee weken waren driemaal voorbij en de vijf dagen insgelijks,
8870
maar de duivel kwam niet terug. Doch Katelijne wanhoopte niet.
8871
 
8872
Soetkin werkte niet meer; zij stond gedurig bij het vuur, gebogen
8873
en kuchende. Nele gaf heur de beste en geurigste kruiden; maar dat
8874
alles kon niet baten. Uilenspiegel ging de hut niet meer buiten,
8875
uit vreeze dat Soetkin onderwijl stierf.
8876
 
8877
Vervolgens kon zij niet meer eten of drinken zonder over te geven. De
8878
chirurgijn-baardemaker kwam en deed heur eene lating; en toen was zij
8879
zoo zwak, dat zij van heure bank niet meer kon opstaan. Eindelijk,
8880
uitgeteerd van verdriet en van smert, sprak zij op een avond:
8881
 
8882
--Klaas, mijn man! Thijl, mijn zoon! Dank, de Heere neemt mij tot zich!
8883
 
8884
En zij blies den laatsten ademtocht uit.
8885
 
8886
Katelijne dorst bij heur niet waken, daarom deden Uilenspiegel en
8887
Nele het getweeën, en heel den nacht baden zij voor de arme ziele.
8888
 
8889
Bij de ochtendschemering vloog een zwaluw het open venster binnen.
8890
 
8891
--De vogel der zielen, sprak Nele, dat is een goed teeken: Soetkin
8892
is in den hemel.
8893
 
8894
De zwaluw vloog driemaal rond de kamer en verdween met een schellen
8895
kreet.
8896
 
8897
Vervolgens kwam een andere zwaluw binnen, grooter en zwarter dan de
8898
eerste. Zij vloog rondom Uilenspiegel en deze sprak:
8899
 
8900
--Vader en moeder, de assche klopt op mijne borst, ik zal doen wat
8901
gij vraagt.
8902
 
8903
En de tweede zwaluw vloog kwetterend heen als de eerste. De oosterkim
8904
verbleekte. Uilenspiegel zag duizenden zwaluwen rakelings over de
8905
weide vliegen, en de zonne rees op.
8906
 
8907
En Soetkin werd op het armenveld begraven.
8908
 
8909
 
8910
 
8911
 
8912
LXXXIV.
8913
 
8914
Sedert Soetkin's dood, liep Uilenspiegel droomend, treurig of
8915
grammoedig de keuken op en neer; hij luisterde niet meer, at en dronk
8916
wat men hem voorzette, zonder zelf iets te nemen. En dikwijls stond
8917
hij 's nachts op.
8918
 
8919
Te vergeefs sprak de zoete stem van Nele hem moed in, te vergeefs zeide
8920
Katelijne hem, dat zij wist dat Soetkin bij Klaas in den hemel was;
8921
steeds antwoordde Uilenspiegel:
8922
 
8923
De assche klopt.
8924
 
8925
En hij geleek een waanzinnige en Nele weende als zij hem zoo
8926
naargeestig zag.
8927
 
8928
En de vischverkooper bleef alleen in zijn huis als een vadermoorder,
8929
en dorst slechts 's avonds buitenkomen; want de mannen en vrouwlieden
8930
die hem zagen, jouwden hem uit en heetten hem moordenaar, en de
8931
kleine kinderen vluchtten voor hem, daar men hun gezegd had, dat hij
8932
de hangman was. En geschuwd door een iegelijk, dwaalde hij eenzaam in
8933
't ronde, zonder eene taveerne te durven binnengaan; want men wees
8934
er hem met den vinger, en, al bleef hij er slechts een korte wijl,
8935
de andere klanten ledigden hun glas en gingen heen.
8936
 
8937
Daarom zagen de weerden hem noode komen, en zij sloten liever de deur
8938
vóór zijn neus. Toen deed de vischverkooper hun nederig zijn beklag,
8939
maar zij antwoordden hem, dat zij wel mochten tappen, maar dat zij
8940
daartoe geenszins waren gedwongen.
8941
 
8942
Eindelijk ging de vischverkooper drinken in den Rooden Valk, eene
8943
kleine herberg buiten de stad, aan de vaart naar Sluis. Daar wilde
8944
men hem bedienen, want 't waren arme lieden, wien alle geldstukken
8945
welkom waren. Maar de weerd of de weerdin uit den Rooden Valk spraken
8946
nooit een woord tot hem. Daar waren twee kinderen en een hond: als
8947
de vischverkooper de kleinen wilde streelen, liepen zij weg; en als
8948
hij den hond riep, toonde deze brommend zijn tanden.
8949
 
8950
Op een avond stond Uilenspiegel aan de zulle; als Mathijssen, de
8951
kuiper, hem zoo droomerig zag, zeide hij hem:
8952
 
8953
--Gij moet werken met uwe handen, om de smert te vergeten.
8954
 
8955
--De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.
8956
 
8957
--Ha! zei Mathijssen, de ellendige vischverkooper leidt een nog
8958
treuriger leven dan gij. Niemand spreekt tot hem en elkeen schuwt hem,
8959
zoodat hij genoodzaakt is bij de arme lieden uit den Rooden Valk te
8960
gaan, om zijn kapperken bruinbier in eenzaamheid te drinken. 't Is
8961
een groote straffe.
8962
 
8963
--De assche klopt! sprak nogmaals Uilenspiegel.
8964
 
8965
Dien zelfden avond, terwijl het negen uren sloeg op
8966
Onze-Lieve-Vrouwetoren, ging Uilenspiegel naar den Rooden Valk en,
8967
ziende dat de vischverkooper er niet was, ging hij traagzaam slenteren
8968
onder de boomen langs de vaart. 't Was een heldere maneschijn.
8969
 
8970
Hij zag den moordenaar komen.
8971
 
8972
Juist als hij voorbij hem kwam, kon hij hem van dichtbij zien, en,
8973
luide sprekend lijk de menschen die in alleenigheid leven, hooren
8974
zeggen:--Waar mogen die karolussen steken?
8975
 
8976
--Waar de duivel ze gevonden heeft, antwoordde Uilenspiegel, en meteen
8977
gaf hij hem een vuistslag in 't gezicht.
8978
 
8979
--Laas! sprak de vischverkooper, ik herken u, gij zijt de zoon, heb
8980
medelijden, ik ben oud en krachteloos! Wat ik deed was geenszins uit
8981
haat, maar om Zijne Majesteit te dienen. Schenk mij vergiffenis. Ik
8982
zal u het huisraad afstaan dat ik gekocht heb, en gij moet er mij
8983
geen oortje voor geven. Is 't niet genoeg? Ik kocht het voor zeven
8984
gouden florijnen. Ik geef u alles en nog een halven gulden daarbij,
8985
want ik ben niet rijk, dat moet gij niet denken.
8986
 
8987
En knielend vroeg hij vergiffenis.
8988
 
8989
Als Uilenspiegel hem zoo verachtelijk, zoo bang en zoo lafhertig zag,
8990
smeet hij hem in de vaart.
8991
 
8992
En hij toog henen.
8993
 
8994
 
8995
 
8996
 
8997
LXXXV.
8998
 
8999
De lichamen der slachtoffers walmden op de brandstapels. Aan Klaas
9000
en Soetkin denkend, weende Uilenspiegel eenzaam in stilte.
9001
 
9002
Op een avond ging hij bij Katelijne, om heur hulp en raad te vragen.
9003
 
9004
Zij was alleen met Nele, die naaide bij het licht. Op 't gerucht
9005
dat hij bij zijn binnenkomen maakte, hief Katelijne het hoofd op,
9006
als iemand die uit een zwaren slaap schiet.
9007
 
9008
Hij sprak:
9009
 
9010
--De assche van Klaas klopt op mijne borst, ik wil Vlaanderenland
9011
verlossen. Ik vroeg het aan den grooten God van hemel en aarde,
9012
doch hij antwoordt mij niet.
9013
 
9014
Katelijne sprak:
9015
 
9016
--De groote God kon u niet hooren; gij moet eerst tot de sylphen
9017
spreken, die tusschen hemel en aarde zweven en de klachten der menschen
9018
ontvangen en overdragen aan de engelen, om ze naar den troon des
9019
hemelrijks te brengen.
9020
 
9021
--Help mij daartoe, sprak hij, en 'k zal u met mijn bloed betalen,
9022
als 't noodig is.
9023
 
9024
Katelijne sprak:
9025
 
9026
--Ik zal u helpen, zoo een meisje dat u bemint, u wil medenemen naar
9027
den Sabbat der Lentegeesten, het Pascha van 't Levenssap.
9028
 
9029
--Ik zal hem meenemen, zegde Nele.
9030
 
9031
In een kristallen beker goot Katelijne een grijsachtig vocht, dat zij
9032
streek aan hunne slapen, neusgaten, palmen der handen en polsen; zij
9033
deed hun elk een snuifken witte poeier eten, en zei dat ze elkander
9034
in de oogen moesten zien, opdat hunne zielen één zouden worden.
9035
 
9036
Uilenspiegel keek Nele aan, en de zoete oogen van 't meisje ontstaken
9037
in hem een blakerend vuur; toen begon het vocht te werken en hij
9038
voelde als duizenden spelden in zijn lijf steken.
9039
 
9040
Vervolgens ontkleedden zij zich, en zij waren schoon in hunne
9041
schamelheid, verlicht door de lamp: hij in al zijn fiere kracht, zij
9042
in heure liefelijke bevalligheid. Maar reeds half ingeslapen, zagen
9043
zij elkander niet. Toen legde Katelijne het hoofd van het meisje in
9044
Uilenspiegels arm en zijne hand op heur hert.
9045
 
9046
En zoo bleven zij naast malkander liggen.
9047
 
9048
Het scheen hun beiden, dat hunne elkander rakende lichamen de zachte
9049
warmte hadden van de zonne, in de maand van de rozen.
9050
 
9051
Zij stonden op, gelijk zij later zeiden, klommen op de vensterbank,
9052
vlogen van daar in de ruimte en voelden, dat de lucht hen droeg als
9053
het water de schepen draagt.
9054
 
9055
Toen zagen zij niets meer, noch de aarde waar de arme menschenkinderen
9056
sliepen, noch den hemel waarin zoo even de wolken voor hunne voeten
9057
holden. En zij zetten den voet op Sirius, de koude sterre. Van daar
9058
werden zij op de pool geworpen.
9059
 
9060
Daar zagen zij, niet zonder schrik, een naakten reus, den reus
9061
Winter, met ruig haar, op schotsen, met den rug tegen eenen ijsmuur
9062
gezeten. Een huilende troep ijsberen en zeehonden zwommen in de
9063
plassen rond hem. Met heesche stemme riep hij op: hagel, sneeuw, koude
9064
regenbuien, donderwolken, rosse, stinkende nevelen, dwarrelwinden en de
9065
snerpende noordenwinden. En allen woedden te gelijk in dit akelig oord.
9066
 
9067
De reus lachte al dien rampspoed toe en vlijde zich neer op de bloemen
9068
die zijne hand verwelkt, op de bladeren die zijn adem verdroogd
9069
had. Dan zich vooroverbuigend en den grond met zijne nagelen krabbend,
9070
er met de tanden in bijtend, groef hij een hol, ten einde het hert
9071
der aarde te bereiken, om het te verslinden, en de lommerige bosschen
9072
tot zwarte kolenbedden, de gouden korenaren tot verbrand stroo, de
9073
vruchtbare landouwen tot dorre vlakten te verkeeren. Doch het herte
9074
der aarde was van vuur, en hij dorst het niet naderen, maar trok zich,
9075
bevreesd, terug.
9076
 
9077
Daar troonde hij als koning, en ledigde hij zijnen beker traan, te
9078
midden van de beren en zeehonden en van de geraamten dergenen die hij
9079
doodde op zee, op het land en in de hutten der armen. Blijde hoorde
9080
hij de beren brommen, de zeehonden huilen, de beenderen kletteren van
9081
de geraamten van menschen en beesten, onder de klauwen van gieren
9082
en raven, die er een laatsten hap vleesch aan zochten, alsook het
9083
gekrakkrak van de ijsschotsen, die in het doode water tegen elkander
9084
stootten.
9085
 
9086
En de stem van den reus was gelijk het geloei van den orkaan, het
9087
geschuifel van den storm en 't gehuil van den wind in de schoorsteenen.
9088
 
9089
--Ik heb koude en ben bang, zei Uilenspiegel.
9090
 
9091
--Hij vermag niets tegen de geesten, antwoordde Nele.
9092
 
9093
Plotseling ontstond een groote beweging onder de zeehonden, die ijlings
9094
in 't water trokken, onder de ijsberen, die, met neerhangende ooren,
9095
jammerlijk bromden en onder de raven, die, krassend van angst in de
9096
wolken verdwenen.
9097
 
9098
En nu hoorden Nele en Uilenspiegel de doffe slagen van den stormram
9099
tegen de muren van ijs, waarop de reus Winter gezeten was. En de muur
9100
kloofde en waggelde op zijne grondvesten.
9101
 
9102
Doch de reus Winter hoorde niets, en hij huilde en tierde blijmoedig,
9103
vulde en ledigde zijnen beker en zocht naar het hert van de aarde om
9104
het te verstijven, maar hij dorst het niet aanraken.
9105
 
9106
De slagen weerklonken harder en harder, de muur spleet meer en meer,
9107
en een regen van ijsscherven viel rondom hem.
9108
 
9109
En de beren gromden jammerlijk en de zeehonden huilden in de doode
9110
wateren.
9111
 
9112
De muur stortte in, de zonne werd zichtbaar; een schoone, jonge man
9113
met een gouden akst in de hand, daalde neder. Die man was Lucifer,
9114
koning Lente.
9115
 
9116
Als de reus hem bemerkte, wierp hij zijn beker traan weg en smeekte
9117
hem niet te dooden.
9118
 
9119
En bij den zoelen adem van koning Lente, verloor de reus Winter al
9120
zijne kracht. Toen nam de koning een diamanten keten, en hij bond er
9121
den reus mee vast aan de pool.
9122
 
9123
Dan riep hij, doch teeder en liefdevol. En uit den hemel daalde een
9124
schoone, blonde vrouw. Zij zette zich nevens den koning en zeide
9125
tot hem:
9126
 
9127
--Sterke man, gij zijt mijn overwinnaar.
9128
 
9129
Hij antwoordde:
9130
 
9131
--Hebt gij honger, eet; hebt gij dorst, drink; zijt gij bang, kom
9132
bij mij: ik ben uw man.
9133
 
9134
--Ik heb honger en dorst alleen naar u, zegde zij.
9135
 
9136
De koning riep nog zeven reizen met verschrikkelijke stemme. En er was
9137
een groot gedruisch van donders en bliksemen, en achter hen verrees een
9138
gehemelte van zonnen en sterren. En beiden zetten zich op den troon.
9139
 
9140
Toen weerklonk een geroep des konings en der vrouwe; hun edel gelaat
9141
verroerde niet, en hun gebaar was niet strijdig met hunne kracht
9142
en waardigheid.
9143
 
9144
Op die kreten ontstond een golvende beweging in den grond, in den
9145
harden steen, in de ijsschotsen. En Nele en Uilenspiegel hoorden een
9146
gerucht lijk dat, welk reusachtige vogelen zouden maken, die de schaal
9147
van ontzaglijke eieren wilden doorpikken.
9148
 
9149
En, in die rijzing en daling van den grond, gelijk de baren der zee,
9150
waren vormen als van een ei.
9151
 
9152
Eensklaps rezen allerwegen boomen op, wier dorre takken zich
9153
strengelden, wier stammen wankelden lijk dronken mannen. Dan scheidden
9154
zij, een groote ruimte tusschen zich latend. Aardgeesten stegen uit den
9155
geschokten grond; uit het diepst van het woud kwamen de boschgeesten,
9156
uit de naburige zee de watergeesten.
9157
 
9158
Uilenspiegel en Nele zagen daar de ruige, gebochelde, grijnzende en
9159
mismaakte dwergen, die de schatten bewaren; de vorsten der gesteenten;
9160
de boschmannen, die leven als boomen en, in stee van mond en maag,
9161
onderaan 't gezicht vezelige wortels dragen, om aldus hun voedsel uit
9162
de aarde te zuigen; de bergvorsten, die niet kunnen spreken, hert noch
9163
ingewand hebben, zich bewegen als ledepoppen in schittergewaad. Daar
9164
waren dwergen van vleesch en beenderen, met hagedissteerten en
9165
kikvorschkoppen, met eene lanteern op het hoofd, die 's nachts op
9166
de schouders van de dronken voetgangers of vreesachtige reizigers
9167
springen, en, hunne lanteern zwierend, hen leiden en brengen naar
9168
sompen of spelonken, terwijl de arme verdwaalden meenen dat die
9169
lanteern de keerse is, die flikkert in hunne woning.
9170
 
9171
Daar waren ook de bloemenmaagden, dochteren vol vrouwelijke kracht
9172
en gezondheid, fier over heure schoonheid, en die heur krachtig haar
9173
als een zijden mantel openspreidden.
9174
 
9175
Hare vochtige oogen schitterden als perelmoer in het water, het vleesch
9176
van heur lichaam was vast, blank, zacht gebronsd door het licht;
9177
uit heuren rooden mond kwam een adem, geuriger dan seringabloesem.
9178
 
9179
Zij zijn het, die, minneziek, 's avonds in waranden en hovingen
9180
zwerven, ofwel in het diepst der bosschen, langs de lommerige paden,
9181
op zoek naar de ziele eens mans, om de genieting der minne te
9182
smaken. Zoodra een jongeling en zijne geliefde voorbij haar komen,
9183
beproeven zij het meisje te dooden, of blazen het weerstand biedende
9184
meideken liefdelust in, opdat zij heuren minnaar gehoor geve; want
9185
dan krijgt de bloemenmaagd de helft van de kussen.
9186
 
9187
Nele en Uilenspiegel zagen ook uit het diepste der hemelen de
9188
beschermgeesten der sterren nederdalen, alsmede de geniën van wind,
9189
van dauw en van regen, gevleugelde jongelingen die de aarde bevruchten.
9190
 
9191
Dan verschenen aan alle punten des hemelrijks de vogelen der
9192
zielen, de lieve zwaluwen. Met hunne komst scheen het licht
9193
heller. Bloemenmaagden, vorsten der steenen en der bergen,
9194
boschmannen, water-, vuur- en aardgeesten riepen allen te gader:
9195
Licht! levenssap! glorie aan den koning Lente!
9196
 
9197
Hoewel het geschal van dien roep machtiger was dan 't geloei van de
9198
woedende zee, en van 't losgeketend orkaan, klonk het als een zoete
9199
muziek in de ooren van Nele en Uilenspiegel, die, stom en onbeweeglijk,
9200
achter den knoestigen stam van een eikeboom neergehurkt zaten.
9201
 
9202
Maar heviger werd hunne vrees, toen de geesten, bij duizenden
9203
zich zetten op zetels van reusachtige spinnekoppen, kikvorschen met
9204
olifantssnuiten, ineengekronkelde slangen, krokodillen die recht op den
9205
steert stonden en eene menigte geesten in den muil hielden, slangen die
9206
meer dan dertig dwergen van beider kunne schrijlings op haar golvend
9207
lijf droegen, en wel honderdduizend insecten, grooter dan reuzen,
9208
gewapend met zweerden, spiesen, zeisen, vorken met zeven tanden,
9209
en allerhande moordtuigen. Zij vochten met een ijselijk gedruisch,
9210
en de sterken verslonden de zwakken, tot bewijs dat de Dood uit het
9211
Leven en het Leven uit den Dood komt.
9212
 
9213
En uit heel de wemelende, dichte, verwarde menigte van geesten steeg
9214
een gedruisch op, dat leek op het dof gerol van een verren donder en
9215
het gerucht van honderden wevers, vollers, slotenmakers, die samen
9216
aan den arbeid zijn.
9217
 
9218
Plotseling verschenen de geesten van het levenssap; zij waren kort,
9219
dik, met lendenen zoo breed als het Heidelbergsche vat, dijen zoo dik
9220
als wijnmudden, en spieren zoo forsig en sterk, dat men zou gezegd
9221
hebben dat hun lichaam gemaakt was van groote en kleine eieren, het
9222
een op het andere, met een rood vel overdekt, vettig en blinkend als
9223
hun dunne baard en rossig haar; en in de handen hielden zij groote
9224
bekers met een vreemdsoortig vocht.
9225
 
9226
Als de geesten ze zagen komen, ontstond er onder hen een groote
9227
trilling van vreugde; boomen en planten bewogen zich en de aarde
9228
scheurde open om te drinken.
9229
 
9230
En de geesten van het levenssap schonken wijn: terstond begon alles
9231
te botten, te groeien, te bloeien; het gras was vol gonzende diertjes,
9232
en de lucht vol vogels en pepels; de geesten schonken voort, en die van
9233
beneden ontvingen den wijn zooals zij konden: de bloemenmaagden openden
9234
den mond, of sprongen op heur rosse schenkers en kusten ze, om meer te
9235
krijgen; de eenen vouwden de handen smeekend te zamen; anderen zaten
9236
stille en lieten zich met wijn beregenen; doch allen, zoo dorstigen
9237
als gelaafden, zochten den wijn en bij elk dropje dat zij kregen,
9238
werden zij levendiger. En daar waren geene grijsaards, doch allen,
9239
schoonen of leelijken, waren vol vinnige kracht en levende jeugd.
9240
 
9241
En zij lachten, riepen, zongen, terwijl zij elkander achtervolgden in
9242
de boomen als eekhorentjes, in de lucht als vogelen; en elke man zocht
9243
zijn wijfje en verrichtte onder Gods hemel het heilige werk der natuur.
9244
 
9245
En de geesten van het levenssap brachten aan den koning en aan de
9246
koningin een grooten beker wijn. En de koning en de koningin dronken,
9247
en kusten elkander.
9248
 
9249
Vervolgens omhelsde de koning de koningin, en hij stortte den beker
9250
uit op boomen, bloemen en geesten, en riep:
9251
 
9252
--Glorie aan het Leven! glorie aan de vrije Lucht! glorie aan de
9253
Kracht!
9254
 
9255
En allen riepen:
9256
 
9257
--Glorie aan de Natuur! glorie aan de Kracht!
9258
 
9259
En Uilenspiegel nam Nele in zijne armen. Aldus ineengestrengeld,
9260
begon een dans, als een warreldans van droge bladeren in de macht
9261
eener windhoos, in denwelke alles in beweging was, boomen, planten,
9262
insecten, vlinders, hemel en aarde, koning en koningin, bloemenmaagden,
9263
bergvorsten, watergeesten, gebochelde dwergen, vorsten der steenen,
9264
boschmannen, lanteerndragers, beschermgeesten der sterren en de honderd
9265
duizenden gruwelijke insecten, die hunne spiesen, zeisen en vorken met
9266
zeven tanden ondereenmengden. En aan dien duiveldans, hollend door
9267
de ruimte, namen de zon, de maan, de planeten, de sterren, de wind,
9268
de wolken insgelijks deel.
9269
 
9270
De eik, waaraan Nele en Uilenspiegel zich vastklemden, draaide in de
9271
dwarreling mee, en Uilenspiegel zeide tot Nele:
9272
 
9273
--Liefste, nu gaan wij sterven.
9274
 
9275
Een geest hoorde hen, en zag dat zij stervelingen waren.
9276
 
9277
--Aardelingen, sprak hij, aardelingen in dit oord!
9278
 
9279
En hij trok hen van den boom en smeet hen in 't gedrang. En
9280
Uilenspiegel en Nele vielen zachtjes op den rug van de geesten,
9281
die ze kaatsend naar malkander smeten en spraken:
9282
 
9283
--Gegroet, menschenkinderen! Welkom, aardwormen! Wie wil het knaapje
9284
en het meideken? Zij komen ons bezoeken, de weekelingen.
9285
 
9286
--Genade! riepen Nele en Uilenspiegel, die van den een naar den
9287
anderen vlogen.
9288
 
9289
Maar de geesten luisterden niet, en beiden vlogen in't ronde, met het
9290
hoofd omlaag en de beenen omhoog, lijk pluimpjes in den winterwind,
9291
terwijl de geesten spraken:
9292
 
9293
--Glorie aan de mannekens en aan de vrouwkens! Dat zij dansen als wij!
9294
 
9295
De bloemenmaagden wilden Uilenspiegel en Nele van malkander scheiden;
9296
zij sloegen heur en hadden ze gedood, als de koning geen einde aan
9297
den dans gesteld had, met deze woorden:
9298
 
9299
--Men brenge die beide aardwormen vóór mij!
9300
 
9301
Zij werden gescheiden; en elke bloemenmaagd trachtte Uilenspiegel
9302
aan de andere te ontrukken, zeggende:
9303
 
9304
--Thijl, wilt gij sterven voor mij?
9305
 
9306
--Fluks, antwoordde Uilenspiegel.
9307
 
9308
En de boschgeesten, die Nele droegen, zeiden:
9309
 
9310
--Waarom zijt gij geene ziel lijk wij, wij zouden u nemen!
9311
 
9312
--Hebt geduld, antwoordde Nele.
9313
 
9314
En zoo kwamen zij vóór den troon van den koning; en zij beefden,
9315
als zij zijn gouden akst en zijn ijzeren kroon in het gezicht kregen.
9316
 
9317
Hij vroeg hun:
9318
 
9319
Wat komt gij hier doen, nietelingen?
9320
 
9321
Zij antwoordden niet?
9322
 
9323
--Ik ken u, tooveresseknop, voegde de koning er bij, en ook u,
9324
kooldragerswelp; maar zoo gij door allerlei toovermiddelen in deze
9325
werkplaats der Natuur zijt gedrongen, waarom houdt gij nu den bek
9326
als volgepropte kapoenen?
9327
 
9328
Nele beefde als zij den verschrikkelijken duivel bezag, doch
9329
Uilenspiegel hernam zijne mannelijke stoutmoedigheid en antwoordde:
9330
 
9331
--De assche van Klaas klopt op mijn hert. Doorluchtige vorst, in
9332
naam des Pausen maait de Dood de krachtigste mannen, de bevalligste
9333
vrouwlieden van Vlaanderenland; zijne privileges zijn verbroken, zijne
9334
keuren vernietigd, de hongersnood ondermijnt het, zijne wollenwevers
9335
verlaten het, om in den vreemde vrijen arbeid te zoeken. Het zal
9336
sterven, als men het niet ter hulpe komt. Ik ben maar een arme
9337
nieteling, die op de wereld kwam als een iegelijk, leefde als hij
9338
kon, onvolmaakt, bekrompen, onwetend, geenszins deugdzaam, en de
9339
menschelijke of goddelijke gratie teenemaal onweerdig. Doch Soetkin
9340
stierf ten gevolge van de pijnen der tortuur en van droefheid, en
9341
Klaas werd in een schrikkelijk vuur verbrand. Ik wilde hen wreken,
9342
en ik deed het eenmaal; ik wilde dien bodem, bezaaid met de beenderen
9343
zijner telgen, gelukkig zien, en vroeg aan God den dood zijner beulen,
9344
maar hij aanhoorde mij niet. Moede van klagen, aanriep ik u door de
9345
tooverkracht van Katelijne, en wij vallen u te voet, mijn bevende
9346
gezellinne en ik, om u te bidden dit rampzalige land te verlossen.
9347
 
9348
De vorst en zijne vrouwe antwoordden samen:
9349
 
9350
 
9351
    Door den krijg en door het vuur,
9352
    Door den dood en door het zweerd,
9353
      Zoek de Zeven.
9354
 
9355
    In den dood en in het bloed,
9356
    In de puinen en de tranen,
9357
      Vind de Zeven.
9358
 
9359
    Leelijk, wreede, boos, wanstaltig.
9360
    Echte geesels der arme aarde,
9361
      Brand de Zeven.
9362
 
9363
    Wacht, luister en zie,
9364
    Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?
9365
      Vind de Zeven.
9366
 
9367
 
9368
En al de geesten zongen samen:
9369
 
9370
 
9371
    In den dood en in het bloed,
9372
    In de puinen en de tranen,
9373
      Zoek de Zeven.
9374
 
9375
    Wacht, luister en zie,
9376
    Zeg ons, kleine, zijt ge in uw schik niet?
9377
      Vind de Zeven.
9378
 
9379
 
9380
--Maar, sprak Uilenspiegel, Hoogheid en gij, heeren geesten, ik
9381
begrijp niets van uwe tale. Zeker spot gij met mij.
9382
 
9383
Doch zonder hem te aanhooren, gingen zij voort:
9384
 
9385
 
9386
    Raakt het Noorden
9387
    Kussend het Westen
9388
    Rampspoed is uit.
9389
    Vind de Zeven
9390
    En den Gordel.
9391
 
9392
 
9393
En dat met zooveel overeenstemming en machtigen maatklank, dat de aarde
9394
beefde en de hemelen sidderden. En de vogelen floten, de raven krasten,
9395
de musschen tjilpten, de nachtuilen kloegen en vlogen uitzinnig in
9396
het ronde. En de dieren der aarde, leeuwen, slangen, beren, herten,
9397
gemsen, wolven, honden en katten brulden, sisten, bromden, schreeuwden,
9398
huilden, jankten, mauwden verschrikkelijk.
9399
 
9400
En de geesten zongen:
9401
 
9402
 
9403
    Wacht, luister en zie,
9404
    Heb de Zeven lief
9405
      En den Gordel.
9406
 
9407
 
9408
En de hanen kraaiden, en al de geesten verzwonden, buiten een booze
9409
bergvorst, die Uilenspiegel en Nele elk bij een arm nam en ze vrij
9410
onzacht naar beneden smeet.
9411
 
9412
Zij lagen naast elkander als om te slapen, als de frissche morgenwind
9413
hen wakker maakte.
9414
 
9415
En Uilenspiegel zag Nele's lief gezicht, in gouden glans door de
9416
rijzende zonne bestraald.
9417
 
9418
 
9419
 
9420
 
9421
 
9422
 
9423
 
9424
TWEEDE BOEK.
9425
 
9426
 
9427
I.
9428
 
9429
Dien morgen, 't was in Herfstmaand, nam Uilenspiegel zijnen stok,
9430
drie gulden die Katelijne hem gaf, eene snede brood met een stuk
9431
verkenslever, en hij vertrok naar Antwerpen, op zoek naar de
9432
Zeven. Nele sliep.
9433
 
9434
Onderwege werd hij gevolgd door een hond, die op den reuk van de
9435
lever afkwam. Uilenspiegel wilde den hond wegjagen, maar deze bleef
9436
halstarrig meeloopen, waarop Uilenspiegel hem de volgende rede hield:
9437
 
9438
--Hondje, mijn beestje, gij handelt verkeerd met uw huis te verlaten,
9439
alwaar goede porties, lekkere kliekjes, mergbeenderen u wachten, om op
9440
goed valle 't uit een zwerver te volgen, wien het zelfs aan wortelen
9441
zal ontbreken om u toe te werpen. Geloof mij, onbezonnen hondje,
9442
keer terug naar uwen baas. Vermijd regen, sneeuw, hagel, mist, ijzel
9443
en andere liefelijkheden, die het lot van de zwervers zijn. Blijf u
9444
warmen in den hoek van den heerd bij het lustige vuur, en laat mij
9445
voortgaan in modder, in stof, in koude en hitte, heden gestoofd en
9446
morgen bevroren, des Vrijdags verzadigd en 's Zondags verhongerd. Keer
9447
terug van waar gij komt, hondje van weinig ondervinding, en gij zult
9448
verstandig handelen.
9449
 
9450
Het beest scheen Uilenspiegel maar niet te begrijpen. Het
9451
kwispelsteertte en sprong zoo hoog als het kon. Uilenspiegel meende
9452
dat het uit vriendschap was, maar vergat de lever, die in zijne
9453
tassche stak.
9454
 
9455
Hij ging voort, de hond volgde. Als zij alzoo bijna een uur gegaan
9456
hadden, zagen zij op de baan eene kar, bespannen met een ezeltje,
9457
dat den kop liet hangen. Op den berm van den weg, tusschen twee
9458
distelstruiken, zat een man met in eene hand eenen hamelbout en in
9459
de andere eene bottel, waaraan hij zich goed deed. Als hij niet at
9460
of dronk, zuchtte en weeklaagde hij.
9461
 
9462
Uilenspiegel stond stil, de hond insgelijks. Bout en lever riekend,
9463
beklom hij den berm. Daar ging hij nabij den man op zijn achterste
9464
zitten, krabde aan zijn wambuis, om beetjes te vragen, doch de man
9465
stiet hem terug met den elleboog, en zuchtte erbarmelijk met den bout
9466
omhoog. De hond jankte uit begeerlijkheid; en de ezel, grammoedig
9467
omdat hij, ingespannen, de distelen niet kon bereiken, begon te balken.
9468
 
9469
--Wat is er, Jan? vroeg de man tot den ezel.
9470
 
9471
--Niets, antwoordde Uilenspiegel, maar hij zou zich willen vergasten
9472
aan de distelen, die naast u groeien; en deze hond zou evenmin boos
9473
zijn, nadere kennis te maken met het been, dat gij in de hand hebt. In
9474
afwachting daarvan, kan hij beginnen met de lever, die ik hier heb.
9475
 
9476
Toen de hond de lever binnen had, keek de man naar zijnen bout. Hij
9477
beet er het laatste vleesch af, gaf toen het been aan den hond,
9478
die er zijn pooten op stelde en het trachtte te kraken.
9479
 
9480
Toen keek de man naar Uilenspiegel.
9481
 
9482
Deze herkende Lamme Goedzak, van Damme.
9483
 
9484
--Lamme, vroeg hij, waarom zit gij hier te eten, te drinken en te
9485
jammeren? Heeft een soldaat u misschien eene schudding gegeven?
9486
 
9487
--Laas! mijne vrouw! sprak Lamme.
9488
 
9489
Hij wilde zijne bottel wijn ledigen, maar Uilenspiegel hield hem tegen.
9490
 
9491
--Drink zoo niet, sprak hij, al te haastig doet geen deugd aan de
9492
nieren. Beter zou het komen aan hem, die geene bottel op zak heeft.
9493
 
9494
--Ge spreekt goed, antwoordde Lamme, maar zoudt gij beter drinken?
9495
 
9496
En hij langde hem de bottel.
9497
 
9498
Uilenspiegel nam ze, dronk en gaf ze hem terug.
9499
 
9500
--Ge moogt mij Maraan heeten, sprak hij, als er genoeg overbleef voor
9501
eene musch.
9502
 
9503
Lamme bezag de bottel, zuchtte en nam uit zijne tassche een andere
9504
flesch en een stuk worst, dat hij in schijfjes sneed en weemoedig opat.
9505
 
9506
Eet gij standvastig, Lamme? vroeg Uilenspiegel.
9507
 
9508
--Veelal, mijn jongen, antwoordde Lamme, maar 't is om mijne droeve
9509
gedachten te verjagen. Waar zijt gij, vrouwtje? weeklaagde hij,
9510
terwijl hij een traan uit het het oog wischte.
9511
 
9512
En hij sneed tien schijfjes van de worst.
9513
 
9514
--Lamme, sprak Uilenspiegel, eet niet zoo gulzig en zonder medelijden
9515
voor den armen pelgrim.
9516
 
9517
Lamme reikte hem weenend vier schijfjes en Uilenspiegel zuchtte om
9518
den fijnen smaak.
9519
 
9520
Maar steeds weenend en etend, sprak Lamme:
9521
 
9522
Mijne vrouw, mijne goede vrouw, ze was zoo zoet en zoo goed gevormd van
9523
lichaam, licht als de vlinder, vlug als de bliksem, en zij zong als een
9524
leeuwerik! Maar toch hield zij te veel van schoone kleeren. Laas! zij
9525
hingen heur zoo goed! Immers, hebben de bloemen ook geen schitterenden
9526
dos? Zie, hadt gij heure handjes gezien, die tot streelen gemaaakt
9527
schenen, nooit hadt gij heur potten of pateelen laten aanraken. Het
9528
vuur van de keuken hadde heure hagelblanke tint verzengd. En die
9529
oogen! Ik moest ze maar bezien, en ik verging van liefde.--Drink
9530
een slok wijn, Thijl, 'k zal na u drinken.--Ha! waarom is zij niet
9531
dood! Ik deed alles in huis, om heur den minsten arbeid te sparen:
9532
ik veegde den vloer, maakte het huwelijksbed, in hetwelk zij zich
9533
's avonds behaaglijk uitstrekte, ik waschte de schotels, alsmede het
9534
linnen, hetwelk ik zelven ook streek.--Eet, Thijl, 't is Gentsche
9535
worst.--Soms, als zij gaan wandelen was, kwam zij te laat naar huis
9536
voor het noenmaal, maar heur zien was zulk een groote vreugde voor mij,
9537
dat ik niet kijven dorst, hoogst gelukkig nog, als ze mij 's nachts
9538
den rug niet toekeerde. Ik heb alles verloren.--Drink dien wijn, Thijl,
9539
't is Brusselsche wijn, bereid naar de wijze van Bourgondië.
9540
 
9541
--En waarom liet zij u zitten? vroeg Uilenspiegel.
9542
 
9543
--Weet ik het? hernam Lamme Goedzak. Waar is de tijd, als ik ten
9544
narent kwam om heure hand te vragen, en zij vluchtte,--uit vreeze en
9545
uit liefde? Als heure armen bloot waren, schoone, ronde, en blanke
9546
armen, sloeg zij plotseling heure mouwen neer als zij zag, dat ik
9547
er naar keek. Andere malen mocht ik heur zoenen, en 'k kuste heure
9548
schoone oogen, die zij dicht hield van zalig genot; dan trilde zij
9549
en slaakte kleine kreten, of boog heur hoofd achterover en gaf er
9550
mij een stoot op den neus mee. En zij lachte als ik riep: Ai! en ik
9551
gaf haar dan kleine duwtjes, want tusschen ons was niets anders dan
9552
gestoei en gejoel.--Thijl, is er nog wijn in die bottel?
9553
 
9554
--Ja, sprak Uilenspiegel.
9555
 
9556
Lamme dronk en ging voort:
9557
 
9558
--Andere reizen viel ze vol minne rond mijnen hals en zei: gij zijt
9559
schoon! En honderd maal kuste ze mij op de kaken of op 't voorhoofd,
9560
maar nooit op den mond. En als ik vroeg waarom, antwoordde zij
9561
blozend, dat moeder heur vroeger dikwijls gewaarschuwd had dat dit voor
9562
meidekens gevaarlijk is. Ha! zoete oogenblikken, zalige tijd!--Thijl,
9563
zie eens of gij soms een hammetje vindt in de weitasch?
9564
 
9565
--Een half, antwoordde Uilenspiegel.
9566
 
9567
Uilenspiegel gaf het hem en Lamme at het heel op.
9568
 
9569
--Dat hammetje deed mij deugd, sprak Uilenspiegel, als Lamme gedaan
9570
had.
9571
 
9572
--Mij ook, sprak deze. Maar nooit zal ik mijn liefste terugzien,
9573
zij is weggeloopen uit Damme. Rijdt gij mede om ze te zoeken?
9574
 
9575
--Ik wil wel, antwoordde Uilenspiegel.
9576
 
9577
--Maar, sprak Lamme, is er niets meer in de bottel?
9578
 
9579
--Geen droppel, antwoordde Uilenspiegel.
9580
 
9581
En zij stegen in de kar, getrokken door grauwtje, dat weemoedig balkte
9582
om het vertrek aan te kondigen.
9583
 
9584
Maar de hond was--als hij goed zijne bekomst had--er stillekens van
9585
door gegaan.
9586
 
9587
 
9588
 
9589
 
9590
II.
9591
 
9592
De kar reed op den dijk, tusschen eenen vijver en eene vaart,
9593
en droomerig drukte Uilenspiegel de assche van Klaas tegen zijne
9594
borst. Hij vroeg zich af of het visioen leugen of waarheid was,
9595
of die geesten met hem den spot gedreven hadden, of wel hem op
9596
raadselachtige wijze gezegd hadden wat hij doen moest om 't land
9597
zijner vaderen gelukkig te maken.
9598
 
9599
En te vergeefs trachtte hij te vatten, wat de Zeven en de Gordel
9600
bediedden.
9601
 
9602
Aan den dooden keizer, den levenden koning, de landvoogden, den paus
9603
van Rome, den groot-inquisiteur, den generaal der jezuïeten denkend,
9604
vond hij in hen zes groote beulen, die hij onverwijld levend had
9605
willen verbranden. Maar hij dacht, dat er van hen geen sprake was,
9606
dat zij zelven te geerne anderen brandden, dat hij elders moest zoeken.
9607
 
9608
En gedurig herhaalde hij in zich zelven:
9609
 
9610
 
9611
    Raakt het Noorden
9612
    Kussend het Westen
9613
    Rampspoed is uit.
9614
    Vind de Zeven
9615
    En den Gordel.
9616
 
9617
 
9618
--Laas, sprak hij, in dood, bloed en puinen, Zeven vinden, Zeven
9619
branden, Zeven minnen! Mijn arme geest wordt gefolterd, want wie dan
9620
verbrandt zijne minne?
9621
 
9622
De kar had reeds een eind wegs afgelegd; zij hoorden een gekraak van
9623
stappen in het zand en eene stemme, die zong:
9624
 
9625
 
9626
    Gij, die voorbij trekt, zaagt ge wel
9627
    Mijn vriend, mijn vrijer, snaaksch en snel?
9628
    Hij zwerft nu hierent en darent.
9629
    Zaagt ge hem wel?
9630
 
9631
    Gelijk op een lam een arent,
9632
    Viel hij op een hartken fel.
9633
    Baardloos, een man als niemendel.
9634
    Zaagt ge hem wel?
9635
 
9636
    Ontmoet gij hem, zeg dat Nele
9637
    Vermoeid is van te gaan zoo snel.
9638
    Waar toeft ge lieve Thijl, vertel:
9639
    Zaagt ge hem wel?
9640
 
9641
    Een tortel in den abeele
9642
    Treurt om haar verloren gezel.
9643
    Alzoo menig trouwe gespele.
9644
    Zaagt ge hem wel?
9645
 
9646
 
9647
Uilenspiegel klopte op Lamme's buik en zei:
9648
 
9649
--Houd uwen adem in, dikzak.
9650
 
9651
--Laas, antwoordde Lamme, 't is lastig voor iemand, die zoo dik is.
9652
 
9653
Doch Uilenspiegel liet hem praten; hij verborg zich achter de huif van
9654
de kar, en de stemme nabootsend van een die bedronken is, neurde hij:
9655
 
9656
 
9657
    Uw vriend en vrijer zag ik wel
9658
    Op een kar van 't oud model,
9659
    Met een papzak voor gezel,
9660
    Zag ik hem wel!
9661
 
9662
 
9663
--Thijl, zei Lamme, ge zingt leelijk dezen morgen.
9664
 
9665
Zonder naar hem te luisteren, stak Uilenspiegel het hoofd door een
9666
gat van de huif.
9667
 
9668
--Nele, herkent gij mij? riep hij.
9669
 
9670
Verschrikt, weenend en lachend te gelijk, want heure kaken waren nat,
9671
sprak zij:
9672
 
9673
--Ik zie u, leelijke deugniet!
9674
 
9675
--Nele, sprak Uilenspiegel, als ge mij wilt slaan, heb ik thuis
9676
eenen stok. Hij slaat goed, en laat merkteekenen na, want hij is
9677
zwaar en knoestig.
9678
 
9679
--Thijl, vroeg Nele, gaat gij naar de Zeven?
9680
 
9681
Ja, antwoordde Uilenspiegel.
9682
 
9683
Nele droeg eene weitasch, die proppensvol stak. Zij langde die aan
9684
Uilenspiegel en sprak:
9685
 
9686
--Thijl, ik heb gedacht dat het voor een man ongezond is van op reis
9687
te gaan, zonder een goede vette gans, een hesp en wat Gentsche worsten
9688
bij zich. En dit moet gij eten te mijner gedenkenis.
9689
 
9690
Daar Uilenspiegel Nele bezag en er geenszins aan dacht de weitasch
9691
te nemen, stak Lamme het hoofd door een ander gat van de huif en sprak:
9692
 
9693
--Meideken vol voorzienigheid, als hij niet aanpakt, is 't uit
9694
verlegenheid. Maar geef mij die hesp, die gans en die worsten: ik
9695
zal ze bewaren voor hem en ze beschermen.
9696
 
9697
--Welk een tronie is mij dat? vroeg Nele.
9698
 
9699
't Is, sprak Uilenspiegel, een slachtoffer van het huwelijk, die met
9700
het herte vol wee, zou uitdrogen lijk een stoksken, zoo hij zich niet
9701
stevig hield door dag en nacht te eten en te drinken.
9702
 
9703
--Zoo is het, mijn zoon, zuchtte Lamme.
9704
 
9705
De heldere zon drukte loodzwaar op Nele's hoofd. Zij dekte zich met
9706
haar voorschoot. Daar Uilenspiegel met heur alleen wilde zijn, zei
9707
hij tot Lamme:
9708
 
9709
--Ziet gij ginder die vrouw in de meersch?
9710
 
9711
--Ja, zei Lamme.
9712
 
9713
--Herkent gij ze niet?
9714
 
9715
--Daar? vroeg Lamme, zou het de mijne zijn? Zij is niet gekleed als
9716
een poorteresse.
9717
 
9718
--Twijfelt gij nog, blinde mol? sprak Uilenspiegel.
9719
 
9720
--En als zij het niet was?
9721
 
9722
--Daar zoudt gij niets bij verliezen, want op de linkerhand, naar
9723
het Noorden, is een kaberdoesken waar men lekker bruinbier tapt. Daar
9724
zullen wij u vinden. En hier is hesp, om u te vergezelschappen.
9725
 
9726
Lamme kwam uit de kar en liep met groote schreden naar de vrouw in
9727
de meersch.
9728
 
9729
Uilenspiegel vroeg tot Nele:
9730
 
9731
--Waarom komt ge niet bij mij?
9732
 
9733
Toen hielp hij heur in den wagen en deed hij ze naast hem zitten;
9734
hij nam heure huik van den schouderen, en heur honderd kussen gevend,
9735
sprak hij:
9736
 
9737
--Waar gingt ge heen, liefste?
9738
 
9739
Zij antwoordde niet, doch scheen heel vervoerd en begeesterd. En
9740
Uilenspiegel, vervoerd als zij, zegde tot haar:
9741
 
9742
--Ik heb u zoo geerne naast mij. De wilde roze heeft niet de zachte
9743
tint uwer donzige huid. Ge zijt wel geen koninginne, doch laat mij
9744
maar eene krone van kussen maken voor u. Lieve, zoete armen, die God
9745
maakte tot koozerij! Ha! liefste, ik vrees, dat mijn ruwe handen die
9746
schouders verwelken! De lichte vlinder rust op de purperen anjelier,
9747
maar hoe zal ik op uwe blankheid rusten, opdat ze niet verwelkt? God
9748
is in den hemel, de koning zit op zijnen troon en de zonne glinstert
9749
ginder aan 't uitspansel; maar ik ben God en koning en het licht, daar
9750
ik zoo dicht bij u wezen mag! O, dat haar is zachter dan zijde! Nele,
9751
ik ben ruw en wild, doch wees zonder vreeze! Die lieve voetjes! Hoe
9752
komt het, dat zij zoo wit zijn? Pleegt gij ze te wasschen met melk?
9753
 
9754
Zij wilde opstaan.
9755
 
9756
Wat vreest gij? vroeg Uilenspiegel, toch niet de zonne, die op ons
9757
schijnt en u teenenmale in 't goud zet? Sla uwe oogen niet neder. Zie
9758
in de mijne, welk heerlijk vuur er brandt. Luister, liefste mijne;
9759
't is het stille middaguur, de landman keert huiswaarts; hij leeft
9760
van brood; maar wij, laat ons van liefde leven! Duizend jaren lang
9761
zou ik aan uwe voeten willen doorbrengen.
9762
 
9763
--Mooispreker! zegde zij.
9764
 
9765
De zonne straalde, een leeuwerik tierelierde boven de klaveren,
9766
en Nele legde heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel.
9767
 
9768
 
9769
 
9770
 
9771
III.
9772
 
9773
Maar Lamme kwam zweetend en blazend terug.
9774
 
9775
Laas! sprak hij, ik ben onder een slecht gesternte geboren. Nadat
9776
ik mij het hert afgeloopen had achter die vrouw, zag ik, dat het de
9777
mijne niet was en reeds bedaagd; ze moest diep in de veertig zijn,
9778
en aan heure kap zag ik, dat ze nooit getrouwd geweest was. Ze vroeg
9779
mij bits wat ik met mijn dikken buik in heure klaveren kwam doen?
9780
 
9781
Ik zoek mijne vrouw, die mij liet zitten, antwoordde ik zachtjes,
9782
en daar ik u nam voor haar, liep ik naar u toe.
9783
 
9784
Op die rede zegde de oude jongedochter, dat ik kon terugkeeren waar ik
9785
van daan kwam; dat, als mijne vrouw mij liet zitten, het wel besteed
9786
was, want dat al de mannen truwanten, dieven en ketteren zijn, die
9787
alle meisjes willen verleiden en dat, als ik niet dadelijk opkraamde,
9788
ze mij door heuren hond zou doen opvreten.
9789
 
9790
En niet zonder schroom pakte ik mijne biezen, want een groote hond
9791
lag aan heure voeten te brommen. Als ik van heur land was, zette
9792
ik mij neer op den wegel en at ik uw stuk hesp, om op mijn effen
9793
te komen. Plotseling hoorde ik een geritsel achter mij en, als ik
9794
mij omkeerde, zag ik den grooten hond van de oude jongedochter;
9795
doch nu bromde hij niet meer, integendeel, hij kwispelsteertte en
9796
zag mij begeerig aan, om de hesp. Ik smeet hem eenige stukskens toe,
9797
maar zijne meesteresse kwam bij en riep:
9798
 
9799
--Pak hem! pak hem! manneken!
9800
 
9801
En ik op den loop, en de groote hond achter mij; hij beet mij in mijn
9802
been. Maar terwijl ik schreeuwde van pijn, gaf ik hem met mijnen stok
9803
eenen slag op zijne voorpooten, dat er ten minste één van gebroken
9804
is. Hij viel en jammerde in zijne hondentaal: "Genade", die ik hem
9805
verleende. Ondertusschen smeet zijne meesteresse kluiten aarde naar
9806
mij, bij gebreke aan steenen, en ik weer op den loop!
9807
 
9808
Laas! is het niet wreed en onrechtveerdig voor eene vrouw, zich op
9809
een onschuldigen jongen als ik te wreken, omdat zij niet schoon genoeg
9810
is om aan eenen man te geraken?
9811
 
9812
En treurig stapte ik naar het kaberdoesken, dat gij mij gewezen
9813
hadt, om met bruinbier mijnen schrik af te drinken. Maar ik was
9814
nogmaals bedrogen, want als ik binnenkwam, zag ik man en vrouw
9815
bezig met vechten. Ik vroeg, dat zij zouden uitscheiden om mij eenen
9816
pot bruinbier te tappen, al was 't maar eene pinte of zeven; maar
9817
de vrouw, een echte stokvisch, antwoordde mij woedend, dat als ik
9818
niet dadelijk wegkwam, zij mij in kennis zou brengen met den blok,
9819
waarmede zij op den kop van heuren man trommelde. En nu ben ik hier,
9820
vriend, zweetend en af van vermoeidheid; hebt gij niets te eten?
9821
 
9822
--'t Doet, zei Uilenspiegel.
9823
 
9824
En Lamme slaakte eenen zucht van verlichting.
9825
 
9826
 
9827
 
9828
 
9829
IV.
9830
 
9831
En ze reden samen voort. De ezel, met hangende ooren, trok traagzaam
9832
de kar.
9833
 
9834
--Lamme, sprak Uilenspiegel, wij zijn gevieren: de ezel, die op goed
9835
geluk naar distelen zoekt; gij, dikzak, die uwe wederhelft achternazit;
9836
zij, de teedere en zoete geliefde, die iemand vindt, harer onweerdig,
9837
't is te zeggen mij, den vierde.
9838
 
9839
Nu, kinderen, moed! de bladeren worden geel, en de hemel zal helderder
9840
worden; weldra zal, in de najaarsnevelen, de zonne ondergaan, en de
9841
winter zal verschijnen, als het beeld van den dood, om allen, die
9842
onder onze voeten liggen, met een sneeuwen lijkwade te dekken. En
9843
ik zal optrekken voor de redding van Vlaanderenland. Arme dooden:
9844
Soetkin stierf van smerte; Klaas door den viere: eik van goedheid en
9845
eiloof van liefde; ik, uw zoon, ik lijd grootelijks en zal u wreken,
9846
assche, die ik zoo liefheb, die klopt op mijne borst.
9847
 
9848
Lamme sprak:
9849
 
9850
--Gij moogt ze niet beweenen, die voor de gerechtigheid stierven.
9851
 
9852
Maar Uilenspiegel bleef nadenken; eensklaps zegde hij:
9853
 
9854
--Nele, het uur van scheiden is gekomen en 't zal voor lang zijn;
9855
wie weet, of ik uw lief gelaat ooit wederzie.
9856
 
9857
Nele bezag hem met heure oogen, die glinsterden als sterren, en sprak:
9858
 
9859
--Stap van den wagen en kom met mij in het bosch, alwaar gij lekker
9860
eten zult vinden; want ik ken de kruiden en kan de vogelkens bijroepen.
9861
 
9862
--Meisje, sprak Lamme, 't is slecht van uwentwege, Uilenspiegel te
9863
willen ophouden, die naar de Zeven moet zoeken en mijne vrouw helpen
9864
terugvinden.
9865
 
9866
--Nog niet! sprak Nele, en zij weende: doch lachte, te midden heurer
9867
tranen, Uilenspiegel liefderijk toe.
9868
 
9869
Dit ziende antwoordde deze:
9870
 
9871
--Uw vrouw zult gij wel intijds terugvinden, als gij lust naar nieuwe
9872
smert zult gevoelen.
9873
 
9874
--Thijl, sprak Lamme, gaat ge mij, voor dat meisje, in mijne kar alleen
9875
laten? Gij antwoordt niet en denkt aan het woud, waar de Zeven niet
9876
zijn, en mijne vrouw evenmin. Help ze liever zoeken op dezen steenweg,
9877
waar de kar zoo gemakkelijk rijdt.
9878
 
9879
--Lamme, sprak Uilenspiegel, er ligt een volle weitasch in de kar,
9880
gij zult dus niet sterven van honger, als gij van hier naar Koolkerke
9881
gaat, alwaar ik bij U kom. Gij moet er alleen zijn, want daar zult
9882
gij vernemen naar welke windstreek gij u richten moet, om uwe vrouw te
9883
vinden. Luister. Gij rijdt stapvoets naar Koolkerke, op drie uren van
9884
hier. Op den toren draait een windhaan met alle winden mee op zijn
9885
roestige hengsels. Dat geknars wijst aan de arme mannen, die hunne
9886
liefste verloren, den weg, langs welken zij haar zullen terugvinden.
9887
 
9888
Maar vooreerst moet men met een hazelaarstaksken, zeven reizen, op elk
9889
muurvlak slaan. Als de hengsels knarsen, terwijl de wind uit 't noorden
9890
blaast, is 't die kant dien gij nemen moet, doch met omzichtigheid,
9891
want Noordenwind is oorlogswind; blaast hij uit 't Zuiden, ga dan
9892
maar blijgemoed: 't is minnewind; uit het Oosten, loop dan gezwind:
9893
't is licht en en vroolijkheid; uit het Westen, ga traagzaam, want
9894
die wind brengt regen en tranen. Ga, Lamme, en wacht mij te Koolkerke.
9895
 
9896
--Ik zal, zei Lamme.
9897
 
9898
En hij reed voort met de kar.
9899
 
9900
Terwijl Lamme naar Koolkerke reed, joeg de sterke, zoele wind de grijze
9901
wolkjes als een kudde schapen door het luchtruim. Uilenspiegel en Nele
9902
waren alleen in het woud. Uilenspiegel had honger en Nele zocht naar
9903
heerlijke vruchten, doch vond niets anders dan eikels, en de kussen,
9904
die heur vriend heur in overvloed gaf.
9905
 
9906
Uilenspiegel had strikken gespannen en floot om de vogels bij
9907
te roepen, ten einde diegenen te braden, die zich zouden laten
9908
vangen. Een nachtegaal kwam omtrent Nele op de bladeren zitten; zij
9909
ving hem niet, om hem te laten voortzingen; toen kwam een grasmusch,
9910
en zij had er medelijden mee, omdat zij zoo lief en zoo hupsch was;
9911
vervolgens kwam een leeuwerik, maar Nele zei hem, dat hij beter zou
9912
doen hoog in de lucht te vliegen en de Natuur te bezingen, dan dom
9913
weg te komen dartelen boven de doodelijke punt van een braadspit.
9914
 
9915
En 't was de waarheid, want inmiddels had Uilenspiegel een vuur
9916
aangestoken en een braadspit gesneden, dat op niets anders wachtte
9917
dan op lichtzinnige slachtofferen.
9918
 
9919
Maar de vogelen kwamen niet meer bij, tenzij eenige kwaadaardige raven,
9920
die hoog boven hunne hoofden krasten.
9921
 
9922
En zoo kwam het, dat Uilenspiegel niemendal te eten had.
9923
 
9924
Doch Nele moest vertrekken en bij Katelijne terugkeeren. En weenend
9925
ging zij haren weg op, en Uilenspiegel keek heur droef achterna.
9926
 
9927
Maar ze kwam terug en viel hem om den hals.
9928
 
9929
--Ik ga henen, sprak zij.
9930
 
9931
Zij ging, doch opnieuw keerde ze terug, zeggende:
9932
 
9933
--Ik ga henen.
9934
 
9935
En zoo wel twintig reizen en nog meer.
9936
 
9937
Eindelijk vertrok zij, en Uilenspiegel bleef alleen. Toen ging hij
9938
ook henen om Lamme weder te vinden.
9939
 
9940
Als hij bij hem was, zat Lamme aan den voet van den toren, met
9941
een grooten pot bruinbier tusschen zijne beenen, weemoedg op een
9942
hazelaarstakje te bijten.
9943
 
9944
--Uilenspiegel, sprak hij, ik geloof, dat ge mij maar weggezonden
9945
hebt, om met 't meideken alleen te blijven; ik heb met den hazelaar
9946
zeven reizen op elk vlak van den toren geslagen, en hoewel de wind
9947
blaast als een duivel, toch hebben de hengsels niet geknarst.
9948
 
9949
--Men zal ze zeker gesmeerd hebben, antwoordde Uilenspiegel. Vervolgens
9950
togen ze henen naar het hertogdom Brabant.
9951
 
9952
 
9953
 
9954
 
9955
V.
9956
 
9957
Dagen en nachten bracht Philippus tusschen zijne papieren en
9958
perkamenten door. Aan hen vertrouwde hij de gedachten van zijn
9959
ongevoelig herte. Daar hij nooit bemind had, maar ook wist dat niemand
9960
hem liefhad, wilde hij zelf zijn onmetelijk rijk bestieren, en de
9961
droefgeestige Atlas bukte onder den last. Weemoed en bovenmatige
9962
arbeid ondermijnden zijn zwak lichaam. Hij had een afschuw van een
9963
blij gezicht en daarom een haat tegen onze lachende landen; tegen onze
9964
kooplieden, om hunne weelde en hunnen rijkdom; tegen onzen adel, om
9965
zijne vrijmoedigheid en het vuur zijner kloeke blijgeestigheid. Hij
9966
wist--men had het hem gezegd--dat lang reeds vóór dat kardinaal
9967
de Couza, omtrent het jaar 1380, op de misbruiken der Kerk en op
9968
de noodzakelijkheid der hervormingen gewezen had, de opstand tegen
9969
Paus en de Roomsche Kerk, die zich in onze landen onder verschillende
9970
sektevormen geuit had, in de gemoederen borrelde als kokend water in
9971
een ketel.
9972
 
9973
Hij geloofde, de koppige, dat zijn wil op de gansche wereld
9974
drukken moest als de wil van God; hij wilde, dat onze landen die
9975
de gehoorzaamheid ontwend waren, bogen onder het oude juk, zonder
9976
eenige hervorming te erlangen. Hij wilde, dat Zijne Heilige Moeder:
9977
de Katholieke, Apostolische en Roomsche kerk één, geheel en algemeen,
9978
ongewijzigd en onveranderd zou zijn, alléén omdat hij het wilde,
9979
en alzoo handelde hij als een onredelijke vrouw. En 's nachts woelde
9980
hij in zijn bed als op een leger van doornen, werd hij onophoudelijk
9981
gefolterd door zijne gedachten.
9982
 
9983
--Ja, Heilige Philippus, Heere God, al moest ik van de Nederlanden
9984
één kerkhof maken, tot U zullen zij komen, mijn beschermer, tot U,
9985
Heiligen des hemelrijks.
9986
 
9987
En hij beproefde te doen wat hij zeide, zich aldus Roomscher toonend
9988
dan de Paus en katholieker dan de kerkvergaderingen.
9989
 
9990
En Uilenspiegel en Lamme, en het volk van Vlaanderen en van de
9991
Nederlanden, zagen, met angstvolle herten, van verre, in de sombere
9992
halle van 't Escuriaal, die gekroonde spinnekop, met heure lange,
9993
ruige pooten, heure geopende grijpers, het net spannen, dat hen vangen
9994
moest om het beste van hun bloed te zuigen.
9995
 
9996
Hoewel, onder de regeering van keizer Karel, de pauselijke inquisitie
9997
honderd duizend Christenen gedood had: hoewel de goederen dier
9998
martelaren in de kisten van keizer en koning gevloeid waren als
9999
regen in eene goot, oordeelde Philippus dat dit niet voldoende was,
10000
en hij legde den lande de nieuwe bisdommen op en wilde er de Spaansche
10001
inquisitie invoeren.
10002
 
10003
En overal lazen de stadsherauten, bij geschal van bazuinen, en geroffel
10004
van trommen, de plakkaten af waarbij kond werd gegeven, dat al de
10005
ketteren, met den viere zouden sterven als zij hunne dolingen niet
10006
afzwoeren, en met de koorde als zij die wel zouden afgaan. Vrouwen
10007
en meidekens zouden levend begraven worden, en de beul zou op heure
10008
lichamen dansen.
10009
 
10010
En als een vuur zette de wederstand zich door heel het land voort.
10011
 
10012
 
10013
 
10014
 
10015
VI.
10016
 
10017
Den vijfden van de grasmaand, vóór Paschen, gingen de heeren Lodewijk
10018
van Nassau, Kuilenburg en Brederode, met driehonderd edellieden het
10019
hof van Brussel binnen, bij Mevrouwe de landvoogdes, hertoginne van
10020
Parma. In rangen van vieren beklommen zij de groote trap van 't paleis.
10021
 
10022
Binnengeleid in de zaal waar Mevrouwe zich bevond, boden zij heur
10023
een klaagschrift aan, bij hetwelk zij heure tusschenkomst vroegen om
10024
den koning te bewegen, de plakkaten op 't stuk der religie, alsmede
10025
de Spaansche inquisitie op te heffen, verklarende, dat er in onze
10026
misnoegde landen anders niets uit kon voortvloeien dan muiterij,
10027
puinhoopen en algemeene ellende.
10028
 
10029
En dat verzoekschrift werd Het Eedverbond geheeten.
10030
 
10031
Berlaymont, die later zoo valsch en wreed was voor den grond zijner
10032
vaderen, stond naast Hare Hoogheid en sprak, om te spotten met de
10033
armoede dier edele eedgenooten:
10034
 
10035
--Mevrouwe vrees niets, het zijn maar geuzen!
10036
 
10037
Daarmede wilde hij zeggen, dat die edelen en smalle jonkers ondergegaan
10038
waren in dienst des konings of door in weelde te wedijveren met de
10039
Spaansche edellieden.
10040
 
10041
Om de woorden van Berlaymont met verachting te bejegenen, verklaarden
10042
zij er eere in te stellen "geuzen" geheeten en genaamd te worden,
10043
voor den dienst des konings en het welzijn dezer landen.
10044
 
10045
Zij besloten een gouden penning te dragen, met de beeltenis des
10046
konings op de eene zijde, en op de andere twee ineengelegde handen,
10047
saamgesnoerd door de riemen van eenen bedelzak, en deze woorden: "Den
10048
koning getrouw tot den bedelzak". En op hunne hoeden en mutsen droegen
10049
zij ook gouden juweelen in den vorm van nappen en van bedelaarsmutsen.
10050
 
10051
Intusschentijd liep Lamme met zijn dikken buik door de stad, op zoek
10052
naar zijne vrouw, maar hij vond ze niet.
10053
 
10054
 
10055
 
10056
 
10057
VII.
10058
 
10059
Op een morgen zei Uilenspiegel tot Lamme:
10060
 
10061
--Kom mede: wij gaan een grooten, edelen, machtigen, geduchten heere
10062
groeten.
10063
 
10064
--Zal hij mij zeggen waar mijne vrouw is? vroeg Lamme?
10065
 
10066
--Als hij het weet, antwoordde Uilenspiegel.
10067
 
10068
En zij gingen bij Brederode, den machtigen drinker.
10069
 
10070
Hij was in het binnenhof van zijn paleis.
10071
 
10072
--Wat wilt gij? vroeg hij tot Uilenspiegel.
10073
 
10074
--U spreken heer! antwoordde Uilenspiegel.
10075
 
10076
--Spreek, zegde Brederode.
10077
 
10078
--Gij zijt, sprak Uilenspiegel, een schoon, dapper en krachtig
10079
man. Eens hebt gij een Franschman in zijn harnas versmacht, als eene
10080
mossel in hare schelp; doch zijt gij sterk en dapper, gij zijt mede
10081
verstandig. Waarom dan draagt gij dien penning, waarop te lezen staat:
10082
"Den koning getrouw tot den bedelzak"?
10083
 
10084
--Ja, heer, waarom? vroeg Lamme.
10085
 
10086
Doch Brederode antwoordde niet en keek Uilenspiegel scherp in de
10087
oogen. Deze ging voort:
10088
 
10089
--Waarom wilt gij, edele heeren, den koning getrouw tot den bedelzak
10090
blijven? Is 't voor het goede, dat hij u gunt, of de vriendschap,
10091
die hij u toedraagt? Waarom, in stee van hem getrouw te zijn tot
10092
den bedelzak, verlost gij niet liever onze landen van dien beul,
10093
die met volle gerechtigheid zelf den bedelzak diende te dragen?
10094
 
10095
En Lamme knikte, tot teeken dat hij daarmede instemde.
10096
 
10097
Brederode bezag Uilenspiegel met zijn levendigen blik, lachte en sprak:
10098
 
10099
--Als gij geen spion van koning Philippus zijt, zijt gij een goed
10100
Vlaming, en ik ga u loonen voor de beide gevallen.
10101
 
10102
Hij bracht hem naar de keuken en Lamme volgde hem. Daar trok hij hem
10103
tot bloedens bij de ooren.
10104
 
10105
--Dit is voor den spion, sprak Brederode.
10106
 
10107
Uilenspiegel schreeuwde niet.
10108
 
10109
--Breng, zegde hij tot zijn bottelier, breng hier dien moor met
10110
kaneel-wijn.
10111
 
10112
De bottelier bracht den moor en een grooten beker warmen, geurigen
10113
wijn.
10114
 
10115
--Drink, sprak Brederode tot Uilenspiegel, dit is voor den goeden
10116
Vlaming.
10117
 
10118
--Ha! sprak Uilenspiegel, wat schoone tale spreekt die wijn met kaneel;
10119
zoo spreken de santen zeker in het hemelrijk niet!
10120
 
10121
Als hij de helft van den wijn uitgedronken had, gaf hij de rest
10122
aan Lamme.
10123
 
10124
--Wie is die papzak daar, vroeg Brederode, die beloond wordt om niets
10125
te doen?
10126
 
10127
--'t Is mijn vriend Lamme, antwoordde Uilenspiegel, telkens dat hij
10128
warmen wijn drinkt, verbeeldt hij zich, dat hij zijne vrouw gaat
10129
terugvinden.
10130
 
10131
--Ja! sprak Lamme, den beker devotelijk ledigend.
10132
 
10133
--Waar gaat gij nu? vroeg Brederode.
10134
 
10135
--Wij gaan, antwoordde Uilenspiegel, op zoek naar de Zeven, die
10136
Vlaanderenland moeten verlossen.
10137
 
10138
--Welke Zeven? vroeg Brederode.
10139
 
10140
Als ik ze gevonden heb, zal ik u zeggen wie ze zijn, antwoordde
10141
Uilenspiegel.
10142
 
10143
Maar Lamme, dien de wijn vroolijk gemaakt had, vroeg:
10144
 
10145
--Thijl, als wij eens in de maan naar mijne vrouw gingen zoeken?
10146
 
10147
--Waar is de ladder? vroeg Uilenspiegel.
10148
 
10149
In Mei, de groote Bloeimaand, sprak Uilenspiegel tot Lamme:
10150
 
10151
--Daar is de schoone Bloeimaand, de heldere, blauwe hemel! De
10152
takken der boomen zien rood van levenssap, de grond baart welige
10153
groeikracht. Dat is het oogenblik om te hangen en te branden voor het
10154
geloof. Daar zijn zij, de goede ketterjagers. Wat edele gezichten! Zij
10155
hebben het vermogen een iegelijk te straffen, te tuchtigen, af te
10156
zetten, aan de wereldlijke rechters over te leveren, en ook hun eigen
10157
gevangenis te hebben.--Ha! wat een schoone Bloeimaand!--in hechtenis
10158
nemen, in rechte vervolgen zonder vorm van proces, branden, hangen,
10159
onthalzen en vrouwen en meidekens voorbarig begraven. De vinken slaan
10160
in de boomen. De goede kettermeesters houden de rijken in 't oog. En
10161
de koning zal erven. Gaat, meidekens, gaat dansen in de beemden,
10162
bij geschal van pijpen en schalmeien. Ho! de schoone Bloeimaand.
10163
 
10164
De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel's borst.
10165
 
10166
--Laat ons gaan, sprak hij tot Lamme. Gelukkig zij, die het hert hoog
10167
en het zweerd gereed houden in de sombere dagen, die op handen zijn.
10168
 
10169
 
10170
 
10171
 
10172
VIII.
10173
 
10174
Uilenspiegel kwam eens, in de Oogstmaand, op den Vlaamschen steenweg,
10175
te Brussel, voorbij de woning van Jan Sapermillemente, aldus genoemd
10176
omdat zijn grootvader, als hij kwaad was, met dien uitroep placht te
10177
vloeken, om den zeer heiligen naam Gods niet te lasteren noch ijdelijk
10178
te gebruiken. Gemelde Sapermillemente was meester-borduurder; doch
10179
daar hij zich blind en doof gedronken had, borduurde zijne vrouw--een
10180
oud wijf met een bitsige tronie--de kleederen, wambuizen, mantels en
10181
schoenen der heeren. Hare bevallige dochter was haar behulpzaam in
10182
dien goedbetaalden arbeid.
10183
 
10184
Toen Uilenspiegel bij het vallen van den avond voorbij hunne woning
10185
ging, zag hij het meideken aan 't venster en hoorde hij heur neuren:
10186
 
10187
 
10188
        Oogst, oogst,
10189
    Zeg mij, zoete maand,
10190
    Wie neemt er mij als vrouw;
10191
    Zeg mij, zoete maand?
10192
 
10193
 
10194
--Ik, zei Uilenspiegel, als gij wilt.
10195
 
10196
--Wie, ik? vroeg zij. Kom nader, dat ik u zie.
10197
 
10198
Doch Uilenspiegel vroeg:
10199
 
10200
--Hoe komt het, dat gij in Oogstmaand roept hetgeen de Brabantsche
10201
meidekens plegen te roepen in den vooravond van Lentemaand?
10202
 
10203
--Omdat zij maar ééne maand hebben die een man geeft, en ik er
10204
twaalf heb. Op den vooravond van elke maand, niet te middernacht,
10205
doch zes uren lang tot middernacht, spring ik uit mijn bed, ga ik
10206
drie stappen achterweerts naar het venster en zing ik het liedeken;
10207
vervolgens keer ik terug naar mijn bed, met drie stappen achterweerts,
10208
en te middernacht ga ik slapen om te droomen van den mij bestemden
10209
echtgenoot. Maar de maanden zijn spotters van nature, en 't is niet
10210
van één man dat ik droom, maar van twaalf te gelijk; gij zijt de
10211
dertiende, zoo gij lust hebt.
10212
 
10213
--De andere zouden jaloersch zijn, antwoordde Uilenspiegel. Gij ook
10214
roept: "Verlossing!"
10215
 
10216
Het meideken bloosde en sprak:
10217
 
10218
--Ik roep om verlossing en weet wat ik vraag.
10219
 
10220
--Ik weet het insgelijks en breng het u mede, antwoordde Uilenspiegel.
10221
 
10222
--Gij moet wachten, zeide zij glimlachend en daarbij liet zij heure
10223
schoone tanden zien.
10224
 
10225
Wachten, sprak Uilenspiegel, neen. Een huis kan op mijn hoofd vallen,
10226
de wind mij in eene beek smijten, een dolle hond in mijn been bijten;
10227
neen, wachten doe ik niet.
10228
 
10229
--Ik ben nog te jong, sprak ze, en roep maar naar het aloud gebruik.
10230
 
10231
Uilenspiegel werd achterdochtig, als hij er aan dacht, dat het op
10232
Maartavond en geenszins in de Oogstmaand was, dat de Brabantsche
10233
meidekens naar een man riepen.
10234
 
10235
Glimlachend herhaalde zij:
10236
 
10237
--Ik ben nog te jong en roep maar naar het aloud gebruik.
10238
 
10239
--Gaat gij wachten totdat gij te oud zijt? 't Ware jammer! Nog nooit
10240
zag ik zoo'n ronden hals, zoo'n blanken boezem, een Vlaamschen boezem
10241
vol goede melk, die kloeke mannen maakt.
10242
 
10243
--Vol? sprak zij, nog niet; gij zijt er rap bij, gij!
10244
 
10245
--Wachten? herhaalde Uilenspiegel; totdat ik geene tanden meer heb
10246
om u levend op te eten, liefste? Gij antwoordt niet en glimlacht met
10247
uw lichtbruine oogen en uwe lippen als kersen zoo rood!
10248
 
10249
Het meisje bezag hem met een onderzoekenden blik en antwoordde:
10250
 
10251
--Van waar komt al die liefde in eens? Wat doet gij? Zijt gij een
10252
bedelaar, of zijt gij rijk?
10253
 
10254
--Bedelaar ben ik, sprak hij, en rijk al te gader, als gij mij
10255
toehoort, liefste.
10256
 
10257
Zij antwoordde:
10258
 
10259
--Dat is 't niet wat ik wil weten. Gaat gij naar de misse? Zijt
10260
gij goed Christene? Zoudt gij durven zeggen, dat gij een bedelaar,
10261
een echte bedelaar, een geus zijt, die opstaat tegen de plakkaten en
10262
tegen de inquisitie?
10263
 
10264
De assche van Klaas klopte op Uilenspiegel's borst.
10265
 
10266
--Ik ben geus, sprak hij, dood en opgevreten door de wormen wil ik
10267
de verdrukkers onzer Nederlanden zien! Gij beziet mij, liefste. Dat
10268
liefdevuur, dat voor u brandt, is het vuur van de jeugd. God stak
10269
het aan, het brandt lijk de zonne gloort, totdat het uitdoove. Doch
10270
God stak ook het vuur aan der wrake, dat smeult in mijn hert. Het
10271
zal wezen het zweerd, het vuur, de koorde, de brand, de verwoesting,
10272
de oorlog en de val van de beulen!
10273
 
10274
--Gij zijt schoon, zegde zij treurig, hem op beide wangen kussend;
10275
maar zwijg toch.
10276
 
10277
--Waarom weent gij? vroeg hij.
10278
 
10279
--Gij moet altijd zien waar gij zijt, sprak zij, hier en ook elders.
10280
 
10281
--Hebben de muren dan ooren? vroeg Uilenspiegel.
10282
 
10283
--Zij hebben alleen de mijne, sprak zij.
10284
 
10285
--Met een kus zal ik ze geerne sluiten.
10286
 
10287
--Gekke vriend, luister toch als ik spreek.
10288
 
10289
--Waarom? wat hebt gij te zeggen?
10290
 
10291
--Luister, sprak zij met ongeduld. Daar is mijne moeder.... Zwijg,
10292
zwijg vooral in heur bijzijn....
10293
 
10294
De oude Sapermillemente kwam binnen. Uilenspiegel bezag heur en sprak
10295
in zich zelven:
10296
 
10297
--Gezicht als eene schuimspaan, oogen met harden en valschen blik, mond
10298
die wil lachen en slechts grijnzen kan, gij maakt mij nieuwsgierig.
10299
 
10300
--God zij met u, heer, standvastig met u, sprak de oude. Ik heb geld
10301
ontvangen, meisje, schoon geld van den grave van Egmond, als ik hem
10302
zijn opperste kleed bracht, op hetwelk ik den narrenstok geborduurd
10303
heb. Ja, heer, een narrenstok, tegen den Rooden Hond.
10304
 
10305
--Kardinaal Granvelle? vroeg Uilenspiegel.
10306
 
10307
--Ja, sprak zij, tegen den Rooden Hond. Men zegt, dat hij den koning
10308
hunne praktijken overbrieft; zij willen hem van kant maken. Zij hebben
10309
gelijk, niet waar, heer?
10310
 
10311
Uilenspiegel antwoordde niet.
10312
 
10313
--Hebt gij ze niet gezien in de straten, gekleed met hun wambuis en
10314
hun grijs opperste kleed, gelijk het gemeen draagt, met hunne lange,
10315
hangende mouwen, met kalbasfleschjes en nopjes om den hals? Op al
10316
de opperste kleederen staat de narrenstok geborduurd. Ik heb er wel
10317
zeven en twintig gemaakt en mijne dochter voor 't minst vijftien. Als
10318
de Roode Hond die narrenstokken ziet, is hij grammoedig.
10319
 
10320
Vervolgens zeide zij stille tot Uilenspiegel:
10321
 
10322
--Ik weet, dat de heeren besloten hebben den narrenstok te vervangen
10323
door eene korenschoof, tot teeken van eendracht. Ja, ja, zij gaan
10324
strijden tegen den koning en tegen de inquisitie. Zij hebben gelijk,
10325
niet waar, heer?
10326
 
10327
Uilenspiegel antwoordde niet.
10328
 
10329
--De vreemde heer is droefgeestig, zei de oude; hij houdt den bek toe.
10330
 
10331
Uilenspiegel zeide geen woord en ging buiten.
10332
 
10333
Hij trok een taveerne binnen om het drinken niet te verleeren. De
10334
taveerne was vol drinkers, die zich onvoorzichtig uitlieten over den
10335
koning, de gehate plakkaten, de inquisitie en den Rooden Hond, dien
10336
men het land moest uitjagen. Daar zag hij de oude, in lompen gehuld,
10337
die gebaarde te slapen naast een kapperken brandewijn. Aldus bleef
10338
ze langen tijd zitten; eindelijk trok zij een schaaltje uit den zak;
10339
hij zag heur bedelen in de groepen, en vooral vragen aan degenen,
10340
die zich 't onvoorzichtigst hadden uitgelaten.
10341
 
10342
En een iegenlijk gaf heur gereedelijk een gulden, een denier of
10343
een oortje.
10344
 
10345
In de hoop van het meisje te weten wat de oude Sapermillemente hem
10346
verborg, ging Uilenspiegel opnieuw voorbij de woning; het meideken
10347
riep nu niet meer, doch lachte hem, knipoogend, liefelijk toe.
10348
 
10349
Doch de oude kwam plotseling achter hem binnen.
10350
 
10351
Grammoedig heur te zien, liep Uilenspiegel als een hert de straat op,
10352
al roepend "'t brandt! 't brandt!" totdat hij kwam vóór het huis van
10353
Jacob Pietersen, den bakker. De ondergaande zonne weerkaatste gloeiend
10354
rood in de vensteren van zijnen winkel, en een dikke rook van brandende
10355
takkebossen steeg op uit den schoorsteen. Uilenspiegel liep voort,
10356
al roepend: "'t brandt! 't brandt!" En met den vinger wees hij naar
10357
't huis van Pietersen. De menigte schoolde samen, zag den rooden
10358
gloed en den dikken rook, en riep lijk Uilenspiegel: 't brandt! 't
10359
brandt! De waker der Katelijnekerk blies op zijne trompet, terwijl
10360
de koster uit al zijne macht de wacharmklok luidde. En de knapen en
10361
meidekens kwamen, zingend en fluitend, met hoopen toegesneld.
10362
 
10363
Daar de klok altoos luidde en de trompet altoos schalde, toog de oude
10364
Sapermillemente er eindelijk ook henen.
10365
 
10366
Uilenspiegel hield ze van verre in 't oog. Toen zij weg was, ging
10367
hij binnen.
10368
 
10369
--Gij, hier! sprak het meideken, brandt het dan niet?
10370
 
10371
--Neen, neen, antwoordde Uilenspiegel.
10372
 
10373
--Maar die klok, die zoo jammerlijk klept?
10374
 
10375
--Zij weet niet wat zij doet, antwoordde Uilenspiegel.
10376
 
10377
--En de trompet, en dat volk dat zoo loopt?
10378
 
10379
--Ons Heer moet zijn getal hebben.
10380
 
10381
--Waar brandt het dan toch? vroeg zij.
10382
 
10383
--In mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.
10384
 
10385
En hij vloog naar heuren mond.
10386
 
10387
--Gij bijt mij, sprak zij.
10388
 
10389
--Ik eet geerne kersen, zegde hij.
10390
 
10391
Droef glimlachend keek zij hem aan. En schreiend sprak zij tot hem:
10392
 
10393
--Zet geen voet meer hier in huis. Gij zijt een geus, een vijand des
10394
Pausen, zet hier geen voet meer.
10395
 
10396
--Uwe moeder? sprak hij.
10397
 
10398
--Ja, zegde zij blozend. Weet gij waar ze nu is? Daar waar het brandt,
10399
om te luisteren wat er gezegd wordt. En fluks gaat zij bij den Rooden
10400
Hond, hem alles overdragen en het beulswerk voorbereiden. Vlucht,
10401
Uilenspiegel, ik red u, vlucht. Nog een kus, doch kom nooit meer terug;
10402
nog één, gij zijt schoon, maar vertrek!
10403
 
10404
--Braaf meideken, sprak Uilenspiegel, heur in de armen drukkend.
10405
 
10406
--Dat was ik niet altijd, zegde zij. Ik deed lijk zij.
10407
 
10408
Hoe sprak hij, dat liedeken, die zoete oproep tot de verliefde mannen?
10409
 
10410
--Ja, zegde zij. Moeder wilde het, u red ik, omdat ik u uit
10411
liefde beminne. De anderen zal ik redden te uwer gedenkenis, mijn
10412
geliefde. Zal uw hert nog denken aan het boetveerdige meideken,
10413
als gij verre van hier zijt? Geef mij een kus. Voor geld zal zij
10414
geene slachtofferen naar de galge meer sturen. Ga heen; neen, blijf
10415
nog. Hoe zacht is uwe hand! Zie, ik kus uwe hand, tot teeken van
10416
onderdanigheid; gij zijt mijn heer, mijn meester. Luister, dichtbij,
10417
en zwijg. Dezen nacht zijn rabauwen en diepers en ander slecht volk,
10418
waaronder een Italiaan, de een na den ander hier geweest in ons
10419
huis. Moeder deed ze in deze kamer komen, stak mij buiten, en sloot de
10420
deur achter mij. Ik hoorde echter deze woorden: "Steenen kruisbeeld,
10421
Borgerhoutsche poort, ommegang, Antwerpen, Lieve-Vrouwekerk", een
10422
onderdrukt gelach en guldens, die op tafel geteld werden.... Vlucht,
10423
daar komt ze; vlucht, mijn welbeminde. Denk soms aan mij; vlucht....
10424
 
10425
Uilenspiegel liep zooals zij zeide tot in den Ouden Haan, en daar
10426
vond hij Lamme weemoedig zitten met eene worst in de hand en zijn
10427
zevende pint Peeterman vóór zich op de tafel.
10428
 
10429
En, in weerwil van zijn dikken buik, deed hij hem loopen als hij.
10430
 
10431
 
10432
 
10433
 
10434
IX.
10435
 
10436
Terwijl hij aldus, gevolgd door Lamme, het op een drafje zette, vond
10437
hij in de Eikstraat een kwaadwillig paskwil tegen Brederode. Hij ging
10438
het hem onmiddellijk overhandigen.
10439
 
10440
--Ik ben, Heere, sprak hij, die goede Vlaming en die spion van den
10441
koning, dien gij zoo goed bij de ooren trokt en zulken goeden wijn te
10442
drinken gaaft. Ik breng u een lieftallig schriftje, in hetwelk men u
10443
onder anderen beschuldigt, den titel van grave van Holland te nemen,
10444
die den koning behoort. Het is versch geprent door Jan Lastermans,
10445
wonende op de Schavuitenkaai, omtrent de Eerrooversgang.
10446
 
10447
Glimlachend antwoordde Brederode:
10448
 
10449
--Ik laat u twee uren lang geeselen, als ge mij den echten naam van
10450
den schrijver niet zegt.
10451
 
10452
--Heer, antwoordde Uilenspiegel, gij moogt mij twee jaar lang doen
10453
geeselen als gij wilt, maar wat mijn mond niet weet, zult gij mijnen
10454
rug niet doen zeggen.
10455
 
10456
En hij ging henen met een gulden voor zijne moeite.
10457
 
10458
 
10459
 
10460
 
10461
X.
10462
 
10463
Sedert de Zomermaand, de maand van rozen, was men in Vlaanderen aan
10464
't preeken.
10465
 
10466
En de apostelen der eerste kerstene Kerk preekten overal, op alle
10467
plaatsen, in 't groen en in de hovingen, op de heuvelen waar men
10468
bij overstrooming de beesten in veiligheid bracht, op de rivieren,
10469
in booten.
10470
 
10471
Te land verschansten zij zich als in een kamp, door middel van
10472
karren. Op de rivieren en in de reeden hielden schuiten vol gewapende
10473
mannen de wacht rondom hen.
10474
 
10475
En rond de verschansingen stonden boogschutters en pijkeniers, om
10476
hen te behoeden voor eene verrassing des vijands.
10477
 
10478
En aldus weerklonk allerwegen het woord der vrijheid op den bodem
10479
der vaderen.
10480
 
10481
 
10482
 
10483
 
10484
XI.
10485
 
10486
Uilenspiegel en Lamme waren te Brugge, en ze lieten hunne kar in een
10487
beluik, om Sint-Salvatorskerk binnen te gaan; zij waren liever naar
10488
de taveerne gegaan, doch hunne tassche liet geen blijd gerinkel van
10489
geld meer hooren.
10490
 
10491
Pater Cornelis Adriaensen, minderbroeder, een vuile, woedende,
10492
blaffende en schaamtelooze prediker, speelde dien dag zijne perten
10493
in den kansel der waarheid.
10494
 
10495
Jong en poezele kwezelkens verdrongen zich rond hem.
10496
 
10497
Pater Cornelis sprak over de Passie. Gekomen ter plaatse van de Heilige
10498
Schrift, waar de Joden, naar Jezus wijzend, tot Pilatus schreeuwden:
10499
"Aan het kruis, aan het kruis met hem, want wij hebben eene wet en,
10500
volgens die wet, moet hij sterven!" riep broeder Cornelis uit:
10501
 
10502
"Gij hoort het, goede lieden, als Ons-Heer Jezus Christus een
10503
gruwelijken en schandelijken dood is gestorven, is het omdat er tegen
10504
de ketters altijd wetten bestonden. Hij werd te recht veroordeeld,
10505
omdat hij de wet had geschonden. En nu willen ze de edicten en
10506
plakkaten als nietig aanzien. Ha! Jezus, welke vermaledijding wilt gij
10507
over deze landen doen vallen! Allerheiligste Moeder Gods, was keizer
10508
Karel nog in leven en kon hij het schandaal zien van die verbonden
10509
edelen, die zoo stoutmoedig waren de landvoogdes een vertoogschrift
10510
aan te bieden tegen de inquisitie en tegen de plakkaten, die met het
10511
beste inzicht gemaakt, na zoo langdurige en voorzichtige overwegingen
10512
opgesteld en uitgevaardigd zijn tot uitroeiing van alle sekten en
10513
ketterijen! En nu ze dat meer van noode zijn dan brood en dan kaas,
10514
willen zij ze vernielen! In welken smerigen, stinkenden, afgrond
10515
wil men ons lokken? Luther, die razende os, zegepraalt in Saksen, in
10516
Brunswijk, in Luneburg, in Mecklenburg; Brentius, de vuile Brentius,
10517
die in Duitschland van eikelen leefde die de verkens versmaadden,
10518
Brentius zegepraalt in Wurtenberg; Servet, de waanzinnige Servet, die
10519
een kwartier van de maan in zijn hoofd heeft, zegepraalt in Pommeren,
10520
in Denemarken en in Zweden, en daar vermeet hij zich de heilige,
10521
glorierijke en almachtige Drievuldigheid te lasteren. Ja. Maar
10522
men heeft mij gezegd, dat hij levend verbrand werd door Calvijn,
10523
die eindelijk dan toch iets gedaan heeft dat deugt; ja, door den
10524
stinkenden Calvijn, die zuur riekt; ja, met zijnen snuit zoo lang als
10525
die van eenen otter; met zijnen kaaskop, met zijn groote tanden, die
10526
op de tanden eener egge gelijken. Ja, die wolven verslinden elkander;
10527
ja, die os van een Luther, de razende os, wapende de prinsen van
10528
Duitschland tegen den wederdooper Munzer, die een snul was, naar men
10529
zegt, en leefde volgens de Heilige Schrift. En heel Duitschland door,
10530
hoorde men 't geloei van dien os, ja, heel Duitschland door!
10531
 
10532
"Ja, en wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in
10533
Holland, in Zeeland? Adamieten, die naakt door de straten loopen, ja,
10534
goede lieden, naakt door de straten, en schaamteloos hun mager lichaam
10535
aan de menschen toonen. Er was er maar één, zult ge zeggen;--ja,
10536
't kan zijn--maar één is honderd, en honderd zijn één. En werd hij
10537
verbrand, vraagt ge? hij werd levend verbrand op het aanzoek van
10538
Calvinisten en Lutheranen. Die wolven verslinden elkander, zeg ik u!
10539
 
10540
"Ja, wat ziet men in Vlaanderen, in Gelderland, in Friesland, in
10541
Holland, in Zeeland? Wederdoopers, vrijheidsapostelen, die leeren dat
10542
alle dienstbaarheid strijdig is met het woord Gods. Zij liegen, die
10543
stinkende ketteren; wij moeten ons onderwerpen aan onze Heilige Moeder,
10544
de Roomsche Kerke. En daar, in die verdoemde stad Antwerpen, waar
10545
al het kettergespuis van de wereld bijeenkomt, dorsten zij preeken,
10546
dat wij onze hostiën met hondenvet bakken! Een ander durft zeggen:
10547
't is die geus, die op dien waterpot zit, op den hoek van de straat:
10548
"Er is geen God, geen eeuwig leven, geene verrijzenis des vleesches,
10549
geen eeuwige verdoemenis". "Men mag, zegt die andere ginder,
10550
men mag doopen zonder zout, zonder vet, zonder speeksel, zonder
10551
duivelbezwering en zonder keerse". "Er is geen vagevier", zegt een
10552
ander. Geen vagevier, goede lieden! Zaliger voor u goede lieden,
10553
ware het van te zondigen met uwe moeder, uwe zuster, uwe dochter,
10554
dan een oogenblik te twijfelen aan 't bestaan van het vagevier!
10555
 
10556
"Ja, en zij lachten met den inquisiteur, den heiligen man, ja. Ze
10557
zijn hieromtrent, te Bellem, geweest met vier duizend Calvinisten,
10558
gewapende mannen, met trommels en vaandels. Ja. En van hier riekt gij
10559
den stank hunner keuken. Zij hebben Sinte-Katelijnekerk genomen om
10560
ze te onteeren, te ontwijden, te ontheiligen met hunne vermaledijde
10561
predikatiën.
10562
 
10563
"Is die verdraagzaamheid niet goddeloos en niet schandalig? Bij
10564
de duizenden duivelen uit de helle, waarom steekt gij ook de
10565
handen niet uit naar de wapenen, weekhertige katholieken? Als dat
10566
calvinistengebroed, hebt gij ook harnassen, lansen, hellebaarden,
10567
zweerden, kruismessen, alsmede de falkonetten, bussen, slangen en
10568
serpenten van de gemeente.
10569
 
10570
"Zij zijn vreedzaam, zult gij zeggen; zij willen, in volle rust en
10571
vrede, Gods woord aanhooren. 't Is eender. Trekt de stad uit! verjaagt
10572
mij, doodt mij, smijt mij al die Calvinisten uit den Tempel! Zijt
10573
gij nog niet weg! Foei, gij zijt precies lijk verschrikte hennen,
10574
die op eenen mesthoop staan te beven! Ik zie het oogenblik aankomen,
10575
op hetwelk die verdoemde Calvinisten op den buik uwer vrouwen en
10576
dochteren zullen trommelen en gij zult ze laten begaan, weekelingen
10577
van mannen die gij zijt. Gaat niet naar Bellem, blijft hier, gij zoudt
10578
uwe kousen verslijten. Foei, Bruggelingen! foei, katholieken! Schande
10579
over u, eenden, ganzen en kalkoenen die gij zijt!
10580
 
10581
"Dat moeten schoone predikantjes zijn, daar gij met hoopen luisteren
10582
gaat naar de leugenen, die zij uitbraken en daar de meidekens des
10583
nachts naar hunne sermoenen trekken, zoodat de stad binnen negen
10584
maanden vol kleine geuskens en geuzinnekens zal steken? Zij waren
10585
daar gevieren, vier truwanten, die preekten op 't kerkhof. De eerste
10586
bleek en mager, die leelijke broeksch..., had een vuilen hoed op zijn
10587
hoofd, met denwelken hij zijne ooren verborg. Heeft iemand van u ooit
10588
de ooren van eenen predikant gezien? Hij had geen hemd aan, want zijne
10589
armen staken bloot uit zijn wambuis. Gij kondt door zijn broek kijken,
10590
als door den St.-Jacobstoren van Antwerpen. De andere schelm had
10591
geen schoenen aan zijne voeten. Niemand heeft zijne ooren gezien. En
10592
hij bleef steken in zijne predikanterij, en de knapen en meidekens
10593
jouwden hem uiten riepen: "Ahoe! ahoe! hij kent zijne les niet." De
10594
derde had een vuilen, leelijken hoed op, met een pluimken op zij. Ook
10595
zijne ooren kon men niet zien. De vierde, een beetje beter gekleed
10596
dan de anderen, moet door den beul tweemaal gebrandmerkt zijn, ja!
10597
 
10598
"Onder hunnen hoed dragen zij allen vettige, zijden hoofddeksels,
10599
die hunne ooren verbergen. Hebt gij ooit de ooren van een predikant
10600
gezien? Ooren! ha! ja, hunne ooren toonen; de beul is er mee weg:
10601
zij zijn allen gekortoord!
10602
 
10603
"En nochtans is 't rond die schelmen, rond die diepers, rond
10604
die schoenlappers die hunnen spanriem ontliepen, rond die luizige
10605
predikanten, dat die van 't gemeen riepen: "Leve de geus!" alsof zij
10606
allen razend, zat of zot waren.
10607
 
10608
"Ha! ons, arme Roomsch-Katholieken, blijft anders niets over dan de
10609
Nederlanden te verlaten, vermits men er den kreet: "Leve de geus! Leve
10610
de geus!" laat uitbraken! Welke steen van vermaledijding is dan toch op
10611
dat stompzinnig, betooverd volk gevallen? Ha! Jezus! overal zijn rijken
10612
en armen, edelen en onedelen, ouden en jongen, mannen en vrouwen aan
10613
't roepen: "Leve de geus!"
10614
 
10615
"En wat zijn al die heeren, al die kaalkoppen, die ons uit Duitschland
10616
overgewaaid zijn? Heel hunne have hebben zij in ontucht opgegeten
10617
met de wijven, met den drank, met het spel. Zij hebben zelfs geen
10618
verroesten nagel meer om te krabben daar waar het jeukt. En nu eischen
10619
zij het goed van kerken en kloosters!
10620
 
10621
"En daar, in hun gastmaal, bij dien truwant van Kuilenburg, met
10622
dien anderen drinkebroer Brederode, hebben zij uit houten napjes
10623
gedronken, uit minachting voor den heere van Berlaymont en mevrouwe de
10624
landvoogdes. Ja, en zij hebben geroepen: "Leve de geus!" Ha! ware ik
10625
in de plaats van den goeden God geweest, ik hadde hun drinken, bier
10626
of wijn, veranderd in vuil, walgelijk schotelwater, ja, in vuile,
10627
stinkende loog, waarin zij hunne vuile hemden en drekkige lakens
10628
hadden kunnen wasschen.
10629
 
10630
"Ja, tiert, ezels die gij zijt, brult: "Leve de geus!" Ja, tiert maar
10631
op, doch ik ben profeet. En al de verwenschingen, rampen, koortsen,
10632
pesten, branden, verwoestingen, kankers, Engelsche zweetkoortsen en
10633
zwarte pesten zullen over de Nederlanden vallen. Ja, en aldus zal God
10634
gewroken worden over uw vuil getier van "Leve de geus!" En er blijft
10635
geen steen uwer huizen over of geen splinter van uw verdoemde beenen,
10636
die zoo haastig naar die vervloekte Calvinisterij en predikanterij
10637
liepen. Het zij zoo! Amen!
10638
 
10639
--Laat ons gaan, sprak Uilenspiegel tot Lamme.
10640
 
10641
--Dadelijk, sprak Lamme.
10642
 
10643
En hij zocht onder de jonge en schoone kwezelkens, die naar het
10644
sermoen geluisterd hadden; maar zijne vrouw vond hij niet.
10645
 
10646
 
10647
 
10648
 
10649
XII.
10650
 
10651
Uilenspiegel en Lamme kwamen aan het Minnewater, hetwelk de groote
10652
doctoren en wijsneuzige wijsgeeren halsstarrig doen afstammen van
10653
Minrewater of Minderbroederswater.
10654
 
10655
Zij bleven op den oever staan en zij zagen vrouwen, meidekens en
10656
knapen, arm in arm, met bloemen getooid, die malkander teederlijk in
10657
de oogen bezagen en dicht tegen elkander gedrongen gingen.
10658
 
10659
Als Uilenspiegel hen zag, dacht hij aan Nele. En bij die weemoedige
10660
herinnering, sprak hij treurig tot Lamme:
10661
 
10662
--Lamme, laat ons iets drinken.
10663
 
10664
Maar Lamme hoorde niet wat Uilenspiegel zegde; droefgeestig bezag
10665
hij de verliefde paartjes.
10666
 
10667
--Weleer gingen wij ook aldus, arm in arm, mijne vrouw en ik, tot
10668
groote afgunst van hen, die in alleenigheid, zonder geliefde levend,
10669
nijdig ons nakeken.
10670
 
10671
--Kom, sprak Uilenspiegel, de Zeven vinden wij misschien op den bodem
10672
eener pinte.
10673
 
10674
--Dat is drinkebroerspraat, antwoordde Lamme; de Zeven, dat weet gij
10675
wel, zijn reuzen, die onder 't groot gewelf van Sint-Salvatorskerk
10676
niet kunnen recht staan.
10677
 
10678
Uilenspiegel dacht treurig aan Nele. Ook dacht hij, dat hij misschien
10679
in eene of andere afspanning een goed maal, een goed onderkomen en
10680
een lieftallige bazinne zou vinden; hij sprak nogmaals:
10681
 
10682
--Laat ons iets drinken!
10683
 
10684
Maar Lamme luisterde niet en sprak, naar Onze-Lieve-Vrouwetoren
10685
kijkend:
10686
 
10687
--Heilige Maria, patronesse der geoorloofde minne, verleen mij de
10688
gunst, heur blanken boesem weder te zien,
10689
 
10690
--Kom mede, sprak Uilenspiegel, heur blanke boezem troont in de eene
10691
of andere taveerne.
10692
 
10693
--Hoe durft gij dat zeggen? sprak Lamme.
10694
 
10695
--Wel zeker, sprak Uilenspiegel, ze moet ergens weerdinne zijn.
10696
 
10697
--Dronkemansuitvluchten, sprak Lamme.
10698
 
10699
Uilenspiegel vervolgde:
10700
 
10701
--Wellicht bewaart zij voor de arme zwervers een schotel gestoofd
10702
ossevleesch, niet te vet, niet te droog, malsch lijk rozeblaadjes,
10703
zwemmend tusschen menigvuldige kruidnagelen, notemuskaat,
10704
hanekammetjes, kalfszwezerikken en andere hemelsche lekkernijen.
10705
 
10706
--Deugniet! sprak Lamme, gij wilt mij zeker doen sterven. Weet gij dan
10707
niet, dat wij sedert twee dagen van droog brood en klein bier leven?
10708
 
10709
--Dat is praat van een gulzigaard, antwoordde Uilenspiegel. Gij
10710
schreeuwt van honger; kom eten en drinken. Ik heb een halven gulden
10711
en zal de kosten van 't gelag betalen.
10712
 
10713
Lamme lachte. Zij gingen hunne kar halen en, aldus door de stad
10714
rijdend, zochten zij naar de beste afspanning. Doch zij trokken er
10715
vele voorbij, als zij de zure gezichten van den baas of de bazinne
10716
zagen, weinig aantrekkelijk uithangsbord voor een gezellige keuken.
10717
 
10718
Zij kwamen op de Zaterdagsmarkt en gingen het gasthof, de Blauwe
10719
Lanteern binnen. Daar zag de weerd er vriendelijker uit.
10720
 
10721
Zij deden uitspannen en den ezel op stal zetten, in gezelschap van
10722
een maatje haver. Zij lieten zich een keurig avondmaal opdienen,
10723
aten hunne bekomst, sliepen als dassen en stonden 's morgens op,
10724
om nog te eten. Lamme schitterde van genoegen en sprak:
10725
 
10726
--In mijne maag hoor ik een hemelsche muziek.
10727
 
10728
Als 't oogenblik van betalen gekomen was, ging de weerd bij Lamme en
10729
sprak hij:
10730
 
10731
--'t Is tien oortjes.
10732
 
10733
--Hij heeft ze, zei Lamme, naar Uilenspiegel wijzend, die antwoordde:
10734
 
10735
--Ik heb ze niet.
10736
 
10737
--En de halve gulden?
10738
 
10739
--Ik heb er geen, sprak Uilenspiegel.
10740
 
10741
--'t Is gemakkelijk gezegd, sprak de baas; dan zal ik u uw wambuis
10742
en hemd uittrekken.
10743
 
10744
Lamme, dien de drank moedig maakte, stond recht en riep uit:
10745
 
10746
--En als ik wil eten en drinken, ja, eten en drinken voor zeven en
10747
twintig gulden en nog meer, zal ik het doen! Of meent gij, dat er
10748
geen rooden duit in dezen buik steekt? Bij God! tot hiertoe werd hij
10749
uitsluitend met ortolanen gevoed. Dergelijken buik zult gij nooit onder
10750
uw vettigen gordelriem dragen. Bij mij ligt het vet drie duim dik op
10751
den buik, terwijl gij het op den kraag van uw wambuis moet zoeken.
10752
 
10753
De weerd was buiten zich zelven van woede. Hakkelaar van nature,
10754
wilde hij rap spreken; doch hoe meer hij zich haastte, hoe meer hij
10755
moest niezen als een hond, die uit 't water komt. Middelerwijl wipte
10756
Uilenspiegel bollekens brood naar zijn aangezicht. En Lamme, meer en
10757
meer opgewonden, vervolgde:
10758
 
10759
--Ja, ik bezit genoeg voor uw drie magere hennen, uw vier schurftige
10760
kiekens en dien grooten dwazerik van een pauw, die met zijn morsigen
10761
steert het neerhof ginds ronddwijlt. En als uwe huid niet verrimpeld
10762
was als die van een ouden haan, als uw beenderen niet vaneen vielen in
10763
uwe borstkas, dan had ik nog genoeg om u ook op te eten, u, en uwen
10764
snotterigen knecht, en uw halfblinde meid, en uwen kok, die gelukkig
10765
mag zijn als hij 't schurft niet heeft, daar zijne armen te kort zijn
10766
om zich ordentelijk te krabben.
10767
 
10768
--Bezie mij, vervolgde hij, bezie mij dien vogel eens, die, voor een
10769
halven gulden, ons wambuis en ons hemde wil uitdoen! Daarom moet men
10770
schaamtevrij zijn; heel zijne plunje is geen drie duiten weerd.
10771
 
10772
Maar de baas blies door zijnen neus van woede.
10773
 
10774
En Uilenspiegel wipte maar altoos bollekens brood naar zijn aangezicht.
10775
 
10776
Lamme, dapper als een leeuw, vervolgde:
10777
 
10778
--Hoeveel, magere tronie, hoeveel meent gij wel wat een ezel weerd
10779
is, een ezel met een fijnen mond, met lange ooren, een breede borst,
10780
met spieren als ijzer zoo sterk? Achttien gulden voor 't minst, is
10781
't niet, armoedige baas? Hoeveel verroeste nagelen hebt gij wel,
10782
om zulk schoon beest te betalen?
10783
 
10784
De baas blies nog meer door zijnen neus, doch dorst zich niet roeren.
10785
 
10786
Lamme sprak:
10787
 
10788
--Hoeveel meent gij, dat een schoone esschen kar geldt, die heel in
10789
't blauw is geverfd en tegen zon en regen bespannen met eene huif
10790
van Kortrijksch lijnwaad? Vier en twintig gulden voor 't minst,
10791
niet waar? Vier en twintig gulden en achttien gulden, hoeveel maakt
10792
dat? Antwoord, armzalige rekenmeester. En, daar het marktdag is en er
10793
boeren in uwe ellendige afspanning zijn, ga ik ze dadelijk verkoopen.
10794
 
10795
Hetgene geschiedde, want allen kende Lamme. En inderdaad, voor ezel
10796
en kar kreeg hij vier en veertig gulden en tien oortjes. Toen deed
10797
hij het goud rinkelen onder den neus van den weerd, en sprak hij:
10798
 
10799
--Hewel, baas is hier geld genoeg om nog iets te peuzelen?
10800
 
10801
--Ja, sprak de baas.
10802
 
10803
En stille zegde hij:
10804
 
10805
--Als gij ooit uw vel verkoopt, geef ik er een oortje voor: 't zal
10806
een amulet tegen overdadigheid wezen.
10807
 
10808
Doch een hupsch en lieftallig wijfje, dat in het donker binnenhof
10809
stond, was verscheidene reizen voor 't venster naar Lamme komen zien,
10810
en telkens dat hij heur schoon gezichtje kon bemerken, trok ze zich
10811
schielijk achteruit.
10812
 
10813
's Avonds, als hij, zonder licht, waggelend de trap opklom, voelde
10814
hij eene vrouw, die hem omarmde, hem kuste op zijne kaken, zijnen
10815
mond, tot zelfs op zijn neus; zijn gezicht was nat van hare tranen,
10816
na hetwelk zij hem liet voortgaan.
10817
 
10818
Lamme ging naar zijn bedde en sliep als een os, en 's anderen daags
10819
trok hij met Uilenspiegel naar Gent.
10820
 
10821
 
10822
 
10823
 
10824
XIII.
10825
 
10826
Daar zocht hij zijne vrouw in al de kaberdoeskens, danszalen en
10827
taveernen. 's Avonds vond hij Uilenspiegel terug in den Zingenden
10828
Zwaan. Uilenspiegel ging overal rond om het volk tot opstand te wekken,
10829
tegen de beulen van den vaderlandschen bodem.
10830
 
10831
Op de Vrijdagsmarkt, omtrent de Dulle Griet, ging Uilenspiegel plat
10832
op zijn buik ten gronde liggen.
10833
 
10834
Een kooldrager kwam voorbij en sprak:
10835
 
10836
--Wat doet gij daar?
10837
 
10838
--Ik maak mijnen neus nat om te zien van waar de wind komt, antwoordde
10839
Uilenspiegel.
10840
 
10841
Een timmerman kwam.
10842
 
10843
--Neemt gij den grond voor een bedde? vroeg hij.
10844
 
10845
--Er zijn er, die hem weldra voor een deken zullen nemen antwoordde
10846
Uilenspiegel.
10847
 
10848
Een monnik bleef staan.
10849
 
10850
--Wat doet dat kalf daar? vroeg hij.
10851
 
10852
--Het kalf vraagt plat op zijn buik uwen zegen, mijn vader, antwoordde
10853
Uilenspiegel.
10854
 
10855
De monnik gaf hem dien en toog henen.
10856
 
10857
Toen legde Uilenspiegel zijn oor tegen den grond; een boer kwam
10858
voorbij.
10859
 
10860
--Hoort gij daar iets? vroeg hij.
10861
 
10862
--Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien, hetwelk zal dienen
10863
om de arme ketteren te verbranden.
10864
 
10865
--Hoort gij niets anders? vroeg een stadsserjant.
10866
 
10867
--Ik hoor, sprak Uilenspiegel, de Spaansche soldaten aandraven; als
10868
gij iets hebt, dat dierbaar is, begraaf het dan, want weldra zijn de
10869
steden niet meer veilig tegen de roovers.
10870
 
10871
--Hij is zot, zei de serjant.
10872
 
10873
--Hij is zot, herhaalden de poorters.
10874
 
10875
 
10876
 
10877
 
10878
XIV.
10879
 
10880
Doch Lamme at of dronk niet meer, dacht standvastig aan den zoeten
10881
droom op de trap in de Blauwe Lanteern. Zijn hert trok hem naar Brugge,
10882
maar Uilenspiegel nam hem mede naar Antwerpen, alwaar hij jammerend
10883
voort zocht.
10884
 
10885
Uilenspiegel ging in de taveernen en, sprekende over de plakkaten,
10886
zeide hij tot goede Vlamingen, tot hervormden, ja zelfs tot
10887
vrijheidminnende katholieken:
10888
 
10889
--Zij brengen ons de inquisitie mede, zoogezegd om ons lijf van
10890
de ketterije te zuiveren, maar 't is ook voor onze beurze, dat die
10891
rabarber zal dienen. Wij, die niets innemen tegen onze goesting, wij
10892
zullen ons verzetten, muitmaken en de hand aan de wapenen slaan. Dat
10893
weet de koning. Als hij ziet, dat wij zijne rabarber niet willen, zal
10894
hij afkomen met lavementpijpen: dat zijn groote en kleine kanonnen,
10895
falkonetten, slangen met wijden mond. Een koninklijk lavement,
10896
kortom. En in het derwijze gepurgeerde Vlaanderenland zal geen begoede
10897
burger meer overblijven. Gelukkige landen, die zulk een koninklijken
10898
geneesheer hebben!
10899
 
10900
Maar de poorters lachten.
10901
 
10902
Uilenspiegel sprak: Lacht maar; doch vlucht of wapent u op den dag,
10903
als er in Onze-Lieve-Vrouwekerk beelden worden gebroken.
10904
 
10905
 
10906
 
10907
 
10908
XV.
10909
 
10910
Op 15 der Oogstmaand, den grooten dag van Maria en van de wijding
10911
van kruiden en wortelen, wanneer de hennen, volgepropt met graan,
10912
doof blijven voor 't geroep van den haan, werd aan eene der poorten
10913
van Antwerpen, een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen
10914
door een Italiaan, in dienst van Granvelle. 's Zondags nadien ging
10915
de ommegang van Onze-Lieve Vrouwekerk uit, voorafgegaan door groene,
10916
gele en roode narren.
10917
 
10918
Maar het Mariabeeld werd onderwege gehoond door rapaille, dat riep:
10919
"Maaiken, de uitdraagster, dit is uw laatste feestdag, want men zal
10920
haast met u mosselen zieden"; het beeld werd ijlings in 't koor van
10921
de kerk teruggebracht.
10922
 
10923
Uilenspiegel en Lamme gingen Onze-Lieve-Vrouwekerk binnen. Havelooze,
10924
in lompen gehulde jongelieden en ook eenige volwassenen, elkeen
10925
onbekend, stonden vóór het koor tot malkander zekere teekenen
10926
en gebaren te maken. Zij maakten veel gerucht met voeten en
10927
tongen. Niemand had ze ooit in Antwerpen gezien, of zag ze later
10928
ooit weer. Een hunner, met een bruin gezicht als een verbrande ajuin,
10929
vroeg of Maaiken--dat was Maria--bang was, daar ze zoo ijlings terug
10930
in de kerk kwam.
10931
 
10932
--'t Is toch niet voor u dat ze bang is, leelijke moor, antwoordde
10933
Uilenspiegel.
10934
 
10935
De jonge schoelje, tot wien hij sprak, kwam op hem af om hem te slaan,
10936
maar Uilenspiegel nam hem bij den kraag en sprak:
10937
 
10938
--Als gij durft slaan, doe ik u uwe tong uitspuwen.
10939
 
10940
Zich vervolgens tot eenige Antwerpsche vrienden wendend, die daar
10941
waren, zeide hij:
10942
 
10943
--Signoorkens en pagadders (naar de havelooze kerels wijzend),
10944
betrouwt ze niet, 't zijn valsche Vlamingen, lafaards en verraders,
10945
die betaald zijn om ons in kwaad, in ellende en in rampspoed te lokken.
10946
 
10947
Vervolgens tot het geboefte sprekend, zeide hij:
10948
 
10949
--Hewel, ezelskoppen, die uittdroogt van armoe, vanwaar haalt gij het
10950
geld, dat thans in uwe beurze rinkelt? Hebt gij soms nu reeds uw vel
10951
verkocht om er trommelen van te maken?
10952
 
10953
--Beziet eens dien preeker! riepen ze.
10954
 
10955
Toen begonnen zij allen samen te schelden, sprekende van
10956
Onze-Lieve-Vrouwe:
10957
 
10958
--Maaiken heeft een schoon kleed! Maaiken heeft een schoone kroon! Ik
10959
zal ze geven aan eene loddege van mijne kennis.
10960
 
10961
Zij gingen buiten, terwijl een onverlaat den predikstoel beklom om
10962
er zotte reden te houden, en zij kwamen terug, roepende:
10963
 
10964
--Kom beneden, Maaiken, of wij komen u halen. Doe een mirakel, toon
10965
nu eens dat gij kunt loopen, in stee van u laten dragen!
10966
 
10967
Maar Uilenspiegel riep te vergeefs: Rampzaligen, houdt op met uw
10968
geschimp; alle plundering is misdaad! Zij gingen voort met hunne
10969
heiligschendende taal en spraken zelfs van het koor binnen te breken
10970
en Maaiken beneden te halen.
10971
 
10972
Daarop smeet een oude vrouw, die keersen verkocht in de kerk, hun de
10973
assche van haren vuurpot in het gezicht; maar zij werd geslagen en
10974
ten gronde gestampt, en daarna herbegon het geweld.
10975
 
10976
De markgraaf kwam in de kerk met zijne hellebaardiers. Toen hij het
10977
volk samengeschoold zag, spoorde hij het aan de kerk te verlaten,
10978
maar zoo weinig krachtdadig, dat slechts enkelen henen gingen; de
10979
anderen spraken:
10980
 
10981
--Eerst moeten de kanunniken de vespers zingen, ter eere van Maaiken.
10982
 
10983
De markgraaf sprak:
10984
 
10985
--Er wordt niet gezongen.
10986
 
10987
--Dan zullen we zelven zingen was het antwoord.
10988
 
10989
Zoo deden zij in de zijbeuken en omtrent het portaal van de
10990
kerk. Eenigen speelden met den bal en hinkelden met steentjes over
10991
den vloer en zeiden: "Maaiken, nimmer speelt gij in het hemelrijk,
10992
en gij verveelt u: kom spelen met ons".
10993
 
10994
En onophoudelijk hoonden zij het beeld, riepen, huilden en floten.
10995
 
10996
De markgraaf gebaarde bang te zijn en ging henen. Hij deed de deuren
10997
sluiten behalve ééne.
10998
 
10999
En hoewel het gemeen er zich niet mee bemoeide, werden de galgenazen
11000
stoutmoediger en riepen zij nog luider. Het gewelf weergalmde als onder
11001
't gebulder van kanonnen.
11002
 
11003
Op den predikstoel klom er toen een. Hij scheen gezag te hebben;
11004
met een gebaar deed hij allen zwijgen, en hij begon te preeken:
11005
 
11006
"In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes,
11007
drie zijn één en één is drie; God beware ons in 't hemelrijk van
11008
dergelijke cijferkunde; op heden, vijftienden van de Oogstmaand, is
11009
Maaiken met heur schoonste kleeren in triomf uitgegaan om haar houten
11010
gezicht te toonen aan alle signoorkens en pagadders van de goede stad
11011
Antwerpen. Maar onderwege in den ommegang, is Maaiken den duivel Satan
11012
tegengekomen en Satan sprak lachend tot haar: "Zijt gij nu te fier
11013
om den armen pagadder Satan goeden dag te zeggen, omdat gij gekleed
11014
zijt als eene koningin, en gij gedragen wordt door vier signoren?" En
11015
Maaiken antwoordde: "Gaat van hier, Satan, of ik verbrijzel u nogmaals
11016
den kop!" "Maaiken, dat doet gij nu reeds vijftienhonderd jaar, maar
11017
de Geest van den Heer uwen meester heeft mij verlost. Ik ben sterker
11018
dan gij; gij zult mij op den kop niet meer trappen, en nu ga ik u een
11019
dansken leeren. Satan nam een duchtige lederen zweep en begon er mee
11020
te kletsen op Maaiken, die niet dorst schreeuwen om niet te laten
11021
zien dat ze bang was; en toen is ze op den loop gegaan en deed zij
11022
de signoorkens die haar droegen insgelijks loopen, opdat ze met heur
11023
gouden kroon en rijke juweelen niet onder 't arme gemeene volk zou
11024
vallen. En nu zit Maaiken koes en bevend in heur kot, te kijken naar
11025
Satan, die daar omhoog op gindsche zuil zit, met de zweep in de hand,
11026
en grijnslachend zegt: "Ik zal u het bloed en de tranen betaald zetten,
11027
die vloeiden in uwen naam! Maaiken, hoe is 't met uwe onbevlektheid? Ge
11028
moet rijden! We gaan u aan stukken slaan, leelijk houten beeld dat
11029
ge zijt, voor al de beelden van vleesch en beenderen, die in uwen
11030
naam genadeloos verbrand, gehangen en levend begraven werden." Aldus
11031
sprak Satan, en hij had gelijk. En gij moet beneden, wreedaardig,
11032
bloeddorstig Maaiken, want gij geleekt geenszins op uwen zoon Christus.
11033
 
11034
En heel de menigte handlangers riep en tierde en huilde:
11035
"Maaiken! Maaiken, gij moet rijden! Maakt gij nu uw hemd nat van
11036
schrik? Weg met de houten heiligen! Laat heur een bad in de Schelde
11037
nemen! Hout drijft toch boven!"
11038
 
11039
Het volk aanhoorde hen zonder iets te zeggen.
11040
 
11041
Doch Uilenspiegel klom op den predikstoel, stampte met geweld den
11042
spreker van de trappen en zei tot het volk:
11043
 
11044
--Dwazen, onnoozele dwazen, ziet gij dan niet verder dan uw neus lang
11045
is? Begrijpt gij dan niet, dat dit alles verraderswerk is? Zij willen
11046
u tot heiligschenners en tot beeldbrekers maken, om u tot muiters te
11047
kunnen verklaren, uwe kisten te ledigen, u te onthalzen en levend
11048
te verbranden! En de koning zal erven! Signoorkens en pagadders,
11049
hecht geen geloof aan de woorden dier bewerkers van rampspoed: laat
11050
Onze-Lieve-Vrouw in heure nis, leeft kloekmoedig, werkt blijgezind en
11051
geniet van uwe winsten en profijten. De zwarte duivel des rampspoeds
11052
heeft u in 't oog, en 't is door plundering en vernieling, dat hij het
11053
vijandelijke leger zal roepen om u als rebellen te behandelen en Alva
11054
over u te doen regeeren door dictatuur, inquisitie, verbeurdverklaring
11055
en dood!
11056
 
11057
... En hij zal erven!
11058
 
11059
--Laas, sprak Lamme, plundert niet, signoorkens en pagadders; de
11060
koning is al kwaad genoeg. De dochter van de borduurster heeft het
11061
tot mijn vriend Uilenspiegel gezegd. Plundert niet, mijne heeren!
11062
 
11063
Maar het gemeen kon hen niet hooren.
11064
 
11065
De handlangers riepen:
11066
 
11067
--Ze moet beneden! In de Schelde, de houten heiligen. Hout drijft
11068
toch boven!
11069
 
11070
Uilenspiegel klampte zich aan den preekstoel vast en riep tevergeefs:
11071
 
11072
--Signoorkens en pagadders, duldt de plundering niet! Brengt uwe stad
11073
niet ten onder!
11074
 
11075
En hij werd weggerukt met gekwetst gelaat, wambuis en hoos gescheurd,
11076
hoewel hij zich dapper verweerde met vuisten en voeten. En heel
11077
bebloed, hield hij niet op te roepen:
11078
 
11079
--Duldt de plundering niet!
11080
 
11081
Maar het was te vergeefs.
11082
 
11083
De onbekenden en het grauw van de stad liepen tegen het hek van het
11084
koor aan, hetwelk zij braken al roepend:
11085
 
11086
--Vive le geus!
11087
 
11088
Allen begonnen te breken, te plunderen, te vernielen. Vóór middernacht
11089
was die groote kerk, in dewelke zeventig autaren, allerhande schoone
11090
schilderijen en kostbaarheden waren, teenemaal ledig. De autaren
11091
werden aan stukken geslagen, de beelden werden van hunne pedestalen
11092
getrokken, uit hunne nissen gerukt, op den vloer geworpen en met
11093
hamers verbrijzeld en de gewijde olie tot schoensmeer gebezigd. Toen
11094
er niets meer te breken viel, trok de bende naar de Minderbroeders,
11095
De Franciscanen, Sint-Pieters, Sint-Andries, Sint-Jacobs, Sint-Joris,
11096
Sint-Michiels, de Peterpotkerk, den Burcht, het Fawkensklooster,
11097
de Witte Zusters, de Grijze Zusters, de Predikheeren en al de
11098
kerken en kapellen van de stad, om er te werk te gaan als in
11099
Onze-Lieve-Vrouwe. Zij namen waskeersen en flambouwen en liepen er
11100
mee overal rond.
11101
 
11102
En onder hen was geen getwist nog krakeel; geen hunner werd gekwetst
11103
in die groote afbraak van steen, van hout en andere stoffen.
11104
 
11105
Zij trokken naar den-Haag, om er de beelden en autaren weg te nemen;
11106
doch daar noch elders verleenden de protestanten hun hulp.
11107
 
11108
In den-Haag vroeg de magistraat hun, waar hunne lastgeving was.
11109
 
11110
--Hier, sprak een hunner, en hij sloeg op zijn hert.
11111
 
11112
--Hoort gij, signoorkens en pagadders? Hunne lastgeving! sprak
11113
Uilenspiegel, die het feit vernomen had. Er is dus iemand, die hun
11114
last geeft het werk van heiligschenners te doen! Als een dief mijne
11115
hut binnendringt, zal ik doen als de magistraat van den-Haag, en
11116
zal ik, mijn hoedeken afnemend, vragen: Lieve schelm, beminnelijke
11117
dieper, eerbiedweerdige roover, waar is uwe lastgeving? Hij zal
11118
wijzen naar zijn hert, dat dorst naar mijne have. En ik zal hem al
11119
mijne sleutels ter hand stellen! Zoekt, zoekt wien de plundering
11120
baat. Mistrouwt den Rooden Hond; de misdaad is begaan, de beteugeling
11121
zal volgen. Mistrouwt den Rooden Hond! Het groote steenen kruisbeeld
11122
is aan stukken geslagen. Mistrouwt den Rooden Hond!
11123
 
11124
Toen Uilenspiegel vernam dat de Groote Raad van Mechelen, door den
11125
mond van zijnen voorzitter Viglius, geboden had den beeldenstorm
11126
geenerlei verzet te bieden, sprak hij:
11127
 
11128
--Laas! de oogst is rijp voor de Spaansche maaiers. De hertog! de
11129
hertog nadert! Vlamingen, de zee, de zee der wrake wast. Arme
11130
vrouwen en meidekens, vlucht den put. Arme mannen, vlucht de galg,
11131
het vuur en het zweerd! Philippus wil het bloedig werk van keizer
11132
Karel voltooien. De vader zaaide dood en ballingschap; de zoon heeft
11133
gezworen, dat hij liever over een kerkhof dan over een kettervolk
11134
heerscht. Vlucht, daar zijn de beul en de grafmakers.
11135
 
11136
Het volk luisterde naar Uilenspiegel, en honderden gezinnen verlieten
11137
de steden, en de wegen waren vervuld met karren vol huisraad van
11138
allen die in ballingschap gingen.
11139
 
11140
En Uilenspiegel ging overal, gevolgd door Lamme, die jammerend zocht
11141
naar zijne vrouw.
11142
 
11143
En te Damme weende Nele bij de uitzinnige Katelijne.
11144
 
11145
 
11146
 
11147
 
11148
XVI.
11149
 
11150
Toen Uilenspiegel, in de Wijnmaand, te Gent was, kwam hij Egmond
11151
tegen, die gegastreerd had in het edel gezelschap van den abt
11152
van Sint-Baafs. Neurend, dede hij droomerig zijn peerd op stap
11153
gaan. Eensklaps keek hij op, en zag hij eenen man, die met een
11154
brandende lanteerne naast hem ging.
11155
 
11156
--Wat wilt ge? vroeg Egmond.
11157
 
11158
--Uw welzijn, antwoordde Uilenspiegel, zooveel welzijn, als een
11159
brandende lanteerne kan geven.
11160
 
11161
--Ga heen en laat mij, sprak de graaf.
11162
 
11163
--Ik zal niet gaan, antwoordde Uilenspiegel.
11164
 
11165
--Moet gij dan van de zweep hebben?
11166
 
11167
--Ik wil er wel tienmaal van hebben, als ik in uw hoofd zulk eene
11168
lanteerne kan steken, dat gij klaar ziet tot in 't Escuriaal.
11169
 
11170
--Ik heb zaken met uwe lanteerne noch met 't Escuriaal, antwoordde
11171
de graaf.
11172
 
11173
--Wel, antwoordde Uilenspiegel, ik kan mij niet weerhouden u een
11174
goeden raad te geven.
11175
 
11176
Hij greep het peerd des graven bij den teugel en, terwijl het sloeg
11177
en steigerde, sprak hij:
11178
 
11179
--Heere, gedenk toch, dat gij thans goed op uw peerd danst en dat
11180
uw hoofd ook goed op uwe schouderen danst; maar de koning wil, naar
11181
men zegt, dien schoonen dans afbreken, u uw lijf laten, maar uw hoofd
11182
nemen om het zoo verre van hier te doen dansen, dat gij het nimmermeer
11183
krijgen kunt. Geef mij een gulden, ik heb hem verdiend.
11184
 
11185
--Van de zweep, als gij niet wegkomt, ongeluksvogel.
11186
 
11187
--Heer, ik ben Uilenspiegel, zoon van Klaas, die levend verbrand werd
11188
voor het geloof, en van Soetkin, die stierf van verdriet. De assche
11189
die klopt op mijne borst, zegt mij, dat Egmond, de dappere krijgsman,
11190
met de landwacht, die hij aanvoert, tegen den hertog van Alva zijne
11191
driemaal zegevierende troepen kan stellen.
11192
 
11193
--Ga heen, antwoordde Egmond, ik ben geen verrader.
11194
 
11195
--Red onze landen, gij alleen vermoogt het, sprak Uilenspiegel.
11196
 
11197
De graaf wilde hem slaan met zijne zweep, doch Uilenspiegel bleef op
11198
de slagen niet wachten, wegvluchtend riep hij nog:
11199
 
11200
--Eet lanteernen, eet lanteernen, heer graaf. Red onze landen!
11201
 
11202
Op een anderen dag hield Egmond stil voor de afspanning het Bont
11203
Verken, gehouden door een lieftallige bazinne van Kortrijk, het
11204
Muizeken geheeten.
11205
 
11206
De graaf stond recht op zijne stijgbeugels en riep:
11207
 
11208
--Is er iemand?
11209
 
11210
Uilenspiegel, die bij 't Muizeken diende, kwam vóór met een tinnen
11211
beker in eene hand en in de andere eene bottel vol rooden wijn.
11212
 
11213
De graaf herkende hem:
11214
 
11215
--Ha, gij zijt het, ongeluksvogel, sprak hij.
11216
 
11217
--Heere, antwoordde Uilenspiegel, kunt gij mij zeggen wat het roodst
11218
is, óf de wijn die door de keel vloeit, óf het bloed dat uit den hals
11219
stroomt? Dat was het wat mijne lanteerne vroeg.
11220
 
11221
De graaf antwoordde niet, dronk, betaalde en vertrok.
11222
 
11223
 
11224
 
11225
 
11226
XVII.
11227
 
11228
Uilenspiegel en Lamme, elk gezeten op een ezel, dien zij kregen van
11229
Simon Simonsen, een der getrouwen van den prins van Oranje, reden
11230
overal rond om de poorters te verwittigen van de snoode inzichten
11231
van den bloedigen koning en om tijdingen uit Spanje te vernemen.
11232
 
11233
Zij verkochten groenten, waren gekleed als boeren en liepen de
11234
markten af.
11235
 
11236
Bij het terugkeeren van de markt van Brussel, zagen zij in een steenen
11237
huis, op de Kareelkaai, in een lage kamer, eene dame gekleed in samijt,
11238
hoog van kleur, vol van boezem en schalksch van oog.
11239
 
11240
Zij sprak tot een jonge en poezele keukenmeid:
11241
 
11242
--Gij zult een goede klont boter in de pan moeten smelten, want ik
11243
houd niet van saus met ijzersmaak.
11244
 
11245
Uilenspiegel stak zijn neus voor het venster.
11246
 
11247
--Ik wel, sprak hij, want een hongerige maag kan veel verdragen.
11248
 
11249
De dame keerde zich om en sprak:
11250
 
11251
Wat is dat voor een moeial, die zich met mijne keuken bemoeit?
11252
 
11253
--Eilaas! schoone dame, sprak Uilenspiegel, liet ge mij er een weinig
11254
mede bemoeien in uwe gezelschap, ik leerde u gerechten uit vreemde
11255
streken maken, die onze dames niet kennen.
11256
 
11257
En smakkende, zei hij:
11258
 
11259
--Ik heb dorst.
11260
 
11261
--Naar wat? vroeg zij.
11262
 
11263
--Naar u, sprak hij.
11264
 
11265
--Hij is schoon, zei de keukenprinses tot de dame. Willen wij hem
11266
binnenlaten, hij zal ons zijne avonturen vertellen.
11267
 
11268
--Maar zij zijn getweeën.
11269
 
11270
--Ik gelast mij met éénen, hernam de keukenmeid.
11271
 
11272
--Mevrouwe, sprak Uilenspiegel, 't is waar, we zijn getweeën: ik en
11273
mijn arme Lamme, die geen honderd pond op den rug kan dragen, doch
11274
gemakkelijk met vijfhonderd pond eten en drinken op de maag loopt.
11275
 
11276
--Jongen, zei Lamme, spot niet met mij; 't is al ongelukkig genoeg,
11277
dat mijn buik mij zoo duur kost.
11278
 
11279
--Vandaag kost hij u geen duit, sprak de dame. Komt beiden binnen.
11280
 
11281
--Maar, sprak Lamme, er zijn ook twee ezelen, waarop wij zitten.
11282
 
11283
--In den stal van den grave van Meghem is geene haver te kort,
11284
antwoordde de dame.
11285
 
11286
De keukenmeid liet heure braadpannen staan en bracht Uilenspiegel en
11287
Lamme op het binnenhof, en de ezels begonnen seffens te balken.
11288
 
11289
--Ze rieken eten en ze schateren uit van vreugde, de arme dieren,
11290
sprak Uilenspiegel.
11291
 
11292
Toen beiden van hunne ezels waren gestegen, sprak Uilenspiegel tot
11293
de keukenmeid:
11294
 
11295
--Zoudt gij een ezel lijk ik willen, als gij een ezelinnetje waart?
11296
 
11297
--Ik zou een jongen met een vroolijk gezicht willen, als ik eene
11298
vrouw was, antwoordde zij.
11299
 
11300
--Wat zijt gij dan, als gij vrouw noch ezelin zijt? vroeg Lamme.
11301
 
11302
--Eene maagd, sprak zij, eene maagd is geene vrouw, en eene ezelin
11303
evenmin: begrijpt gij, dikzak?
11304
 
11305
Uilenspiegel sprak tot Lamme:
11306
 
11307
--Gij moet heur niet gelooven, 't is een deugnietje en een
11308
duivelinneken. Beëlzebub heeft ze van nu af aan verkoren tot zijne
11309
gezellin in de helle.
11310
 
11311
--Leelijke spotter, antwoordde de keukenmeid.
11312
 
11313
De dame sprak:
11314
 
11315
--Drinkt eerst eene pint bruinbier, eet een stuk hesp, snijdt van
11316
dien bout, opent de pastei en proeft de salade.
11317
 
11318
Uilenspiegel vouwde de handen te zamen.
11319
 
11320
--Hesp, sprak hij, is heerlijk eten; bruinbier, hemelsche drank,
11321
hamelbout, goddelijk vleesch; een gevulde pastei doet de tong van
11322
genoegen trillen; een geurige salade is een vorstelijke spijs. Doch
11323
zalig is hij, die uwe schoonheid tot nagerecht krijgt.
11324
 
11325
--Hoor hem eens bezig. Toe, eet, ondeugende jongen!
11326
 
11327
Uilenspiegel antwoordde:
11328
 
11329
--Zou ik niet liever beginnen met de dankzegging?
11330
 
11331
--Neen, sprak zij.
11332
 
11333
Maar Lamme was jammerlijk aan 't zuchten:
11334
 
11335
--Ik heb honger.
11336
 
11337
--Gij zult eten, sprak de schoone dame, vermits gij over niets anders
11338
bekommert zijt dan over uwen buik.
11339
 
11340
--Ha! en mijne vrouw, zuchtte Lamme, als om heur gezegde te
11341
logenstraffen.
11342
 
11343
Maar die woorden stelden de meid teleur. Lamme en Uilenspiegel aten
11344
buik-sta-bij en dronken als tempeliers. En de dame gaf dien nacht
11345
nog te eten aan Uilenspiegel en ook 's anderen daags en volgende dagen.
11346
 
11347
De ezels kregen een dobbel maatje haver en Lamme dobbel rantsoen. Eene
11348
week lang bleef hij in de keuken geplakt en sloeg hij menigerhande
11349
schotels naar binnen, maar hij hield zich niet bezig met de meid,
11350
want hij dacht te veel aan zijne vrouw.
11351
 
11352
Dat maakte de dienstmeid spijtig, en ze zei, dat het een schande
11353
was den menschen al dien last aan te doen, om uitsluitend aan zijn
11354
vettigen buik te denken.
11355
 
11356
En intusschen leefden Uilenspiegel en de dame zeer vriendschappelijk
11357
samen. Eens zegde zij tot hem:
11358
 
11359
Thijl, zoudt gij de verdediging uwer gemartelde broederen op u nemen?
11360
 
11361
--De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.
11362
 
11363
--Zóó zijt gij schoon, riep zij uit. Maar wie is die Klaas?
11364
 
11365
Uilenspiegel antwoordde:
11366
 
11367
--Mijn vader, die voor het geloove verbrand werd.
11368
 
11369
--De grave van Meghem lijkt geenszins op u, sprak zij; hij wil eene
11370
lating toedienen aan de stad, die ik minne, want ik ben van Antwerpen,
11371
de zeeghaftige stede. Weet dus, dat hij overeengekomen is met Scheyf,
11372
den raadsheer van Brabant, om zijne tien vendels voetvolk in Antwerpen
11373
te brengen.
11374
 
11375
--Dat zal ik den poorters gaan zeggen, sprak Uilenspiegel; en hij ijlde
11376
weg, rap als de wind. 's Anderen daags waren de poorters te wapen.
11377
 
11378
Doch Uilenspiegel en Lamme, die hunne ezels op stal gezet hadden
11379
bij eenen pachter van Simon Simonsen, moesten zich schuil houden,
11380
uit vreeze voor den grave van Meghem, die hen overal deed zoeken om
11381
ze te hangen; want hij had vernomen, dat twee heretieken van zijn
11382
vleesch gegeten en van zijnen wijn gedronken hadden.
11383
 
11384
De grave was jaloersch, en zeide het tot de schoone edelvrouwe,
11385
die knarsetande, weende en wel zeventien reizen in onmacht viel. De
11386
keukenmeid volgde heur voorbeeld, maar zoo dikwijls niet en verzekerde,
11387
op heur aandeel in 't hemelrijk en heurer ziele zaligheid, dat zij en
11388
heure Mevrouw niets anders gedaan hadden dan het afval van 't eetmaal
11389
gegeven aan twee armzalige pelgrims, die op magere ezelen gezeten,
11390
voor het keukenvenster waren komen staan,--en méér niet.
11391
 
11392
En dien dag vloeiden er zoovele tranen, dat de grond teenemale nat
11393
was. Dit ziende, schonk messire van Meghem geloof aan heure woorden.
11394
 
11395
Lamme dorst niet meer teruggaan naar het huis van den edelen heere,
11396
want telkens dat de keukenmeid zijn neus zag, begon zij zelve te
11397
zuchten en te jammeren: Ha! mijne vrouw!
11398
 
11399
En hij was mistroostig, om den wille van het eten; doch Uilenspiegel
11400
bracht hem altoos eenige lekkere kliekjes mede, want hij drong in
11401
het huis langs de Sinte-Katelijnestraat, en hield er zich op den
11402
zolder verscholen.
11403
 
11404
's Anderen daags, na de vespers, beleed de grave van Meghem aan de
11405
schoone vrouwe, dat hij besloten had vóór den dageraad met zijne
11406
soldaten 's-Hertogenbosch binnen te dringen. Dan viel hij in slaap.
11407
 
11408
De gravinne liep naar den zolder om Uilenspiegel te vertellen hetgeen
11409
zij wist.
11410
 
11411
 
11412
 
11413
 
11414
XVIII.
11415
 
11416
Verkleed als pelgrim, zonder geld, zonder mond behoeften, trok
11417
Uilenspiegel dadelijk naar 's Hertogenbosch, om de poorters te
11418
waarschuwen.
11419
 
11420
Hij was van zins een peerd te nemen bij Jeroen Praet, broeder van
11421
Simon, voor wien hij brieven van den prins had, om van daar spoorslags,
11422
langs de binnenwegen naar 's Bosch te rijden.
11423
 
11424
Op den steenweg, hoorde hij eene bende huurlingen achter zich
11425
aanstappen. Hij verschrikte hevig, om reden van de brieven.
11426
 
11427
Vast besloten allen tegenspoed het hoofd te bieden, bleef hij staan om
11428
Onze-Vaders te mompelen: toen zij hem ingehaald hadden, ging hij mede
11429
met hen, en alzoo vernam hij, dat zij naar 's Hertogenbosch trokken.
11430
 
11431
Een Waalsch vendel opende den marsch. Aan het hoofd reden kapitein
11432
Lamotte en zijne wacht van zes hellebaardiers; vervolgens, naar
11433
rangorde, de vendrig met eene kleinere wacht, de provoost, zijne
11434
hellebaardiers en zijne twee vangmannen, het hoofd van de wacht,
11435
de trosbewaarder, de beul en zijne knecht; dan volgden pijpen en
11436
tamboerijnen met een oorverdoovend lawijd.
11437
 
11438
Vervolgens kwam een Vlaamsch vendel van tweehonderd soldaten, met
11439
zijn kapitein, zijn vendrig, en verdeeld in twee afdeelingen van
11440
honderd man, elk aangevoerd door de bent-serjanten, en onderverdeeld
11441
in rotten, geleid door tiendeniers of rotmeesters. De provoost en zijne
11442
stokknechten waren mede voorafgegaan door pijpers en tamboerijnslagers,
11443
die bliezen en roffelden om 't hardst.
11444
 
11445
Achter hen reden twee wagens, vol schoone, gichelende meidekens,
11446
de lieven der soldaten. Joelend, dartelend en schaterend, etend,
11447
drinkend en dansend, volgden de schoone, dolle meidekens den tros.
11448
 
11449
Er waren er gekleed als landsknechten, maar in fijn, helderwit
11450
lijnwaad, uitgesneden aan de borst, uitgebekt aan mouwen en beenen,
11451
aan het wambuis, zoodat men heure donzige huid kon zien; op het hoofd
11452
droegen zij fijn lijnwaden kappen, met goud afgelegd, en met schoone
11453
wapperende struisvogelpluimen. Aan heure goudlinnen gordelbanden,
11454
gestikt met rood satijn, hingen de goudlakensche scheeden heurer
11455
dolkmessen. En heure schoenen, kousen en hozen, heure wambuizen en
11456
rijgsnoeren waren van witte zijde en klatermeerse.
11457
 
11458
Anderen waren insgelijks als landsknechten gekleed, doch in blauwe,
11459
groene, scharlaken, paarse, karmozijnen stoffen, uitgebekt, geborduurd
11460
en met wapenen versierd, naar alle grillen en vindingen. En allen
11461
droegen op den arm een rood schijfje, tot teeken van heur bedrijf.
11462
 
11463
De hoerwijfel, haar serjant, wilde haar het zwijgen opleggen; maar zij
11464
deden hem lachen door heur grappige woorden en bekoorlijke gebaren,
11465
en naar zijne vermaningen luisterden zij niet.
11466
 
11467
Uilenspiegel, in zijn pelgrimspij, ging naast de twee vendels,
11468
gelijk een speeljacht, dat vaart naast een oorlogsschip. En hij
11469
knauwde steeds voort Onze-Vaders.
11470
 
11471
Eensklaps sprak Lamotte tot hem:
11472
 
11473
--Waar gaat gij aldus, reizende pelgrim?
11474
 
11475
--Heer kapitein, antwoordde Uilenspiegel die honger had, weleer
11476
bedreef ik een groote zonde, en 't kapittel van Onze-Lieve-Vrouwekerk
11477
veroordeelde mij, te voet naar Rome vergiffenis te gaan vragen aan
11478
den Heiligen Vader, die ze mij verleende. Nu kom ik gereinigd in deze
11479
landen terug, op voorwaarde onderwege de Heilige Mysteriën te prediken
11480
voor alle soldaten, die ik zou ontmoeten en die mij, in ruil mijner
11481
sermoenen, brood en vleesch moeten geven. En aldus preekend, voorzie
11482
ik in mijn armzalig bestaan. Wilt gij mij de toelating schenken,
11483
bij de eerste pleisterplaats mijn gelofte te houden?
11484
 
11485
--Ja, sprak messire van Lamotte.
11486
 
11487
Zich broederlijk mengend onder Walen en Vlamingen, vergat Uilenspiegel
11488
niet, van tijd tot tijd te tasten naar de brieven onder zijn wambuis.
11489
 
11490
De lustige deernen riepen hem toe:
11491
 
11492
--Pelgrim, schoone pelgrim, kom hier en laat ons hooren den gloed
11493
uwer rede.
11494
 
11495
Uilenspiegel naderde heur en zeide vol zedigheid:
11496
 
11497
--Zusteren in Christus, spot niet met een armen pelgrim, die allerwegen
11498
het heilig geloof voor de soldaten moet preeken.
11499
 
11500
En met de oogen verslond hij de lieve meidekens.
11501
 
11502
Maar de lustige wijven staken heure blijde gezichten door de gaten
11503
van het zeil van den wagen.
11504
 
11505
--Ge zijt wel jong, spraken zij, om voor de soldaten te preeken. Kom
11506
in onze wagens, wij zullen een blijdere taal tot u spreken.
11507
 
11508
Uilenspiegel had geerne gedaan zooals zij zeiden, maar hij dorst niet,
11509
om reden van de brieven; reeds hadden er twee heure ronde blanke armen
11510
uit den wagen gestoken, om hem op te trekken, maar de hoerwijfel,
11511
die jaloersch was, snauwde tot Uilenspiegel:
11512
 
11513
--Ga weg of ik kap uw hoofd af!
11514
 
11515
En Uilenspiegel verwijderde zich van den wagen, dorstige blikken
11516
werpend naar de frissche deernen, die de zonne met licht overstroomde.
11517
 
11518
Men kwam te Berchem; Philip de Lannoy, heere van Beauvoir, aanvoerder
11519
der Vlamingen, beval daar halt te houden.
11520
 
11521
Daar stond een eik van middelbare grootte, met een enkelen tak
11522
afgebroken in 't midden en waaraan, eene maand geleden, een wederdooper
11523
had gehangen.
11524
 
11525
De soldaten bleven staan, en de marketensters kwamen bij hen
11526
om hun brood, vleesch, wijn, bier en allerhande toespijzen te
11527
verkoopen. Aan de lustige wijvekens verkochten zij suikergebak,
11528
krakelingen, amandelen, taartjes. Als Uilenspiegel dat zag, kreeg
11529
hij nog grooteren honger.
11530
 
11531
Vlug als een aap, klom Uilenspiegel op den boom en zette zich op
11532
den dikken tak, zeven voet boven den grond. Daar sloeg hij zich met
11533
eene geeselkoord, terwijl de soldaten en hunne lieven rond den boom
11534
kwamen staan.
11535
 
11536
--In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, sprak
11537
hij. Amen! Er staat geschreven: Wie aan den arme geeft, leent aan God:
11538
dappere krijgslieden, en gij ook, schoone damen, leent aan God: 't is
11539
te zeggen, geeft mij brood, vleesch, wijn, bier, als gij wilt, en de
11540
taartjes die gij missen kunt, en God, die rijk is, zal U alles dobbel
11541
teruggeven, met dozijnen ortolanen, beken malvezij, bergen kandijsuiker
11542
en rijstpap, die gij in 't hemelrijk zult eten met zilveren lepels.
11543
 
11544
Vervolgens jammerend:
11545
 
11546
--Ziet gij niet door welke wreede smerten ik beproef, vergiffenis
11547
mijner zonden te bekomen? Zoudt gij de bijtende pijn dier geeseling
11548
niet lenigen, die tot bloedens toe mijnen rug kwetst?
11549
 
11550
--Wat is dat voor een zot? vroegen de soldaten.
11551
 
11552
--Mijne vrienden, antwoordde Uilenspiegel, zot ben ik niet,
11553
doch boetveerdig en stervend van honger; want terwijl mijn geest
11554
zijne zonden beweent, beweent mijn buik het gebrek aan smakelijke
11555
spijzen. Brave soldaten en gij, schoone meidekens, bij u zie ik vette
11556
hesp, gebraden ganzen, worsten, wijn, bier en taartjes, in grooten
11557
getale. Hebt gij niets over voor den armen pelgrim?
11558
 
11559
--Ja, ja, riepen de Vlaamsche soldaten, zijne tronie bevalt ons.
11560
 
11561
En allen wierpen stukken eten naar hem. Op zijn tak gezeten, hield
11562
Uilenspiegel niet op met bidden en spreken.
11563
 
11564
--De honger, sprak hij, maakt den mensch wederspannig tegen het gebed,
11565
doch een stuk hesp neemt die kwade stemming dadelijk weg.
11566
 
11567
--Pas op uw hoofd! riep een serjant, terwijl hij een half volle flesch
11568
naar hem wierp.
11569
 
11570
Uilenspiegel greep de flesch en, met kleine slokjes drinkend,
11571
sprak hij:
11572
 
11573
--Zoo razende honger schadelijk is voor 't lichaam des menschen, is
11574
er nog iets, dat even nadeelig is: te weten de angst van den armen
11575
pelgrim, die van goedhertige soldaten een klein stukje hesp en een
11576
heele bottel bier kreeg. Want gewoonlijk is de pelgrim sober van aard,
11577
en zoo hij dronk met te weinig eten in de maag, ware hij dadelijk zat.
11578
 
11579
Terwijl hij sprak, ving hij eene ganzebil.
11580
 
11581
--In de lucht weidevisch vangen, sprak hij, is iets wondersbaars. Maar
11582
de vangst is verdwenen in mijn keelgat. Wat is er gretiger dan droog
11583
zand? Een onvruchtbare vrouw en een hongerige maag.
11584
 
11585
Plotseling voelde hij de punt eener hellebaard in zijne bil steken. En
11586
eenen vendrig hoorde hij zeggen:
11587
 
11588
--Versmaden de pelgrims nu hamelbout?
11589
 
11590
Uilenspiegel zag op de punt van de hellebaard een groot stuk hamelbout
11591
steken.
11592
 
11593
Hij nam het en sprak:
11594
 
11595
Bout voor bout, liever heb ik er zoo een tusschen mijn tanden dan
11596
zoo'n ijzeren tegen mijn maag.
11597
 
11598
--Uit medelijden trek ik dit stuk hamelbout van uw wapen. Van het
11599
mergbeen zal ik eene pijp maken om uwen lof te bezingen, goedhertige
11600
hellebaardier.
11601
 
11602
... Nochtans, ging hij voort, terwijl hij het been afknaagde, wat
11603
is een bout, hij moge nog zoo lekker en sappig wezen, zoo den armen
11604
pelgrim geen vriendelijk taartje komt toelachen?
11605
 
11606
Terwijl hij dus sprak, sloeg hij de hand vóór het gezicht, want twee
11607
taartjes, die uit de vrouwengroep kwamen, vlogen het een op zijn
11608
oog, het andere op zijne kaak. De meidekens schaterden van lachen en
11609
Uilenspiegel sprak:
11610
 
11611
--Wel bedankt, lieve meidekens, die mij roomkusjes zendt!
11612
 
11613
Maar de taartjes waren ten gronde gevallen.
11614
 
11615
Plotseling roffelden de trommels, bliezen de pijpen en zetten de
11616
soldaten zich weder op marsch.
11617
 
11618
Messire van Beauvoir beval Uilenspiegel van den boom te komen en
11619
nevens de soldaten te stappen. Doch Uilenspiegel had honderd uren
11620
van dáár willen zijn, want uit de woorden van eenige soldaten maakte
11621
hij op, dat hij verdacht voorkwam en dat zij hem wel voor een spion
11622
konden nemen; dan zouden zij hem aftasten, en dit was zeker de galge,
11623
als ze zijne brieven ontdekten.
11624
 
11625
Hij liet zich dus in eene greppel vallen en riep:
11626
 
11627
--Medelijden, heeren soldaten, mijn been is gebroken, ik kan niet
11628
meer gaan; laat mij meerijden in den wagen der vrouwen.
11629
 
11630
Maar hij wist, dat de hoerwijfel het niet zou gedoogen.
11631
 
11632
Van uit haren wagen riepen de vrouwen:
11633
 
11634
--Ja, kom, schoone pelgrim, kom bij ons. Wij zullen u minnen, u
11635
streelen, u kussen, en gij zult genezen zijn.
11636
 
11637
--Ik weet het, sprak hij, vrouwenhanden zijn hemelsche balsem voor
11638
alle wonden.
11639
 
11640
Maar de jaloersche hoerwijfel sprak tot messire van Lamotte:
11641
 
11642
--Messire, ik geloof dat die pelgrim den spot bij ons drijft, en
11643
dat zijn been maar alleen gebroken is, om bij de vrouwen mede te
11644
rijden. Beveel, dat men hem op den weg late liggen.
11645
 
11646
--Zoo zal geschieden, sprak messire van Lamotte.
11647
 
11648
En men liet Uilenspiegel liggen.
11649
 
11650
Eenige soldaten, die meenden dat zijn been waarlijk gebroken was,
11651
hadden spijt dat men een christenmensch zoo maar liet liggen, want ze
11652
vonden dat hij een lustige kwant was. Zij gaven hem vleesch en wijn
11653
voor twee dagen. De meidekens hadden hem geerne geholpen, doch wijl zij
11654
niet mochten, smeten zij hem de krakelingen toe, die zij nog hadden.
11655
 
11656
Als de troep verre was, koos Uilenspiegel het hazenpad. Hij kocht
11657
een peerd en rende vlug als de wind, over wegen en paden, naar
11658
's-Hertogenbosch.
11659
 
11660
Bij de tijding van de komst der heeren Beauvoir en Lamotte, grepen
11661
die van de stad, ten getale van achthonderd, naar de wapenen; zij
11662
kozen aanvoerders en zonden Uilenspiegel, in kooldrager gekleed,
11663
naar Antwerpen om hulp te vragen aan den machtigen Brederode.
11664
 
11665
En de soldaten der heeren Lamotte en Beauvoir konden niet binnen in
11666
's-Hertogenbosch, de wakkere stede, die zich dapper verweerde.
11667
 
11668
 
11669
 
11670
 
11671
XIX.
11672
 
11673
De volgende maand gaf zekere doctor Agileus twee gulden aan
11674
Uilenspiegel en brieven voor Simon Praet, die hem zou zeggen wat hij
11675
te doen had.
11676
 
11677
Uilenspiegel kreeg bij Praet eten en slapen. Zijn slaap was goed,
11678
zoo goed als zijn tronie; Praet, daarentegen, was schraal en droevig,
11679
altoos in naargeestige gedachten verslonden. En Uilenspiegel was
11680
verwonderd dat hij, als hij 's nachts bij toeval wakker werd, hoorde
11681
kloppen met een hamer.
11682
 
11683
En hij mocht nog zoo vroeg opstaan, Simon Praet was altijd vóór hem
11684
op, en droever was zijn gelaat, en somberder zijne blikken, als iemand
11685
die bereid is tot sterven of strijden.
11686
 
11687
Somtijds, bij een zucht, vouwde Praet de handen biddend te zamen en
11688
scheen hij vol verontweerdiging. Zijne vingeren, alsook zijn hemd en
11689
zijn armen, waren vettig en zwart.
11690
 
11691
Uilenspiegel wilde weten van waar de hamerslagen, de zwarte armen en
11692
Praet's neerslachtigheid kwamen. Op een avond, dat hij in de taveerne
11693
de Blauwe Gans was gebleven, in gezelschap van Simon, die er zijns
11694
ondanks gegaan was, gebaarde hij zoo dronken te zijn en zoo'n zeer
11695
in het hoofd te hebben, dat hij zich onverwijld te bedde moest leggen.
11696
 
11697
En Praet bracht hem neerslachtig naar huis.
11698
 
11699
Uilenspiegel sliep op den zolder, bij de katten; het bed van Simon
11700
was beneden, dicht bij den kelder.
11701
 
11702
Uilenspiegel die dronkenschap bleef voorwenden, klom waggelend de trap
11703
op, en gebaarde schier te vallen, als hij naar de koord greep. Simon
11704
kwam hem ter hulp als een broeder, met teedere zorgen. Hij hielp hem
11705
in zijn bed; hij had medelijden met hem en bad God, dat Hij hem zijne
11706
dronkenschap zou vergeven. Dan ging hij naar beneden en weldra hoorde
11707
Uilenspiegel hetzelfde geklop, dat hem zoo dikwijls gewekt had.
11708
 
11709
Zonder gerucht stond hij op en daalde op bloote voeten de smalle
11710
treden af; als hij er twee en zeventig geteld had, stond hij vóór
11711
een kleine deur die op een kier stond, waardoor een licht flikkerde.
11712
 
11713
Simon drukte vliegende blaadjes met oude letteren uit den tijd van
11714
Laurens Coster, den uitvinder van de edele drukkunst.
11715
 
11716
--Wat doet gij daar? vroeg Uilenspiegel.
11717
 
11718
Verschrikt gaf Simon hem tot antwoord:
11719
 
11720
--Klaag mij aan, zoo gij van den duivel zijt: ik zal sterven; maar
11721
zijt gij van God, dat uw mond het gevang uwer tong zij.
11722
 
11723
--Ik ben van God, antwoordde Uilenspiegel, en wil u geenerlei
11724
kwaad. Maar wat doet gij daar?
11725
 
11726
--Ik prent bijbels, antwoordde Simon. Want als ik, om vrouw en kinderen
11727
te spijzen, 's daags de booze en wreede edicten Zijner Majesteit
11728
drukken moet, 's nachts ben ik de zaaier van 't echte woord Gods en
11729
herstel ik het kwaad, dat ik bedrijf in den dag.
11730
 
11731
--Gij zijt braaf en moedig, sprak Uilenspiegel.
11732
 
11733
--Ik heb het geloove, antwoordde Simon.
11734
 
11735
Inderdaad, uit die heilige drukkerij was het, dat de Vlaamsche bijbels
11736
kwamen, die verspreid werden in Brabant, in Vlaanderen, in Holland,
11737
in Zeeland, Utrecht, Noord-Brabant, Overijsel, Gelderland, tot den
11738
dag, waarop Simon veroordeeld werd tot het schavot en aan Christus
11739
en de gerechtigheid zijn leven offerde.
11740
 
11741
 
11742
 
11743
 
11744
XX.
11745
 
11746
Eens vroeg Simon aan Uilenspiegel:
11747
 
11748
--Hebt gij moed, broeder?
11749
 
11750
--Ik heb er genoeg, antwoordde Uilenspiegel, om eenen Spanjaard te
11751
geeselen totdat de dood er op volge, om eenen moordenaar te dooden,
11752
eenen beul onschadelijk te maken.
11753
 
11754
--Zoudt gij, vroeg de drukker, geduld genoeg hebben om in eenen
11755
schoorsteen te blijven, ten einde te luisteren wat in eene kamer
11756
gezegd wordt?
11757
 
11758
Uilenspiegel antwoordde:
11759
 
11760
--Wijl ik door de gratie Gods stevige lenden en fiksche beenen bezit,
11761
kan ik, als de katten, blijven staan waar ik ben.
11762
 
11763
--Hebt gij geduld en een goed geheugen? vroeg Simon.
11764
 
11765
--De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.
11766
 
11767
--Nu, luister, sprak de drukker, neem deze aldus gevouwen speelkaart
11768
en ga naar Dendermonde; daar zult gij tweemaal hard en eenmaal
11769
zachtjes kloppen aan de deur van het huis, waarvan de gevel hierop is
11770
geteekend. Iemand zal opendoen en u vragen of gij de schouwveger zijt;
11771
gij zult antwoorden dat gij mager zijt en de kaart niet verloren
11772
hebt. En gij zult ze hem toonen. Dan, Thijl, moet gij doen wat er
11773
hoeft. Groote rampen zweven over Vlaanderenland. Men zal u eene schouw
11774
toonen, gereedgemaakt en geveegd; daar zullen krammen voor uwe voeten
11775
zijn en, om te zitten, een berd, dat stevig vastgemaakt is. Als hij,
11776
die u binnen liet, u zegt in de schouw te kruipen, zult gij het
11777
doen, en gij zult daar stil wachten. Adellijke heeren zullen daar
11778
bijeenkomen, in de kamer vóór de schouw, waarin gij zijn zult. Het
11779
zijn Willem de Zwijger, de prins van Oranje, de graven van Egmond,
11780
van Hoorne, van Hoogstraten en Lodewijk van Nassau, de dappere broeder
11781
des Zwijgers. Wij, hervormden, willen weten wat die heeren willen en
11782
kunnen voor de redding onzer landen.
11783
 
11784
Nu, den eersten April, deed Uilenspiegel zooals hem gezegd was. Hij
11785
was tevreden, dat er geen vuur in den heerd brandde en zei tot zich
11786
zelven: hoe minder rook hoe scherper het gehoor.
11787
 
11788
Weldra werd de deur van de kamer geopend, en een tocht trok door
11789
de schouw. Geduldig verdroeg hij den wind, zeggende: hij zal mijn
11790
aandacht aanwakkeren.
11791
 
11792
Vervolgens hoorde hij de heeren van Oranje, van Egmond en de
11793
anderen de kamer binnentreden. Zij spraken over hunne vreeze,
11794
over de gramschap des konings en over het slecht beheer van 's
11795
lands zaken en penningen. Een hunner sprak op bitsen, hoogmoedigen,
11796
helderen toon. Het was Egmond. Uilenspiegel herkende hem, lijk hij ook
11797
Hoogstraten herkende aan zijn heesche stem. Hoorne aan zijn harde stem;
11798
graaf Lodewijk van Nassau aan zijn mannelijke, krijgshaftige taal, en
11799
den Zwijger aan de langzame wijze waarop hij zijne woorden uitsprak,
11800
alsof hij elk hunner vooraf wilde wegen.
11801
 
11802
Graaf van Egmond vroeg waarom men hen een tweede reize bijeenriep,
11803
terwijl zij te Hellegat hadden kunnen beslissen wat er te doen stond.
11804
 
11805
Hoorne antwoordde:
11806
 
11807
--De uren loopen snel voorbij, de koning is vertoornd; wij mogen
11808
niet talmen.
11809
 
11810
Toen sprak de Zwijger:
11811
 
11812
--De landen verkeeren in gevaar; wij moeten ze verdedigen tegen de
11813
aanvallen van de uitheemsche soldaten.
11814
 
11815
Egmond antwoordde driftig, dat hij het zonderling vond, dat de koning
11816
een leger meende te moeten zenden, daar alles in vrede was door de
11817
zorgen der heeren en voornamelijk door de zijne.
11818
 
11819
Maar de Zwijger sprak:
11820
 
11821
--Philippus heeft in de Nederlanden veertien benden, die zijne bevelen
11822
moeten uitvoeren, waarvan al de soldaten dengene verkleefd zijn,
11823
die hen aanvoerde te Gravelingen en te Saint-Quentin.
11824
 
11825
--Ik begrijp niet, sprak Egmond.
11826
 
11827
De prins hervatte:
11828
 
11829
--Ik wil er niets bijvoegen, maar aan u en de andere vergaderde heeren
11830
zal lezing gegeven worden van zekere brieven, met die van den armen
11831
gevangene Montigny te beginnen.
11832
 
11833
In zijne brieven, schreef messire van Montigny:
11834
 
11835
"De koning is uitermate vergramd over hetgeen in de Nederlanden gebeurd
11836
is, en op tijd en stond zal hij de daders der woelingen straffen".
11837
 
11838
Daarop zei Egmond, dat het koud was en dat men diende een houtvuur
11839
aan te steken. Zoo werd gedaan, terwijl de beide heeren spraken over
11840
de brieven.
11841
 
11842
Het vuur trok niet, om reden van den al te grooten takkebos in de
11843
schouw, en de kamer was vol rook.
11844
 
11845
Hoestend las toen de graaf van Hoogstraten de onderschepte brieven,
11846
door den Spaanschen gezant te Parijs, don Francès d'Alava, aan de
11847
landvoogdes geschreven.
11848
 
11849
--De gezant, sprak hij, schrijft dat al het kwaad, dat den Nederlanden
11850
overkomt, te wijten is aan de heeren van Oranje, van Egmond en van
11851
Hoorne. Gij moet, schreef hij, u van de vriendelijkste zijde aan hen
11852
toonen en hun zeggen dat de koning erkentelijk is voor hunne trouw. Wat
11853
betreft Montigny en Bergen: Zij blijven waar zij behooren te zijn.
11854
 
11855
--Ha! dacht Uilenspiegel, ik zit nog liever in een rookende schouw
11856
in Vlaanderenland, dan in een goed verlucht gevang in Spanje; want
11857
daar verrijzen schavotten tusschen de vochtige muren.
11858
 
11859
De gezant van Spanje voegde er bij dat de koning in Madrid gezegd had:
11860
 
11861
--Door al hetgeen in de Nederlanden voorgevallen is, is ons koninklijk
11862
gezag verminderd, de dienst van God verlaagd, en wij zullen liever
11863
het bezit van al onze andere landen in de weegschaal leggen, dan
11864
dit oproer ongestraft te laten. Wij zijn besloten in eigen persoon
11865
naar de Nederlanden te gaan en de hulp des pausen en des keizers te
11866
vorderen. Het kwaad van heden moet het goede van morgen baren. Wij
11867
zullen de Nederlanden onder onze algeheele gehoorzaamheid brengen en,
11868
naar ons believen, staat, godsdienst en regeering wijzigen.
11869
 
11870
--Ha! koning Philippus, dacht Uilenspiegel, kon ik u naar mijn believen
11871
wijzigen, zeker zoudt gij, onder mijn Vlaamschen stok, een merkelijke
11872
wijziging ondergaan aan uwe dijen, armen en beenen; ik zou uwen kop
11873
met twee nagelen in het midden van uwen rug vastmaken, opdat gij
11874
aldus de kerkhoven kondt zien, die gij achter u laat, en naar eigen
11875
believen uw liedeken van gewelddadige wijziging zoudt kunnen zingen.
11876
 
11877
Er werd wijn opgediend. Hoogstraten stond recht en sprak:--Ik drink
11878
op onze landen! Allen deden als hij; toen voegde hij er bij, terwijl
11879
hij zijn ledigen beker nederzette:--De rampspoed is gekomen voor den
11880
Belgischen adel. Wij moeten middelen beramen tot onze verdediging.
11881
 
11882
Hij wachtte een antwoord en zag naar Egmond, die zweeg.
11883
 
11884
Maar de Zwijger zei:
11885
 
11886
--Wij zullen weerstaan, als Egmond, die Frankrijk tweemaal beven deed
11887
te Saint-Quentin en te Gravelingen, die alle gezag over de Vlaamsche
11888
soldaten bezit, ons helpen wil om den Spanjaard te beletten in onze
11889
landen te komen.
11890
 
11891
Messire van Egmond antwoordde:
11892
 
11893
--Ik heb een al te eerbiedigen dunk van den koning om te meenen dat
11894
wij ons, als rebellen, tegen hem moeten wapenen. Dat zij, die zijnen
11895
toorn duchten, deze landen verlaten. Ik zal blijven, zonder zijne
11896
hulp kan ik niet leven.
11897
 
11898
--Philippus zal zich wreedelijk wreken, sprak de Zwijger.
11899
 
11900
--Ik heb vertrouwen, antwoordde Egmond.
11901
 
11902
--Ook voor uw hoofd? vroeg Lodewijk van Nassau.
11903
 
11904
--Mijn hoofd, mijn lijf, mijne toewijding, sprak Egmond, alles is zijn.
11905
 
11906
--Ik, een getrouw onderdaan, doe als gij, sprak Hoorne.
11907
 
11908
De Zwijger sprak:
11909
 
11910
--Men moet voorzien en niet wachten.
11911
 
11912
Toen antwoordde messire van Egmond met drift:
11913
 
11914
--Te Geeraardsbergen deed ik twee en twintig hervormden hangen. Als
11915
de preeken ophouden, als de beeldenstormers gestraft worden, zal de
11916
woede des konings zich stillen.
11917
 
11918
De Zwijger antwoordde:
11919
 
11920
--IJdele hoop.
11921
 
11922
--Wapenen wij ons met vertrouwen, sprak Egmond.
11923
 
11924
--Wapenen wij ons met vertrouwen, sprak Hoorne.
11925
 
11926
--'t Is met ijzer, en geenszins met vertrouwen, dat wij ons moeten
11927
wapenen, hervatte Hoogstraten.
11928
 
11929
Daarop deed de Zwijger teeken, dat hij wilde vertrekken.
11930
 
11931
--Vaarwel, prins zonder land, zegde Egmond.
11932
 
11933
--Vaarwel, graaf zonder hoofd, antwoordde de Zwijger.
11934
 
11935
Toen zegde Lodewijk van Nassau:
11936
 
11937
--De slachter is voor het schaap, en de roem voor den moedigen
11938
strijder, die den grond der vaderen redt.
11939
 
11940
--Ik mag, noch ik wil, sprak Egmond.
11941
 
11942
--Het bloed van de slachtoffers valle op het hoofd van den hoveling,
11943
sprak Uilenspiegel.
11944
 
11945
De heeren verlieten de kamer.
11946
 
11947
Toen kwam Uilenspiegel uit zijne schuilplaats; hij ging rechtstreeks
11948
bij Praet en vertelde hem wat hij gehoord had.
11949
 
11950
--Egmond is verrader; God is met den prins, zegde Praet.
11951
 
11952
De hertog! de hertog te Brussel! Waar zijn de geldkisten, die
11953
vleugelen hebben?
11954
 
11955
 
11956
 
11957
 
11958
 
11959
 
11960
 
11961
DERDE BOEK.
11962
 
11963
 
11964
I.
11965
 
11966
De Zwijger gaat henen, God leide hem!
11967
 
11968
De twee graven zijn reeds gevangen; Alva belooft aan den Zwijger
11969
goedertierenheid en vergiffenis, zoo hij vóór hem wil verschijnen.
11970
 
11971
Op die tijding sprak Uilenspiegel tot Lamme:
11972
 
11973
--Op aanzoek van Dubois, procureur-generaal, heeft de hertog gedagvaard
11974
binnen driemaal veertien dagen vóór hem te verschijnen: den prins
11975
van Oranje, Lodewijk zijn broeder, Hoogstraten, van den Berg,
11976
Kuilenburg, Brederode en andere vrienden des prinsen, onder belofte
11977
van goede justitie en goedertierenheid. Luister, Lamme: Eens daagde
11978
een Amsterdamsche jood een zijner vijanden uit, op straat te komen;
11979
de uitdager stond op den openbaren weg en de andere was boven aan
11980
een venster.
11981
 
11982
--Kom beneden, riep de uitdager zijn vijand toe, en ik geef u zulken
11983
slag op uwen kop, dat hij in uwe borstkas zal zinken en gij door uwe
11984
ribben zult kijken, lijk een dief door de traliën van zijnen kerker.
11985
 
11986
De andere antwoordde:--"Al beloofdet gij mij honderdmaal meer, nog
11987
kwam ik niet beneden". Zoo kunnen Oranje en de anderen antwoorden. En
11988
zoo deden zij ook, en zij weigerden vóór Alva te verschijnen. Egmond
11989
en Hoorne deden niet als zij. En zwakheid bij het vervullen van den
11990
plicht roept het uur van God.
11991
 
11992
 
11993
 
11994
 
11995
II.
11996
 
11997
Te dien tijde werden te Brussel, op de Peerdenmarkt de heeren onthalsd,
11998
die zich door verrassing hadden willen meester maken van Amsterdam.
11999
 
12000
En toen zij, geachttienen, naar de strafplaats gingen en psalmen
12001
zongen, roffelden tamboerijnen den heelen weg langs.
12002
 
12003
En de Spaansche soldaten, die hen begeleidden met brandende toortsen,
12004
brachten hun overal brandwonden toe. En als zij zich verroerden,
12005
ter oorzake van de pijne, riepen de soldaten:--Hoe, Lutheranen,
12006
doet het u dan zeer, zoo vroegtijdig te worden verbrand?
12007
 
12008
En hij, die hen verraden had, hiet Diederik Slosse. Hij had hen naar
12009
het nog katholieke Enkhuizen gelokt, om ze den beulsknechten van den
12010
hertog over te leveren.
12011
 
12012
En zij stierven als helden.
12013
 
12014
En de koning erfde.
12015
 
12016
 
12017
 
12018
 
12019
III.
12020
 
12021
--Hebt gij hem zien voorbijgaan? vroeg Uilenspiegel, in houtkapper
12022
gekleed, tot Lamme, die op dezelfde wijze uitgedost was. Hebt gij
12023
den leelijken hertog gezien, met zijn plat voorhoofd als dat van een
12024
arend, en zijn langen baard, die gelijkt op een eind galgekoord? God
12025
verworge er hem mede! Hebt gij die spinnekop met haar lange harige
12026
pooten gezien, die Satan over onze landen braakte? Kom, Lamme, kom;
12027
laat ons steenen smijten in haar net.
12028
 
12029
--Laas! sprak Lamme, om levend verbrand te worden!
12030
 
12031
--Kom naar Groenendaal, mijn beste vriend, kom naar Groenendaal; daar
12032
is een schoon klooster, waar de Hertogelijke Spin den God van vrede
12033
bidt, dat Hij heur werk zou laten volvoeren, dat Hij haar als eene raaf
12034
in rot vleesch late wroeten. Wij zijn in de vasten, maar de hertog
12035
wil zich niet onthouden van bloed. Kom, Lamme, er zijn vijfhonderd
12036
gewapende mannen rond het huis van Ohain; driehonderd man te voet
12037
zijn bij kleine groepen vertrokken en dringen in het Zoniënbosch.
12038
 
12039
Straks, als Alva aan 't bidden is, grijpen wij hem vast, wij steken
12040
hem in een ijzeren kooi en zenden 't ondier aan den prins.
12041
 
12042
Doch rillend van angst, antwoordde Lamme:
12043
 
12044
--Groot gevaar, mijn zoon, groot gevaar! Ik zou u helpen in die
12045
onderneming, als mijne beenen zoo zwak niet waren, en mijn buik niet
12046
zoo opgezwollen van het zuur bier, dat zij drinken in Brussel.
12047
 
12048
Dit gesprek werd gehouden in een hol, gegraven in een dicht bewassen
12049
plaats van het bosch. Door de bladeren turend, zag Uilenspiegel
12050
eensklaps de gele en roode kleederen van de soldeniers des hertogen,
12051
wier wapenen flikkerden in de zonne en die te voet door het bosch
12052
kwamen.
12053
 
12054
--Wij zijn verraden, sprak Uilenspiegel.
12055
 
12056
Als de soldaten uit het gezicht waren, liep hij ijlings naar Ohain. De
12057
soldaten lieten hem ongemerkt door, ter oorzake van zijne kleeding
12058
van houtkapper en den last hout, dien hij op den rug droeg. Daar
12059
wachtten de ruiters; hij verspreidde het nieuws; allen gingen uiteen en
12060
ontsnapten, behalve de heer Bausart d'Armentières, die gevat werd. De
12061
heer Bausart moest het voor de anderen wreedelijk bekoopen.
12062
 
12063
En 't was een lafhertige verrader uit het regiment van den heer van
12064
Likes, die hen allen had aangeklaagd.
12065
 
12066
Met een hert, dat klopte van angst, ging Uilenspiegel te Brussel naar
12067
de Peerdenmarkt, den ijselijken folterdood bijwonen.
12068
 
12069
En de arme Armentières, op het rad gelegd, kreeg zeven en dertig
12070
slagen met een ijzeren staaf op de beenen, de armen, de handen en
12071
voeten, die achter elkander aan stukken werden geslagen, want de
12072
beulen vermaakten zich met hem wreed te doen lijden.
12073
 
12074
En op de borst kreeg hij den zeven en dertigsten klop, van denwelken
12075
hij stierf.
12076
 
12077
 
12078
 
12079
 
12080
IV.
12081
 
12082
Op een zoelen en helderen dag van de Zomermaand werd te Brussel, op
12083
de Groote Markt, vóór het Broodhuis, een schavot opgericht, dat met
12084
zwart laken behangen was en nevens hetwelk twee hooge palen stonden,
12085
met ijzeren pinnen. Op het schavot waren twee zwarte kussens en een
12086
kleine tafel, met een zilveren kruisbeeld.
12087
 
12088
En op dat schavot werden, met het zweerd, de edele heeren van Egmond
12089
en van Hoorne onthalsd.
12090
 
12091
En de koning erfde.
12092
 
12093
En de gezant van koning Frans I, over Egmond sprekend, zeide:
12094
 
12095
--Ik heb daar het hoofd zien vallen van hem, die Frankrijk tweemaal
12096
deed beven.
12097
 
12098
En de hoofden der graven werden op de ijzeren pinnen gestoken.
12099
 
12100
En Uilenspiegel sprak tot Lamme:
12101
 
12102
--De lijken en het bloed zijn met zwart laken bedekt. Gezegend zij,
12103
die in de zwarte dagen, welke op handen zijn, het hert hoog en het
12104
zweerd recht zullen houden.
12105
 
12106
 
12107
 
12108
 
12109
V.
12110
 
12111
In dien tijd bracht de Zwijger een leger bijeen, en deed hij de
12112
Nederlanden langs drie kanten tegelijk aanvallen.
12113
 
12114
En Uilenspiegel zeide in eene vergadering van Wilde Geuzen van
12115
Marenhout:
12116
 
12117
--Op advies van die der inquisitie heeft koning Philippus een iegelijk
12118
inwoner der Nederlanden plichtig verklaard aan majesteitsschennis,
12119
zoowel om de ketterije aangehangen, als om haar niet bestreden te
12120
hebben. En uit hoofde dier afschuwelijke misdaden veroordeelt hij
12121
allen, zonder onderscheid van kunne of ouderdom, met uitzondering
12122
van hen, die met name genoemd zijn, tot de straffen voor dergelijke
12123
gruweldaden bepaald; en dit zonder de minste hoop op genade. En de
12124
koning erft. De dood maait in de rijke streek tusschen de Noordzee,
12125
het graafschap Emden, de rivier Amisia, de landen van Westfalen,
12126
van Kleef, van Gulik en van Luik, de bisdommen Keulen en Trier,
12127
het land van Lotharingen en Frankrijk. De dood maait in een land van
12128
driehonderd veertig uren omtrek, binnen tweehonderd ommuurde steden,
12129
in honderd vijftig dorpen die stadsrecht bezitten, in vlekken en
12130
velden. En de koning erft.
12131
 
12132
Elfduizend beulen zijn niet te veel om dat werk te verrichten,--Alva
12133
heet hen soldaten. En de bodem der vaderen is eene slachtbank geworden,
12134
gevlucht door de kunsten, verlaten door de getrouwen, geschuwd door al
12135
de ambachtslieden, die liever den vreemde gaan verrijken, alwaar men
12136
hun den God van het vrije geweten laat aanbidden. Dood en ondergang
12137
maaien. De koning erft.
12138
 
12139
De landen hadden hunne privileges bekomen met macht van
12140
geld, gegeven aan behoeftige vorsten; die privileges worden
12141
verbeurdverklaard. Volgens de verdragen, gesloten tusschen de landen
12142
en de vorsten, hadden zij gehoopt te genieten van de rijke vrucht
12143
van hun arbeid. Zij bedriegen zich: de metser bouwt voor den brand;
12144
de ambachtsman werkt voor den dief. De koning erft.
12145
 
12146
Bloed en tranen! De dood maait op de brandstapels, op de boomen,
12147
die langsheen de groote wegen tot galgen dienen, in de gapende
12148
kuilen, in dewelke de arme meidekens levend worden geworpen, in de
12149
kerkers der gevangenissen, in de kransen van brandende takkebossen,
12150
te midden waarvan de slachtofferen met zacht vuur verbranden, in de
12151
gloeiende stroohutten, waarin de veroordeelden sterven door rook en
12152
door vuur. De koning erft.
12153
 
12154
Aldus wilde de Paus van Rome.
12155
 
12156
De steden zijn vol spionnen, die loeren op hun deel van de erfenis
12157
der slachtofferen. Hoe rijker, hoe schuldiger. De koning erft.
12158
 
12159
Maar de wakkere mannen van den lande zullen zich niet laten kelen
12160
als lammeren. Onder de vluchtelingen, zijn gewapende mannen, die
12161
zich in de bosschen verschuilen. De monniken hadden ze verklikt,
12162
opdat men hun lijf en goed zou ontnemen. 's Nachts en ook 's daags
12163
werpen zij zich dan ook bij benden, als wilde dieren, op de kloosters;
12164
zij nemen er het geld terug, dat aan het arme volk ontroofd werd
12165
onder de gedaante van gouden en zilveren kandeleers, fierters of
12166
reliquieënkastjes, kostbare ciboriën, patenen en heilige vaten. Niet
12167
waar, goede lieden? Zij drinken den wijn, dien de monniken voor zich
12168
zelven bewaarden. De gesmolten of verkochte vaten zullen dienen tot
12169
den heiligen oorlog. Vive le geus!
12170
 
12171
Zij bestoken, dooden, plunderen de soldaten des Konings en vluchten
12172
vervolgens naar hunne holen. Dag en nacht ziet men in de bosschen
12173
vuren aansteken en uitdooven, en gedurig van plaats veranderen. 't
12174
Is het vuur onzer festijnen. Aan ons de eenden en hazen! Wij
12175
zijn de heeren! De boeren geven ons brood en spek, zooveel als wij
12176
willen. Bezie ze, Lamme. Schuw, armoedig, vastberaden en zonder genade,
12177
zwerven zij door de bosschen met hunne aksten, hellebaarden, zweerden,
12178
kruismessen, pijken, lansen, kruisbogen, bussen, want alle wapens
12179
zijn goed, en onder vendrigs willen zij niet staan. Vive le geus!
12180
 
12181
En Uilenspiegel zong:
12182
 
12183
 
12184
    Slaat op den trommel van dirre dom deijne,
12185
    Slaat op den trommel van dirre dom dom.
12186
    Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!
12187
 
12188
    Rukt den hertog Zijn ingewand uit!
12189
    Klopt met de zweep in Zijn aanzicht!
12190
    Slaat op den trommel, de holle trom,
12191
    Vloek zij den hertog, dood den beul!
12192
 
12193
    Werpt den honden den bloedhond voor! Leve de Geus!
12194
    Hangt hem bij de tong op, bij den arm op,
12195
    Bij de tong, die het vonnis velt,
12196
    Bij den arm, die 't onderschrijft.
12197
    Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!
12198
 
12199
    Levend bij lijken van slachtoffers!
12200
    Delft den hertog in een kuil,
12201
    Dat hij, in goren stank,
12202
    Sterve om de pest der dooden!
12203
    Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!
12204
 
12205
    Aanschouw uit den hoogen, Christus, uw scharen,
12206
    Dapper vóór 't vuur, vóór strik en zweerd,
12207
      Al om Uw woord.
12208
    Redden willen wij 't vaderland.
12209
    Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!
12210
 
12211
 
12212
En allen dronken en riepen:
12213
 
12214
--Leve de Geus!
12215
 
12216
En Uilenspiegel dronk uit den gouden beker eens monniks en keek met
12217
fierheid naar de krijgshaftige gezichten der Wilde Geuzen.
12218
 
12219
--Wilde geuzen, sprak hij, gij zijt wolven, leeuwen en
12220
tijgers. Verslindt de honden van den bloedigen koning.
12221
 
12222
--Leve de Geus! riepen zij, en zij zongen:
12223
 
12224
 
12225
    Slaat op den trommel van dirre dom deijne,
12226
    Slaat op den trommel van dire dom dom.
12227
    Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!
12228
 
12229
 
12230
 
12231
 
12232
VI.
12233
 
12234
Terwijl Uilenspiegel te Ieperen was en soldaten voor het leger
12235
van den Zwijger aanwierf, werd hij gezocht door de serjanten des
12236
hertogen. Dienvolgens bood hij zich aan als koster bij den proost van
12237
St.-Maartens-kerk. Voor gezel had hij een klokluider, Pompilius Numan,
12238
een lafaard die zijn gelijke niet had, en 's nachts zijn schaduw voor
12239
den duivel en zijn hemd voor een spook nam.
12240
 
12241
De proost was vet als een sleksken, of liever, als een kalkoen,
12242
vetgemest en pas voor het braadspit. Weldra werd Uilenspiegel gewaar,
12243
hoe hij het aan boord legde om zoo vollijvig te wezen. Naarvolgens
12244
hij hoorde zeggen door den klokluider en met eigen oogen zag, was de
12245
proost gewoon te negen uren het noenmaal en te vier uren het avondmaal
12246
te nemen. Hij bleef slapen tot halfnegen; vervolgens, alvorens te eten,
12247
deed hij een ronde in zijne kerk, om te zien of de offerblokken voor
12248
den arme goed gevuld waren.
12249
 
12250
En hij stak de helft der ontvangst in zijn tassche. Te negen uren
12251
nuttigde hij een kom melk, een halven bout, een reigerspasteitje,
12252
besproeid met vijf bekers Brusselschen wijn. Te tien uren nam hij
12253
eenige pruimen met daarbij wat Orlans-wijn, en bad hij God dat Hij
12254
hem steeds voor gulzigheid zou behoeden. 's Middags knabbelde hij
12255
als tijdverdrijf eenen vleugel en de stuit van een kieken. Een uur
12256
daarna dronk hij, in afwachting van 't avondmaal, een grooten beker
12257
Spaanschen wijn; vervolgens legde hij zich te bed, om zich door een
12258
middagslaapje te verkwikken.
12259
 
12260
Wakker geworden, at hij een stuksken zalm en dronk hij een
12261
grooten beker Antwerpschen dobbelen knol, om zijn eetlust te
12262
scherpen. Vervolgens ging hij naar de keuken, en daar zette hij zich
12263
neer voor het schoon houtvuur, dat in den heerd flikkerde. Hij zag
12264
het groot stuk kalfsvleesch of het speenverkentje voor de monniken
12265
der abdij braden en bruineeren. Hij had er in gebeten, zoo lekker
12266
scheen het. Maar de eetlust ontbrak hem een weinig. En hij bewonderde
12267
het braadspit, dat van zelf ronddraaide. Het was werk van Pieter van
12268
Steenkiste, den smid, wonende in de kasselrij Kortrijk. De proost
12269
had elk dier braadspitten met vijftien pond parisis betaald.
12270
 
12271
Vervolgens keerde hij terug naar zijn bed, alwaar hij insluimerde, uit
12272
vermoeienis. Daarna werd hij weder wakker om een weinig verkensgelei
12273
te nemen met een slokje Romagne-wijn van tweehonderd veertig gulden
12274
het stuk. Te drie uren peuzelde hij een vogelken met Madeirasuiker,
12275
besproeid met twee glaasjes Malvezij van zeventien gulden het
12276
pijpje. Te half vier at hij een halven pot confituur, begoten met
12277
mede. Goed wakker, nam hij toen een zijner voeten in de handen en
12278
bleef hij in diepe overweging zitten rusten.
12279
 
12280
Als de tijd van 't avondmaal dáár was, kwam de pastoor van Sint Jans
12281
hem dikwijls bezoeken op dit genoeglijk uur. Soms wedden zij om 't
12282
meeste visch, gevogelte, wild of vleesch te eten. En die 't eerste
12283
vol was, moest karbonaden betalen, die volgens den toen heerschenden
12284
smaak moesten bereid zijn met drie soorten warmen wijn, vier soorten
12285
specerijen en zeven soorten groenten.
12286
 
12287
Terwijl zij dus dronken en aten, spraken zij samen over de ketteren,
12288
die men, naar hun eenstemmig gevoelen, niet genoeg uitroeien kon. Ook
12289
was er onder hen nooit eenig krakeel, behalve als zij spraken over
12290
de negen en dertig verschillende wijzen om goede bierpap te maken.
12291
 
12292
Vervolgens neigden hunne eerbiedige hoofden over hunne heilige buiken,
12293
en zij deden een dutje. Soms half wakker schietend, zeide een hunner
12294
dat het leven toch schoon is en dat de arme sukkelaars, die klagen,
12295
ongelijk hebben.
12296
 
12297
Bij dien heiligen man werd Uilenspiegel koster. Hij diende zeer goed
12298
de misse, en vulde wel driemaal de wijnkannetjes, tweemaal voor zich
12299
zelven en eenmaal voor den proost. De klokluider Pompilius Numan stak
12300
hem hierbij een handeken toe.
12301
 
12302
Als Uilenspiegel den klokluider zoo gezond, zoo dik en zoo vet zag,
12303
vroeg hij hem of het in den dienst van den proost was, dat hij al
12304
die gezondheid opgedaan had.
12305
 
12306
--Ja, mijn zoon, antwoordde Pompilius; maar doe goed de deur toe,
12307
want men zou kunnen luisteren.
12308
 
12309
Toen zegde hij hem stille in 't oor:
12310
 
12311
--Gij weet dat onze meester, de proost, van alle wijnen en bieren,
12312
alle vleezen en pluimdieren houdt als de kat van de melk. Zijne
12313
eetwaren sluit hij op in eene schapraai en zijne dranken in eenen
12314
kelder, waarvan de sleutels gedurig in zijne tassche steken. En hij
12315
slaapt er mee.... 's Nachts, als hij slaapt, ga ik de sleutels van
12316
op zijnen buik nemen, en ik leg ze dan weder, doch niet zonder beven;
12317
want als hij het wist, zou hij mij zeker in de olie doen koken.
12318
 
12319
--Pompilius, sprak Uilenspiegel, al die moeite en schrik zijn onnoodig:
12320
neem de sleutels nog eenmaal; ik zal er van maken hetzelfde model en
12321
de andere zullen wij gerust laten liggen op den buik van den goeden
12322
proost, onzen heer.
12323
 
12324
--Dat is een goed gedacht, zeide Pompilius.
12325
 
12326
Uilenspiegel maakte de sleutels; zoodra hij en Pompilius, rond
12327
acht uren des avonds, oordeelden dat de goede proost vast in slaap
12328
was, gingen zij beneden en namen zij hunne gading uit vleezen en
12329
flesschen. Uilenspiegel droeg de flesschen en Pompilius de spijzen,
12330
omdat Pompilius altoos beefde als een riet en dat hespen en bouten
12331
toch niet breken als zij vallen. Verscheidene reizen stalen zij
12332
gevogelte, als het nog rauw was, welke feiten ten laste gelegd werden
12333
van meerdere katten uit de gebuurte, dewelke deze dieften met den
12334
dood moesten bekoopen.
12335
 
12336
Toen trokken de beide gezellen naar de Ketelstraat, waar de meidekens
12337
van pleizier wonen. Daar kniesden zij niet, doch gaven hunnen lievekens
12338
edelmoedig gerookt ossevleesch en hesp, worst en gevogelte; zij lieten
12339
heur zelfs Orlans- en Romagne-wijn drinken, alsmede Engelsche ale
12340
en smakelijk Oosterbier, dat zij goten in de frissche keel hunner
12341
schoenen. En zij werden ruimschoots met kussen betaald.
12342
 
12343
Doch op een morgen, na het eten, deed de proost zijne beide dienaars
12344
ontbieden. Hij zag er ontzagwekkend uit en zoog, met een boos gezicht,
12345
aan een mergbeentje uit zijne soep.
12346
 
12347
Pompilius stond te beven in zijne schoenen, en zijn buik trilde van
12348
schrik. Uilenspiegel hield zich stil en tastte, inwendig lachend,
12349
in zijnen zak naar de sleutels.
12350
 
12351
De proost sprak tot hem:
12352
 
12353
--Men eet mijn vleesch op en drinkt mijnen wijn uit: zijt gij het,
12354
mijn zoon?
12355
 
12356
--Neen, antwoordde Uilenspiegel.
12357
 
12358
--En die man, daar, de klokluider, sprak de proost, naar Pompilius
12359
wijzend, heeft hij dan de hand aan die misdaad geleend, dat hij zoo
12360
wit als een doek ziet? Zeker heeft de gestolen wijn hem vergiftigd.
12361
 
12362
--Laas! messire, sprak Uilenspiegel, gij beschuldigt uwen klokluider
12363
ten onrechte, want zoo hij zoo wit ziet, is het niet omdat hij
12364
uwen wijn heeft gedronken, doch wèl omdat hij er te weinig drinkt;
12365
dáárvan is hij zoo slap, dat zijne ziel weldra bij stroomen zijne
12366
hooze zal uitloopen.
12367
 
12368
--Er zijn arme lieden op deze wereld, zuchtte de proost, terwijl hij
12369
een grooten slok wijn uit zijn beker dronk. Maar zeg mij, mijn zoon,
12370
gij die arendsoogen hebt, hebt gij de dieven niet gezien?
12371
 
12372
--Ik zal goed opletten, heer proost, sprak Uilenspiegel.
12373
 
12374
--God bescherme u beiden, mijne kinderen, sprak de proost, en leeft
12375
op sobere wijze. Want uit de onmatigheid komen hier in dit tranendal
12376
al onze kwalen voort. Gaat in vrede.
12377
 
12378
En hij gaf hun zijn zegen.
12379
 
12380
En hij zoog nogmaals aan zijn mergbeen, en hij dronk nog een grooten
12381
slok wijn.
12382
 
12383
Uilenspiegel en Pompilius gingen henen.
12384
 
12385
--De leelijke vrek, sprak Uilenspiegel, hij had u nog geen slokje
12386
van zijn wijn laten drinken. Als wij nog stelen, zal 't wèl besteed
12387
zijn. Maar wat hebt gij toch, dat gij zoo beeft?
12388
 
12389
--Heel mijne hooze is nat, zei Pompilius.
12390
 
12391
--Dat is gauw droog, kameraad, sprak Uilenspiegel. Maar wees verheugd:
12392
dezen avond zal er flesschenmuziek zijn, bij onze lievekens in de
12393
Ketelstraat. En de drie nachtwachten zullen wij dronken maken, en
12394
snorkend zullen zij de stede bewaken.
12395
 
12396
Zoo gezegd, zoo gedaan.
12397
 
12398
Doch, 't was dicht tegen Sint-Maartensdag: de kerk was versierd voor
12399
den heiligdag. Uilenspiegel en Pompilius gingen 's nachts de kerk
12400
binnen en sloten goed de deur. Vervolgens staken zij al de waskeersen
12401
aan; zij namen eene viool en eene doedelzak, en begonnen daarop om
12402
het best te spelen. En de keersen vlamden als zonnen. Maar het was
12403
nog niet alles. Als hun werk verricht was, gingen zij bij den proost,
12404
dien zij, hoewel het al laat was, nog op vonden. Hij knabbelde een
12405
lijster en dronk een glas Rijnwijn. De ruiten der kerk verlicht ziende,
12406
trok hij de oogen wijd open.
12407
 
12408
--Heer proost, zei Uilenspiegel, wilt gij weten wie uw vleesch opeet
12409
en uwen wijn uitdrinkt?
12410
 
12411
--En die verlichting? sprak de proost, naar de vensters der kerk
12412
wijzend. Ha! Heere God, laat gij den heiligen Martinus nu toe,
12413
's nachts zonder betalen, de keersen der arme monniken te branden?
12414
 
12415
--Hij doet nog andere dingen, heer proost, sprak Uilenspiegel. Kom
12416
maar zien.
12417
 
12418
De proost nam zijnen staf en ging mede. Zij traden de kerk binnen.
12419
 
12420
Daar zag hij, in 't midden van den grooten beuk, al de heiligen uit
12421
hunne nissen gedaald, in een rondeken staan. De heilige Martinus,
12422
wel een kop grooter dan de anderen, scheen de meester te zijn. En
12423
op den wijsvinger der rechterhand, die zegenend uitgestrekt was,
12424
stak een gebraden kalkoen. De anderen hadden in de hand of in den
12425
mond stukken kieken of gans, worst, hesp, versche visch en gekookte
12426
visch en, onder andere, eenen snoek wel veertien pond zwaar. En elke
12427
sant had eene flesch wijn voor zijne voeten staan.
12428
 
12429
Als de proost dat zag, kon hij zich van woede niet inhouden; hij zag
12430
rood als een haan, en zijn gelaat was zóó opgezwollen, dat Pompilius
12431
en Uilenspiegel meenden dat hij ging bersten; maar, zonder op hen te
12432
letten, ging hij met gebalde vuist recht op den heiligen Martinus
12433
af, alsof hij hem aanzag voor den dief. Hij rukte hem den kalkoen
12434
van zijnen vinger en sloeg op Martinus als de duivel op Geeraard,
12435
zoodat de arm, de neus, de staf en de mijter aan stukken vlogen.
12436
 
12437
De anderen kregen mede hun deel en meer dan één liet er bij armen,
12438
handen, mijter, staf, zeis, bijl, rooster, zaag en andere kenteekenen
12439
van weerdigheid of martelaarschap. Vervolgens liep de proost, woedend
12440
en haastig, al de waskeersen uitblazen.
12441
 
12442
En al wat hij vond aan hesp, worst en gevogelte nam hij mede,
12443
en gebogen onder den last, ging hij zoo treurig en ellendig zijne
12444
slaapkamer binnen, dat hij drie bottels wijn dronk.
12445
 
12446
Toen Uilenspiegel zeker was dat hij sliep, peuzelden de beide vrienden
12447
de beste brokken op, en legden zij de beentjes vóór de voeten der
12448
heiligen. Vervolgens gingen zij naar de Ketelstraat met al wat de
12449
proost meende gered te hebben en ook met hetgeen nog lag in de kerk.
12450
 
12451
Den volgenden morgen ging Pompilius de metten luiden, terwijl
12452
Uilenspiegel naar boven trok om zijnen meester te wekken.
12453
 
12454
Deze vroeg wat hij wilde, en Uilenspiegel verzocht hem, beneden
12455
te komen.
12456
 
12457
Als de proost in de kerk was, toonde Uilenspiegel het overschot van
12458
de heiligen en van het gevogelte.
12459
 
12460
--Messire proost, sprak hij, zij hebben het toch opgegeten.
12461
 
12462
--Ja, antwoordde de proost, zij zijn als dieven in mijne slaapkamer
12463
gedrongen, om te stelen hetgeen ik gered had. Ha! heeren santen,
12464
ik zal mijn beklag aan den Paus doen.
12465
 
12466
--Ja, sprak Uilenspiegel met een bedenkelijk gezicht, maar de ommegang
12467
gaat overmorgen uit: straks komen de werklieden in de kerk. Vreest
12468
gij niet, verraden te worden als beeldenstormer, als zij al die santen
12469
in stukken en brokken zien liggen?
12470
 
12471
--Ha! heilige Sint Maarten, sprak de proost, spaar mij van het vuur,
12472
ik wist niet wat ik deed.
12473
 
12474
Zich naar Uilenspiegel wendend, terwijl de bange Pompilius zich aan
12475
het klokzeel liet hangen, sprak hij:
12476
 
12477
--Nooit zal men tegen Zondag den heiligen-Martinus kunnen
12478
herstellen. Wat zullen de menschen zeggen en wat staat mij te doen?
12479
 
12480
--Heere, antwoordde Uilenspiegel, nood breekt wet: wij moeten tot
12481
een onschuldig bedrog onze toevlucht nemen. Wij zullen eenen baard
12482
plakken op 't gezicht van Pompilius, die er eerbiedweerdig uitziet,
12483
daar hij altijd weemoedig is. Wij zullen hem den mijter opzetten, hem
12484
het koorhemd, den pelsmantel en het groote opperste kleed des santen
12485
aandoen; wij zullen hem aanbevelen stil op zijn voetstuk te blijven,
12486
en de geloovigen zullen hem voor den houten Sint-Maarten nemen.
12487
 
12488
De proost ging tot Pompilius, die meer dood dan levend aan het
12489
klokzeel bengelde.
12490
 
12491
--Houd op met luiden, sprak hij, en luister. Wilt gij vijftien
12492
dukaten verdienen? Zondag zult gij Sint-Maarten in de processie
12493
verbeelden. Uilenspiegel zal u kleeden en als gij, door de vier
12494
mannen gedragen, een gebaar durft maken of uw mond open doen, laat
12495
ik u levend in de olie koken in den grooten ketel, dien de hangman
12496
rechtover de Hallen gebouwd heeft.
12497
 
12498
--Heer, ik zeg u duizendmaal dank, sprak Pompilius, maar gij weet
12499
dat ik zeer moeielijk mijn water kan ophouden.
12500
 
12501
--Gij moet gehoorzamen, hernam de proost.
12502
 
12503
--Ik zal gehoorzamen, eerweerdige heer, sprak Pompilius met den dood
12504
op het lijf.
12505
 
12506
 
12507
 
12508
 
12509
VII.
12510
 
12511
De ommegang ging uit, onder een blijde, heldere zon. Uilenspiegel had
12512
de twaalf heiligen zoo goed mogelijk opgelapt en zij waggelden op
12513
hunne voetstukken tusschen de banieren der gilden; daarachter kwam
12514
het standbeeld van Onze-Lieve-Vrouw, vervolgens de maagdekens, in
12515
't wit, die lofzangen zongen, dan de boogschutters, eindelijk het
12516
dichtst bij den hemel en meer waggelend dan de anderen, Pompilius,
12517
die gebogen ging onder de zware kleederen van den heiligen Martinus.
12518
 
12519
Uilenspiegel, die zich voorzien had van krabpoeder, had zelf Pompilius
12520
zijn bisschoppelijk kleed helpen aantrekken, zijn handschoenen
12521
aangedaan, zijnen staf in zijne hand gestoken en hem geleerd hoe hij de
12522
handen moest houden om het volk te zegenen. Ook had hij de priesters
12523
helpen kleeden. Den eenen had hij de stool aangedaan, den anderen den
12524
pelsmantel, den diakenen het koorhemd. Hij liep gedurig de kerk rond
12525
om de plooien van een wambuis of een hooze effen te strijken. Hij
12526
bewonderde de scherpe wapenen der gilden en de geduchte bogen der
12527
schutters. En elkeen strooide hij een weinig krabpoeder in den hals,
12528
in den rug, op den pols. Maar de deken en de vier dragers van den
12529
heiligen Martinus kregen het meest. De maagdekens spaarde hij omdat
12530
zij zoo lief waren.
12531
 
12532
De processie ging uit de kerk, in prachtige orde, met fladderende
12533
banieren en wapperende wimpels. Mannen en vrouwlieden sloegen een
12534
kruis als zij voorbijging. En de zonne was heet.
12535
 
12536
De deken werd 't eerst het poeder gewaar en krabde een weinig achter
12537
zijn oor. Allen, priesters, boogschutters, dragers, krabden zich aan
12538
den hals, de beenen, de polsen, zonder het nog openlijk te durven;
12539
doch de klokluider, die meer uitstond dan de anderen, ter oorzake van
12540
de brandende zon, dorst zich niet verroeren, uit vreeze van levend in
12541
de olie te worden gekookt. Hij neep zijn neus toe, trok een leelijk
12542
gezicht en beefde op zijn waggelende beenen, want telkens dat de
12543
dragers zich krabden, liep hij gevaar van te vallen.
12544
 
12545
Maar hij dorst zich niet verroeren, en uit schrik liet hij zijn water
12546
maar loopen; en de dragers zeiden:
12547
 
12548
--Groote Sint Maarten, gaat het nu regenen?
12549
 
12550
De priesters zongen een lofzang aan de Heilige Maagd:
12551
 
12552
 
12553
    Si de coe ... coe ... lo descenderes
12554
    O Sanc ... ta ... ta ... Ma ... ma ... ria.
12555
 
12556
 
12557
Want hunne stemmen beefden wegens de krieuweling die onuitstaanbaar
12558
werd; maar zij krabden zich bedektelijk. Doch de deken en de vier
12559
dragers van Sint-Maarten krabden hun vel vaneen. Pompilius hield zich
12560
stil op zijn arme beenen, die 't meest van al jeukten.
12561
 
12562
Maar eensklaps bleven al de boogschutters, diakenen, priesters, deken
12563
en dragers staan om zich te krabben. Het poeder beet de voetzolen
12564
van Pompilius vaneen, doch hij dorst zich niet verroeren uit vrees
12565
van te vallen.
12566
 
12567
En de nieuwsgierigen zeiden, dat de heilige Maarten grammoedig rondkeek
12568
en een dreigend gezicht naar het arme volk zette.
12569
 
12570
Toen beval de deken, dat de processie zou voortgaan.
12571
 
12572
Weldra echter maakte de loodzware zon de jeukte van de plechtige
12573
ruggen en buiken onuitstaanbaar.
12574
 
12575
En toen bleven priesters, boogschutters, diakenen en deken, net als
12576
een bende apen eensklaps staan om zich onbeschaamd overal te krabben
12577
waar het jeukte.
12578
 
12579
De maagdekens zongen heuren lofzang als engelen en heur frissche
12580
stemmetjes stegen liefelijk ten hemel.
12581
 
12582
Allen trokken er trouwens van door zooals zij konden: krabbend, redde
12583
de deken 't heilig sacrament; het geloovige volk droeg de fierters
12584
terug in de kerk; de vier dragers van Sint Maarten smeten Pompilius
12585
ruwweg ten gronde. En daar nog dorst de arme klokluider zich niet
12586
krabben noch roeren, doch hij sloot devotelijk de oogen.
12587
 
12588
Twee jonge knapen wilden hem oprichten, doch daar zij hem te zwaar
12589
vonden, stelden zij hem recht tegen den muur en daar begon Pompilius
12590
bitter te schreien.
12591
 
12592
Het volk kwam rond hem staan; de vrouwen gingen neusdoeken van fijn,
12593
helder lijnwaad halen, wischten zijn gelaat af om zijne tranen als
12594
reliquieën te bewaren, en zeiden tot hem: "Mijnheer de Sant, wat hebt
12595
gij het warm!"
12596
 
12597
De klokluider keek hen jammerlijk aan en maakte, zijns ondanks,
12598
wegens de krieuweling, met zijn neus de koddigste gebaren.
12599
 
12600
Doch daar de tranen over zijne wangen rolden, spraken de vrouwen:
12601
 
12602
--Groote heilige Maarten, weent gij over de zonden der stede
12603
Ieperen? Niet waar, uwe edele neus verroert zich? Wij hebben nochtans
12604
de raadgevingen gevolgd van Lodewijk Vives, en den armen van Ieperen
12605
zal het aan werk noch aan brood ontbreken. Ho! wat groote tranen! Het
12606
zijn kostbare perelen. Onze redding is hier!
12607
 
12608
De mannen spraken:
12609
 
12610
--Wat moeten wij doen, groote heilige Maarten, om uwe droefheid
12611
te stillen?
12612
 
12613
Maar het volk riep:
12614
 
12615
--Daar is de koster!
12616
 
12617
Uilenspiegel kwam bij, greep Pompilius vast en droeg hem op den
12618
schouder weg, gevolgd door eene menigte geloovigen van beide
12619
geslachten.
12620
 
12621
--Laas! zei de arme klokluider hem stille in 't oor, ik ga bezwijken
12622
van de jeukte.
12623
 
12624
--Houd u stijf, antwoordde Uilenspiegel; vergeet niet dat gij een
12625
houten heilige zijt.
12626
 
12627
Hij liep op een draf en legde Pompilius neer voor de voeten van den
12628
proost, die zich tot bloedens toe aan 't krabben was.
12629
 
12630
--Klokluider, vroeg de proost, hebt gij u gekrabd lijk wij?
12631
 
12632
--Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.
12633
 
12634
--Hebt gij gesproken of u verroerd?
12635
 
12636
--Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.
12637
 
12638
--Hewel, sprak de proost, hier zijn uwe vijftien dukaten. Ga u nu
12639
krabben; gij hebt het verdiend.
12640
 
12641
 
12642
 
12643
 
12644
VIII.
12645
 
12646
Toen Uilenspiegel de zaak uitgebracht had, zei het gemeen 's anderen
12647
daags, dat het een ongehoorde spotternij was, hun dien schreeuwer
12648
van een klokluider voor eenen heilige te doen doorgaan en te doen
12649
aanbidden.
12650
 
12651
En velen werden ketters. En, hunne have meenemend, gingen zij het
12652
leger des prinsen versterken.
12653
 
12654
Uilenspiegel keerde naar Luik terug.
12655
 
12656
Onderweg zette hij zich te droomen in een bosch. Den helderen hemel
12657
beziende, sprak hij tot zich zelven:
12658
 
12659
--De oorlog, altijd de oorlog, opdat de Spaansche vijand het arme
12660
volk vermoorde, onze goederen roove, onze vrouwen en dochteren
12661
verkrachte. Nochtans vlieden ons schoone penningen heen en stroomt
12662
ons bloed bij beken door de straten, zonder het minste voordeel voor
12663
iemand, tenzij voor dien koninklijken schoft, die eene perel van gezag
12664
te meer aan zijne krone wil hechten. Perel, die hij glorierijk waant,
12665
doch die maar eene perel van bloed en van rookwalm is. Ha! kon ik U
12666
perelen naar mijnen zin, vliegen alleen zouden uw gezelschap nog wezen.
12667
 
12668
Terwijl hij daaraan dacht, zag hij eene bende herten voorbijrennen. Er
12669
waren er groote en oude, die hun gewei met negen takken fier in
12670
de lucht bewogen. Jonge reebokjes, die hunne schildknapen zijn,
12671
trappelden met hen en schenen bereid hun met hunne scherpe horens
12672
ter hulp te komen. Uilenspiegel wist niet waar zij heengingen, maar
12673
hij dacht dat het naar hun leger was.
12674
 
12675
--Ha! sprak hij, oude herten en lieve reebokjes, fier en blijde gaat
12676
gij in het diepst van het bosch uwe legerstee zoeken; langs geurige
12677
paden vindt gij jeugdige spruitjes te eten; gelukkig zijt gij,
12678
totdat de jager, uw beul, komt. Aldus is het ook gelegen met ons,
12679
oude herten en jonge reebokjes!
12680
 
12681
En de assche van Klaas klopte op Uilenspiegel's borst.
12682
 
12683
 
12684
 
12685
 
12686
IX.
12687
 
12688
In de Herfstmaand, als de muggen niet meer bijten, stak de Zwijger
12689
te Sint-Vijt den Rijn over met zes stukken veldgeschut en vier zware
12690
kanonnen, en met veertienduizend Vlamingen, Walen en Duitschers.
12691
 
12692
Onder de geel-en-roode vendels van Alva, den bloedigen hertog, stapten
12693
zes en twintigduizend vijfhonderd man, vergezeld van zeventien stukken
12694
veldgeschut en negen zware kanonnen.
12695
 
12696
Maar de Zwijger kon in dien strijd geenerlei voordeel behalen, want
12697
Alva weigerde gedurig 't gevecht.
12698
 
12699
En zijn broeder Lodewijk, die reeds vele steden gewonnen en vele booten
12700
op den Rijn gekaapt had, verloor bij Jemmingen, in Friesland, tegen
12701
den zoon des hertogen, zestien kanonnen, vijftien honderd peerden en
12702
twintig vendels, door de schuld der lafhertige huurknechten, die geld
12703
vroegen als er te vechten viel.
12704
 
12705
En te midden van puin en van bloed en van tranen, zocht Uilenspiegel
12706
te vergeefs de redding van den vaderlandschen bodem.
12707
 
12708
En, heel de Nederlanden door, werden onschuldige slachtofferen
12709
gehangen, onthalsd, verbrand door de beulen.
12710
 
12711
En de koning erfde.
12712
 
12713
 
12714
 
12715
 
12716
X.
12717
 
12718
Door het Walenland reizend, zag Uilenspiegel, dat de prins daar weinig
12719
hulp te verwachten had, en zoo kwam hij omtrent de stad Bouillon.
12720
 
12721
Weldra zag hij op den weg bultenaars van de beide geslachten, van allen
12722
leeftijd en allen stand verschijnen. Allen, met groote paternosters
12723
in de hand, baden devotelijk.
12724
 
12725
En hunne gebeden geleken op het gerikkik van kikvorschen in eenen
12726
vijver, 's avonds, na een warmen dag.
12727
 
12728
Daar waren moeders met bulten, die gebochelde kinderen op den arm
12729
droegen, terwijl andere kleinen aan heure rokken hingen. Er waren
12730
bultenaars op de heuvelen en bultenaars in de dalen. En overal zag
12731
Uilenspiegel op den helderen hemel hun magere schimmen afsteken.
12732
 
12733
Hij ging tot een hunner en vroeg:
12734
 
12735
--Waar trekken zij allen henen, die ongelukkige mannen, vrouwen
12736
en kinderen?
12737
 
12738
De man antwoordde:
12739
 
12740
--'t Is de begankenis van St. Remaclus; wij gaan naar het graf van
12741
den heilige, om van hem te verkrijgen wat onze herten verlangen:
12742
ons ontlasten van dat vernederend pak op onzen rug.
12743
 
12744
Uilenspiegel hernam:
12745
 
12746
--Zou ik van Sint-Remaclus niet kunnen verkrijgen wat mijn herte
12747
verlangt: onze arme gemeenten ontlasten van den bloedigen hertog,
12748
die als een looden bochel op de Nederlanden drukt?
12749
 
12750
--Hij is niet gelast, de bochels der boete af te nemen, antwoordde
12751
de pelgrim.
12752
 
12753
--Neemt hij er andere af? vroeg Uilenspiegel.
12754
 
12755
--Ja, als de bulten jong zijn. Als het mirakel der genezing
12756
geschiedt, is 't volop kermis in de stad. En elke pelgrim geeft dan
12757
een zilverstuk, soms wel een gouden florijn, aan den gelukzalige,
12758
die door zijne genezing heilig geworden is en alzoo met vrucht voor
12759
de anderen kan bidden.
12760
 
12761
Uilenspiegel sprak:
12762
 
12763
--Waarom doet de rijke mijnheer Sint-Remaclus zijne genezingen betalen,
12764
lijk een pillendraaier?
12765
 
12766
--Goddelooze reiziger, hij zal u straffen voor uwe lastertaal,
12767
antwoordde de pelgrim, terwijl hij woedend zijnen bochel schudde.
12768
 
12769
--Laas! zuchtte Uilenspiegel.
12770
 
12771
En hij liet zich nedervallen aan den voet van een boom.
12772
 
12773
De pelgrim staarde hem aan en zeide:
12774
 
12775
--De heilige Remaclus treft goed als hij slaat!
12776
 
12777
Uilenspiegel kromde zijnen rug en zuchtte, terwijl hij er aan voelde:
12778
 
12779
--Genade, doorluchtige heilige. 't Is de kastijding. Tusschen
12780
mijne schouderen voel ik een geweldige pijn. Laas! ai! Vergiffenis,
12781
mijnheer Sint-Remaclus, Ga voort, pelgrim, en laat mij hier, als een
12782
vadermoorder, in alleenigheid weenen met mijn berouwhebbend herte.
12783
 
12784
Maar de pelgrim was reeds op de vlucht: hij liep tot op de Markt van
12785
Bouillon, waar al de bultenaars vergaderd waren.
12786
 
12787
Huiverend van schrik, zeide hij met afgebroken woorden:
12788
 
12789
--Pelgrim ontmoet ... recht als een keers ... den heilige gelasterd
12790
... bult op den rug....
12791
 
12792
Als de andere bultenaars dit hoorden, stieten zij blijde kreten en
12793
spraken zij:
12794
 
12795
--Sint-Remaclus, als gij bulten kunt maken, kunt gij er afnemen
12796
ook. Neem onze bulten weg, mijnheer Sint-Remaclus.
12797
 
12798
Intusschen was Uilenspiegel opgestaan en voortgegaan. Aan de deur
12799
eener taveerne van de eenzame voorstad, zag hij aan eenen stok twee
12800
verkensblazen hangen, een teeken, dat het daar pensenkermis was.
12801
 
12802
Uilenspiegel nam eene der twee blazen en raapte de ruggegraat eener
12803
schol op; stak zich, om wat bloed in de verkensblaas te laten loopen,
12804
blies haar op, bond ze toe, na hetwelk hij ze vastmaakte op den rug
12805
met de graat daarboven. Aldus toegetakeld, schuddebollend en waggelend
12806
als een oude bultenaar, ging hij naar de Markt.
12807
 
12808
De pelgrim, die hem had zien vallen, werd hem dadelijk gewaar en riep:
12809
 
12810
--Daar is de lasteraar!
12811
 
12812
En hij wees met den vinger naar hem.
12813
 
12814
En allen liepen naar hem om den rampzalige te zien.
12815
 
12816
Uilenspiegel schudde treurig het hoofd.
12817
 
12818
--Ha! sprak hij, ik verdien genade noch medelijden; doodt mij als
12819
een razenden hond.
12820
 
12821
En de bultenaars riepen verheugd:
12822
 
12823
--Eén te meer in onze broederschap!
12824
 
12825
Uilenspiegel mompelde onhoorbaar tusschen de tanden:
12826
 
12827
--Ik zal het U wel betaald zetten, booze lieden!
12828
 
12829
Doch hij scheen alles geduldig te verdragen en sprak:
12830
 
12831
--Ik eet of ik drink niet meer, totdat de hoogweerdige heilige Remaclus
12832
mij geneest zooals hij mij trof.
12833
 
12834
Bij het nieuws van 't mirakel, kwam de deken uit de kerk. 't Was
12835
een groote, dikke, plechtstatige kerel. Met den neus in de lucht,
12836
kliefde hij door de baren der bultenaars, als eene bark door de zee.
12837
 
12838
Men toonde hem Uilenspiegel; hij zegde tot hem:
12839
 
12840
--Zijt gij het, manneken, die getroffen werd door de roede van den
12841
heiligen Remaclus?
12842
 
12843
--Ja, heer deken, antwoordde Uilenspiegel, ik ben het inderdaad,
12844
zijn nederige dienaar, die zijn nieuwen bult wil laten genezen,
12845
als het Zijne Heiligheid belieft.
12846
 
12847
De deken, die giste dat er look in de meersch was, sprak:
12848
 
12849
--Laat mij dien bult eens betasten.
12850
 
12851
--Tast maar, genadige deken, sprak Uilenspiegel.
12852
 
12853
Toen de deken getast had, sprak hij:
12854
 
12855
--Hij is nieuw en nog nat. Ook hoop ik, dat de groote heilige U
12856
genadig zal wezen. Kom mede.
12857
 
12858
Uilenspiegel volgde den deken en ging mee in de kerk.
12859
 
12860
De bultenaars liepen achter hem en schreeuwden:
12861
 
12862
--Daar is hij, de gedoemde, de lasteraar! Hoeveel weegt uw versche
12863
bult? Ik zou er een zak van maken, om mijne daalders in te steken? Heel
12864
uw leven hebt gij den spot gedreven met ons, omdat gij recht waart;
12865
nu is 't onze beurt! Gezegend zij Sint-Remaclus!
12866
 
12867
Uilenspiegel antwoordde niet, doch volgde met gebogen hoofde den
12868
deken, die hem leidde in een kleine kapel, waar een marmeren graf was,
12869
gedekt met eene zerk, mede van marmer.
12870
 
12871
Tusschen het graf en den muur der kapel was eene opening van ruim eene
12872
hand breed. Een menigte gebochelde pelgrims, die elkander volgden,
12873
gingen tusschen den muur en de zerk van het graf, tegen dewelke zij
12874
stilzwijgend hunne bulten wreven. En aldus hoopten zij er van verlost
12875
te worden. En zij, die hunne bulten tegen de plaat wreven, wilden de
12876
plaats niet afstaan aan degenen, die volgden; en er werd gevochten,
12877
doch zonder gerucht, want zij dorsten niet dan heimelijk stompen,
12878
uit vreeze van heiligschennis.
12879
 
12880
De deken zegde tot Uilenspiegel op de zerk te klimmen, opdat alle
12881
pelgrims hem goed konden zien.
12882
 
12883
Uilenspiegel antwoordde:
12884
 
12885
--Dat kan ik alleen niet.
12886
 
12887
De deken hielp hem, bleef bij hem staan en deed hem
12888
knielen. Uilenspiegel gehoorzaamde en bleef met gebogen hoofde zitten
12889
in die deemoedige houding.
12890
 
12891
Na een kort inwendig gebed, zeide de eerwaarde geestelijke met
12892
heldere stem:
12893
 
12894
--Kinderen en broeders in Christus, aan mijne voeten ziet gij den
12895
grootsten zondaar en lasteraar, dien Sint-Remaclus ooit met zijne
12896
woede trof.
12897
 
12898
En, op zijne borst kloppend, sprak Uilenspiegel:--Confiteor.
12899
 
12900
--Weleer, vervolgde de deken, was hij recht als de stok eener
12901
hellebaard, en was hij er fier op. Beziet hem nu, hij is gebult en
12902
gebocheld onder de verwensching des hemels.
12903
 
12904
--Confiteor, neem mijnen bult weg, sprak Uilenspiegel.
12905
 
12906
--Ja, vervolgde de deken, ja, groote heilige, ja, Sint-Remaclus, die,
12907
sedert uw glorierijken dood, negen en dertig mirakels gedaan hebt,
12908
neem van zijne schouderen het gewicht, dat er op drukt, opdat wij
12909
uwen lof kunnen zingen in de eeuwigheid der eeuwigheden, in soecula
12910
soeculorum! En vrede op de aarde aan de bultenaars, die van goeden
12911
wil zijn.
12912
 
12913
En de bultenaars herhaalden te gelijk:
12914
 
12915
--Ja, ja, vrede op aarde aan de bultenaars, die van goeden wil
12916
zijn; weg met de bulten, weg met haat en met nijd, weg met alle
12917
vernedering! Neem onze bulten weg, doorluchtige heilige Remaclus!
12918
 
12919
De deken gebood Uilenspiegel het graf te verlaten en zijnen bochel
12920
te wrijven tegen den kant van de zerk. Uilenspiegel deed het, steeds
12921
mompelend: Mea culpa, confiteor, neem mijnen bult weg!
12922
 
12923
En hij wreef zich zoo goed, dat al de omstanders zulks oogenschijnlijk
12924
zagen.
12925
 
12926
En dezen riepen:
12927
 
12928
--Ziet naar zijn bult, hij plooit! Ziet gij, hij smelt weg, rechts
12929
neemt hij af,--Neen, hij zal in zijnen buik zakken; bulten vergaan
12930
niet, zij keeren terug in de darmen, uit dewelke zij komen.--Neen,
12931
zij keeren naar de maag, waar zij tachtig dagen lang tot voedsel
12932
verstrekken.--'t Is een geschenk van den heilige aan hen, die door
12933
zijne genade van hunnen last zijn verlost.--Wat geworden de oude
12934
bulten?
12935
 
12936
Plotseling stieten al de bultenaars een grooten schreeuw uit, want
12937
Uilenspiegel had zijnen bult gebersten, door hard tegen den boord
12938
der zerk te drukken. Het bloed dat er in was, liep er uit, droop van
12939
onder zijn wambuis met groote droppelen op de steenen der kerk. En
12940
rechtspringend en de armen uitstrekkend, riep hij blijde:
12941
 
12942
--Ik ben er van af!
12943
 
12944
En al de bultenaars riepen te zamen:
12945
 
12946
--Gezegende Sint-Remaclus, genadig zijt gij voor hem.--Groote
12947
heilige, neem den mijnen ook weg!--Ik zal u een kalf offeren.--Ik,
12948
zeven schapen.--Ik, de jacht van één jaar.--Ik, zes hespen,--Ik, ik
12949
schenk mijne hut aan de kerk.--Neem onze bulten af, heilige Remaclus!
12950
 
12951
En zij bekeken Uilenspiegel met eerbied en afgunst. Een der bultenaren
12952
wilde onder Uilenspiegel's wambuis tasten, doch de deken verbood het
12953
hem, zeggende:
12954
 
12955
--Daar is een wonde, die het licht niet mag zien.
12956
 
12957
--Ik zal voor ulieden bidden, sprak Uilenspiegel.
12958
 
12959
--Ja, pelgrim, spraken al de bultenaars ondereen, ja, mijnheer de
12960
rechtgemaakte; wij dreven den spot met u; vergeef het ons, wij wisten
12961
niet wat wij deden. Christus, de Zaligmaker, vergaf aan het kruis,
12962
wilt gij ons ook vergiffenis schenken?
12963
 
12964
--Ik vergeef u, sprak Uilenspiegel op hooghertigen toon.
12965
 
12966
--Neem toch, zeiden zij, neem dit oortje, aanvaard dezen gulden,
12967
laat ons u dien gouden angelot schenken, dien daalder aanbieden,
12968
dien karolus in uwen zak steken.
12969
 
12970
--Laat angelotten en karolussen het daglicht niet zien, zeide
12971
Uilenspiegel zeer stille: de linkerhand mag niet weten wat de
12972
rechterhand geeft.
12973
 
12974
Dat zeide hij om den wille van den deken, die het geld der bultenaars
12975
met de oogen verslond, zonder te zien of het goud was of zilver.
12976
 
12977
--Wij zeggen u duizendmaal dank, gezegende, geheiligde oud-bultenaar,
12978
zeiden de pelgrims tot Uilenspiegel.
12979
 
12980
En hij nam hunne giften met hooghertigheid aan, zooals iemand betaamt
12981
die met de gratie des hemels bedeeld is.
12982
 
12983
Maar de gierigaards wreven hardnekkig hunne bochels tegen het graf,
12984
zonder iets te zeggen en vooral zonder iets te geven.
12985
 
12986
Uilenspiegel trok 's avonds naar eene taveerne, waar hij kermis vierde.
12987
 
12988
Alvorens slapen te gaan, dacht hij er aan dat de deken, zoo niet
12989
alles, dan toch zijn deel van den buit zou eischen. Hij telde zijn
12990
winst en vond meer goud dan zilver, want er waren minstens driehonderd
12991
karolussen. Hij zag een verdroogden laurier in een bloempot staan, trok
12992
de plant bij den kop uit den pot en legde zijn goud onder de aarde. En
12993
al de halve guldens, oortjes, deniers spreidde hij uit op de tafel.
12994
 
12995
De deken trad de taveerne binnen en kwam boven bij Uilenspiegel.
12996
 
12997
Toen deze hem zag, vroeg hij:
12998
 
12999
--Heer deken, wat wilt gij van mij, nieteling?
13000
 
13001
--Ik wil niets dan uw goed, antwoordde de dienaar des Heeren.
13002
 
13003
--Laas, zuchtte Uilenspiegel, bediedt gij dát goed, dat daar ligt op
13004
de tafel?
13005
 
13006
--Ja, mijn zoon, antwoordde de deken.
13007
 
13008
Vervolgens de hand uitstekend, ruimde hij al het geld van de tafel,
13009
en liet hij het vallen in eenen zak, dien hij daarvoor opzettelijk
13010
meegebracht had.
13011
 
13012
En hij gaf een gulden aan Uilenspiegel, met een zucht alsof het een
13013
stuk zijner ziel was.
13014
 
13015
En hij vroeg hem het gerief van het mirakel.
13016
 
13017
Uilenspiegel toonde hem de graat en de blaas.
13018
 
13019
De deken nam ze, terwijl Uilenspiegel weeklaagde en hem wat méér
13020
vroeg, daar de weg van Bouillon naar Damme zoo lang was voor een
13021
armen voetganger, dat hij ongetwijfeld van honger zou omkomen.
13022
 
13023
De deken ging heen en lispte geen woord.
13024
 
13025
Als Uilenspiegel alleen was, sliep hij in met het oog op de plant,
13026
's Anderen daags, met den dageraad, stak hij zijnen buit op zak en
13027
verliet de stad.
13028
 
13029
Hij ging recht naar het kamp van den Zwijger, gaf hem het geld en
13030
vertelde den Prins hoe hij er aan geraakt was: dit was het beste
13031
middel om schattingen van den vijand te lichten, meende hij.
13032
 
13033
En de prins gaf hem tien gulden.
13034
 
13035
De graat werd in een kristallen doos gevat, en gestoken tusschen de
13036
twee armen van het kruis op het hoogautaar, in de kerk van Bouillon.
13037
 
13038
En een iegelijk, in die stad, weet dat de bult van den rechtgemaakten
13039
lasteraar steekt in het kruis.
13040
 
13041
 
13042
 
13043
 
13044
XI.
13045
 
13046
De Zwijger, die in de omstreken van Luik was, deed, alvorens de Maas
13047
over te steken, marschen en tegenmarschen, om de waakzaamheid des
13048
hertogen te verschalken.
13049
 
13050
Uilenspiegel nam zijne plichten van soldaat ter herte, hanteerde zeer
13051
behendig zijne bus, en hield steeds de ooren en oogen goed open.
13052
 
13053
Om dien tijd kwamen in het kamp meerdere Vlaamsche en Brabantsche
13054
edelen, die in goede overeenstemming leefden met de heeren, kolonels
13055
en hopmans van 't gevolg van den Zwijger.
13056
 
13057
En weldra kwamen in het kamp twee partijen tot stand, die gedurig met
13058
elkander in twist waren. De eenen spraken: De prins is een verrader. De
13059
anderen antwoordden, dat de beschuldigers logen en dat zij hun hunne
13060
leugentaal zouden doen slikken. Het wantrouwen werd langzamerhand
13061
grooter. Zij werden handgemeen bij troepen van zes, acht, twaalf man,
13062
vochten in tweegevecht met alle wapenen, ja zelfs met vuurroeren.
13063
 
13064
Op het gerucht kwam de prins eens toegeloopen; hij drong tusschen de
13065
beide partijen. Een kogel rukte zijn degen aan zijne zijde weg. Hij
13066
stelde een einde aan 't gevecht en bezocht heel het kamp om zich te
13067
toonen, opdat men niet zeggen zou: "De Zwijger is dood, de oorlog
13068
is gedaan".
13069
 
13070
's Anderen daags, omtrent middernacht, bij mistig weder, stond
13071
Uilenspiegel gereed een huis te verlaten, waar hij een Vlaamsch
13072
minnelied aan een Waalsch meideken gaan zingen was, toen hij eensklaps
13073
aan de deur van het naburige huis een driemaal herhaald ravengekras
13074
hoorde. Een boer kwam op de zulle. Uilenspiegel hoorde stappen op
13075
den weg.
13076
 
13077
Twee mannen, die Spaansch spraken, kwamen bij den boer, die hun zeide
13078
in dezelfde tale:
13079
 
13080
--Wat hebt gij gedaan?
13081
 
13082
--Goed werk, zeiden zij, leugens verspreid ten voordeele des
13083
konings. Dank zij ons, zeggen de wantrouwende hoofdmannen en
13084
soldaten tot elkander: 't Is uit lage eerzucht, dat de prins den
13085
koning wederstand biedt; aldus hoopt hij gevreesd te worden en, als
13086
onderpand van den vrede, vele steden en heerlijkheden te krijgen;
13087
voor vijfhonderd duizend gulden verlaat hij de dappere heeren, die
13088
strijden voor onze landen. De hertog heeft hem algeheele kwijtschelding
13089
doen aanbieden met belofte en eed, al de hooge legerhoofden weer in
13090
't bezit hunner goederen te stellen, als zij zich onderwerpen aan
13091
den koning. Oranje gaat alleen met hem onderhandelen.
13092
 
13093
--'s Zwijgers getrouwen antwoordden ons:
13094
 
13095
--De voorstellen des hertogen zijn een verraderlijke strik,
13096
waarin de prins geenszins zal vallen; hij kent 't lot van Egmond en
13097
Hoorne. Zij weten wel dat kardinaal Granvelle zegde, toen hij te Rome
13098
de aanhouding der graven vernam: Men vangt de twee blieken, maar men
13099
laat den snoek ontsnappen; men heeft niets gevangen, zoolang men den
13100
Zwijger niet heeft.
13101
 
13102
--De verdeeldheid is dus groot in het kamp? vroeg de boer.
13103
 
13104
--De verdeeldheid is groot, zeiden zij, en wordt elken dag
13105
grooter. Waar zijn de brieven?
13106
 
13107
Zij gingen de hut binnen, alwaar zij eene lanteerne aanstaken. Door een
13108
klein venster loerend, zag Uilenspiegel hen twee verzegelde brieven
13109
openen, die lezen met merkbare vreugde, een glas wijn drinken en
13110
eindelijk weggaan, in het Spaansch tot den boer zeggende:
13111
 
13112
--Kamp verdeeld, Oranje genomen. Daar zal een ferme beker afmogen.
13113
 
13114
--Die, sprak Uilenspiegel in zich zelven, die mogen in't leven niet
13115
blijven.
13116
 
13117
In den dikken nevel gingen zij buiten. Uilenspiegel zag den boer hun
13118
eene lanteerne brengen.
13119
 
13120
Het licht der lanteerne werd somtijds verduisterd door een zwarte
13121
gedaante. Uilenspiegel leidde daaruit af, dat zij achter elkander
13122
gingen.
13123
 
13124
Hij laadde zijn vuurroer en schoot naar de zwarte gedaante. Toen zag
13125
hij de lanteerne verscheidene reizen op en neer gaan; hij maakte eruit
13126
op, dat een van beiden gevallen was en de andere wilde weten waar hij
13127
gewond was. Hij wapende zijn vuurroer opnieuw. Als hij de lanteerne
13128
vlug en slingerend in de richting des kamps zag voortgaan, schoot
13129
hij opnieuw. De lanteerne waggelde, viel ten gronde en doofde uit.
13130
 
13131
Uilenspiegel liep naar het kamp, maar hij kwam den provoost tegen met
13132
een menigte soldaten, die de vuurschoten hadden gewekt en hij zei hun:
13133
 
13134
--Ik ben de jager, het wild ligt ginder, gaat het maar oprapen.
13135
 
13136
--Lustige Vlaming, sprak de provoost, wat beteekenen uwe woorden?
13137
 
13138
--Woorden zijn wind, antwoordde Uilenspiegel, doch lood blijft in
13139
het lijf der verraders. Maar volgt mij.
13140
 
13141
En, met hunne lanteernen, bracht hij hen ter plaatse waar de twee
13142
mannen gevallen waren. Werkelijk zagen zij hen ten gronde liggen:
13143
de eene was dood, de andere reutelde: in zijn hand hield hij eenen
13144
brief, dien hij in een laatste stuiptrekking verfrommeld had.
13145
 
13146
Zij droegen de verslagenen mede, die zij aan de kleederen voor edelen
13147
herkenden, en kwamen aldus met hunne lanteernen bij den prins, die
13148
beraadslaagde met Frederik van Hollenhausen, met den markgraaf van
13149
Hessen en met andere heeren.
13150
 
13151
Gevolgd door landsknechten, ridders met gele en groene wambuizen,
13152
kwamen zij vóór de tent van den Zwijger, luide roepend of hij hen
13153
wilde ontvangen.
13154
 
13155
Hij kwam buiten.
13156
 
13157
Uilenspiegel liet den provoost niet spreken, die, hoestend, zich
13158
gereedmaakte om hem te beschuldigen, en zegde:
13159
 
13160
--Heer, in stee van raven, heb ik twee edele verraders van uw gevolg
13161
gedood.
13162
 
13163
Vervolgens vertelde hij wat hij gezien, gehoord en gedaan had.
13164
 
13165
De Zwijger sprak geen woord. De twee lijken werden afgetast in
13166
bijzijn van hem, Willem van Oranje, van Frederik van Hollenhausen,
13167
van den markgraaf van Hessen, van Diederik van Schoonenberg, van
13168
graaf Albrecht van Nassau, van den graaf van Hoogstraten, van Antonius
13169
van Lalaing, stadhouder van Mechelen, alsmede van de soldaten en van
13170
Lamme, die beefde als een riet. Op de edellieden werden verzegelde
13171
brieven van Granvelle en Noircarmes gevonden, waarbij zij aangezocht
13172
werden verdeeling te zaaien in 's prinsen gevolg, om zijne krachten te
13173
verzwakken, hem te dwingen zich te onderwerpen en hem aldus te leveren
13174
aan den hertog van Alva, ten einde onthoofd te worden, naarvolgens
13175
verdienste. Gij moet, zeiden de brieven, omzichtig te werk gaan, en met
13176
bedekte woorden doen gelooven aan die van het leger, dat de Zwijger,
13177
in zijn eigen voordeel alleen, reeds met den hertog heeft onderhandeld;
13178
zijn vertoornde hoofdmannen en soldaten zullen hem gevangennemen. Als
13179
belooning werd aan elk hunner een wissel van vijfhonderd dukaten
13180
gezonden op het huis Függer van Antwerpen; zij zouden nog duizend
13181
dukaten krijgen, zoodra in Zeeland de Spaansche schepen aankwamen,
13182
met de vierhonderd duizend dukaten die men verwachtte.
13183
 
13184
Het eedgespan ontdekt zijnde, wendde de prins zich naar de edelen,
13185
heeren en soldaten, onder dewelken een groot getal hem verdachten;
13186
zonder spreken wees hij naar de twee lijken, om hun hun wantrouwen
13187
te verwijten.
13188
 
13189
Allen riepen met groot rumoer:
13190
 
13191
--Lang leve Oranje! Oranje is den landen getrouw!
13192
 
13193
Vol verachting wilden zij de lijken aan de honden werpen; maar de
13194
Zwijger sprak:
13195
 
13196
--Het zijn die lijken niet, die men aan de honden moet werpen, maar
13197
de zwakheid des geestes, die aan de zuiverste inzichten twijfelen doet.
13198
 
13199
En de heeren en soldaten riepen:
13200
 
13201
--Leve de prins! Leve Oranje, de vriend onzer landen!
13202
 
13203
En hunne stemmen klonken als de donder, dreigend voor 't onrecht.
13204
 
13205
Naar de lichamen wijzend, zeide de prins:
13206
 
13207
--Begraaft ze als kerstenen.
13208
 
13209
--En wat gaat men met mij doen? vroeg Uilenspiegel. Dat men mij
13210
kastijde als ik kwaad, en loone als ik goed deed.
13211
 
13212
Toen sprak de Zwijger:
13213
 
13214
--Die soldaat zal in mijne tegenwoordigheid vijftig slagen krijgen
13215
met een stok van groen hout, omdat hij, in weerwil van alle tucht
13216
en zonder bevel, twee edellieden doodde. Ook zal hij dertig gulden
13217
ontvangen, omdat hij zoo goed gezien en gehoord heeft.
13218
 
13219
--Heer, sprak Uilenspiegel, als men mij eerst de dertig gulden gaf,
13220
zou ik de stokslagen met meer geduld ontvangen.
13221
 
13222
--Ja, ja, zuchtte Lamme Goedzak, lang hem eerst de dertig gulden;
13223
de slagen zal hij deemoedig verdragen.
13224
 
13225
--En overigens, sprak Uilenspiegel, daar mijn geweten zuiver is, heb ik
13226
niet van doen gewasschen of gespoeld te worden met stokken of zweepen.
13227
 
13228
--Ja, zuchtte Lamme Goedzak opnieuw, Uilenspiegel heeft niet van noode
13229
gewasschen of gespoeld te worden. Zijn geweten is zuiver. Wascht hem
13230
niet, mijne heeren, wascht hem toch niet!
13231
 
13232
Uilenspiegel had de dertig gulden ontvangen, als de provoost den
13233
stokmeester gebood, Uilenspiegel onder handen te nemen.
13234
 
13235
--Ziet toch, mijne heeren, zegde Lamme, wat jammerlijk gezicht hij
13236
trekt. Hij is in 't geheel geen liefhebber van stokken, mijn vriend
13237
Uilenspiegel.
13238
 
13239
--Een schoonen, goed getakten esch, die met zijn frischgroene bladeren
13240
in de zonne prijkt, zie ik geerne, hernam Uilenspiegel; maar ik koester
13241
een doodelijken haat tegen die leelijke stokken, die nog nat zijn,
13242
zonder twijgen of bladeren, die hard en woest zijn van uitzicht,
13243
 
13244
--Zijt gij gereed? vroeg de provoost.
13245
 
13246
--Gereed, herhaalde Uilenspiegel, gereed tot wat? Om geslagen te
13247
worden? Neen, dat ben ik niet en zal het nooit wezen, mijnheer de
13248
stokmeester. Uw baard is ros en gij ziet er vreeselijk uit; maar
13249
ik ben zeker, dat gij zachtmoedig van aard zijt en met tegenzin een
13250
armen man, als ik, zoudt afranselen. Ik moet het u zeggen, maar slaan
13251
doe of zie ik niet geerne, want de rug van een kerstenmensch is een
13252
heilige tempel, die, evenals de borst, de longen bevat met dewelke
13253
wij Gods goede lucht ademen. Heel uw leven door, zou de wroeging u
13254
knagen als een ruwe stokslag mij aan stukken sloeg.
13255
 
13256
--Spoed u, sprak de stokmeester.
13257
 
13258
--Heer, zegde Uilenspiegel tot den prins, er is geene haast bij, ge
13259
moogt mij gelooven; eerst zoudt gij dien stok moeten laten goed drogen,
13260
want men zegt, dat het sap van groen hout een doodelijk vergif voor
13261
het bloed is. Zou uwe Hoogheid mij zulken vreeselijken dood willen
13262
zien sterven? Heer, ik behoud mijnen rug ten dienste Uwer Hoogheid;
13263
laat hem slaan met roeden, hem striemen met de zweep; maar, als gij
13264
mij niet wilt zien sterven, Heer, spaar mij toch het groen hout,
13265
als het u belieft.
13266
 
13267
--Prins, schenk hem genade, spraken beiden, de heer van Hoogstraten
13268
en Diederik van Schoonenberg. De anderen glimlachten goedhertig
13269
en medelijdend.
13270
 
13271
Lamme kwam achteraan en zuchtte:
13272
 
13273
--Heer, genade, heer; groen hout is doodelijk vergif.
13274
 
13275
Toen sprak de prins:
13276
 
13277
--Ik schenk hem genade.
13278
 
13279
Uilenspiegel maakte eene tuimelpert, sloeg op Lamme's buik, dwong
13280
hem tot dansen en sprak:
13281
 
13282
--Loof met mij Zijne Hoogheid, die mij van het groen hout heeft gered.
13283
 
13284
En Lamme beproefde te dansen, maar hij kon niet, ter oorzake van zijn
13285
dikken buik.
13286
 
13287
En Uilenspiegel trakteerde hem en liet hem eten en drinken, zooveel
13288
als hij kon.
13289
 
13290
 
13291
 
13292
 
13293
XII.
13294
 
13295
De hertog wilde geen slag leveren, doch bestookte den Zwijger op 't
13296
platteland tusschen Gulik en de Maas; Oranje deed overal den stroom
13297
peilen, te Hond, Mechelen, Elsen, Meersen, en overal vonden zij er
13298
voetangels in, om de mannen en peerden te kwetsen, die zouden pogen
13299
den stroom over te steken.
13300
 
13301
Te Stokhem vonden de peilers er geene. De prins beval daar te waden. De
13302
ruiters togen over den stroom en hielden zich aan den overkant in
13303
slagorde, om het overzetten der troepen langs den kant van het bisdom
13304
Luik te dekken; vervolgens kwamen, van den eenen tot den anderen oever,
13305
tien rotten busschutters en boogschutters staan, die aldus den loop van
13306
de Maas stremden, en in het midden van welke zich Uilenspiegel bevond.
13307
 
13308
Hij stond tot aan de dijen in 't water; somwijlen zelfs werden hij
13309
en zijn peerd opgeheven door een plotselinge, verraderlijke golving.
13310
 
13311
Hij zag de voetknechten overgaan met een zakje buskruit op het
13312
hoofd en hunne bussen omhoog; vervolgens kwamen de ammunitiewagens,
13313
de haakbussen, de geleiders, de stukrijders, de slangen, de dubbele
13314
slangen, de falkonetten, de dubbele falkonetten, de serpenten, de
13315
halve serpenten, de dubbele serpenten, de slangen met wijden mond, de
13316
kanonnen, de halve kanonnen, de dubbele kanonnen, de donderbussen, de
13317
sakers, de kleine stukken bereden veldgeschut, geladen op voorwagens,
13318
met twee peerden bespannen, en die in alles geleken op de kanonnen,
13319
die men de Pistolen des keizers heette; daarna kwamen Vlaamsche
13320
ruiters en landsknechten, die de achterhoede moesten dekken.
13321
 
13322
Uilenspiegel zocht iets te drinken, dat hem verwarmen kon. De
13323
boogschutter Riesencraft, een Hoogduitscher, een mager, reusachtig
13324
en wreedaardig man, die nevens hem op zijn peerd zat te ronken,
13325
rook geweldig naar brandewijn. Uilenspiegel zocht naar de flesch
13326
op het kruis van zijn peerd, en vond ze aan zijnen schouderband
13327
geknoopt. Hij sneed het koordeken door, nam de flesch en dronk lustig
13328
van het verkwikkende nat. De gezellen boogschutters zeiden tot hem:
13329
 
13330
--Geef ons ook een slok.
13331
 
13332
En hij gaf hun de flesch. Als de brandewijn op was, bond hij 't
13333
koordeken weer aan de flesch en wilde ze terugbrengen op de borst van
13334
den soldenier. Toen hij den arm oplichtte om de bottel er onder te
13335
steken, werd Riesencraft wakker. Naarde bottel grijpend, wilde hij
13336
zijn gewone koe melken. Daar hij er echter geene melk meer in vond,
13337
ontstak hij in hevige woede.
13338
 
13339
--Dief, sprak hij, wat hebt gij gedaan met mijn brandewijn?
13340
 
13341
Uilenspiegel antwoordde:
13342
 
13343
--Uitgedronken. Onder doornatte ruiters is de brandewijn van één,
13344
de brandewijn van allen. Gierig zijn is leelijk.
13345
 
13346
--Morgen daag ik u uit tot een tweegevecht, antwoordde Riesencraft,
13347
en ik beloof u fatsoenlijk aan stukken te kappen.
13348
 
13349
--Wij zullen alles afkappen, sprak Uilenspiegel, hoofden, armen en
13350
beenen. Maar zijt gij verstopt, dat uwe tronie zoo zuur ziet?
13351
 
13352
--Dat ben ik, sprak Riesencraft.
13353
 
13354
--Dan moet gij purgeeren, in stee van te vechten.
13355
 
13356
Zij kwamen overeen zich 's anderen daags met elkander te meten. Elk
13357
mocht gekleed en uitgerust zijn lijk hij verkoos, en zij zouden naar
13358
elkander kerven en kappen met een korten stootdegen.
13359
 
13360
Uilenspiegel vroeg, om voor zich zelven, den degen te mogen vervangen
13361
door eenen stok, hetgeen hem toegestaan werd.
13362
 
13363
Intusschen waren al de soldaten over den stroom getogen en reeds
13364
stelden zij zich in goede orde, op de bevelen hunner kapiteins en
13365
kolonels. Nu verlieten ook de tien rotten schutters hunne vochtige
13366
stelling.
13367
 
13368
En de Zwijger sprak:
13369
 
13370
--Wij marcheeren op Luik,
13371
 
13372
Uilenspiegel was er blijde om en riep met al de Vlamingen:
13373
 
13374
--Lang leve Oranje! Naar Luik! naar Luik!
13375
 
13376
Maar de vreemdelingen, en voornamelijk de Hoogduitschers zeiden, dat
13377
zij te nat waren om te marcheeren. Te vergeefs bevestigde de prins
13378
hun, dat zij naar een gewisse zegepraal gingen, naar eene stede met
13379
hert en ziel hun toegedaan: zij wilden niet luisteren, en ontstaken
13380
groote vuren om zich te warmen, met hunne onttuigde peerden.
13381
 
13382
De aanval der stad werd uitgesteld tot 's anderen daags; en Alva,
13383
hoogst verbaasd over den stoutmoedigen overtocht, vernam door zijne
13384
spionnen, dat de soldaten van den Zwijger nog niet bereid waren tot
13385
den aanval.
13386
 
13387
Daarop deed hij Luik en heel de omliggende streek bedreigen alles in
13388
vuur en vlam te zullen zetten, zoo de vrienden des prinsen er eenige
13389
beweging maakten. Geeraard van Groesbeek, de bisschoppelijke serjant,
13390
deed zijne soldaten wapenen tegen den prins, die te laat kwam door
13391
de schuld der Hoogduitschers, benauwd voor een beetje water in hunne
13392
schoenen.
13393
 
13394
 
13395
 
13396
 
13397
XIII.
13398
 
13399
Uilenspiegel en Riesencraft hadden hunne getuigen gekozen; deze
13400
beslisten, dat de twee soldaten te voet zouden vechten, totdat de
13401
dood er op volgde, zoo dit den overwinnaar behaagde, want dit waren
13402
de voorwaarden die Riesencraft stelde.
13403
 
13404
Het gevecht greep plaats in een kleine heide.
13405
 
13406
Reeds van den vroegen morgen had Riesencraft zijne kleedij van
13407
boogschutter aan: de salade, dat is de helm, met ijzeren halsstuk,
13408
zonder vizier, alsmede een maliënhemd zonder mouwen. Daar zijn ander
13409
hemd aan stukken vaneen viel, stak hij het in zijnen helm om er in
13410
geval van nood, pluksel van te maken. Hij nam eenen voetboog van goed
13411
hout der Ardennen, eenen koker met dertig pijlen, een lange dagge,
13412
doch geen tweehandig zweerd, dat een wapen der busschutters was. En hij
13413
kwam naar het strijdperk op zijn handpeerd, dat met den oorlogszadel,
13414
het met pluimen versierde hoofdharnas, en met een ijzeren borstharnas
13415
opgetuigd was.
13416
 
13417
Uilenspiegel koos de uitrusting van een gewapenden ridder: tot rijdier
13418
had hij een ezel; tot zadel de rokken eener deerne; het hoofdharnas
13419
was van wisschen, versierd met wuivende schavelingen. Het borstharnas
13420
van zijn rijdier was van spek, want zeide hij, het ijzer kost te duur,
13421
het staal is buiten prijs en, wat het koper betreft, in de laatste
13422
dagen heeft men er zooveel van noodig gehad om kanonnen te gieten,
13423
dat er niet genoeg meer overblijft om een konijn uit te rusten; tot
13424
hoofddeksel had hij een schoonen saladestruik, dien de slekken nog
13425
niet opgegeten hadden; op de salade stak eene zwanepluim, om hem te
13426
doen zingen als hij soms stierf.
13427
 
13428
Zijn stootdegen was een goede, lange, dikke stok van dennenhout, waarop
13429
een bezem van dennentakken. Aan den linkerkant van zijnen zadel hing
13430
zijn mes, van hout, aan zijne rechterzijde slingerde zijne strijdknots:
13431
een vliertak met eene raap opgestoken. Zijn harnas bestond uit niets
13432
dan gaten, met andere woorden: hij had er geen aan.
13433
 
13434
Als hij, aldus toegetakeld, plechtstatig het strijdperk binnenreed,
13435
schoten de getuigen van Riesencraft in een luiden schaterlach, doch
13436
de Hoogduitscher bleef norsch kijken met zijn bittere tronie.
13437
 
13438
Toen vroegen de getuigen van Uilenspiegel aan die van Riesencraft, dat
13439
de Duitscher zijne uitrusting van maliën en ijzer zou uitdoen, vermits
13440
Uilenspiegel slechts met lompen gepantserd was. Riesencraft stemde
13441
er in toe. Daarop vroegen de getuigen van Riesencraft aan die van
13442
Uilenspiegel hoe het kwam, dat de Vlaming met eenen bezem gewapend was.
13443
 
13444
--Gij liet mij toe den stootdegen door eenen stok te vervangen,
13445
sprak Uilenspiegel, maar gij hebt mij niet verboden de takken er aan
13446
te laten.
13447
 
13448
--Ga maar uw gang, spraken de vier getuigen.
13449
 
13450
Riesencraft zei geen woord, doch kapte, in zijne opgewondenheid,
13451
met zijne stootdegen de schrale heideplanten af.
13452
 
13453
De getuigen zetten hem aan, zijn stootdegen neder te leggen en ook
13454
eenen bezem te nemen, lijk Uilenspiegel.
13455
 
13456
Hij antwoordde:
13457
 
13458
--Als die truwant uit eigen beweging een zoo gemeen wapen koos,
13459
is het dat hij meent daarmede zijn leven te kunnen verdedigen.
13460
 
13461
Daar Uilenspiegel opnieuw verklaarde, dat hij zijnen bezem wilde
13462
gebruiken, drongen de vier getuigen niet verder aan en zeiden zij
13463
dienvolgens, dat alles in regel was.
13464
 
13465
Beiden stonden tegenover elkander: Riesencraft op zijn peerd,
13466
dat met ijzer geharnast, Uilenspiegel op zijnen ezel, die met spek
13467
gepantserd was.
13468
 
13469
Uilenspiegel reed tot in het midden van het veld. Zijnen bezem recht
13470
als eene lans houdend, zeide hij:
13471
 
13472
--Dat gespuis, dat, in het leger van dappere makkers, anders niets
13473
doet dan schuimbekkend van woede, met een zure tronie rond te loopen om
13474
ruzie te zoeken, stinkt erger dan pest, dan melaatschheid en dood. Waar
13475
zij komen, vlucht de lach, versterft het blijde liedeken. Zij moeten
13476
altoos brommen of vechten, en zij vervangen het heilig gevecht
13477
voor het vaderland door het tweegevecht, dat het leger ondermijnt
13478
tot vreugde van den vijand. Riesencraft, hier tegenwoordig, heeft,
13479
om onschuldige poetsen, een en twintig zijner gezellen vermoord,
13480
maar nimmer verrichtte hij zelf, in gevecht of schermutseling,
13481
een schitterende heldendaad of erlangde hij om betoonden moed de
13482
minste belooning. Nu, heden behaagt het mij, het ruige vel van dien
13483
twistzieken hond eens averechts te borstelen.
13484
 
13485
Riesencraft antwoordde:
13486
 
13487
--Die dronkelap heeft schoone dingen hooren vertellen over het
13488
misbruik der tweegevechten; heden behaagt het mij hem het hoofd in
13489
tweeën te klieven, om aan elkeen te toonen, dat er maar hooi in zijne
13490
hersenpan steekt.
13491
 
13492
De getuigen deden hen afstijgen. Uilenspiegel liet van zijn hoofd
13493
den saladestruik vallen, dien de ezel gretig binnensloeg; doch het
13494
grauwtje werd in die bezigheid gestoord door eenen schop van een der
13495
getuigen, om hem buiten de omheining van het strijdperk te drijven. Het
13496
geharnaste peerd ontving mede zijn deel en de beide dieren gingen
13497
eendrachtiglijk grazen in 't ronde.
13498
 
13499
De getuigen van Uilenspiegel, die eenen bezem droegen, en de getuigen
13500
van Riesencraft, die eenen stootdegen voerden, gaven fluitend het
13501
teeken van 't gevecht.
13502
 
13503
En Riesencraft en Uilenspiegel vochten als razenden: Riesencraft sloeg
13504
met zijn stootdegen, Uilenspiegel weerde de slagen af met zijn bezem;
13505
Riesencraft zwoer bij alle duivelen, Uilenspiegel ontweek de slagen,
13506
liep schuins, draaide rechts, keerde links door de heide, stak de tong
13507
uit en zette allerlei vieze gezichten naar Riesencraft, die, ziedend
13508
van woede, buiten adem geraakte en blindelings als een dronkeman in
13509
de lucht kapte. Als Uilenspiegel hem vlak achter zich voelde, keerde
13510
hij zich plotseling om en gaf hem, met zijnen bezem, een forschen
13511
slag onder den neus. Riesencraft viel neder met uitgestrekte armen
13512
en beenen, lijk een kikvorsch op zijn uiterste.
13513
 
13514
Uilenspiegel wierp zich op hem, streek zonder genade den bezem rechts
13515
en averechts over zijn aangezicht en sprak:
13516
 
13517
--Roep om genade, of ik doe u den bezem slikken!
13518
 
13519
En hij wreef en herwreef, tot groot genoegen van de omstanders,
13520
en zeide altijd:
13521
 
13522
--Roep om genade, of ik doe u hem slikken!
13523
 
13524
Maar Riesencraft kon niet meer roepen, want hij was dood van woede
13525
en gramschap.
13526
 
13527
--God hebbe uwe ziel, arme razende! zeide Uilenspiegel.
13528
 
13529
En treurig gestemd, toog hij henen.
13530
 
13531
 
13532
 
13533
 
13534
XIV.
13535
 
13536
Het was het einde van Wijnmaand. Geld ontbrak aan den prins; zijne
13537
soldaten hadden honger. Zij morden; de prins marcheerde naar Frankrijk
13538
en bood den hertog 't gevecht aan, maar deze weigerde het.
13539
 
13540
Uit Quesnoy-le-Comte vertrokken om naar het land van Kamerijk te gaan,
13541
ontmoette hij tien compagnieën Duitschers, acht vendels Spanjaards
13542
en drie kornetten ruiterij, aangevoerd door don Ruffele Henricis,
13543
zoon des hertogen, die te midden van het gevecht in het Spaansch riep:
13544
 
13545
--Slaat dood! Slaat dood! Geen kwartier! Leve de Paus!
13546
 
13547
Don Henricis met zijne mannen, tegenover de compagnie busschutters,
13548
waarbij Uilenspiegel tiendenier was, wierp zich op hen.
13549
 
13550
Uilenspiegel zeide tot den bentserjant:
13551
 
13552
--De tong van dien beul ga ik in tweeën snijden!
13553
 
13554
--Snij maar op, zei de serjant.
13555
 
13556
En met een goed gerichten kogel, verplette Uilenspiegel tong en kaken
13557
van don Ruffele Henricis, zoon van den hertog.
13558
 
13559
Uilenspiegel schoot ook den zoon van den markies Delmares van zijn
13560
peerd.
13561
 
13562
De acht vendels en de drie kornetten werden verslagen.
13563
 
13564
Na die zegepraal zocht Uilenspiegel naar Lamme, in het kamp en in
13565
't ronde, maar hij vond hem niet.
13566
 
13567
--Laas! sprak hij, hij is weg, mijn vriend Lamme, mijn dikke vriend. In
13568
het vuur van den strijd zal hij het gewicht van zijn buik vergeten
13569
en de Spaansche vluchtelingen achternagezet hebben. Buiten adem, zal
13570
hij op den weg gevallen zijn als een zak. En zij zullen hem opgeraapt
13571
hebben, om er losgeld van te trekken; losgeld voor kerstenspek. Vriend
13572
Lamme, waar zijt gij toch, waar zijt gij, mijn arme, vette vriend?
13573
 
13574
Uilenspiegel zocht hem overal, en, hem niet vindend, was hij treurig
13575
gestemd.
13576
 
13577
 
13578
 
13579
 
13580
XV.
13581
 
13582
In de Slachtmaand, de maand der sneeuwstormen, ontbood de Zwijger
13583
Uilenspiegel vóór zich. De prins beet op de koord van zijn maliënhemd.
13584
 
13585
--Luister goed, sprak hij.
13586
 
13587
Uilenspiegel antwoordde:
13588
 
13589
--Mijne ooren zijn gevangenispoorten; men komt er gemakkelijk binnen,
13590
maar uitgeraken is een andere zaak.
13591
 
13592
De Zwijger sprak:
13593
 
13594
--Ga door Namen, Henegouw, Vlaanderen, Zuid-Brabant, Antwerpen,
13595
Noord-Brabant, Gelderland, Overijsel, Noord-Holland overal verkondigen,
13596
dat, zoo het geluk onze heilige en kerstene zaak te lande verlaat,
13597
de strijd tegen onrecht en geweld ter zee voortgezet wordt. God
13598
bestiere genadig deze zaak, in voor- als in tegenspoed. Te Amsterdam
13599
gekomen, zult gij Pauwel Buys, mijn getrouwe, rekenschap geven van
13600
uwe zending. Hier zijn drie passen, door Alva zelven onderteekend en
13601
gevonden op verslagenen te Quesnoy-le-Comte. Mijn schrijver heeft ze
13602
behoorlijk ingevuld. Wellicht vindt gij onderwege een goeden gezel,
13603
in wien gij vertrouwen moogt stellen. Goeden zijn zij, die op 't
13604
gezang van den leeuwerik antwoorden met 't krijgshaftig gekraai van
13605
den haan. Hier zijn vijftig gulden. Wees moedig en trouw.
13606
 
13607
--De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel. En hij
13608
toog henen.
13609
 
13610
 
13611
 
13612
 
13613
XVI.
13614
 
13615
Met oorlof van den koning en van den hertog, mocht hij, naar believen,
13616
alle wapenen dragen. Hij nam zijn goede radbus, patronen, alsmede
13617
droog kruit. Vervolgens trok hij een gescheurd wambuis, een gelapt
13618
opperste kleed en eene hooze met gaten aan; naar Spaansche wijs zette
13619
hij eene toque met wuivende pluim op en gordde een zweerd om. Aldus
13620
verliet hij het leger en stapte naar Maastricht.
13621
 
13622
De winterkoninkjes, voorboden der koude, vlogen rond de huizen, om
13623
eene schuilplaats te zoeken. Den derden dag viel het aan 't sneeuwen.
13624
 
13625
Menigwerf moest Uilenspiegel onderwege zijne vrijgeleide vertoonen. Men
13626
liet hem overal door. Hij zette zijn weg voort naar Luik.
13627
 
13628
Hij kwam in eene vlakte; een hevige wind joeg de vlokken in zijn
13629
gezicht. Vóór zich zag hij de oneindige, witte vlakte, gesluierd door
13630
dwarrelende sneeuwbuien. Drie wolven volgden hem op de hielen; hij
13631
velde er eenen neder met zijne bus; de anderen wierpen zich op den
13632
gewonde, trokken hem vaneen en liepen het bosch in, elk met een stuk.
13633
 
13634
Van dat gezelschap verlost, keek Uilenspiegel of er geen andere bende
13635
in 't veld was. Ten einde de vlakte zag hij meerdere stipjes als
13636
grijze standbeelden, die zich bewogen in den sneeuwstorm, en achter
13637
hen, zwarte gedaanten van soldaten te peerd.
13638
 
13639
Hij klom op eenen boom. De wind bracht een verre geweeklaag
13640
tot hem. "Wellicht", zeide hij in zichzelven, "wellicht zijn het
13641
pelgrims met witte pijen: met moeite zie ik iets van hun lichaam in
13642
de sneeuw." Vervolgens onderscheidde hij menschen, die naakt liepen,
13643
en twee ruiters met zwarte harnassen op groote peerden gezeten,
13644
welke die ellendige kudde met zweepslagen voortdreven. Hij wapende
13645
zijne bus. Onder die ongelukkigen zag hij jongelieden en grijsaards,
13646
naakt, bibberend, verkleumd, ineengedrongen, angstig voortloopend om
13647
de zweep te ontvluchten van de twee soldaten, die, warm gekleed, rood
13648
van brandewijn en goeden kost, er vermaak in schepten, het lichaam
13649
dier naakte menschen tot bloedens toe te striemen, om ze nog sneller
13650
te doen aanstappen.
13651
 
13652
Uilenspiegel sprak:
13653
 
13654
--Gij zult gewroken worden, assche van Klaas.
13655
 
13656
En hij zond een kogel in 't voorhoofd van een der ruiters, die dood
13657
van zijn peerd viel. De andere, die niet wist van waar die onverwachte
13658
kogel kwam, werd bang, en dacht dat vijanden in het bosch verborgen
13659
waren. Hij wilde vluchten met het peerd van zijn makker. Maar terwijl
13660
hij met den teugel van dat dier in de hand van zijn peerd steeg om
13661
het geld van den doode te rooven, werd hij in den hals getroffen door
13662
een anderen kogel en viel hij insgelijks dood ten gronde.
13663
 
13664
De naakten meenden, dat een engel des hemels, een goed schutter,
13665
hun ter hulp kwam, en vielen op de knieën. Toen kwam Uilenspiegel van
13666
zijnen boom en werd erkend door mannen uit den troep, die, als hij,
13667
in het leger des prinsen gediend hadden. Zij zeiden tot hem:
13668
 
13669
--Uilenspiegel, in dezen jammerlijken staat werden wij uit Frankrijk
13670
naar Maastricht gezonden, waar de hertog is, om daar behandeld te
13671
worden als gevangen muitmakers; daar wij geen rantsoen kunnen betalen,
13672
zijn wij van te voren veroordeeld om gefolterd en onthalsd te worden
13673
of, als truwanten en diepers, op de galeien des konings te roeien.
13674
 
13675
Uilenspiegel gaf zijn opperste kleed aan den oudste der bende en sprak:
13676
 
13677
Komt, ik zal U naar Mézières leiden, maar eerst moeten wij dezen
13678
soldaten hunne kleeren uittrekken en hunne peerden meenemen.
13679
 
13680
De wambuizen, hoozen, leerzen en hoeden der soldeniers werden verdeeld
13681
onder de zwaksten en de zieksten, en Uilenspiegel sprak:
13682
 
13683
--Wij gaan in het bosch: daar is het zoo koud niet, de lucht is er
13684
zoeter. Komt, broeders, komt mede.
13685
 
13686
Doch een der mannen viel ten gronde en zuchtte:
13687
 
13688
--Ik sterf van kou en van honger, en vóór God zal ik getuigen, dat
13689
de paus de antichrist is.
13690
 
13691
En hij stierf. De anderen wilden hem meenemen, om hem als kerstenmensch
13692
te begraven.
13693
 
13694
Terwijl zij op de groote baan gingen, zagen zij eenen boer met eene
13695
huifkar. Als hij de naakte menschen zag, kreeg hij medelijden en deed
13696
hij hen in zijne kar komen, waar zij hooi vonden om op te liggen en
13697
ledige zakken om hun schamelheid te bedekken. Zij dankten God, dat
13698
zij warm lagen. Uilenspiegel reed naast de kar op een van de peerden
13699
der soldaten, terwijl hij de andere bij den toom leidde.
13700
 
13701
Te Mézières stapten zij uit de kar; daar gaf men hun goede soep, bier,
13702
brood en kaas, en vleesch aan de ouderlingen en aan de vrouwlieden. En
13703
zij werden geherbergd, gekleed en opnieuw gewapend ten koste van de
13704
gemeente. En tot zegening kusten allen Uilenspiegel, die hen goedhertig
13705
liet begaan.
13706
 
13707
Deze verkocht de peerden der twee ruiters voor acht en veertig gulden,
13708
waarvan hij er dertig aan de verloste gevangenen gaf.
13709
 
13710
Eenzaam voortgaande, sprak hij in zich zelven:
13711
 
13712
--Ik ga langs puinhoopen, dood en bloed, zonder iets te vinden. De
13713
duivelen hebben zeker gelogen. Waar is Lamme? Waar is Nele? Waar zijn
13714
de Zeven?
13715
 
13716
En de assche van Klaas klopte op zijne borst. En hij hoorde eene stem
13717
als een ademtocht fluisteren: "Zoek in dood, puinen en tranen".
13718
 
13719
En hij ging voort.
13720
 
13721
 
13722
 
13723
 
13724
XVII.
13725
 
13726
In de Lentemaand kwam Uilenspiegel te Namen. Hij vond er Lamme, die
13727
groot liefhebber geworden was van visch uit de Maas en hoofdzakelijk
13728
van forellen. Hij had een boot gehuurd en vischte in den stroom met
13729
toelating van de gemeente. Maar hij had vijftig gulden moeten betalen
13730
aan de nering der vischverkoopers.
13731
 
13732
Zijne vangst at hij op of verkocht hij, en aldus herstelde hij de
13733
rondheid van zijnen buik en vergaarde hij een zakje karolussen.
13734
 
13735
Toen hij zijn vriend Uilenspiegel op den oever van de Maas naar de
13736
stadspoort zag stappen, was hij aangenaam verrast; hij stak zijn bootje
13737
naar wal, klaverde den oever op, niet zonder blazen, en kwam naar hem.
13738
 
13739
Stamelend van genoegen, sprak hij:
13740
 
13741
--Zijt gij daar, mijn zoon, want ik mag u zoo noemen: mijn buik is
13742
tweemaal zoo dik als de uwe. Waar gaat gij? Wat doet gij? Gij zijt
13743
toch niet dood? Hebt gij mijne vrouw niet gezien? Gij zult visch uit
13744
de Maas eten, de beste, die in dit tranendal bestaat; hier maken ze
13745
sausen, dat men er de pan bij zou opeten. Gij zijt schoon en vroom,
13746
met uwe kaken gebruind door 't gevecht. Daar is hij eindelijk, mijn
13747
zoon, mijn vriend Uilenspiegel, de lustige zwerver!
13748
 
13749
En stille vroeg hij hem:
13750
 
13751
--Hoeveel Spanjolen hebt gij geknipt? Hebt gij mijne vrouw niet
13752
gezien in hunne karren met loddegen? En gij zult wijn van de Maas
13753
drinken; hij is heerlijk en bevordert de spijsvertering. Zijt gij
13754
gekwetst, mijn zoon? Gij blijft dus hier, frisch, gezond en wel te
13755
pas als een veulen. En de paling moet gij proeven! Niet de minste
13756
grachtsmaak! Omhels mij, mijn vriend! Bij God, wat ben ik tevreden!
13757
 
13758
En Lamme danste, sprong, blies en dwong ook Uilenspiegel tot dansen.
13759
 
13760
Toen stapten zij op naar Namen. Aan de poort van de stad toonde
13761
Uilenspiegel zijn reispas, onderteekend door den hertog van Alva. En
13762
Lamme leidde hem mede naar huis.
13763
 
13764
Terwijl hij den maaltijd bereidde, deed hij hem zijne lotgevallen
13765
verhalen en vertelde hij ook zijn eigen wedervaren. Hij had, zeide hij,
13766
het leger verlaten om een meisje te volgen, dat, naar hij meende, zijne
13767
vrouw was. En zoo was hij tot in Namen gesukkeld. En gedurig vroeg hij:
13768
 
13769
--Hebt gij ze niet gezien?
13770
 
13771
--Ik heb er anderen gezien, met schoone gezichtjes, antwoordde
13772
Uilenspiegel, en dat wèl in deze stede, waar allen verliefd schijnen.
13773
 
13774
--Om de waarheid te zeggen, sprak Lamme, ik kan er krijgen zooveel
13775
als ik wil, maar ik blijf trouw aan mijne vrouw, want mijn jammerend
13776
hert is vervuld van haar aandenken.
13777
 
13778
--Lijk uw buik van menigvuldige gerechten, antwoordde Uilenspiegel.
13779
 
13780
Lamme hernam:
13781
 
13782
--Als ik verdriet heb, moet ik eten.
13783
 
13784
--Is uw verdriet eeuwigdurend? vroeg Uilenspiegel.
13785
 
13786
--Laas ja! sprak Lamme.
13787
 
13788
Meteen trok hij eene forel uit eene kuip.
13789
 
13790
--Zie eens, sprak hij, hoe schoon en hoe vast. Het vleesch is
13791
rooskleurig als dat mijner vrouw. Morgen verlaten wij Namen; ik
13792
heb een vollen zak guldens; wij zullen elk een ezel koopen en naar
13793
Vlaanderen reizen.
13794
 
13795
--Gij zult er veel bij verliezen, sprak Uilenspiegel.
13796
 
13797
--Mijn hert trekt naar Damme, naar de plaats, waar zij mij vurig
13798
beminde. Misschien wacht zij daar.
13799
 
13800
--Vermits gij het wilt, sprak Uilenspiegel, zullen wij morgen
13801
vertrekken.
13802
 
13803
En inderdaad, 's anderen daags kochten zij ezels en reden zij naast
13804
elkander de stad uit.
13805
 
13806
 
13807
 
13808
 
13809
XVIII.
13810
 
13811
Een gure wind blies over de aarde. De lucht, die 's morgens helder
13812
als de jeugd was, werd grijs als de oude dag. Het regende en hagelde.
13813
 
13814
Toen de regen opgehouden had, schudde Uilenspiegel zich, zeggende:
13815
 
13816
--De hemel drinkt zooveel dampen op, dat hij zich soms moet ontlasten.
13817
 
13818
Maar het begon weer te regenen en te hagelen, en nog meer dan de
13819
eerste maal. De twee gezellen waren doornat.
13820
 
13821
Lamme zuchtte:
13822
 
13823
--Wij waren goed gewasschen, nu is men ons aan't spoelen! De zonne
13824
kwam weer te voorschijn en blijgemoed stegen zij weder op hunne ezelen.
13825
 
13826
Doch nu begon het zoo moorddadig te hagelen, dat de droge takken der
13827
boomen als met messen afgekapt werden.
13828
 
13829
Lamme sprak:
13830
 
13831
--Ho! een dak toch! Mijn arme vrouw! Waar zijt gij, goed vuurtje,
13832
zoete kussen en lekkere hutsepot?
13833
 
13834
En hij weende, de dikzak.
13835
 
13836
Doch Uilenspiegel sprak:
13837
 
13838
--Wij jammeren en weeklagen; maar is het niet van ons zelven, dat
13839
al onze kwalen ons komen? Het regent en hagelt op onze schouderen,
13840
doch die winterregen kweekt malsche meiklaver. En de runderen zullen
13841
loeien van genoegen. Wij zijn zonder schuilplaats, maar waarom trouwen
13842
wij niet? Ik toch, ten minste, waarom trouw ik niet met Nele, die zoo
13843
schoon en zoo braaf is, en die mij nu een goeden schotel boonen met
13844
gestoofd vleesch zou voorzetten? Wij hebben dorst, niettegenstaande het
13845
water, dat valt; waarom bleven wij niet bij een zelfde ambacht? Zij,
13846
die meester aanveerd zijn, hebben heele tonnen bruinbier in hunne
13847
kelders.
13848
 
13849
De assche van Klaas klopte op zijn hert, de hemel werd helder, de
13850
zonne schitterde aan het uitspansel en Uilenspiegel sprak:
13851
 
13852
--Mevrouw de Zon, ik zeg u duizendmaal dank, ge komt onze lendenen
13853
verwarmen; assche van Klaas, gij verwarmt ons hert en zegt ons dat
13854
diegenen gezegend zijn, die zwerven voor de verlossing van den bodem
13855
der vaderen.
13856
 
13857
--Ja, maar 'k heb honger, zei Lamme.
13858
 
13859
 
13860
 
13861
 
13862
XIX.
13863
 
13864
Zij trokken eene afspanning binnen, en men gaf er hun te eten in de
13865
kelderkamer. Uilenspiegel opende het venster en zag van daar eene
13866
lochting, in dewelke een minnelijk, poezel meideken wandelde, met
13867
ronden boezem en gouden lokken. Zij had anders niet aan dan een rok,
13868
een wit linnen jakje en een zwart voorschoot met gaatjes.
13869
 
13870
Hemden en ander vrouwenlinnen hingen te drogen; het meisje was steeds
13871
naar Uilenspiegel gekeerd, trok de hemden van de koorden, hing ze
13872
weder op, glimlachte en keek gedurig naar Uilenspiegel.
13873
 
13874
In de nabijheid hoorde Uilenspiegel eenen haan kraaien en zag hij
13875
eene voedster met een kind spelen, wiens gezichtje zij naar eenen
13876
man toekeerde, terwijl zij zeide:
13877
 
13878
--Boelkin, trek oogskens naar vader, toe!
13879
 
13880
Het kind schreide.
13881
 
13882
En het aanvallig meideken bleef in de lochting ronddrentelen en het
13883
linnen afnemen en weder ophangen.
13884
 
13885
--'t Is eene, die aan den hertog verkocht is, sprak Lamme. Het meideken
13886
bracht heure handen voor heure oogen en tusschen de vingeren loerend,
13887
keek ze lachend naar Uilenspiegel.
13888
 
13889
Vervolgens ging zij op een der gespannen koorden zitten en schommelde,
13890
zonder met heure voeten den grond aan te raken. Onder 't schommelen,
13891
liet zij Uilenspiegel heure blanke, ronde armen zien, bloot tot aan
13892
heur schouderen en die de bleeke zonne bestraalde. Op en neder wippend,
13893
bekeek zij hem gestadig. Hij ging buiten om tot heur te gaan. Lamme
13894
volgde hem. Aan de haag van de lochting zocht Uilenspiegel eene
13895
opening om door te geraken, doch te vergeefs.
13896
 
13897
Als het meideken hem zoo bezig zag, gluurde zij nogmaals glimlachend
13898
tusschen heure vingeren.
13899
 
13900
Uilenspiegel wilde door de haag geraken, maar Lamme hield hem met
13901
alle geweld tegen en sprak:
13902
 
13903
--Ga daar niet binnen, 't is eene verklikster, in dienst van den
13904
Spanjaard: wij worden levend verbrand.
13905
 
13906
Toen wandelde het meisje rond in de lochting, met heur voorschoot
13907
over heur gezicht, doch keek door de gaatjes om te zien of heur nieuwe
13908
vriend nog niet kwam.
13909
 
13910
Uilenspiegel wilde met een forsigen wip over de haag springen, doch
13911
hij werd weerhouden door Lamme, die hem, bij zijn been grijpend,
13912
deed vallen en zeide:
13913
 
13914
--Koord, zweerd en galg, 't is eene verklikster, ga niet tot haar,
13915
zeg ik u.
13916
 
13917
Uilenspiegel verweerde zich zoo goed hij kon. Het meideken stak het
13918
hoofd over de haag en riep:
13919
 
13920
--Vaarwel, heer, dat de liefde Uwe Lankmoedigheid onderhoude.
13921
 
13922
En hij hoorde een spottenden schaterlach.
13923
 
13924
--Ha! sprak hij, in mijne ooren steekt dat als duizend speldeprikken!
13925
 
13926
Eene deur werd luidruchtig gesloten.
13927
 
13928
En hij was gansch weemoedig.
13929
 
13930
Lamme, die hem nog altoos vasthield, zeide tot hem:
13931
 
13932
--Met spijt denkt gij aan den verloren schat. Maar 't is eene
13933
verklikster, die u in heur spionnennet zou lokken. En gij merkt het
13934
niet: ik berst van lachen.
13935
 
13936
Uilenspiegel zei geen woord en de beide gezellen stegen weder op
13937
hunne ezelen.
13938
 
13939
 
13940
 
13941
 
13942
XX.
13943
 
13944
Zij reden sprakeloos voort, schrijlings op hun grauwtje gezeten.
13945
 
13946
Lamme kauwde zijn laatsten maaltijd, terwijl hij blijgemoed met volle
13947
teugen de frissche lucht ademde.
13948
 
13949
Plotseling gaf Uilenspiegel hem eenen zweepslag over zijn achterste,
13950
dat met een band rond den zadel lag.
13951
 
13952
--Wat doet gij? riep Lamme jammerend uit.
13953
 
13954
--Wat? vroeg Uilenspiegel.
13955
 
13956
--Die zweepslag, zei Lamme.
13957
 
13958
--Welke zweepslag?
13959
 
13960
--Dien gij mij daar geeft, hervatte Lamme.
13961
 
13962
--Links? vroeg Uilenspiegel.
13963
 
13964
--Ja, links en op mijn achterste. Waarom deedt gij dat, schaamtelooze
13965
nietdeug?
13966
 
13967
--Uit onwetendheid, antwoordde Uilenspiegel. Ik weet heel goed wat
13968
een zweep is, en ook heel goed wat een achterste is, dat op eenen
13969
zadel gespannen zit. Nu, als ik het uwe, breed, gespannen over den
13970
zadel zag steken, zei ik in mijn zelven: Daar men met de vingeren
13971
er niet in kan nijpen, kan het koordeken van de zweep er ook niet op
13972
bijten. Ik was mis, ik beken het rechtuit.
13973
 
13974
Lamme glimlachte op die rede, en Uilenspiegel vervolgde:
13975
 
13976
--Maar ik ben de eenige niet op de wereld, die uit onwetendheid
13977
zondigt, en meer dan één dwaze meester, die zijn overtollig vet op den
13978
zadel eens ezels ten toon spreidt, zou mij daar lessen in geven. Als
13979
mijne zweep zich vergat ten opzichte van uw achterste, vergat gij u
13980
nog meer ten opzichte van mijne beenen, door hun te beletten achter
13981
het meisje te loopen, dat in de lochting mij zoo lodderlijk wenkte.
13982
 
13983
--Aas voor de raven, zei Lamme, 't was dus uit wraaklust?
13984
 
13985
--Een heel klein beetje, antwoordde Uilenspiegel.
13986
 
13987
 
13988
 
13989
 
13990
XXI.
13991
 
13992
Nele leefde bedroefd en eenzaam te Damme bij Katelijne, die om den
13993
ijskouden duivel riep, maar dewelke niet kwam.
13994
 
13995
--Ach! zei ze, gij zijt rijk, Hansken, en zoudt mij de zevenhonderd
13996
karolussen kunnen terugbrengen. Soetkin zou op aarde terugkomen en
13997
Klaas zou tevreden zijn in het hemelrijk; gij moet ze teruggeven. Doe
13998
het vuur weg, de ziel wil er uit, maak een gat, mijn ziel wil er uit.
13999
 
14000
En gedurig wees zij met den vinger naar de plaats, waar het werk heur
14001
hoofd verbrand had.
14002
 
14003
Katelijne was nu zeer arm, doch de buren stonden haar bij met boonen,
14004
met brood en met vleesch, al naarvolgens hunne middelen. Ook de
14005
disch gaf heur wat geld. En Nele naaide voor de rijke poorteressen,
14006
ging uit strijken en verdiende aldus een gulden per week.
14007
 
14008
En Katelijne riep altoos:
14009
 
14010
--Maak een gat, laat mijne ziel er uit. Zij klopt om buiten te
14011
zijn. Hij zal de zevenhonderd karolussen teruggeven.
14012
 
14013
En weenend aanhoorde Nele heur waanzinnige reden.
14014
 
14015
 
14016
 
14017
 
14018
XXII.
14019
 
14020
Doch Uilenspiegel en Lamme, met hunne reispassen op zak, trokken een
14021
kleine taveerne binnen, tegen de rotsen der Samber gebouwd, die op
14022
sommige plaatsen met boomen bedekt zijn. En boven de deur stond te
14023
lezen: Bij Marlaire.
14024
 
14025
Zij dronken menige bottel wijn van de Maas, bereid naar de wijze van
14026
Bourgondië, en aten veel waterzooi; daarna begonnen zij te praten met
14027
den baas, een eersten paapschgezinde, maar die gestadig heimelijk
14028
knipoogde, en babbelde als een ekster, ter oorzake van den wijn,
14029
dien hij gedronken had.
14030
 
14031
Uilenspiegel, die in de gaten had dat achter dat knipoogen iets
14032
schuilde, deed hem nog meer drinken, zoodat de weerd begon te dansen
14033
en te schaterlachen. Vervolgens kwam hij weer aan de tafel zitten
14034
en sprak:
14035
 
14036
--Goede katholieken, ik drink op uwe gezondheid!
14037
 
14038
--Op de uwe! antwoordden Lamme en Uilenspiegel. Op de uitroeiing van
14039
ketters en muitmakers!
14040
 
14041
En Lamme en Uilenspiegel vulden gestadig den beker, dien de weerd
14042
dadelijk weer leeg dronk.
14043
 
14044
--Gij zijt brave lieden, en ik drink op uwe gezondheid. Hoe meer ik
14045
drink, hoe grooter mijn winst is. Waar zijn uwe passen?
14046
 
14047
--Hier, antwoordde Uilenspiegel.
14048
 
14049
--Geteekend door den hertog, sprak de weerd. Ik drink op den hertog!
14050
 
14051
--Wij drinken op de gezondheid van den hertog, antwoordden Lamme
14052
en Uilenspiegel.
14053
 
14054
De weerd vervolgde:
14055
 
14056
--Waarmee vangt men ratten en muizen? Met vallen, niet waar? Wie
14057
is de muis? 't Is de groote Oranjeketter, die rood ziet als 't
14058
vuur van de hel. God is met ons. Zij komen weldra. He! He! laat
14059
ons drinken! Schenkt in; ik kook, ik brand. Laat ons drinken! Heel
14060
schoone gereformeerde predikantjes.... Ik herhaal predikantjes, dapper
14061
en sterk lijk eiken, onze kloeke soldaten.... Laat ons drinken! Gaat
14062
gij met hen mede naar 't kamp van den aartsketter? Reispassen heb ik,
14063
geteekend door hem.... Gij zult hen aan 't werk zien.
14064
 
14065
--Wij gaan mee naar het kamp!
14066
 
14067
Zij zullen er zich deugd doen, en 's nachts, als de gelegenheid
14068
gunstig is (en fluitend maakte de weerd het gebaar van een man, die
14069
een anderen keelt), zal Stalen Wind de meerle Nassau het schuifelen
14070
wel afleeren. Laat ons drinken, laat ons drinken!
14071
 
14072
--Gij zijt een vroolijke kwant, al zijt gij getrouwd, antwoordde
14073
Uilenspiegel.
14074
 
14075
De weerd sprak:
14076
 
14077
--Dat ben ik of was ik nooit. Ik bewaar de geheimen der vorsten. Laat
14078
ons drinken!--Had ik eene vrouw, zij zou ze mij ontstelen op 't
14079
oorkussen, om mij te doen hangen, en weduwe zijn vóór de Natuur het
14080
beliefde. Bij God! Zij komen.... Waar zijn de nieuwe reispassen? Op
14081
mijn christelijk hert. Laat ons drinken! Dáár zijn ze, op driehonderd
14082
stappen van hier, op den weg, nabij Marche-les-Dames. Ziet gij ze? Laat
14083
ons drinken!
14084
 
14085
--Drink, zeide Uilenspiegel, drink; ik drink op de gezondheid van
14086
den koning, van den hertog, van de predikanten, van Stalen Wind; op
14087
uwe gezondheid, op mijne gezondheid, op de gezondheid van den wijn
14088
en op de gezondheid van de bottels! Maar gij drinkt niet....
14089
 
14090
En op elken heildronk vulde Uilenspiegel het glas en ledigde de weerd
14091
het tot den bodem.
14092
 
14093
Uilenspiegel sloeg hem eene wijl gade; toen stond hij recht en
14094
sprak hij:
14095
 
14096
--Hij slaapt, laat ons gaan, Lamme.
14097
 
14098
En toen zij buiten waren, hernam hij:
14099
 
14100
--Hij heeft geene vrouw, die ons zal verraden.... De nacht gaat
14101
vallen.... Hebt gij gehoord wat de schoft gezegd heeft, en weet gij
14102
wie de drie predikanten zijn?
14103
 
14104
--Ja, sprak Lamme.
14105
 
14106
--Gij weet, dat zij van Marche-les-Dames komen langs den oever der
14107
Maas, en dat wij wèl zullen doen, hen op den weg af te wachten,
14108
vóór Stalen Wind blaast.
14109
 
14110
--Ja, zei Lamme.
14111
 
14112
--Wij moeten het leven des prinsen redden, sprak Uilenspiegel.
14113
 
14114
--Wij moeten, zei Lamme.
14115
 
14116
--Hier is mijn bus, sprak Uilenspiegel, ga er mee in het kreupelhout
14117
tusschen de rotsen; laad ze met twee kogels en schiet als ge mij lijk
14118
de raaf hoort krassen.
14119
 
14120
--Ik zal, zei Lamme.
14121
 
14122
En hij verdween in het kreupelhout. En Uilenspiegel hoorde weldra
14123
het gekraak van het rad van de bus.
14124
 
14125
--Ziet gij ze komen? vroeg hij.
14126
 
14127
--Ik zie ze, antwoordde Lamme. Zij zijn gedrieën en gaan als soldaten,
14128
en een hunner is een kop grooter dan de anderen.
14129
 
14130
Uilenspiegel zette zich neer op den weg, de beenen vooruit,
14131
paternosters te mompelen, lijk de bedelaars doen. En zijn hoedeken
14132
lag tusschen zijne knieën.
14133
 
14134
Als de drie predikanten voorbijkwamen, stak hij hun zijn hoedeken
14135
toe. Maar zij legden er niemendal in.
14136
 
14137
Uilenspiegel stond recht en zeide op erbarmelijken toon;
14138
 
14139
--Goede heeren, weigert geen oortje aan een armen werkman, die
14140
laatst in eene steengroef gevallen is en zich de ribben brak. Ze
14141
zijn hardvochtig in deze streek en ze hebben mij niets gegeven,
14142
om mijn ellende te lenigen. Laas! geeft mij een oortje en ik zal
14143
voor u bidden. En God zal uwe bermhertigheid hier op de aarde met
14144
vreugde beloonen.
14145
 
14146
--Mijn zoon, sprak een der predikanten, een sterke vent, voor ons geene
14147
vreugde op aarde, zoolang de Paus en de Inquisitie zullen heerschen.
14148
 
14149
Uilenspiegel zuchtte als hij, en sprak:
14150
 
14151
--Laas! wat zegt gij, mijne heeren? Spreekt stiller, als het u
14152
belieft. Maar geeft mij een oortje.
14153
 
14154
--Mijn zoon, antwoordde een kleine predikant met een strijdlustige
14155
tronie, wij, arme martelaren, hebben maar juist oortjes genoeg om
14156
onderwege onze nooddruft te koopen.
14157
 
14158
Uilenspiegel viel op de knieën.
14159
 
14160
--Zegent mij dan ten minste, sprak hij.
14161
 
14162
De drie predikanten strekten de hand uit over Uilenspiegels hoofd,
14163
maar zonder godsvertrouwen.
14164
 
14165
Doch daar hij merkte dat zij mager waren, en toch dikke buiken hadden,
14166
richtte hij zich op en gebaarde te vallen. En met het voorhoofd tegen
14167
den buik van den grooten predikant botsend, hoorde hij daarin het
14168
vroolijk gerinkel van geldstukken.
14169
 
14170
Toen sprong hij recht en, zijn kruismes trekkend, riep hij:
14171
 
14172
--Goede vaders, het is koel, ik ben dun gekleed, en gij hebt te
14173
veel. Geeft mij van uwe wol, dat ik er mij een mantel van make. Ik
14174
ben Geus! Leve de Geus!
14175
 
14176
De groote predikant antwoordde:
14177
 
14178
--Geus, gij draagt uwen kam te hoog; wij zullen hem kappen.
14179
 
14180
--Kappen! sprak Uilenspiegel; ik zeg u, dat Stalen Wind u, vóór den
14181
prins, zal omverblazen. Geus ben ik, leve de Geus!
14182
 
14183
De drie onthutste predikanten spraken:
14184
 
14185
--Hoe weet hij dat? Wij zijn verraden. Ter dood! Leve de misse!
14186
 
14187
En van onder hunne hooze trokken zij goed aangezette kruismessen uit.
14188
 
14189
Maar zonder hen af te wachten, week Uilenspiegel achteruit, langs
14190
het struikgewas, waarin Lamme verscholen zat.
14191
 
14192
Als hij oordeelde, dat de predikanten binnen het bereik van het schot
14193
waren, riep hij:
14194
 
14195
--Raven, zwarte raven, Looden Wind blaast! Ik zing uwen dood.
14196
 
14197
En hij kraste.
14198
 
14199
Een busschot kwam uit het struikgewas, smeet den grootsten predikant
14200
met zijn gezicht ter aarde. Een tweede schot velde den tweeden.
14201
 
14202
En Uilenspiegel ontwaarde tusschen het struikgewas de goede tronie van
14203
Lamme, en zijn opgeheven arm, die haastiglijk de bus opnieuw laadde.
14204
 
14205
Een blauwe rookwolk steeg op uit het donker struikgewas.
14206
 
14207
De derde predikant viel, als in razernij, op Uilenspiegel aan,
14208
die zeide:
14209
 
14210
--Stalen Wind of Looden Wind, ook gij verhuist naar de andere wereld!
14211
 
14212
En hij greep hem aan en hij stond dapper te weer.
14213
 
14214
Elkaar scherp in het oog houdend, stonden de beide vijanden pal op den
14215
weg, steken toebrengend en afwerend. Uilenspiegel was heel met bloed
14216
bedekt, want zijn tegenstander, behendig soldaat, had hem gekwetst
14217
aan hoofd en been. Maar hij vocht als een leeuw. Het bloed gutste
14218
uit zijn hoofd, en verblindde hem: toch weerde hij af, met groote
14219
achterweertsche passen. Met de linkerhand wischte hij zijn bloed af,
14220
maar zijne krachten verflauwden. Zeker ware hij gedood, hadde Lamme,
14221
met een derde schot, den predikant niet geveld.
14222
 
14223
En een vloek stierf op zijne lippen, terwijl hij bloed en doods-schuim
14224
braakte.
14225
 
14226
En opnieuw steeg een blauwe rookwolk uit het struikgewas, waartusschen
14227
Lamme weer zijne goede tronie zien liet.
14228
 
14229
--Is 't gedaan? vroeg hij.
14230
 
14231
--Ja, mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel, maar kom....
14232
 
14233
Als Lamme te voorschijn kwam, zag hij Uilenspiegel gansch met bloed
14234
bedekt.
14235
 
14236
Ondanks zijnen buik, liep hij als een hert, en kwam bij Uilenspiegel,
14237
die nabij de gedoode mannen zat.
14238
 
14239
--Hij is gekwetst, mijn goede vriend, sprak hij, gekwetst door dien
14240
vuigen moordenaar!
14241
 
14242
En, met een schop, sloeg hij de tanden van een der predikanten stuk.
14243
 
14244
--Gij antwoordt niet, Uilenspiegel, hernam hij; gaat gij sterven? Waar
14245
is de balsem? Ha, in de weitasch, onder de worsten.
14246
 
14247
... Uilenspiegel, hoort gij mij niet? Laas, ik heb geen warm
14248
water om uwe wonden te wasschen, en er is geen middel om er
14249
te krijgen. Maar ik haal water uit de Samber. Spreek toch, mijn
14250
vriend. Gij zijt toch zóó erg niet gekwetst? Hier, een weinig koud
14251
water, niet waar? Ha, hij wordt wakker. Ik ben het, uw vriend; ze
14252
zijn allemaal dood. Linnen! linnen om zijne wonden te verbinden! Er
14253
is er geen. Ha! mijn hemd!
14254
 
14255
Lamme kleedde zich uit en vervolgde:
14256
 
14257
--Aan stukken, het hemd! Het bloed is gestelpt. Mijn vriend zal niet
14258
sterven.... 't Is koeltjes, zoo bloot in de vinnige lucht. Ik ga mij
14259
weer aankleeden. Hij zal niet sterven. Ik ben het, Uilenspiegel, ik, uw
14260
vriend Lamme. Hij glimlacht. Ik ga de moordenaars aftasten. Zij hebben
14261
guldens in hunnen buik. Ja, zij hebben gouden darmen: karolussen,
14262
daalders, lammeren, florijnen, oortjes en brieven! Wij zijn rijk! Meer
14263
dan driehonderd karolussen voor ons getweeën. Wij zullen de wapenen
14264
nemen en 't geld. Stalen Wind zal niet blazen voor den edelen prins!
14265
 
14266
Uilenspiegel klappertandde door de koude, en stond op.
14267
 
14268
--Daar zijt gij op de beenen! sprak Lamme.
14269
 
14270
--Door de kracht van den balsem, antwoordde Uilenspiegel.
14271
 
14272
--Balsem van dapperheid! zeide Lamme.
14273
 
14274
Vervolgens sleepte hij de lijken van de predikanten een voor een
14275
voort, en smeet ze in een hol, tusschen de rotsen, met hunne wapenen
14276
en hunne kleederen, behalve den mantel.
14277
 
14278
In de lucht fladderden de raven, krassend van ongeduldige vraatzucht.
14279
 
14280
En de Samber vloeide als een stalen stroom, onder den grauwen hemel.
14281
 
14282
En de sneeuw viel en wischte de bloedvlekken uit. Maar toch waren
14283
zij ongerust en bekommerd.
14284
 
14285
Lamme sprak:
14286
 
14287
--Ik dood liever een kieken dan een mensch.
14288
 
14289
En zij stegen weder op hunne ezels.
14290
 
14291
Aan de poorten van Hoei, bloedden de wonden nog altijd; de vrienden
14292
gebaarden daar twist te krijgen, stegen van hunne ezels en schermden
14293
met hunne kruismessen. Na het gevecht, dat zeer wreed in schijn was,
14294
stegen zij weder op hunne dieren en kwamen binnen de stede, nadat
14295
zij aan de poorten hunne reispassen hadden getoond.
14296
 
14297
Toen de vrouwen Uilenspiegel gekwetst en Lamme zegevierend op zijn
14298
ezel zagen, keken zij met teeder medelijden naar Uilenspiegel en
14299
dreigden zij Lamme met de vuist, zeggende:
14300
 
14301
--Dáár is de deugniet, die zijn vriend schier vermoordde.
14302
 
14303
Lamme, ongerust, keek of hij onder haar zijn vrouwtje niet vond.
14304
 
14305
Hij zocht te vergeefs, wat hem in een weemoedige stemming bracht.
14306
 
14307
 
14308
 
14309
 
14310
XXIII.
14311
 
14312
--Waar gaan wij henen? vroeg Lamme.
14313
 
14314
--Naar Maastricht, antwoordde Uilenspiegel.
14315
 
14316
--Maar, mijn zoon, men zegt dat het leger des hertogen rond Maastricht
14317
samengebracht is en dat Alva zelf in die stede verblijft. Onze
14318
reispassen zullen niet voldoende zijn. En al hadden de Spaansche
14319
soldeniers er mede genoegen, wij zouden niettemin in de stad gehouden
14320
en ondervraagd worden. Ondertusschen zouden zij den moord van de
14321
predikanten vernemen en zouden wij aan het leven vaarwel mogen zeggen.
14322
 
14323
Uilenspiegel antwoordde:
14324
 
14325
--De raven, uilen en gieren zullen al het vleesch aftrekken, zoodat
14326
hun aangezicht onkennelijk zal geworden zijn. Wat onze passen betreft,
14327
die zouden wel goed zijn; maar als men den moord vernam, zouden wij
14328
gewis, zooals gij zegt, aangehouden worden. Daar wij te Maastricht
14329
wezen moeten, zullen wij over Landen trekken.
14330
 
14331
--Ze zullen ons ophangen, zei Lamme.
14332
 
14333
--We zullen er wel door geraken, antwoordde Uilenspiegel.
14334
 
14335
Aldus koutend kwamen zij in de afspanning de Ekster, waar zij goed
14336
eten, goede slaping en hooi voor hunne ezelen vonden.
14337
 
14338
's Anderen daags begaven zij zich op weg naar Landen.
14339
 
14340
Toen zij omtrent een groote hoeve, nabij de stad kwamen, floot
14341
Uilenspiegel als de Leeuwerik, en dadelijk antwoordde daarop, van
14342
binnen, een helder hanengekraai. Een cijnzenaar met een goedig gezicht
14343
verscheen op den drempel der hoeve. Hij riep hun toe:
14344
 
14345
--Vrienden, leve de Geus! komt binnen.
14346
 
14347
--Wie is dat? vroeg Lamme.
14348
 
14349
Uilenspiegel antwoordde:
14350
 
14351
--Thomas Utenhove, de dappere hervormde; de knechts en dienstmaagden
14352
zijner hoeve ijveren als hij voor het vrije geweten.
14353
 
14354
Utenhove sprak toen:
14355
 
14356
--Gij zijt zendelingen des prinsen. Eet en drinkt.
14357
 
14358
En de hesp siste in de pan en de worsten insgelijks; en de wijn werd
14359
opgebracht en de glazen gevuld. En Lamme dronk als een tempelier en
14360
liet zich de spijzen goed smaken.
14361
 
14362
De knechts en meiden van de hoeve kwamen beurtelings voor de
14363
halfgeopende deur kijken, om hem met de tanden te zien werken. En de
14364
mannen zeiden, begeerig, dat zij wel zooveel zouden eten als hij.
14365
 
14366
Op het einde van den maaltijd, sprak Thomas Utenhove:
14367
 
14368
--Honderd boeren zullen deze week van hier vertrekken; zij zeggen
14369
dat zij aan de dijken van Brugge en omstreken gaan werken. Zij reizen
14370
bij troepen van vijf of zes, en langs verschillende wegen. Te Brugge
14371
zullen zij schuiten vinden, die hen over zee naar Emden zullen brengen.
14372
 
14373
--Hebben zij wapenen en geld? vroeg Uilenspiegel.
14374
 
14375
--Elkeen heeft tien gulden en een hertsvanger, antwoordde Utenhove.
14376
 
14377
--God en de prins zullen U loonen!
14378
 
14379
--Ik behoef geene belooning; wat ik doe, doe ik uit overtuiging,
14380
zeide Utenhove.
14381
 
14382
--Vriend gastheer, vroeg Lamme, die dikke zwarte pensen aan 't peuzelen
14383
was, hoe krijgt gij ze zoo geurig, zoo smakelijk en zoo fijn van vet?
14384
 
14385
--Wij doen er kaneel en kattenkruid in, antwoordde de gastheer.
14386
 
14387
Vervolgens vroeg hij aan Uilenspiegel:
14388
 
14389
--Hoort Edzard, grave van Friesland, nog steeds tot den aanhang
14390
des prinsen?
14391
 
14392
Uilenspiegel antwoordde:
14393
 
14394
--Openlijk niet, maar toch verleent hij te Emden schuilplaats aan
14395
zijne vaartuigen.
14396
 
14397
En hij voegde er bij:
14398
 
14399
--Wij moeten naar Maastricht.
14400
 
14401
--Dat zult gij niet kunnen, sprak de gastheer; het leger des hertogen
14402
is vóór de stad en in 't ronde.
14403
 
14404
Vervolgens bracht hij hem naar den zolder; daar toonde hij hem van
14405
verre de vendels en kornetten ruiterij en voetvolk, die door het veld
14406
reden en marcheerden.
14407
 
14408
Uilenspiegel sprak:
14409
 
14410
--Ik geraak er wel door, zoo gij, die hier machtig zijt, mij de
14411
toelating geeft tot trouwen. De vrouw moet lieftallig, zachtaardig
14412
en schoon zijn en moet, zoo niet voor altijd, dan toch voor eene week
14413
met mij willen trouwen.
14414
 
14415
Lamme zuchtte en sprak:
14416
 
14417
--Doe dat niet, mijn vriend, zij zou u alleen laten, zonder kommer
14418
voor uw liefdevuur. Uw bed, waarop gij thans zoo vredevol slaapt, zal
14419
eene koets van netelen worden, waaruit de zoete nachtrust vlieden zal.
14420
 
14421
--Ik trouw, antwoordde Uilenspiegel.
14422
 
14423
En Lamme was diep bedroefd, omdat hij niets op de tafel meer vond. Maar
14424
hij ontdekte krakelingen in eene schaal, en hij speelde ze weemoedig
14425
binnen.
14426
 
14427
Uilenspiegel zei tot Thomas Utenhove:
14428
 
14429
--Nu, luister. Bezorg mij eene vrouw, rijk of arm. Ik ga met heur
14430
naar de kerk en doe het huwelijk inzegenen door den pastoor. Deze
14431
geeft ons een huwelijksbewijs, hoewel ongeldig, daar het komt van een
14432
aanhanger der Inquisitie; wij doen er in schrijven, dat wij goede
14433
kerstenen zijn, die gebiecht hebben en ten avondmaal gegaan zijn,
14434
dat wij apostolisch leven volgens de regelen Onzer Heilige Moeder de
14435
Roomsche Kerk,--die heure kinderen verbrandt,--om aldus over ons den
14436
zegen te roepen van Onzen Heiligen Vader den Paus, van de hemelsche
14437
en aardsche heirscharen, van de santen, santinnen, dekenen, pastoors,
14438
monniken, soldeniers, serjanten, hangmannen en andere diepers. Met
14439
dat kostbare bewijs op zak, maken wij de toebereidselen voor de
14440
gebruikelijke speelreis.
14441
 
14442
--Maar de vrouw? vroeg Thomas Utenhove.
14443
 
14444
Die zult gij mij zoeken, antwoordde Uilenspiegel. Ik neem dus twee
14445
speelwagens, die ik versier met sparre- en hulstetakken en papieren
14446
festoen. En ik laat er de mannen in stijgen, die gij den prins
14447
zenden wilt.
14448
 
14449
--Maar de vrouw? vroeg Thomas Utenhove.
14450
 
14451
--Die zal niet ver van hier zijn, antwoordde Uilenspiegel.
14452
 
14453
En zijne rede vervolgend, sprak hij:
14454
 
14455
--Voor den eersten wagen span ik twee uwer peerden, voor den tweeden
14456
onze beide ezelen. Den eersten wagen neem ik in met mijne vrouw,
14457
mijn vriend Lamme, de getuigen; de tweede wagen is bestemd voor de
14458
speellieden. Vervolgens trekken wij er op los, met wuivende vendels
14459
en onder 't geschal van tamboerijnen, pijpen, schalmeien; zingend,
14460
dansend en drinkend, rijden wij in vollen draf de groote baan op,
14461
die naar het galgeveld of naar de vrijheid leidt!
14462
 
14463
--Ik wil u helpen, sprak Thomas Utenhove. Maar de vrouwlieden en
14464
dochteren zullen heure mannen en minnaren willen volgen.
14465
 
14466
--Wij gaan mee op Gods genade, sprak een minzaam meideken, dat het
14467
hoofd binnenstak.
14468
 
14469
--Als het noodig is, zei Thomas Utenhove, kunnen er vier wagens zijn;
14470
aldus zouden wij meer dan vijf en twintig man aan den prins kunnen
14471
sturen.
14472
 
14473
--De hertog zal het kind van de rekening zijn, sprak Uilenspiegel.
14474
 
14475
--En de vloot van den prins zal eenige dappere soldaten meer tellen,
14476
antwoordde Thomas Utenhove.
14477
 
14478
Vervolgens deed hij het klokje luiden, om al zijne knechts en
14479
dienstmaagden samen te roepen.
14480
 
14481
Toen allen vergaderd waren, sprak hij tot hen:
14482
 
14483
--Gij allen, die Zeeuwen zijt, mannen als vrouwlieden, luistert:
14484
Uilenspiegel, de Vlaming, hier tegenwoordig, wil U in bruidsgewaad
14485
door het leger des hertogen brengen.
14486
 
14487
De mannen en vrouwen van Zeeland riepen te gelijk:
14488
 
14489
--Doodsgevaar! wij zijn er bij!
14490
 
14491
En de mannen zeiden tot elkaar:
14492
 
14493
--Voor ons is het een geluk, een land van dienstbaarheid te verlaten
14494
om de vrije zee te bevaren. Als God er vóór is, wie zal er tegen zijn?
14495
 
14496
De vrouwlieden en meidekens spraken:
14497
 
14498
--Wij volgen onze mannen en vrienden. Wij zijn uit Zeeland en zullen
14499
er schuilplaatse vinden.
14500
 
14501
Uilenspiegel wendde zich tot een jong en liefelijk meideken uit den
14502
troep, en zei schertsend:
14503
 
14504
--Met u wil ik trouwen.
14505
 
14506
Doch blozend antwoordde zij:
14507
 
14508
--Ik wil wel; doch alléén in de kerk.
14509
 
14510
De vrouwen spraken lachend tot elkaar:
14511
 
14512
--Heur hert trekt naar Hans, den zoon van den baas. Hij vertrekt
14513
zeker met heur.
14514
 
14515
--Ja, antwoordde Hans.
14516
 
14517
En de vader zei tot hem:
14518
 
14519
--Gij moogt.
14520
 
14521
De mannen trokken hunne beste kleederen aan: fluweelen wambuis en
14522
hooze, met het groot opperste kleed daarboven, en zetten breedgerande
14523
hoeden op 't hoofd, die hen tegen zon en regen zouden beschutten; ook
14524
de vrouwen kleedden zich in feestdos: gebekte zwarte onderbroeken,
14525
geplooide witte halskragen, hemelsblauwe en scharlakenroode
14526
borststukken met goudborduurselen, zwarte wollen rokken met breede
14527
fluweelen banden van dezelfde kleur, zwarte saaien kousen en fluweelen
14528
schoenen met zilveren gespen; op het voorhoofd hadden zij groote
14529
klatermeersen, die de meidekens links en de getrouwde vrouwlieden
14530
rechts droegen.
14531
 
14532
Vervolgens ging Thomas Utenhove naar de kerk, den pastoor verzoeken
14533
Thijlbert, zoon van Klaas, in de wandeling Uilenspiegel geheeten,
14534
dadelijk te willen trouwen met Tanneken Pieters. En meteen stak hij
14535
den pastoor twee rijksdaalders in de hand: de parochiepaap stemde
14536
gereedelijk toe.
14537
 
14538
Dienvolgens begaf Uilenspiegel zich naar de kerk met heel de bruiloft,
14539
en daar trouwde hij, vóór den pastoor, met Tanneken, die zoo schoon
14540
en zoo lief, zoo knap en zoo poezel was, dat hij zich moest inhouden
14541
om niet in heure kaken te bijten, die op twee kriekappeltjes geleken.
14542
 
14543
En hij zeide heur dat hij het maar liet, uit eerbied voor heur lief
14544
en zacht gezichtje. Maar schalksch zei ze:
14545
 
14546
--Wees toch stil, zie eens hoe Hans u beziet; hij zou u vermoorden!
14547
 
14548
En een meideken, dat jaloersch was, zei:
14549
 
14550
Zoek elders, Uilenspiegel, ziet gij niet dat zij bang is voor heuren
14551
minnaar?
14552
 
14553
Lamme wreef in zijne handen en riep:
14554
 
14555
--Ge zult ze toch allen niet hebben!
14556
 
14557
En hij was in zijn schik.
14558
 
14559
Uilenspiegel droeg geduldig zijn lot en keerde met de bruiloft terug
14560
naar de hoeve. Daar dronk men en zong men en deed hij bescheid met
14561
het jaloersche meideken. Hans was er gansch in zijn schik om, maar
14562
Tanneken niet, en de bruidegom van 't meideken evenmin.
14563
 
14564
Rond den middag, bij helderen zonneschijn en terwijl een frisch
14565
windeken woei, reden de wagens voort; ze waren gansch versierd met
14566
bloemen en loover, en met wapperende vendels. En ze vertrokken onder
14567
't blijde geschal van pijpen, schalmeien, tamboerijnen en doedelzakken.
14568
 
14569
In 't kamp van Alva was 't een andere kermis. De posten en
14570
schildwachten bliezen alarm en kwamen achtereenvolgens terug naar
14571
het kamp, zeggende:
14572
 
14573
--De vijand nadert; wij hebben 't gerucht van pijpen en schalmeien
14574
gehoord, en vendels gezien. 't Is een sterke afdeeling ruiterij die
14575
ons zeker in een hinderlaag wil lokken. Het legerkorps is ongetwijfeld
14576
in aantocht.
14577
 
14578
Dadelijk deed de hertog de kampmeesters, kolonels en hoplieden
14579
verwittigen, het leger in slagorde stellen en den vijand verkennen.
14580
 
14581
Plotseling verschenen vier wagens, die op de busschutters toereden. In
14582
de wagens waren de mannen en vrouwen aan 't dansen, bij 't blijde
14583
gerinkel van bottels en glazen en 't luidruchtig geschal van pijpen,
14584
schalmeien, trommelen en doedelzakken.
14585
 
14586
De bruiloft hield halt, en de hertog van Alva kwam zelf toegeloopen
14587
op het gerucht en zag de jonge bruid op een van de wagens en, naast
14588
heur, Uilenspiegel, heuren bruidegom, met zijn hoed vol bloemen; en
14589
al de boeren en boerinnen waren van de wagens gesprongen en dansten
14590
rond het jonge paar, en noodden de soldaten tot drinken.
14591
 
14592
Alva en de zijnen waren grootendeels verwonderd over den eenvoud
14593
dier buitenlieden, die zongen en dansten, te midden van een leger,
14594
dat in slagorde stond.
14595
 
14596
En allen, die in de wagens zaten, schonken wijn aan de Spaansche
14597
soldaten.
14598
 
14599
En de Maranen zwaaiden met de hoeden en juichten hen toe.
14600
 
14601
Als de wijn op was, reden de boeren en boerinnen voort, onder 't
14602
geschal van tamboerijnen, pijpen en doedelzakken. Niemand deed hun
14603
de minste moeilijkheid aan.
14604
 
14605
Integendeel, de soldaten schoten een salvo met hunne bussen.
14606
 
14607
En zoo kwamen zij in Maastricht, waar Uilenspiegel zich verstond
14608
met de hervormden om, door middel van schepen, een grooten voorraad
14609
wapenen en munitie naar de vloot van den Zwijger te zenden.
14610
 
14611
Ook te Landen deden zij hetzelfde.
14612
 
14613
En, als daglooners gekleed, geraakten zij overal door.
14614
 
14615
De list kwam den hertog ter oore; en er werd een liedje op gemaakt,
14616
dat hem gezonden werd, met dit refrein:
14617
 
14618
 
14619
    Bloed-hertog, dwaas-hertog,
14620
    Hebt ge de bruid gezien?
14621
 
14622
 
14623
En telkens dat hij een verkeerde beweging gemaakt had, zongen de
14624
soldaten:
14625
 
14626
 
14627
    De hertog krijgt schele oogen,
14628
    Hij heeft de bruid gezien.
14629
 
14630
 
14631
 
14632
 
14633
XXIV.
14634
 
14635
Afgunst verteerde koning Philippus. In zijn hoogmoed bad hij jammerend
14636
God, dat hij hem de macht zou geven Engeland te overwinnen, Frankrijk
14637
te veroveren, Milaan, Genua en Venetië in te nemen en, meester der
14638
zeeën, heel Europa te gebieden.
14639
 
14640
Hij dacht aan die zegepraal, maar hij lachte niet.
14641
 
14642
Gedurig was hij huiverig; de wijn verwarmde hem niet, noch het
14643
vuur van het welriekend hout, dat altijd brandde in de zaal waar
14644
hij verbleef. Daar zat hij te midden van zoovele brieven, dat men
14645
er wel honderd tonnen mede had kunnen vullen; hij dacht aan de
14646
alleen-heerschappij over gansch de aarde, zooals die uitgeoefend
14647
werd door de Roomsche keizers, en aan den naijver en den haat die
14648
hij zijnen zoon don Carlos toedroeg, sedert deze de plaats van den
14649
hertog van Alva in de Nederlanden had willen innemen. En als hij hem
14650
zag, mismaakt, zot en boosaardig, kwam er een nog grootere haat over
14651
hem. Maar niemand sprak hij er over.
14652
 
14653
Zij, die den koning en zijnen zoon dienden, wisten niet wien zij
14654
't meest moesten vreezen, óf den moordzieken kroonprins, die zijn
14655
dienaren in 't gezicht krabde, òf den gluiperigen koning, die zich
14656
van anderen bediende als hij iemand wilde treffen, en die als eene
14657
hyena leefde van lijken.
14658
 
14659
De dienaren waren verschrikt als ze den een achter den anderen zagen
14660
sluipen, en zeiden, dat men, in 't Escuriaal, weldra van dooden
14661
zou hooren.
14662
 
14663
Weldra vernamen zij, dat don Carlos gevangen gezet was, wegens
14664
hoogverraad. En zij wisten dat verdriet hem verteerde; dat hij door
14665
de staven van zijn kerker had willen kruipen om te vluchten, en zich
14666
aldus het aangezicht had gekwetst.
14667
 
14668
Ook wist men, dat mevrouwe Isabella van Frankrijk, zijne moeder,
14669
gedurig weende.
14670
 
14671
Maar koning Philippus weende niet.
14672
 
14673
Ze kregen mare, dat men don Carlos versche vijgen gegeven had, en dat
14674
hij 's anderen daags zoo zacht gestorven was alsof hij ingesluimerd
14675
was.
14676
 
14677
De dokters zeiden: Zoodra hij de vijgen gegeten had, hield zijn hert
14678
op met kloppen en werden de natuurlijke levensverrichtingen afgebroken;
14679
zijn buik zwol op en zoo gaf hij den geest.
14680
 
14681
Koning Philippus woonde de uitvaart van don Carlos bij, deed hem
14682
begraven in de kapel zijner koninklijke verblijfplaats en eenen steen
14683
op zijn graf leggen, maar hij weende niet.
14684
 
14685
En spottend met het vorstelijk grafschrift, dat in dien steen was
14686
gebeiteld, zeiden de dienaren tot elkander:
14687
 
14688
 
14689
    HIER LIGT BEGRAVEN DEGENE DIE VERSCHE
14690
    VIJGEN AT EN STIERF ZONDER ZIEK TE ZIJN.
14691
 
14692
    A qui jace qui en para desit verdad,
14693
    Morio s'in infirmidad.
14694
 
14695
 
14696
En koning Philippus bezag met ontuchtige blikken de prinses van
14697
Eboli, die getrouwd was. Door drift verteerd, smeekte hij heur en
14698
zij weerstond niet....
14699
 
14700
Mevrouwe Isabella van Frankrijk, die, naar men zeide, don Carlos'
14701
inzichten op de Nederlanden begunstigd had, werd droef en mager. Heur
14702
haar viel uit, met dikke lokken te gelijk. En dikwerf braakte zij,
14703
en de nagelen heurer teenen en vingeren vielen uit. En zij stierf.
14704
 
14705
En koning Philippus weende niet.
14706
 
14707
Het haar van den prins van Eboli viel insgelijks uit. Hij werd droef
14708
en klaagde gedurig. Dan vielen ook zijne nagelen van teenen en vingeren
14709
uit. En hij stierf.
14710
 
14711
En de koning deed hem begraven.
14712
 
14713
En hij betaalde den rouw der weduwe, en weende niet.
14714
 
14715
 
14716
 
14717
 
14718
XXV.
14719
 
14720
In dien tijd kwamen eenige vrouwlieden en meidekens van Damme vragen
14721
aan Nele of zij meibruid wilde zijn en zich wilde verbergen in het
14722
struikgewas, met den bruidegom dien men voor haar vinden zou; want,
14723
zeiden de vrouwen, niet zonder afgunst, geen jongeling van Damme en
14724
't ronde zou u versmaden; allen zouden willen trouwen met u, die
14725
zoo schoon en zoo braaf, zoo jong en zoo frisch blijft: gave van
14726
toovernij, gewis.
14727
 
14728
Nele antwoordde:
14729
 
14730
--Zegt tot de jongelieden, die mij tot huisvrouw zouden begeeren,
14731
dat Nele's hert niet hier is, maar verre, bij hem die ronddoolt om den
14732
grond der vaderen te verlossen. En zoo ik frisch blijf, lijk gij zegt,
14733
is dit geene gave van tooverij, maar van gezondheid.
14734
 
14735
De vrouwen antwoordden:
14736
 
14737
--Katelijne nochtans wordt verdacht.
14738
 
14739
--Hecht geen geloof aan de woorden der boozen, antwoordde
14740
Nele. Katelijne is geene tooveres. De heeren der vierschaar hebben werk
14741
op heur hoofd verbrand, en God heeft heur met uitzinnigheid geslagen.
14742
 
14743
En Katelijne, die in een hoek op de hurken zat, schuddebolde en sprak:
14744
 
14745
--Doe het vuur uit, hij zal terugkomen, Hansken, mijn liefste.
14746
 
14747
De vrouwen vroegen wie het Hansken was, waarvan Katelijne sprak.
14748
 
14749
Nele antwoordde:
14750
 
14751
--De zoon van Klaas, mijn zoogbroeder, dien zij waant verloren te
14752
hebben, sedert God heur zoo wreedelijk trof.
14753
 
14754
En de goede vrouwlieden gaven zilveren oortjes aan Katelijne.
14755
 
14756
En de nieuwe geldstukken die er bij waren, toonde zij eenen, dien
14757
niemand zag, zeggende:
14758
 
14759
--Ik ben rijk, ik heb blinkend geld. Kom, Hansken, mijn liefste;
14760
ik zal uwe koozerijen betalen.
14761
 
14762
En als de vrouwen henen waren, weende Nele in de eenzame hut. En ze
14763
dacht aan Uilenspiegel, die in verre landen doolde en dien ze niet
14764
volgen mocht, en ook aan Katelijne, die steende:--Doe het vuur uit! en
14765
de beide handen op heure borst drukte, om te bedieden, dat het vuur
14766
der uitzinnigheid brandde in heur hoofd en heur lijf.
14767
 
14768
En intusschen verborgen meibruid en meibruidegom zich in het hooge
14769
gras.
14770
 
14771
De jongen, die de meibruid vond, was de koning van 't feest; was het
14772
integendeel een meisje dat den bruidegom vond, dan was zij de koningin
14773
van het meifeest.
14774
 
14775
Nele hoorde van verre de vreugdekreten van knapen en meidekens, toen de
14776
meibruid aan den boord eener gracht, in het hooge gras, werd gevonden.
14777
 
14778
En zij weende als zij dacht aan den zoeten tijd, toen men heur en
14779
heuren vriend Uilenspiegel zocht.
14780
 
14781
 
14782
 
14783
 
14784
XXVI.
14785
 
14786
En Uilenspiegel en Lamme, schrijlings op hunne ezels gezeten,
14787
vervolgden hunnen weg.
14788
 
14789
--Nu, Lamme, luister goed, sprak Uilenspiegel, de Nederlandsche edelen,
14790
naijverig op den prins van Oranje, verrieden de zaak der eedgenooten,
14791
het heilig verbond, het kloekmoedig eedverbond, dat geteekend was
14792
voor het welzijn van den grond onzer vaderen. Egmond en Hoorne waren
14793
ontrouw, doch zij vonden er niet het minste voordeel bij, integendeel;
14794
Brederode is dood; in dezen oorlog blijven ons niets anders over dan
14795
het arme volk van Brabant en Vlaanderen, dat op eerlijke hoofdmannen
14796
wacht om op te rukken; en vervolgens, mijn jongen, de eilanden van
14797
Zeeland en Noord-Holland, waarvan de prins stadhouder is; en verder
14798
nog, op zee, Edzard, graaf van Emden en van Oost-Friesland.
14799
 
14800
--Laas! sprak Lamme, ik word het wel gewaar: wij dwalen rond tusschen
14801
rad, galg en brandstapel, stervend van honger, stikkend van dorst,
14802
zonder hoop ergens ruste te vinden.
14803
 
14804
--'t Is maar een begin, antwoordde Uilenspiegel. Ge moet toch bekennen,
14805
dat ons bestaan heel vroolijk is: wij dooden onze vijanden; wij
14806
spotten met hen, hebben onze tasschen vol florijnen en daalders; wij
14807
zijn goed gevoed met vleesch, met brood en met wijn. Wat wilt gij nog
14808
meer, pluimzak? Willen wij onze ezels verkoopen om peerden te koopen?
14809
 
14810
--Thijl, zeide Lamme, de draf van een peerd is tamelijk hard voor
14811
een man, zoo vollijvig als ik.
14812
 
14813
--Gij kunt u te peerd zetten lijk de boeren, antwoordde Uilenspiegel,
14814
en niemand zal u uitlachen, mits gij gekleed zijt als een boer en
14815
geen zweerd draagt lijk ik, doch enkel eenen verkensspriet.
14816
 
14817
--Maar, vroeg Lamme, zijt gij wel zeker, dat onze passen kunnen dienen
14818
in de kleine steden?
14819
 
14820
--Heb ik geen bewijs van den parochiepaap, sprak Uilenspiegel, met
14821
een groot lakzegel van de kerk, dat er aanhangt met twee perkamenten
14822
steerten; hebben wij ook onze biechtbriefkens niet? De huurlingen en
14823
serjanten des hertogen vermogen niets tegen twee mannen, van zulke
14824
goede papieren voorzien.
14825
 
14826
Lamme antwoordde niet.
14827
 
14828
--En de zwarte paternosters die wij verkoopen? vervolgde
14829
Uilenspiegel. Wij beiden zijn ruiters, gij Vlaming, ik Duitscher,
14830
wij reizen op uitdrukkelijk bevel van den hertog, om de ketters
14831
dezer landen tot het heilig katholiek geloove terug te brengen,
14832
door het verkoopen van gewijde voorwerpen. Aldus zullen wij overal
14833
binnendringen, bij de groote heeren en in de rijke abdijen. En daar
14834
zullen wij rijkelijk onthaald worden. En wij zullen hunne geheimen
14835
ontstelen. Verblijd u van te voren, mijn zachtaardige vriend.
14836
 
14837
--Jongen, sprak Lamme, wat wij doen is werk van spionnen.
14838
 
14839
--Krachtens recht en oorlogswet, antwoordde Uilenspiegel.
14840
 
14841
--Als zij de zaak der drie predikanten vernemen, worden wij
14842
geradbraakt, zei Lamme.
14843
 
14844
Uilenspiegel zong:
14845
 
14846
 
14847
    Leven steekt op mijn Vaandel uit,
14848
    Leven in 't licht der rede.
14849
    Lederen is mijn eerste huid,
14850
    Stalen is mijn tweede.
14851
 
14852
 
14853
Doch Lamme zuchtte:
14854
 
14855
--Ik, ik heb maar één vel, en het is zeer zacht; bij den minsten
14856
daggeslag zou het seffens open liggen. Wij zouden beter doen ons
14857
aan een of ander nuttig ambacht over te leveren, dan aldus van het
14858
een oord naar 't ander te dolen, om al die groote prinsen te dienen,
14859
die, met de voeten in fluweelen muilen, rustig, aan vergulde tafelen,
14860
ortolanen eten. Voor ons de slagen, de gevaren, het gevecht, de regen,
14861
de hagel, de sneeuwstormen en de magere soep van de zwervers; voor
14862
hen, de heerlijke worsten, de vette kapoenen, de geurige lijsters,
14863
de smakelijke ganzen.
14864
 
14865
--Het water komt in uwen mond, mijn zachtaardige vriend, sprak
14866
Uilenspiegel.
14867
 
14868
--Waar zijt gij, nieuwbakken brood, geurige koekebakken, heerlijke
14869
rijstpap? En gij, waar zijt gij, mijn vrouwtje?
14870
 
14871
Uilenspiegel antwoordde:
14872
 
14873
--De assche van Klaas klopt op mijn hert en drijft mij ten
14874
strijde. Maar gij, zachtmoedige Lamme, die den dood van uwen vader
14875
noch uwe moeder moet wreken, noch het verdriet van hen die gij bemint,
14876
nog uw huidige armoede, laat mij alleen gaan, daar waar de plicht
14877
mij roept, zoo de vermoeienissen des oorlogs u afschrikken.
14878
 
14879
--Alleen? sprak Lamme.
14880
 
14881
En hij hield zijn ezel in, die dezen stilstand ten nutte maakte om
14882
zich deugd te doen aan de distelen, waarmede de weg vol stond, zoo
14883
ver het oog reikte. Uilenspiegel's grauwtje bleef insgelijks staan
14884
en nam deel aan 't ezelsfestijn.
14885
 
14886
--Alleen? sprak Lamme. Dát zult gij niet doen; mij alleen laten
14887
ware een groote wreedheid. Alreeds mijne vrouw kwijt, en vervolgens
14888
mijn vriend, dat ware te veel. Ik zal nooit meer klagen, ik beloof
14889
het u. En, als het nu toch moet zijn,--en hij hief kloekmoedig het
14890
hoofd op,--zal ik gaan onder den kogelregen, ja! En in 't midden
14891
der zweerden, ja! vlak in 't gezicht van die leelijke huurlingen,
14892
die bloed zuipen lijk wolven. En mocht ik eens doodelijk getroffen
14893
aan uwe voeten neervallen, begraaf mij dan, mijn vriend Uilenspiegel,
14894
en ziet gij later mijne vrouw weer, zeg heur dat ik gestorven ben,
14895
omdat ik niet leven kon zonder door iemand bemind te wezen.... Neen,
14896
dat zou ik niet kunnen, mijn vriend.
14897
 
14898
En Lamme weende, en Uilenspiegel voelde een krop in de keel.
14899
 
14900
 
14901
 
14902
 
14903
XXVII.
14904
 
14905
In dien tijd verdeelde de hertog zijn leger in twee afdeelingen:
14906
het eerste korps zond hij naar het hertogdom Luxemburg, het ander
14907
naar het markgraafschap Namen.
14908
 
14909
--Dat is eene krijgsbeweging waarvan ik de reden niet gis, sprak
14910
Uilenspiegel, maar 't is mij eender, laat ons vol vertrouwen naar
14911
Maastricht gaan.
14912
 
14913
Toen zij omtrent de stede langsheen de Maas reden, zag Lamme dat
14914
Uilenspiegel aandachtig al de booten bezag, die op den stroom vaarden,
14915
en dat hij eindelijk bleef staan voor eene, met een gebeeldhouwde
14916
meermin op den achtersteven. En die meermin hield een schild vast,
14917
waarop, met gouden letteren op een zwart veld, het teeken I-H-S stond,
14918
het teeken dat Onzen Heer Jezus-Christus bediedt.
14919
 
14920
Uilenspiegel deed teeken tot Lamme om stil te staan, en hij begon
14921
blijgemoed te fluiten als de leeuwerik.
14922
 
14923
Op de boot kwam een man voor, die kraaide als een haan, vervolgens,
14924
toen Uilenspiegel balkte als een ezel en naar het volk wees dat
14925
op de kaai bijeengehoopt stond, insgelijks verschrikkelijk begon
14926
te balken. Op dat geluid spitsten de beide ezelen van Lamme en
14927
Uilenspiegel de ooren en vergezelden zij 't refrein in hunne
14928
moedertaal.
14929
 
14930
Vrouwlieden trokken voorbij en ook mannen die met jaagpeerden opgingen,
14931
en Uilenspiegel zei tot Lamme.
14932
 
14933
--Die schipper spot met ons en met onze ezelen. Als wij hem eens eene
14934
rammeling gaven op zijne boot? Wat dunkt u er van?
14935
 
14936
--Dat hij liever hier kome, zoo hij durft, antwoordde Lamme.
14937
 
14938
Toen sprak eene vrouw:
14939
 
14940
--Als gij niet wilt voortgaan met uwe armen af, uwe ribben gebroken,
14941
uwen snoet aan stukken, laat Sterke Pier dan maar balken zooveel het
14942
hem lust.
14943
 
14944
--Hi han! hi han! hi han! balkte de schipper.
14945
 
14946
--Laat hem maar roepen, zei de vrouw, verleden week zagen wij hem
14947
eene kar, beladen met zware tonnen bier, op de schouderen nemen,
14948
en een andere kar inhouden, waarvoor een sterk Vlaamsch peerd was
14949
gespannen. Dáár, sprak zij, naar eene afspanning wijzend, daar in
14950
den Blauwen Toren, smeet hij, op twintig stappen afstand, zijn mes
14951
door een eiken berd van twaalf duim dik.
14952
 
14953
--Hi han! hi han! ging de schipper voort, terwijl een jongetje
14954
van twaalf jaar op het dek van het schip klom en insgelijks begon
14955
te balken.
14956
 
14957
Uilenspiegel antwoordde:
14958
 
14959
--Uw Sterke Pier kan ons weinig schelen! Hij mag zoo sterk zijn als
14960
hij wil, wij zijn sterker dan hij, en mijn vriend Lamme hier, zou er
14961
twee van zijne dikte binnenspelen, zonder hikken of blazen.
14962
 
14963
--Wat zegt gij, mijn jongen? vroeg Lamme.
14964
 
14965
--De waarheid, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet loochenen
14966
uit zedigheid.
14967
 
14968
En tot de vergaderde menigte vervolgde hij:
14969
 
14970
--Ja, goede mannen, vrouwen en arbeiders, straks zult gij hem zien
14971
te werk gaan met de vuisten en dien fameuzen Sterken Pier met zijnen
14972
neus in het stof duwen.
14973
 
14974
--Zwijg toch, zei Lamme.
14975
 
14976
--Uwe kracht is gekend, antwoordde Uilenspiegel, gij moet niet
14977
loochenen.
14978
 
14979
--Hi han! riep de schipper.
14980
 
14981
--Hi han! kefte het jongetje.
14982
 
14983
Plotseling floot Uilenspiegel opnieuw, welluidend als een kweelende
14984
leeuwerik.
14985
 
14986
En de verrukte mannen, vrouwen en arbeiders vroegen hem waar hij dat
14987
goddelijk vogelgezang had geleerd.
14988
 
14989
--In het hemelrijk, van waar ik kom, antwoordde Uilenspiegel.
14990
 
14991
Vervolgens sprak hij tot den schipper, die niet ophield met balken
14992
en spottend met de vingeren naar hem te wijzen:
14993
 
14994
--Waarom blijft gij daar op uwe boot, nietdeug? Durft gij aan wal
14995
komen om met ons en onze ezels te spotten?
14996
 
14997
--Ja, durft gij? vroeg Lamme.
14998
 
14999
--Hi han! hi han! hi han! ging de schipper maar voort. Heeren
15000
langooren, ik noodig u op mijne boot.
15001
 
15002
--Doe maar altijd lijk ik, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En den
15003
schipper riep hij toe:
15004
 
15005
--Zijt gij Sterke Pier, ik, ik ben Thijl Uilenspiegel. En onze
15006
ezelen, Jef en Jan, kunnen beter balken dan gij, want balken is hunne
15007
moedertaal. Maar op uwe slecht gevoegde berden komen, daarvoor zullen
15008
wij ons wachten. Uwe boot lijkt niet slecht op eene kuip; als een
15009
golfslag haar voortstoot, wijkt zij weer achteruit, en zij kan maar
15010
vooruit lijk de krabben, zijwaarts.
15011
 
15012
--Ja, lijk de krabben! riep Lamme achterna.
15013
 
15014
Toen sprak de schipper tot Lamme:
15015
 
15016
--Wat mompelt gij daar onverstaanbaar tusschen uwe tanden, spekblok?
15017
 
15018
Lamme, die kwaad werd, riep:
15019
 
15020
--Slechte christen, die mij mijn gebrek verwijt, weet dat mijn vet
15021
mijn eigendom is en van voedzame spijzen voortkomt, terwijl gij,
15022
oude, roestige nagel, van niets anders leeft dan van uitgemergelde
15023
haringen, van keerswieken, van stokvischvellen, te oordeelen naar uw
15024
magere beenen, die door uw gescheurde hooze steken.
15025
 
15026
--Die gaan malkander in 't haar vliegen, zeiden de omstanders, vol
15027
ongeduldig genoegen.
15028
 
15029
--Hi han! hi han! riep de schipper.
15030
 
15031
Lamme wilde van zijnen ezel stijgen, om steenen op te rapen en naar
15032
den schipper te werpen.
15033
 
15034
--Met geen steenen smijten, zeide Uilenspiegel.
15035
 
15036
De schipper zeide iets in 't oor van het jongetje, dat naast hem op
15037
de boot aan 't hihannen was.
15038
 
15039
Het knaapje maakte een schuitje los, dat aan de boot vastgemeerd
15040
was en bereikte den oever, door middel van eenen haak, dien hij zeer
15041
behendig hanteerde.
15042
 
15043
Toen hij dicht bij den wal was, riep hij, fier met het hoofd omhoog:
15044
 
15045
--De komplimenten van mijnen baas en hij vraagt of gij op zijne boot
15046
durft komen om tegen hem te vechten met vuisten en voeten. Die mannen
15047
en vrouwlieden zullen getuigen zijn.
15048
 
15049
--Zeker, durven wij, zeide Uilenspiegel op waardige wijze.
15050
 
15051
--Wij nemen het gevecht aan, zeide op zijne beurt Lamme, op
15052
hoogmoedigen toon.
15053
 
15054
Het was om den middag; de handwerkslieden, dijkwerkers, kasseiers,
15055
scheepmakers, de vrouwen met het middageten van heure mannen, de
15056
kinderen die op hunne vaders stonden te zien, dewelke boonen aten met
15057
gekookt vleesch, allen lachten, klapten in de handen bij de gedachte
15058
aan een nakend gevecht en hoopten, met onverholen blijdschap, dat een
15059
der strijders zijn kop zou ingeslagen worden, of deerlijk gehavend
15060
in de vaart zou vliegen, tot groot genoegen van elkeen.
15061
 
15062
--Mijn jongen, zei Lamme, die minder strijdlustig werd, hij gaat ons in
15063
't water smijten.
15064
 
15065
--Wel, laat er u in smijten, sprak Uilenspiegel.
15066
 
15067
--De dikzak wordt benauwd, zei de menigte werklieden en vrouwen
15068
en kinderen.
15069
 
15070
Lamme, altijd op zijnen ezel gezeten, keerde zich naar hen toe en
15071
bekeek ze grammoedig, maar zij jouwden hem uit.
15072
 
15073
--Laat ons op de boot gaan, zei Lamme tot Uilenspiegel, zij zullen
15074
eens zien of ik benauwd ben!
15075
 
15076
Op die woorden werd hij opnieuw uitgejouwd en Uilenspiegel sprak:
15077
 
15078
--Laat ons op de boot gaan.
15079
 
15080
Toen zij van hunne ezels gestegen waren, wierpen zij de teugels naar
15081
het jongetje, hetwelk de grauwtjes vriendelijk streelde en naar eene
15082
plaats leidde, waar distelen groeiden.
15083
 
15084
Vervolgens nam Uilenspiegel een riem, deed Lamme in het schuitje plaats
15085
nemen, wrikte naar de boot, en klom er op door middel eener koord.
15086
 
15087
Lamme, zweetend en blazend, volgde hem en klaverde achter hem op
15088
de boot.
15089
 
15090
Toen Uilenspiegel op het dek van de bark stond, boog hij zich voorover,
15091
alsof hij zijne schoenen wilde toerijgen, en zeide hij eenige woorden
15092
tot den schipper, die glimlachte en pinkoogde, terwijl hij naar
15093
Lamme keek.
15094
 
15095
Vervolgens zond hij hem allerlei scheldwoorden naar het hoofd, hiet
15096
hem deugniet, galgenaas, gevangenisgebroed, papeter, vetbol, en zei:
15097
 
15098
--Dikke walvisch, hoeveel tonnen traan levert gij wel, als men u
15099
eenen steek in den buik geeft?
15100
 
15101
Lamme antwoordde niet, doch vloog eensklaps naar hem als een razende
15102
stier, wierp hem ten gronde en sloeg op hem uit al zijne macht, doch
15103
hij deed hem niet veel zeer, omdat er niet veel kracht in zijne vette
15104
armen stak.
15105
 
15106
De schipper gebaarde dat hij zich verweerde, doch liet hem begaan en
15107
Uilenspiegel zei op snoevenden toon:
15108
 
15109
--Die nietdeug kan maar zien, dat hij ons te drinken betaalt.
15110
 
15111
De mannen, vrouwlieden, arbeiders, die van den oever het gevecht
15112
nagingen, zeiden:
15113
 
15114
--Wie had gedacht dat die dikzak zooveel kracht had?
15115
 
15116
En zij klapten in de handen, terwijl Lamme sloeg gelijk de duivel op
15117
Geeraard. Maar de schipper nam geen andere voorzorg dan zijn aangezicht
15118
te beschutten.
15119
 
15120
Eensklaps zag men Lamme, met zijne knie op de borst van Sterken Pier,
15121
met eene hand hem bij de keel houdend en met de andere omhoog, gereed
15122
om te slaan.
15123
 
15124
--Vraag om genade, schreeuwde hij razend, of ik stoot u dwars door
15125
de berden uwer modderschuit.
15126
 
15127
De schipper kuchte, om te bedieden, dat hij niet kon spreken, en deed
15128
teeken met de hand dat hij om genade vroeg.
15129
 
15130
Lamme hielp grootmoedig zijnen vijand opstaan en, met den rug naar
15131
de toeschouwers, stak hij zijne tong uit naar Uilenspiegel, die in
15132
een schaterlach uitberstte, toen hij Lamme, met het hoofd omhoog,
15133
triomfantelijk met groote stappen op de boot zag over en weer loopen.
15134
 
15135
En de mannen, vrouwlieden, knapen en meidekens, die op den oever
15136
stonden, juichten toe om het meest en riepen:
15137
 
15138
--Leve de overwinnaar van Sterken Pier! 't Is een ijzeren man!
15139
 
15140
En tot elkander zeiden zij:
15141
 
15142
--Hebt gij hem zien slaan met de vuist? Ja, en met een stoot met het
15143
hoofd smeet hij den andere ten gronde. Nu gaan zij drinken om pais
15144
te maken. Sterke Pier komt boven met wijn en met worsten.
15145
 
15146
Inderdaad, Sterke Pier was twee kroezen en een groote pint witten
15147
wijn van de Maas gaan halen. En Lamme en hij gaven elkander de hand
15148
tot teeken van vrede.
15149
 
15150
En Lamme, die als in den hemel was, ter wille van zijne zegepraal en
15151
ook om den wijn en de worsten, vroeg hem, wijzend naar een groote
15152
schouw waaruit een zwarte, dikke rook opsteeg, wat voor stoverije
15153
hij maakte in het ruim.
15154
 
15155
--'t Is oorlogskeuken, antwoordde Sterke Pier met een glimlach.
15156
 
15157
De menigte werklieden, vrouwen en kinderen was uiteengegaan om
15158
zich naar den arbeid of naar huis te begeven, en van mond tot mond
15159
verspreidde zich het gerucht dat een dik man, op eenen ezel gezeten
15160
en vergezeld van een kleinen pelgrim, sterker dan Samson was en dat
15161
men zich wachten moest hem scheef te bezien.
15162
 
15163
Lamme at en dronk, en bezag zegevierend den schipper.
15164
 
15165
Deze zeide eensklaps:
15166
 
15167
--Uwe ezelen vervelen zich ginder.
15168
 
15169
Daarop bracht hij de boot tegen de kaai, ging aan wal, nam een der
15170
ezelen bij de voorpooten en de achterpooten en, het dier dragende
15171
gelijk het kindeken Jezus het lammeken droeg, zette hij het neer op
15172
het dek van de boot.
15173
 
15174
Vervolgens deed hij, zonder hijgen, hetzelfde met den anderen ezel,
15175
waarna hij zeide:
15176
 
15177
--Laat ons drinken!
15178
 
15179
Het jongetje sprong op het dek.
15180
 
15181
En zij dronken.
15182
 
15183
Lamme stond verstomd; hij wist niet goed of hij het wel was, geboortig
15184
uit Damme, welke dien sterken, gespierden man afgerost had, en dorst
15185
hem nog slechts ter sluips bezien en zonder den minsten hoogmoed,
15186
want hij vreesde dat de schipper lust kreeg hem op te pakken gelijk
15187
hij de ezelen opgenomen had, en hem levend in de Maas te smijten,
15188
uit weerwraak.
15189
 
15190
Maar glimlachend noodde de schipper hem nogmaals tot drinken, en Lamme
15191
herstelde zich van zijne vrees en bezag hem opnieuw met zegevierend
15192
zelfvertrouwen.
15193
 
15194
En de schipper en Uilenspiegel bekeken elkander en schoten in een
15195
luiden schaterlach.
15196
 
15197
Intusschen hadden de ezelen, verwonderd zich op een plankenvloer
15198
te gevoelen (iets aan hetwelk zij geenszins gewend waren) den kop
15199
gebogen en de ooren gestreken; zij dorsten niet drinken van schrik.
15200
 
15201
De schipper ging een van de maatjes haver halen, welke hij gaf aan
15202
de peerden die zijne boot voorttrokken, want hij kocht zijne haver
15203
zelf, om door de voerlieden niet bestolen te worden op den prijs van
15204
het voeder.
15205
 
15206
Toen de ezelen het maatje haver zagen, prevelden zij binnensmonds
15207
paternosters van vraatzucht, terwijl zij weemoedig den vloer van de
15208
boot bekeken, want uit vreeze van uit te glijden, dorsten zij geen
15209
stap verzetten.
15210
 
15211
Daarop zei de schipper tot Uilenspiegel en tot zijnen vriend Lamme
15212
Goedzak:
15213
 
15214
--Laat ons naar de keuken gaan.
15215
 
15216
--'t Is oorlogskeuken, zei Lamme ongerust.
15217
 
15218
--Ja, 't is oorlogskeuken, maar zonder vrees moogt gij beneden komen,
15219
mijn overwinnaar.
15220
 
15221
--Ik ben niet bevreesd, sprak Lamme, en ten blijke daarvan zal ik
15222
u volgen.
15223
 
15224
Het jongetje ging naar het roer.
15225
 
15226
Toen zij beneden kwamen, zagen zij overal zakken graan, boonen,
15227
erwten, kool, wortelen en andere groenten.
15228
 
15229
De schipper opende de deur eener smidse en zei:
15230
 
15231
--Vermits gij mannen zijt met kloekmoedig hert, die het gezang kent
15232
van den leeuwerik, die het zinnebeeld der vrijheid is, en het dappere
15233
gekraai van den haan, en 't gebalk van den ezel, dien zachtmoedigen
15234
werker, wil ik u mijne oorlogskeuken toonen. Deze kleine smidse vindt
15235
men in de meeste booten, die op de Maas varen. Ze kan niet verdacht
15236
voorkomen, want zij dient om het ijzerwerk aan boord te herstellen;
15237
doch alle schepen hebben den schoonen voorraad niet, die steekt in
15238
deze kasten.
15239
 
15240
Toen schoof hij eenige steenen weg, die het onderste scheepsruim
15241
bedekten; hij hief eenige planken op en haalde er een dikken bundel
15242
geweerloopen uit, stak dien omhoog als een pluimken en legde hem toen
15243
weder op zijne plaats.
15244
 
15245
Vervolgens toonde hij hun lanspunten, hellebaardijzers, zweerdklingen,
15246
zakjes kogels en kruit.
15247
 
15248
--Leve de geus! sprak hij, hier zijn de boonen en de saus; de kolven
15249
zijn de bouten, de hellebaardijzers zijn de salade, en die geweerloopen
15250
de osseschinkels voor de vrijheidssoep!
15251
 
15252
... Leve de Geus! Waar moet ik al die spijzen brengen? vroeg hij
15253
aan Uilenspiegel.
15254
 
15255
Deze antwoordde:
15256
 
15257
--Naar Nijmegen, waar gij zult binnenvaren met uwe boot nog zwaarder
15258
beladen met echte groenten, die de boeren u brengen te Elsen,
15259
te Stevensweert en te Roermond. En die ook zullen zingen lijk de
15260
leeuwerik, zinnebeeld der vrije mannen, en gij zult ook antwoorden met
15261
een dapper hanengekraai. Gij zult bij dokter Pontus gaan, die omtrent
15262
de Nieuwe Waal woont, hem zeggen, dat gij in de stad komt met groenten,
15263
doch dat gij droogte vreest. Terwijl de boeren met de groenten naar de
15264
markt gaan en ze zoo duur zullen te koop stellen dat niemand ze koopen
15265
wil, zal dokter Pontus u zeggen wat gij met uwe lading wapenen doen
15266
moet. Maar ik denk dat hij u eene zending zal opleggen die niet zonder
15267
gevaar is, en u bevelen de Waal, de Maas of den Rijn af te varen, uwe
15268
groenten te ruilen tegen netten en naar de visschersschuiten te gaan
15269
te Harlingen, alwaar vele matrozen het gezang des leeuweriks kennen,
15270
vervolgens door de wadden, langsheen de kust, naar de Lauwerzee
15271
te varen, de netten te ruilen tegen ijzer en lood, aan uwe boeren
15272
kleederen te geven naar de dracht van de eilanden Marken, Vlieland
15273
of Ameland, een weinig van de kust af te blijven, te visschen en uwe
15274
vangst in te zouten, niet om ze te verkoopen, doch om ze te bewaren,
15275
want zout eten en een goeden pot drinken is geoorloofd in oorlogstijd.
15276
 
15277
--Als het zoo is, sprak de schipper, laat ons drinken!
15278
 
15279
En zij gingen terug naar het dek.
15280
 
15281
Doch Lamme was vol weemoed.
15282
 
15283
--Mijnheer de schipper, sprak hij, gij hebt daar in uwe smidse een zoo
15284
blakerend vuurtje, dat men daar voorzeker den smakelijksten hutsepot
15285
zou koken, dien men droomen kan. Mijn keelgat smeekt luide om soep.
15286
 
15287
--Ik zal u ververschen, sprak de man.
15288
 
15289
En weldra bracht hij een vette soep op, waarin een dikke snee gezouten
15290
hesp was gekookt.
15291
 
15292
Als Lamme eenige lepelen gegeten had, wendde hij zich naar den schipper
15293
en sprak:
15294
 
15295
--Mijne keel is verschroeid, mijne tong brandt af; dat is geen
15296
hutsepot dàt.
15297
 
15298
--Zout eten en dapper drinken is geoorloofd in oorlogstijd, zoo staat
15299
er geschreven, antwoordde Uilenspiegel.
15300
 
15301
De schipper vulde de bekers en sprak:
15302
 
15303
--Ik drink op den leeuwerik, het zinnebeeld der vrijheid!
15304
 
15305
Uilenspiegel sprak:
15306
 
15307
--Ik drink op den haan, die oorlog kraait!
15308
 
15309
Lamme sprak:
15310
 
15311
--Ik drink op de gezondheid mijner vrouw; mocht dorst de welbeminde
15312
nooit kwellen!
15313
 
15314
--Gij gaat langs de Noordzee naar Emden, zei Uilenspiegel tot den
15315
schipper. Emden is eene schuilplaats voor ons.
15316
 
15317
--De zee is groot, sprak de schipper.
15318
 
15319
--Groot voor 't gevecht, antwoordde Uilenspiegel.
15320
 
15321
--God is met ons, zei de schipper.
15322
 
15323
--Wie dan kan tegen ons zijn? hernam Uilenspiegel.
15324
 
15325
--Wanneer vertrekt gij? vroeg Sterke Pier.
15326
 
15327
--Dadelijk, antwoordde Uilenspiegel.
15328
 
15329
--Goede reis en den wind van achteren. Neem dit kruit en deze kogelen.
15330
 
15331
De schipper gaf hun den afscheidskus en deed hun uitgeleide, nadat hij
15332
de beide ezelen als lammekens op zijne schouders aan wal had gebracht.
15333
 
15334
Lamme en Uilenspiegel stegen op hunne grauwtjes en begaven zich op weg.
15335
 
15336
Zij reden naar Luik.
15337
 
15338
--Mijn jongen, vroeg Lamme onderwege aan Uilenspiegel, hoe is het
15339
mogelijk, dat een zoo sterke gespierde kerel zich zoo wreedelijk liet
15340
afrossen door iemand lijk ik?
15341
 
15342
--Dit deed hij, antwoordde Uilenspiegel, opdat de vreeze u zou
15343
voorafgaan in alle oorden, waarheen wij ons zullen begeven. Dat is
15344
een veiliger geleide dan twintig landsknechten te zamen. Wie dan zou
15345
voortaan nog een minachtend woord durven richten tot Lamme den sterke,
15346
tot den zegevierenden Lamme; tot Lamme den stier, die zijn gelijken
15347
niet heeft, die, onder eens iegelijks oogen, met eenen stoot met
15348
den kop, Sterken Pier nedervelde, Sterken Pier, die ezelen op zijne
15349
schouderen draagt alsof het lammekens waren en geheele bierwagens
15350
opheft? Iedereen kent u hier reeds. Gij zijt de geduchte Lamme,
15351
de onoverwinbare Lamme, en in de schaduw uwer bescherming, rijd ik
15352
onbevreesd door. Op den weg, dien wij zullen volgen, zal iedereen
15353
u kennen, niemand zal zich durven vermeten u scheef te bezien en,
15354
gezien de lafheid der mannen, zult gij nergens op uwen weg iets
15355
anders aantreffen dan nederige buigingen, groeten, loftuitingen en de
15356
algemeene achting, ter eere van de spierkracht uwer geduchte vuisten.
15357
 
15358
--Gij spreekt goed, mijn jongen, zeide Lamme, die zich stijf in den
15359
zadel hield.
15360
 
15361
--En ik spreek waarheid, ging Uilenspiegel voort. Ziet gij die
15362
nieuwsgierige gezichten aan de eerste huizen van het dorp? Men toont
15363
elkander Lamme, den schrikverwekkenden overwinnaar. Ziet gij die
15364
mannen u bekijken met afgunst, en die lafhertige weekelingen hunne
15365
muts afnemen voor u? Beantwoord hunne groeten, Lamme; veracht nooit
15366
het zwak van het volk. Zie, de kinderen kennen uwen naam en herhalen
15367
hem met schrik en met eerbied.
15368
 
15369
En Lamme reed fier voorbij, groette rechts, groette links, als een
15370
koning. En de mare zijner dapperheid ging hem vooraf van dorp tot dorp,
15371
van stad tot stad, tot Luik, Chokier, la Neuville, Vezin en Namen,
15372
welke stad zij lieten liggen, ter oorzake van de drie predikanten.
15373
 
15374
En aldus reden zij langen tijd voort, langs rivieren, stroomen en
15375
vaarten. En overal werd het gezang van den leeuwerik beantwoord door
15376
't gekraai van den haan.
15377
 
15378
En overal werden, voor 't werk van de vrijheid, wapenen gegoten,
15379
gesmeed, geslepen, en vervolgens verscheept.
15380
 
15381
En in tonnen, in kisten, in manden, geraakten zij door, aan de tollen.
15382
 
15383
En overal werden goede lieden gevonden, die ze wilden aanveerden en
15384
in verzekerde plaatsen bergen, met het kruit en de kogels, totdat
15385
Gods ure zou slaan.
15386
 
15387
En Lamme reed steeds voort met Uilenspiegel, altijd voorafgegaan
15388
door zijnen roem van onoverwinbaren vuistvechter, tot dusverre dat
15389
hij zelf aan zijn groote kracht begon te gelooven en, hoogmoedig en
15390
strijdlustig geworden, zijnen baard liet groeien.
15391
 
15392
En Uilenspiegel noemde hem: Lamme de Leeuw.
15393
 
15394
Doch Lamme bleef niet standvastig in zijn voornemen, want den vierden
15395
dag begon zijn baard hem onuitstaanbaar te steken.
15396
 
15397
En hij liet het scheermes over zijn zegevierend gezicht strijken, dat
15398
nu weder te voorschijn kwam als de volle maan, met een rooden blos,
15399
gestoofd door het lekkere eten.
15400
 
15401
Aldus kwamen zij te Stokhem.
15402
 
15403
 
15404
 
15405
 
15406
XXVIII.
15407
 
15408
Te Stokhem lieten zij hunne ezelen op stal, en begaven zij zich te
15409
voet naar Antwerpen, welke stede zij bij 't vallen van den avond
15410
binnentrokken.
15411
 
15412
En Uilenspiegel zeide tot Lamme:
15413
 
15414
--Hier is de groote stad, de gansche wereld stapelt hier hare
15415
rijkdommen: goud, zilver, specerijen, goudleder, kostelijke tapijten,
15416
lakens, fluweelen, tieretijnen, wollen en zijden stoffen; boonen,
15417
erwten, granen, vleesch en meel, gezouten huiden; wijn van Leuven, van
15418
Namen, van Luxemburg, van Luik, landwijn van Brussel en van Aarschot,
15419
wijn van Buley, uit den wijngaard omtrent de poort van La Plante,
15420
te Namen, Rijnwijn, heerlijke Spaansche- en Portugeesche wijnen;
15421
druivenolie van Aarschot, die zij Landolium heeten; Bourgondische,
15422
Malvezij- en vele andere wijnen. En de kaaien staan vol koopwaren.
15423
 
15424
... Die rijkdommen der aarde en der menschelijke bedrijvigheid trekken
15425
naar dit oord de schoonste meidekens van de wereld.
15426
 
15427
--Ik geloof, dat gij weer aan 't droomen zijt, sprak Lamme.
15428
 
15429
Uilenspiegel antwoordde:
15430
 
15431
--Onder haar zal ik de Zeven vinden. Er werd mij gezegd:
15432
 
15433
 
15434
    In den dood en in het bloed,
15435
    In de puinen en de tranen,
15436
        Vind de Zeven.
15437
 
15438
 
15439
... Wie dan veroorzaakt meer verderf dan de meisjes van plezier? Is
15440
het niet bij heur dat de arme, waanzinnige mannen hunne schoone,
15441
klinkende en blinkende karolussen verteren? Laten zij niet bij heur,
15442
juweelen, ringen en kettingen; keeren zij niet uitgeschud huiswaarts,
15443
zonder wambuis en soms zonder hemde, terwijl de deernen smeren en teren
15444
met het geld, dat zij hun ontfutseld hebben? Waar is het roode, heldere
15445
bloed, dat in hunne aderen vloeide? Het is preisap geworden. En vechten
15446
de mannen niet tegen elkander met messen, met daggen, met zweerden, tot
15447
den dood, om heure gunst te verkrijgen? De bleeke en bloedende lijken,
15448
die men wegbrengt, zijn lijken van arme, waanzinnige verliefden. Als
15449
de vader knort en gestreng blijft zitten, als zijn witte haren er
15450
witter en stijver uitzien, als uit zijne droge oogen, die branden van
15451
verdriet over het verderf van zijn kind, geene tranen meer vloeien;
15452
als de moeder, stilzwijgend en bleek als de dood, weent alsof voor
15453
haar de wereld nog slechts wee en ramp moest baren, wie dan is de
15454
schuld van dat verdriet, van die tranen? De lustige meidekens beminnen
15455
niemand dan zich zelven en het geld, en heel de denkende, werkende,
15456
zwoegende wereld houden zij aan heure rokken gebonden. Ja, Lamme,
15457
dáár zijn de Zeven, en wij zullen bij de meidekens gaan. Wellicht
15458
vinden wij daar uwe vrouw: zóó vangen wij twee vliegen in één slag.
15459
 
15460
--Ik wil wel, sprak Lamme.
15461
 
15462
Toen was men in de hooimaand, in het midden van den zomer, als de zon
15463
de bladeren der kastanjeboomen roostert, de vogeltjes in het loover
15464
kweelen en de insecten van genoegen gonzen, omdat het gras zoo warm is.
15465
 
15466
Lamme doolde met gebogen hoofde naast Uilenspiegel door de straten
15467
van Antwerpen; hij sleepte zijn lichaam voort, alsof het zwaar als
15468
een huis was.
15469
 
15470
--Lamme, sprak Uilenspiegel, gij ziet er wederom zoo weemoedig uit;
15471
weet gij dan niet dat niets slechter kan zijn voor uw vel? Als gij
15472
volherdt in uw zwarte gedachten, zult gij het verliezen met stukken
15473
en brokken. En dan zal het aangenaam zijn te moeten hooren, als men
15474
van u zal spreken: de schurftige Lamme.
15475
 
15476
--Ik heb honger, sprak Lamme.
15477
 
15478
--Kom eten, zei Uilenspiegel.
15479
 
15480
En samen gingen zij naar de Oude Trappen, waar zij soezels aten en
15481
dobbele kuite dronken, totdat zij hunne bekomst hadden.
15482
 
15483
En Lamme weende niet meer.
15484
 
15485
En Uilenspiegel sprak:
15486
 
15487
--Gezegend zij het goed bier, dat de ziel verkwikt als een dartele
15488
zonnestraal. Gij lacht dat uw buik er van schokt. Zoo zie ik u geerne,
15489
met uwe darmen, die dansen van vreugde.
15490
 
15491
--Mijn vriend, antwoordde Lamme, zij zouden nog meer dansen, zoo ik
15492
het geluk had mijne vrouw weder te vinden.
15493
 
15494
--Wij zullen ze zoeken, zei Uilenspiegel.
15495
 
15496
En zoo kwamen zij in de wijk van het Scheld.
15497
 
15498
--Kijk, zeide Uilenspiegel tot Lamme, kijk naar dit huisje, dat
15499
heel van hout is gemaakt, met schoone, gebeitelde vensteren, waar
15500
kleine ruitjes in steken; kijk naar die gele gordijntjes en die roode
15501
lanteerne. Daar, mijn vriend, achter vier tonnen bruinbier, uitzet,
15502
dobbele kuite en Spaanschen wijn, troont een schoone bazinne van over
15503
de vijftig. Elk jaar, dat de Heer heur vergunt, krijgt zij een nieuwe
15504
laag vet. Op eene der tonnen flikkert eene vetkeers en aan de balken
15505
der zoldering hangt eene lanteerne. Het is daar donker en klaar:
15506
donker voor de liefde en klaar voor 't gelag.
15507
 
15508
--Maar, sprak Lamme, 't is een klooster van duivelsche nonnen, en
15509
uwe bazinne is de abdis.
15510
 
15511
--Ja, sprak Uilenspiegel, zij is het, die, in naam van den heer
15512
Beëlzebub, vijftien liederlijke meidekens leidt op den weg van den
15513
ontucht, en de meidekens vinden eten en schuilplaats bij heur, doch
15514
mogen er niet vernachten.
15515
 
15516
--Kent gij dat huis? vroeg Lamme.
15517
 
15518
--Neen.
15519
 
15520
--Hoe kunt gij er dan van spreken?
15521
 
15522
--Ik ga er uwe vrouw zoeken. Kom mede met mij.
15523
 
15524
--Neen, sprak Lamme, ik heb mij bepeinsd en ga daar niet binnen.
15525
 
15526
--Zoudt gij uwen vriend alleen blootgesteld laten aan de ondernemingen
15527
van die dienaressen van Astarte?
15528
 
15529
--Hij moet er maar niet heen gaan, antwoordde Lamme.
15530
 
15531
--Als hij er nu moet gaan om de Zeven en meteen uwe vrouw te
15532
zoeken? hernam Uilenspiegel.
15533
 
15534
--Ik ging liever slapen, sprak Lamme.
15535
 
15536
--Kom maar mee, zeide Uilenspiegel.
15537
 
15538
En hij opende de deur en duwde Lamme vóór zich binnen.
15539
 
15540
--Zie, sprak hij, daar is de bazinne achter heure tonnen, tusschen twee
15541
keersen: de zaal is groot, met heure zwart geworden eiken zoldering
15542
van bewalmde kepers en planken. Rondom, langsheen de muren, staan
15543
stoelen en hinkende tafelen, dewelke bedekt zijn met glazen, pinten,
15544
bekers, kroezen, kruiken, flesschen, bottels en ander drinkgerief. In
15545
't midden der zaal staan nog tafelen en stoelen, waarop huiken, dat
15546
zijn vrouwenkappen, gulden gordelriemen, fluweelen steltschoenen,
15547
doedelzakken, pijpen en schalmeien liggen. In den hoek is eene ladder,
15548
die naar boven leidt. Een kale bultenaar speelt op eene klavecimbel,
15549
die op glazen pooten staat, om 't geluid van het speeltuig te
15550
vermeerderen. Dans, dikzak. Vijftien schoone meiden zitten op tafelen
15551
of schrijlings op stoelen, in allerlei houding: gebogen, op de zijde
15552
geleund of achterover, of met het hoofd in de hand, naarvolgens
15553
heure grillen; ze zijn gekleed in het wit, in het rood, in allerhande
15554
kleuren, en laten heure bloote armen zien en ook een deel van heuren
15555
boezem. Er zijn er van alle soorten; ze zijn uitgekozen! Van de eenen,
15556
laat het weifelend licht der keersen, dat heure blonde lokken komt
15557
streelen, hare blauwe oogen in het duister, zoodat men er enkel het
15558
vochtige vuur in ziet flikkeren. Anderen zien naar de zoldering en
15559
neuren, op de maat van den vedel, een droeve Duitsche ballade. Anderen
15560
nog, ronde, bruine, dikke, drinken met volle bekers Spaanschen wijn en
15561
toonen heure ronde, tot de schouderen ontbloote armen, en schaamteloos
15562
roepen en tieren de eenen na den anderen en allen te zamen. Hoor wat
15563
ze zeggen: Het is onze mesdag! Heden willen wij niets verdienen! Heden
15564
willen wij geen geld: wij vragen slechts liefde!
15565
 
15566
Toen Lamme zoovele blonde en bruine, frissche en verslenste vrouwen
15567
te gelijk zag, werd hij beschaamd; hij sloeg zijn oogen neder en riep:
15568
 
15569
--Uilenspiegel, waar zijt gij?
15570
 
15571
--Hij heeft dit tranendal verlaten, mijn vriend, sprak een dikke
15572
deerne, die hem bij den arm vatte.
15573
 
15574
--Dit tranendal verlaten? vroeg Lamme.
15575
 
15576
--Ja, zeide zij, driehonderd jaar geleden, in gezelschap van Jacobus
15577
de Coster van Maerlandt.
15578
 
15579
--Laat mij los, sprak Lamme, en nijp mij niet meer.
15580
 
15581
En op droeven toon ging hij voort:
15582
 
15583
--Uilenspiegel, mijn vriend, waar zijt gij? Kom uwen gezel toch
15584
ter hulp.
15585
 
15586
Maar de vrouwen sarden hem meer en meer.
15587
 
15588
--Ik ga dadelijk heen, als gij mij niet gerust laat.
15589
 
15590
--Gij zult niet vertrekken, zeiden zij.
15591
 
15592
--Uilenspiegel, ging Lamme jammerend voort, waar zijt gij dan toch?
15593
 
15594
En zich tot de plaagzieke meiden wendend, ging hij voort:
15595
 
15596
--Juffer, als 't u belieft, trek mij zoo bij mijn haar niet; het is
15597
geene pruik, ik mag het u verzekeren. Hulp! Hulp! Vindt gij mijne ooren
15598
niet rood genoeg, dat gij ze nijpt en er het bloed in doet stijgen? En
15599
die andere, die mij gedurig knippen voor den neus geeft! Gij doet mij
15600
zeer. Laas! wat wrijft gij nu in mijn aangezicht? Een spiegel! Ik
15601
zie zwart als een ovengat. Als gij niet uitscheidt, maak ik mij
15602
kwaad; gij moest beschaamd zijn een armen, weerloozen man aldus te
15603
mishandelen! Laat mij los! Als gij mij eene uur bij mijne hooze, bij
15604
mijn wambuis, rechts, links, langs alle kanten zult gesleurd hebben,
15605
zult gij er vetter om zijn? Ja, ge moogt er zeker van wezen, ik ga
15606
mij kwaad maken.
15607
 
15608
--Hij gaat zich kwaad maken, zeiden zij spottend; hij gaat zich kwaad
15609
maken, zou men niet zeggen! Lach liever, en zing ons een liedeken
15610
van zoete minne.
15611
 
15612
--Ik zal een liedeken zingen van slagen, als gij wilt. Maar nog eens,
15613
laat mij los.
15614
 
15615
--Wie van ons ziet gij 't liefst?
15616
 
15617
--Niemand; noch u, noch eene van de anderen. Ik ga mijne klacht doen
15618
bij den magistraat, en hij zal u doen geeselen.
15619
 
15620
--Hallo, spraken zij, doen geeselen? En zoo wij u vóór de geeseling
15621
eens vastnamen en kusten?
15622
 
15623
--Mij? sprak Lamme.
15624
 
15625
--Ja, u! antwoordden allen.
15626
 
15627
En al de vrouwen, schoone en leelijke, frissche en verslenste, bruine
15628
en blonde, vlogen naar Lamme.
15629
 
15630
Zij smeten zijne toque, zijn opperste kleed omhoog, streelden hem,
15631
kusten hem, zoenden hem uit al heure kracht, daar waar zij konden,
15632
op zijne kaken, op zijnen neus, op zijne maag, in zijnen hals.
15633
 
15634
De bazinne schaterlachte tusschen heure vetkeersen.
15635
 
15636
--Hulp! schreeuwde Lamme, hulp! Uilenspiegel, verlos mij van dat
15637
ongedierte. Laat me los, ik wil van uwe kussen niet weten; ik ben
15638
getrouwd, drommels!, en bewaar al mijne kussen voor mijne vrouw.
15639
 
15640
--Getrouwd, spraken zij, maar daar heeft uwe vrouw veel te veel aan,
15641
aan een man zoo vollijvig als gij. Geef ons wat van uw vet. Een trouwe
15642
vrouw, dat is van doen, doch een trouwe man is een kapoen. God hoede u:
15643
gij moet eene keus doen, of wij geeselen u, op onze beurt.
15644
 
15645
--Ik zal het niet doen, sprak Lamme.
15646
 
15647
--Kies eene uit, spraken zij.
15648
 
15649
--Neen, sprak hij.
15650
 
15651
--Wilt gij mij? vroeg een schoone blonde; bezie mij, ik ben zachtzinnig
15652
van aard, en ik min hem, die mij mint.
15653
 
15654
--Laat mij los, sprak Lamme.
15655
 
15656
--Wilt gij mij? sprak een bekoorlijke meid, met gitzwarte lokken en
15657
een bruine tint, en die overigens door de engelen gemaakt scheen.
15658
 
15659
--Peperkoek lust ik niet, sprak Lamme.
15660
 
15661
--En mij, zult gij mij niet nemen? vroeg een echte reuzin, met een
15662
voorhoofd, dat schier teenemaal bedekt was met heur haar, met dikke
15663
wenkbrauwen, die samen kwamen, met groote, flikkerende oogen, met
15664
dikke, bloedroode lippen, en ook een rood aangezicht, een rooden hals
15665
en roode schouderen.
15666
 
15667
--Van gloeiende steenen heb ik schrik, antwoordde Lamme.
15668
 
15669
--Neem mij, sprak een zestienjarig meideken, met een gezichtje zoo
15670
scherp als dat van een eekhorentje.
15671
 
15672
--Ik houd niet van notenkrakers, antwoordde Lamme.
15673
 
15674
--We zullen hem moeten geeselen, zeiden zij. Waarmede? Met schoone
15675
zweepen van droog leder. En dapper geklitskletst! Het hardste vel is
15676
niet bestand tegen lederen roeden. Neemt tien zweepen van karrelieden
15677
en ezeldrijvers, die zijn de beste,
15678
 
15679
--Hulp! hulp! Uilenspiegel! kreet Lamme.
15680
 
15681
Doch Uilenspiegel antwoordde niet.
15682
 
15683
--Gij hebt geen hert, zuchtte Lamme, terwijl hij zijnen vriend
15684
overal zocht.
15685
 
15686
De zweepen werden aangebracht. Twee van de meidekens begonnen Lamme's
15687
wambuis uit te trekken.
15688
 
15689
--Eilaas! mijn arm vet, dat ik met zooveel moeite vergaarde, gaan
15690
ze mij ongetwijfeld ontnemen met heur striemende zweepen. Maar,
15691
meedoogenlooze wijvekens, mijn vet kan u tot niets dienen, gij kunt
15692
er niet eens sausen van maken.
15693
 
15694
Zij antwoordden:
15695
 
15696
--Wij zullen er keersen van gieten. 't Is toch al iets, klaar te zien,
15697
zonder dat het een oortje moet kosten! Zij, die voortaan zal beweren
15698
dat de keersen uit zweepen voortkomen, zal door een iegelijk aanzien
15699
worden voor een zottinne. Doch wij zullen voor heur aantrekken tot
15700
den dood, en wij zullen meer dan ééne weddenschap winnen. Steekt de
15701
roeden even in den azijn. Doet zijn wambuis uit. Negen uren slaat het
15702
op Sint-Jacobs. Als gij met den laatsten slag geene keus gedaan hebt,
15703
gaan wij er op los!
15704
 
15705
Sidderend jammerde Lamme:
15706
 
15707
Hebt genade en medelijden met mij; ik heb mijne arme vrouwe trouw
15708
gezworen en ik zal mijn eed gestand doen, hoewel ze heel slecht deed,
15709
mij te verlaten. Uilenspiegel, help mij, verlos mij, mijn vriend!
15710
 
15711
Doch Uilenspiegel was te hooren noch te zien.
15712
 
15713
Lamme zeide tot de deernen:
15714
 
15715
--Aanschouwt mij, ik lig aan uwe voeten. Ootmoediger kan mijne
15716
houding niet wezen. Bediedt dit niet genoeg dat ik, als heiligen,
15717
uwe bekoorlijkheden vereer? Gelukzalig hij, die niet getrouwd is en
15718
uwe koozerijen mag genieten! Ik twijfel er niet aan, dat gij hemelsche
15719
genoegens doet smaken, maar slaat mij niet, als 't u belieft.
15720
 
15721
Doch de bazinne, tusschen heure twee keersen gezeten, sprak eensklaps
15722
met donderende en dreigende stemme:
15723
 
15724
--Vrouwen en meidekens, bij alle duivelen uit de helle zweer ik dat,
15725
bijaldien gij, door lachen en koozerijen, dien man niet dadelijk
15726
tot u krijgt, ik de nachtwacht ga halen en u allen in zijne plaats
15727
doe geeselen. Gij verdient geenszins den naam van dienaressen van de
15728
godin der liefde, zoo gij met uwen mond, uwe handen, uwe vurige oogen
15729
niet bij machte zijt de mannen te verleiden. En om uwe onnoozelheid
15730
wordt gij zonder mededoogen gegeeseld!
15731
 
15732
Op die rede, begonnen de vrouwen en meidekens te beven en blonk
15733
Lamme's gezicht van vreugde.
15734
 
15735
--Nu, vrouwtjes, sprak hij schertsend, welke mare brengt gij mede van
15736
het land der striemende zweepen? Ik zal der bazinne de moeite sparen
15737
en zelf om de wacht gaan. Deze zal haren plicht doen en ik wil met
15738
pleizier een handeken toesteken. Alle baten helpen.
15739
 
15740
Doch een aanvallig meideken van een vijftiental jaren viel op hare
15741
knieën vóór Lamme.
15742
 
15743
--Heer, sprak zij, gij ziet mij hier wel nederig en gelaten vóór uwe
15744
voeten; doch als gij niemand onzer wilt kiezen, moet ik om uwent wille
15745
gegeeseld worden; is dat rechtveerdig? En de bazinne daar, zal mij in
15746
een leelijken, donkeren kelder steken, onder de Schelde, waar het water
15747
van de muren zijpelt en waar ik slechts roggebrood te eten zal krijgen.
15748
 
15749
--Zou zij werkelijk om mijnent wille gegeeseld worden, mevrouw de
15750
bazinne? vroeg Lamme onthutst.
15751
 
15752
De bazinne bevestigde:
15753
 
15754
--Tot bloedens toe gegeeseld.
15755
 
15756
Lamme aanschouwde toen het meideken en sprak:
15757
 
15758
--Gij zijt lief, gij zeit frisch, uw blanke schouderen komen als
15759
rozeblaadjes uit op uw kleed; ik wil niet dat die donzige huid,
15760
onder dewelke zulk jeugdig bloed vloeit, lijde onder de slagen der
15761
zweep; dat die heldere, flikkerende oogen weenen ter oorzake van de
15762
smerte der slagen; dat de wakke killigheid des gevangs dat goddelijk
15763
lichaam doe beven. Dienvolgens heb ik liever u te verkiezen, dan te
15764
weten dat gij om mijnent wille geslagen wordt.
15765
 
15766
Het meideken leidde hem mede. En zoo zondigde hij, gelijk hij deed
15767
heel zijn leven, uit goedhertigheid.
15768
 
15769
 
15770
 
15771
 
15772
XXIX.
15773
 
15774
Uilenspiegel en Lamme stapten op naar Gent en kwamen met de
15775
ochtendschemering omtrent Lokeren.
15776
 
15777
Frissche, witte dampen zweefden over de weiden.
15778
 
15779
De beide wandelaars kwamen voorbij eene smidse en Uilenspiegel
15780
schuifelde lijk de leeuwerik, de vogel der vrijheid.
15781
 
15782
En dadelijk vertoonde zich een man met witte, lange haren, vóór de
15783
deur van de smidse, en terstond bootste hij het dapper gekraai van
15784
den haan na.
15785
 
15786
Uilenspiegel zeide tot Lamme:
15787
 
15788
Dat is smid Wasteele, die ploegscharen maakt, het ijzer smeedt als het
15789
warm is om er schoone hekken voor kerkkoren van te verveerdigen, en
15790
zeer dikwijls, 's nachts, wapenen smeedt en slijpt voor de soldaten van
15791
het vrije geweten. Hij is vet noch gezond geworden bij dien dubbelen
15792
arbeid, want hij is bleek als een spook, treurig als een verdoemde,
15793
en zoo mager dat zijne beenderen door zijn vel steken. Hij is nog
15794
niet slapen, zeker heeft hij wederom heel den nacht gewrocht.
15795
 
15796
--Komt binnen, gij beiden, zeide smid Wasteele, en brengt uwe ezelen
15797
op de meersch, achter het huis.
15798
 
15799
Toen Uilenspiegel en Lamme dit gedaan hadden, kwamen zij terug in
15800
de smidse en zagen, dat smid Wasteele al de zweerden in den kelder
15801
bracht, die hij binst den nacht geslepen had, en het werk voor zijne
15802
knechts gereedmaakte.
15803
 
15804
Uilenspiegel met doffe oogen beziende, vroeg hij hem:
15805
 
15806
--Welk nieuws brengt gij van den Zwijger?
15807
 
15808
Uilenspiegel antwoordde:
15809
 
15810
--De Prins is met zijn leger uit de Nederlanden verjaagd, ter oorzake
15811
van de lafheid zijner huurlingen, die roepen: Geld! Geld! als er
15812
te vechten valt. Met zijn trouwe soldaten en zijn broeder, graaf
15813
Lodewijk, trok hij den koning van Navarra en den hugenoten ter hulp;
15814
van daar toog hij naar Duitschland, naar Dillenburg, alwaar vele
15815
vluchtelingen uit de Nederlanden tot hem kwamen. Gij moet wapenen
15816
zenden en het geld dat gij opgehaald hebt, terwijl wij op zee moeten,
15817
om het werk van vrije mannen te verrichten.
15818
 
15819
--Ik zal doen wat mij geheeten wordt, sprak smid Wasteele; ik heb
15820
wapenen en negenduizend florijnen. Maar zijt gij hier niet gekomen
15821
op ezelen?
15822
 
15823
--Ja, zeiden zij.
15824
 
15825
--En hebt gij, onderwege, gene tijding gehad van drie predikanten,
15826
die gedood, uitgeplunderd en in een hol gesmeten werden op de rotsen
15827
van de Maas?
15828
 
15829
--Ja, antwoordde Uilenspiegel met de grootste vrijmoedigheid, die
15830
drie predikanten waren spionnen van den hertog, die betaald waren
15831
om den prins in het verderf te brengen. Wij getweeën, Lamme en ik,
15832
hebben hun het tijdelijke met het eeuwige doen verwisselen. Hun geld
15833
is in ons bezit en hunne papieren insgelijks. Wij zullen er van nemen
15834
wat ons hoeft voor onze reis, de rest zullen wij aan den prins geven.
15835
 
15836
En Uilenspiegel deed zijn wambuis open, alsmede dat van Lamme en trok
15837
er papieren en perkamenten uit.
15838
 
15839
Smid Wasteele las ze en sprak vervolgens:
15840
 
15841
--Zij behelzen plannen van gevecht en van samenzweering. Ik zal ze den
15842
prins doen behandigen, en er zal hem gezegd worden, dat Uilenspiegel
15843
en Lamme Goedzak, zijn trouwe wandelaars, zijn edel leven gered
15844
hebben. Ik ga uwe ezelen doen verkoopen, opdat men U niet aan uwe
15845
rijdieren zou herkennen.
15846
 
15847
Uilenspiegel vroeg aan smid Wasteele of de vierschaar der schepenen
15848
van Namen reeds heure serjanten achter hunne hielen had gezonden.
15849
 
15850
--Ik ga u kond geven van hetgene ik weet, antwoordde Wasteele. Een smid
15851
van Namen, een dappere en overtuigde hervormde, is laatst hier bij
15852
mij geweest, zoogezeid om mij te vragen hem te helpen in het maken
15853
van de hekken, windwijzers en het ander ijzerwerk voor een slot,
15854
dat men omtrent La Plante aan 't bouwen is. De deurwaarder van de
15855
vierschaar der schepenen heeft hem verteld, dat zijne meesters reeds
15856
bijeengekomen waren, en dat de baas eener taveerne alreeds geroepen
15857
was, omdat hij op eenige honderden stappen van de plaats van den
15858
moord woont. Ondervraagd of hij de moordenaars of hen, die hij van den
15859
moord kon verdenken, gezien had, heeft hij geantwoord: "Ik heb boeren
15860
en boerinnen gezien, die op ezelen reden; sommigen bleven op hunne
15861
dieren zitten en vroegen te drinken aan de deur, anderen stegen van
15862
hunne ezelen en kwamen in de gelagkamer, de manslieden dronken bier, de
15863
vrouwen en meidekens mede. Ik zag ook twee dappere mannen, die spraken
15864
van messire van Oranje een kopken kleiner te maken." Terwijl de baas
15865
dit zeide, floot hij, om den steek van een mes in het vleesch van den
15866
hals na te bootsen. "Bij Stalen Wind, zeide hij, zal ik u heimelijk
15867
op de hoogte houden, daar dit in mijne macht is." Hij sprak en werd
15868
losgelaten. Sedert dien tijd hebben de justitieraden ongetwijfeld
15869
brieven gezonden aan de baljuws. De baas zei, dat hij anders niemand
15870
gezien had dan boeren en boerinnen op ezelen; daaruit is te voorzien,
15871
dat men jacht zal maken op allen die men schrijlings op ezelen zal
15872
aantreffen. En de prins heeft u noodig, mijne kinderen.
15873
 
15874
--Verkoop onze ezelen, zeide Uilenspiegel, en de opbrengst kunt gij
15875
voegen bij den oorlogsschat van den prins.
15876
 
15877
De dieren werden verkocht.
15878
 
15879
--Nu moet gij, sprak Wasteele, elk een vrij ambacht hebben, dat tot
15880
geene gilden behoort. Kunt gij vogelkooien en rattenvallen maken?
15881
 
15882
--Ik heb er vroeger veel gemaakt, zeide Uilenspiegel.
15883
 
15884
--En gij? vroeg Wasteele aan Lamme.
15885
 
15886
--Ik, sprak Lamme, ik zal wafelen en oliekoeken verkoopen.
15887
 
15888
Volgt mij; hier zijn heel gereedgemaakte vogelkooien en rattenvallen,
15889
met gereedschap en koperdraad om ze te herstellen en er anderen te
15890
maken. Dit alles werd mij gebracht door een mijner spionnen Dat is voor
15891
u, Uilenspiegel. Gij, Lamme, krijgt een klein komfoor met blaasbalg;
15892
ik zal u ook deeg, spek en olie geven, om uwe wafelen en oliekoeken
15893
te bakken.
15894
 
15895
--Hij is in staat alles zelf op te eten, zei Uilenspiegel.
15896
 
15897
--Wanneer beginnen wij te bakken? vroeg Lamme.
15898
 
15899
Wasteele antwoordde:
15900
 
15901
--Gij zult mij eerst een nacht of twee moeten helpen; alleen kan ik
15902
mijn werk niet afkrijgen.
15903
 
15904
--Ik heb honger, sprak Lamme, is hier niets te eten?
15905
 
15906
--Er is brood en kaas, antwoordde Wasteele.
15907
 
15908
--Zonder boter? vroeg Lamme.
15909
 
15910
--Zonder boter, sprak Wasteele.
15911
 
15912
--Hebt gij bier of wijn? vroeg Uilenspiegel.
15913
 
15914
--Ik zelf drink er nooit, antwoordde Wasteele; doch als gij er hebben
15915
wilt, zal ik er halen in den Pelikaan, hier dichtbij.
15916
 
15917
--Ja, sprak Lamme, en breng meteen wat hesp mee.
15918
 
15919
--Ik zal doen wat gij vraagt, sprak Wasteele, die Lamme met groote
15920
verachting bekeek.
15921
 
15922
Toch bracht hij dobbelen klauwaard en hesp. En, van genoegen, at
15923
Lamme voor vijven.
15924
 
15925
En hij sprak:
15926
 
15927
--Wanneer beginnen wij te werken?
15928
 
15929
--Dezen nacht, sprak Wasteele, maar blijft in de smidse en wees niet
15930
bevreesd voor mijne gasten. Het zijn hervormden lijk gij.
15931
 
15932
--Dat gaat mij, sprak Lamme.
15933
 
15934
's Nachts, als de slaapklokken geluid hadden en de poorten gesloten
15935
waren, deed Wasteele zich helpen door Uilenspiegel en Lamme, om uit
15936
den kelder zware pakken wapenen naar zijne werkplaats te dragen.
15937
 
15938
--Hier zijn, sprak hij, twintig bussen, die moeten hersteld, dertig
15939
lanspunten, die moeten geslepen worden, en lood om vijftienhonderd
15940
kogels te gieten; gij gaat mij helpen.
15941
 
15942
--Met mijn beide handen! antwoordde Uilenspiegel. Waarom heb ik er
15943
geen vier om u behulpzaam te wezen!
15944
 
15945
--Lamme zal ons helpen, sprak Wasteele.
15946
 
15947
--Ja, antwoordde Lamme op jammerlijken toon, want hij viel van den
15948
vaak, ter oorzake van het overvloedig eten en drinken.
15949
 
15950
--Gij zult het lood gieten, sprak Uilenspiegel.
15951
 
15952
--Ik zal, sprak Lamme.
15953
 
15954
Lamme smolt zijn lood en goot zijn kogels, doch grimmig bekeek hij smid
15955
Wasteele, die hem dwong op te blijven, terwijl hij zoo'n slaap had.
15956
 
15957
Hij goot de kogels, maar hij had grooten lust het gesmolten lood over
15958
het hoofd van smid Wasteele te gieten. Doch hij hield zich in. Rond
15959
middernacht werd hij, oververmoeid, door razernij overvallen en,
15960
terwijl smid Wasteele en Uilenspiegel geduldig zweerden, bussen en
15961
lanspunten slepen, hield hij met sissende stem de volgende rede:
15962
 
15963
--Daar staat gij nu, mager, bleek en schraal, met uw vast vertrouwen
15964
in de prinsen en in de grooten der aarde; door overdreven ijver,
15965
veronachtzaamt gij uw lichaam, uw edel lichaam, dat gij laat vergaan
15966
van ellende en zelfvernedering. Daarom is het niet, dat de goede
15967
God u schiep. Vergeet niet dat onze ziel, die de adem des levens is,
15968
boonen, ossevleesch, bier, wijn, hesp, worsten, pensen, alsmede rust
15969
noodig heeft tot haar bestaan; gij, gij leeft van brood, water en
15970
slapeloosheid!
15971
 
15972
--Van waar komt u die ongewone woordenvloed? vroeg Uilenspiegel.
15973
 
15974
--Hij weet niet wat hij zegt, antwoordde Wasteele schokschouderend.
15975
 
15976
Maar Lamme vervolgde:
15977
 
15978
--Ik weet het beter dan gij. Ik zeg dat wij zot zijn, ik, gij en
15979
Uilenspiegel insgelijks, onze oogen te bederven voor al die prinsen
15980
en heeren, die zeker zouden lachen met ons, als zij ons, overvallen
15981
door vermoeienis, den nacht zagen doorbrengen met wapenen te slijpen
15982
en kogels te gieten, te hunnen dienste. Terwijl zij wijn uit gouden
15983
bekers drinken en kapoenen in tinnen schotels eten, vragen zij zich
15984
niet af of hunne vijanden met hunne zeisen onze beenen niet afkappen
15985
en ons in den doodenkuil niet werpen. Intusschen zullen zij, die in
15986
den grond noch hervormden, noch calvinisten, noch lutheranen, noch
15987
katholieken zijn, maar aan God noch duivel gelooven, heerlijkheden
15988
koopen en bemachtigen, het goed van monniken, abten en konventen
15989
inslikken. Alles zal voor hen zijn: en vrouwen en maagden en meidekens;
15990
uit hunne gouden bekers zullen zij drinken op hun eeuwig welzijn,
15991
op onze altijddurende onnoozelheid en op de zeven hoofdzonden, die
15992
zij gedurig bedrijven; ja, smid Wasteele, en dàt onder uwen neus,
15993
die mager is van geestdrift. Aanschouw de velden, de weiden, zie naar
15994
de oogsten, de boomgaarden, de ossen, het goud dat opstijgt uit de
15995
aarde; aanschouw de wilde dieren van de bosschen, de vogelen van de
15996
hemelen, de lekkere ortolanen, de heerlijke lijsters, den kop van
15997
het everzwijn, den bout van den reebok: jacht, vischvangst, aarde,
15998
zee, alles, alles is voor hen! En gij, gij leeft van water en brood,
15999
en wij, wij werken ons dood voor hen, zonder slapen, zonder eten,
16000
zonder drinken! En als wij er onder zullen bezweken zijn, zullen
16001
zij onze lijken uit hunnen weg schoppen en tot onze moeders zeggen:
16002
"Maakt er anderen, deze krengen kunnen ons niet meer dienen."
16003
 
16004
Uilenspiegel lachte goedmoedig zonder iets te zeggen; Lamme blies
16005
van verontweerdiging, doch Wasteele zeide op zachtmoedigen toon:
16006
 
16007
--Gij spreekt lichtzinnig. Ik leef niet voor hesp, voor bier, noch
16008
voor ortolanen, maar voor de zegepraal van het vrije geweten. Voor de
16009
vrijheid, doet de prins lijk ik. Hij offert zijn goed, zijne rust,
16010
zijn geluk op om de beulen en de dwingelandij uit de Nederlanden
16011
te verdrijven. Doe lijk hij en tracht mager te worden. Het is niet
16012
met den buik dat men de volkeren redt, maar met fieren moed en met
16013
geduldige vermoeienis. En nu,... ga maar slapen, zoo gij vaak hebt.
16014
 
16015
Maar Lamme wilde niet slapen gaan, want de smid had hem beschaamd.
16016
 
16017
En gedrieën slepen zij wapenen en smolten zij kogelen tot den dageraad.
16018
 
16019
En dit drie nachten achtereen.
16020
 
16021
Toen vertrokken zij naar Gent. Onderwege leurden zij met vogelkooien,
16022
muizenvallen en oliekoeken.
16023
 
16024
Zoo kwamen zij te Meulestede, welks roode daken men van verre ontwaart,
16025
en daar kwamen zij overeen dat elk op zijn eigen hand zou rond gaan
16026
en dat men 's avonds, vóór de slaapklok, malkander zou vinden in de
16027
afspanning den Zwaan.
16028
 
16029
Lamme zwierf door de straten van Gent en verkocht gewetensvol zijne
16030
oliekoeken, want hij kreeg zin in zijn bedrijf, maar toch vergat
16031
hij zijne vrouw niet, want hij zocht ze gedurig, noch zijnen buik,
16032
want hij ledigde menigvuldige pinten en at zonder ophouden.
16033
 
16034
Uilenspiegel had brieven van den prins van Oranje besteld aan Jacob
16035
Scoelap, licentiaat in de medicijnen, aan Lieven Smet, kleermaker,
16036
aan Jan de Wulfslaeger, aan Gillis Coorne, roodverver, en aan Jan de
16037
Roose, ticheldekkker, welke hem het geld ter hand stelden, dat zij
16038
voor den prins opgehaald hadden, en hem zeiden nog eenige dagen te
16039
Gent en in 't ronde te blijven, daar zij hem nog meer zouden geven.
16040
 
16041
Die mannen werden later aan de Nieuwe Galge uit hoofde van ketterije
16042
gehangen, en hunne lijken werden begraven op het Galgeveld, omtrent
16043
de Brugsche poort.
16044
 
16045
 
16046
 
16047
 
16048
XXX.
16049
 
16050
Doch de provoost, de rosse Spelle, met zijne roode roede gewapend,
16051
reed op zijn mager peerd van de eene naar de andere stad, en overal
16052
deed hij schavotten oprichten, brandstapels aansteken, putten delven
16053
om arme vrouwen en meidekens levend te begraven.
16054
 
16055
En de koning erfde.
16056
 
16057
Uilenspiegel zat met Lamme te Meulestede onder eenen boom, en was
16058
naargeestig. Het was killig, niettegenstaande het in de Zomermaand
16059
was. Uit den hemel, vol grijze wolken, viel een fijne hagel.
16060
 
16061
--Mijn vriend, sprak Lamme, 't is nu de vierde nacht dat gij op den
16062
dril zijt en bij de meidekens loopt. Gij slaapt in den Zoeten Inval;
16063
gij zult eindigen lijk de man van het uithangbord, en met uw hoofd
16064
voorop in een bijenkorf vallen. Tevergeefs zit ik op u te wachten in
16065
den Zwaan, en uw losbandig leven voorspelt niets goeds. Waarom neemt
16066
gij geene vrouw in alle eer en deugd?
16067
 
16068
--Lamme, sprak Uilenspiegel, hij voor wien ééne allen is, en voor
16069
wien allen ééne zijn, in dien liefelijken strijd die minne heet,
16070
kan zoo lichtzinnig en in der haast geene keus doen.
16071
 
16072
--En Nele, denkt gij aan heur niet?
16073
 
16074
--Nele is ver van hier, te Damme, zuchtte Uilenspiegel.
16075
 
16076
Terwijl hij steeds op de hurken zat en de hagel duchtig nederviel,
16077
liep een jonge, lieftallige vrouw voorbij, die heuren rok over heur
16078
hoofd had geslagen om zich voor den hagel te beschutten.
16079
 
16080
--He, sprak zij, wat zit gij daar onder dien boom te suffen?
16081
 
16082
--Ik vraag mij af, sprak Uilenspiegel, of ik ooit eene vrouw zal
16083
vinden, die mij onder het dak van heuren rok zal laten schuilen.
16084
 
16085
--Gij hebt ze gevonden, sprak de vrouw, sta op.
16086
 
16087
Uilenspiegel stond recht en ging naar heur toe.
16088
 
16089
--Gaat gij mij weder alleen laten? vroeg Lamme.
16090
 
16091
--Ja, antwoordde Uilenspiegel, doch ga naar den Zwaan, en eet daar
16092
eenen bout, eet hesp en al wat u lust, drink er twaalf pinten bier,
16093
en trek vervolgens naar uw bed; zoodoende ben ik van u ontslagen.
16094
 
16095
--In dien raad steekt iets goeds, zei Lamme.
16096
 
16097
Doch Uilenspiegel hoorde hem niet en was reeds bij de vrouw.
16098
 
16099
--Licht mijn rok langs de eenen kant op, sprak zij, ik zal hem langs
16100
den anderen kant optillen.
16101
 
16102
Toen de rok over hunne hoofden geslagen was, zeide zij:
16103
 
16104
--Laat ons nu loopen.
16105
 
16106
--Waarom loopen? vroeg Uilenspiegel.
16107
 
16108
--Om uit Meulestede te vluchten, sprak zij, de provoost Spelle is
16109
daar met twee beulsknechten en hij heeft gezworen al de onnutte
16110
vrouwen--lijk hij ons heet--te doen geeselen, als zij hem geen vijf
16111
gulden willen betalen. Daarom is 't dat ik loop: kom mede en blijf
16112
bij mij om mij te verdedigen.
16113
 
16114
--Lamme, riep Uilenspiegel van verre, Spelle is te Meulestede! Ga in
16115
aller ijl naar Destelbergen, in de Drie Koningen.
16116
 
16117
Verschrikt, sprong Lamme schielijk op. Hij hield zijnen buik met de
16118
beide handen vast en begon te loopen.
16119
 
16120
--Waar loopt die dikke haas naartoe?
16121
 
16122
--Naar een hol waar ik hem wel zal terugvinden, antwoordde
16123
Uilenspiegel.
16124
 
16125
--Laat ons loopen, zeide zij, terwijl zij als een driftige merrie op
16126
den grond stampte.
16127
 
16128
--Ik zou deugdzaam willen zijn zonder te loopen, antwoordde
16129
Uilenspiegel.
16130
 
16131
--Wat beteekent dat? vroeg zij.
16132
 
16133
Uilenspiegel antwoordde:
16134
 
16135
--Die dikke haas daar wil mij doen verzaken aan den goeden wijn,
16136
aan het gerstesap en aan de donzige huid van de vrouwen.
16137
 
16138
Wantrouwig bezag hem de meid.
16139
 
16140
--Gij hebt korten adem, zeide zij, gij zoudt niet slecht doen te
16141
rusten.
16142
 
16143
--Rusten, antwoordde Uilenspiegel, rusten? Maar ik zie geenerlei
16144
schuilplaats.
16145
 
16146
--Uwe deugd, antwoordde de deerne, zal u tot dekmantel dienen.
16147
 
16148
--Ik verkies uwen rok, zeide hij.
16149
 
16150
--Mijn rok, zeide de deerne, ware onweerdig eenen heilige te dekken,
16151
lijk gij beweert te zijn. Ga weg, ik zal alleen voortloopen.
16152
 
16153
--Weet gij dan niet, antwoordde Uilenspiegel, dat een hond op zijn
16154
vier pooten sneller loopt dan een mensch op twee? Ziedaar waarom wij,
16155
met vier beenen, sneller zullen loopen.
16156
 
16157
--Ge spreekt nog al krachtig voor een deugdzaam mensch.
16158
 
16159
--Ja, zeide hij.
16160
 
16161
--Maar, sprak zij, ik heb altijd gezien dat de deugd een stille,
16162
ingesluimerde, dikke en kouwelijke hoedanigheid is, een masker, dat
16163
knorrende gezichten verbergt, een fluweelen opperste kleed om een man
16164
van graniet. Ik minne die, in welker borst een mannelijk vuur blakert,
16165
dat tot lustige en dappere ondernemingen aanzet.
16166
 
16167
--Aldus, zei Uilenspiegel, sprak de schoone duivelin tot den
16168
doorluchtigen, heiligen Antonius.
16169
 
16170
Twintig stappen verder lag eene afspanning langs den weg.
16171
 
16172
--Gij hebt goed gesproken, vervolgde Uilenspiegel, nu moet gij goed
16173
drinken.
16174
 
16175
--Ik heb nog geen dorst, zei de vrouw.
16176
 
16177
Zij gingen de afspanning binnen.
16178
 
16179
Op eene schapraai, nevens den schoorsteen, stond eene buikflesch.
16180
 
16181
Uilenspiegel sprak tot den baas:
16182
 
16183
--Ziet gij dezen gulden?
16184
 
16185
--Ik zie hem, zei de baas.
16186
 
16187
--Hoeveel oortjes zoudt gij er wel van afhouden, om die flesch daar
16188
met dobbelen klauwaard te vullen?
16189
 
16190
De baas antwoordde:
16191
 
16192
--Met negen mannekens zijt gij er van af.
16193
 
16194
--Dat maakt, zei Uilenspiegel, zes mijten Vlaamsch, dus twee mijten
16195
te veel. Om het even, tap ze maar vol.
16196
 
16197
Uilenspiegel schonk de meid eenen beker vol. Daarop stond hij recht;
16198
met fiere houding zette hij de flesch aan den mond en goot heel
16199
den inhoud door zijn keelgat. En het klonk als 't gerucht van een
16200
bruisenden waterval.
16201
 
16202
De vrouw stond verstomd en vroeg:
16203
 
16204
--Hoe legt gij het aan boord om zulk een dikke flesch in uw mageren
16205
buik te gieten?
16206
 
16207
Uilenspiegel antwoordde niet, doch sprak tot den baas:
16208
 
16209
--Breng ons een hammeken met brood, en nog een volle flesch klauwaard,
16210
dat wij eten en drinken.
16211
 
16212
Zoo deden zij.
16213
 
16214
Terwijl de vrouw smulde van een stukje zwoord, nam hij heur zoo
16215
onverwachts, zoo heimelijk om de lenden, dat zij er verrast en verrukt
16216
over was.
16217
 
16218
Toen vroeg zij hem:
16219
 
16220
--Hoe komt het, met al uwe deugd, dat gij dorstig als eene spons,
16221
vraatzuchtig als een wolf en ondernemend als een minnaar zijt?
16222
 
16223
Uilenspiegel antwoordde:
16224
 
16225
--Nadat ik op honderd manieren gezondigd had, zwoer ik, lijk gij weet,
16226
boetveerdigheid te plegen. Dat heeft wel een groot uur geduurd. Ik
16227
dacht tijdens dit uur aan mijn toekomstig leven en zag dezen droeven
16228
toestand in 't verschiet: niets hebben dan droog brood om mijn honger
16229
te stillen, niets dan water om mijnen dorst te lesschen, de minne
16230
ontvluchten; niet durven verroeren of niet durven niezen, uit vreeze
16231
van kwaad te doen; geëerd zijn door allen, gevreesd door een iegelijk;
16232
alleen en verlaten als een melaatsche; treurig als een hond, die zijn
16233
meester kwijt is, en, na een dergelijk vijftigjarig martelaarsleven,
16234
weemoedig op eenen stroozak verrekken. De boete was langdurig genoeg;
16235
kus mij, liefste, en laat ons getweeën het vagevuur verlaten.
16236
 
16237
--Ha! zeide zij, bereidwillig gehoorzamend, de deugd is een schoon
16238
vendel om aan eenen stok te binden.
16239
 
16240
De tijd verliep met dit dartel minnespel; doch zij moesten opstaan
16241
om te vertrekken, want te midden van het blijde gejoel vreesde het
16242
meideken steeds den provoost Spelle te zien verschijnen, met zijne
16243
beulsknechten.
16244
 
16245
--Sla uwen rok over ons hoofd, sprak Uilenspiegel.
16246
 
16247
En als herten liepen zij naar Destelbergen, naar de Drie Koningen,
16248
alwaar zij Lamme aan 't eten vonden.
16249
 
16250
 
16251
 
16252
 
16253
XXXI.
16254
 
16255
Te Gent ging Uilenspiegel dikwijls bij Jacob Scoelap, bij Livinus
16256
Smet en bij Jan de Wulfslaeger, die hem kond gaven van den voor-
16257
of tegenspoed van den edelen Zwijger.
16258
 
16259
En als Uilenspiegel naar Destelbergen terugkwam, vroeg Lamme hem
16260
telkens:
16261
 
16262
--Welk nieuws brengt gij mede? Goed of slecht?
16263
 
16264
--Laas! zeide Uilenspiegel, de Zwijger, zijn broeder Lodewijk, de
16265
andere hoofdlieden en de Franschen hadden besloten vooruit te rukken
16266
in Frankrijk, om zich met den prins van Condé aan te sluiten. Op die
16267
wijze waren zij er wellicht in geslaagd het arm Belgisch vaderland
16268
en het vrije geweten te redden. God liet dit niet toe, de Duitsche
16269
ruiters en landsknechten weigerden verder te gaan, en zeiden dat hun
16270
eed sprak van tegen den hertog van Alva te vechten, doch niet tegen
16271
Frankrijk. Hij heeft hun gesmeekt hun plicht te doen, doch tevergeefs;
16272
de Zwijger was gedwongen hen langs Champagne en Lotharingen te brengen
16273
naar Straatsburg, van waar zij naar Duitschland terugkeerden. Alles
16274
mislukt door dit plotseling en halsstarrig vertrek: de koning van
16275
Frankrijk weigert, niettegenstaande zijn verdrag met den prins, het
16276
geld te storten, dat hij hem beloofd had; de koningin van Engeland
16277
had er hem willen zenden om de stad en het land van Kales weder in
16278
bezit te krijgen; heure brieven werden onderschept door den hertog
16279
van Lotharingen, die er een afwijzend antwoord op zond.
16280
 
16281
... Aldus zien wij dat schoon leger, al onze hoop op redding,
16282
verzwinden als spoken bij den zonsopgang; maar God is met ons, en als
16283
de aarde ons ontsnapt, zullen wij te water voortwerken. Leve de Geus!
16284
 
16285
 
16286
 
16287
 
16288
XXXII.
16289
 
16290
Badend in tranen, kwam 't meideken zeggen tot Lamme en tot
16291
Uilenspiegel:
16292
 
16293
--Te Meulestede laat Spelle, voor geld, moordenaars en coquinen
16294
ontsnappen. En onschuldigen doet hij ter dood brengen. Mijn broeder
16295
Michielken is onder hen. Laas! laat mij het U zeggen: gij zijt
16296
mannen, gij zult hem wreken. Een eerlooze, ontuchtige vuilbaard,
16297
Pieter de Roose, bevlekker van kinderen en verleider van meidekens,
16298
is de oorzaak van al het kwaad. Laas! mijn arme broeder Michielken
16299
en Pieter de Roose zaten op een avond, doch niet aan dezelfde tafel,
16300
in de taveerne den Valk, alwaar Pieter de Roose door een iegelijk
16301
geschuwd werd als de pest.
16302
 
16303
... Mijn broeder, die met hem in dezelfde zaal niet wilde vertoeven,
16304
schold hem uit voor vuilbaard en beval hem onmiddellijk zijne biezen
16305
te pakken.
16306
 
16307
... Pieter de Roose antwoordde:
16308
 
16309
--De broeder van een publieke loddege zou minder van zijnen neus
16310
moeten maken,
16311
 
16312
... Hij loog, want ik ben geen publieke loddege; ik geef mij alleen
16313
aan hen, die ik minne.
16314
 
16315
... Toen smeet Michielken hem zijn pint klauwaard naar den kop, hem
16316
toeroepende dat hij er om loog, lijk een smerige vuilbaard die hij was;
16317
daarbij bedreigde hij hem met eene aftelling naar de eerste goesting,
16318
als hij niet dadelijk opkraamde.
16319
 
16320
... De andere wilde nog antwoorden, doch Michielken deed als hij
16321
gezegd had: hij sloeg tweemaal met de vuist op zijn aangezicht en
16322
trok hem bij den snoet op de straat, alwaar hij hem, zonder deernis,
16323
gansch bebloed en gekneusd op een mesthoop smeet.
16324
 
16325
... Als Pieter de Roose, die in alleenigheid niet kon leven, genezen
16326
was, ging hij in het Vagevier, eene taveerne, die heuren naam niet
16327
gestolen heeft; zóó treurig en somber is zij, dat zij maar bezocht
16328
wordt door arme lieden en bedelaars. Daar ook werd hij alleen gelaten,
16329
geschuwd, zelfs door de armzalige menschen. En niemand richtte het
16330
woord tot hem, behalve eenige boeren, die hem niet kenden, en eenige
16331
truwanten en diepers of weggeloopen soldaten. Herhaalde malen zelfs
16332
werd hij er geslagen, want hij is twistziek van aard.
16333
 
16334
... Toen provoost Spelle met zijne beide hangmannen te Meulestede
16335
kwam, volgde Pieter de Roose hem overal op als een hond; op dezes
16336
kosten propte Spelle zich vol met wijn, met vleesch en smaakte alle
16337
genoegens, die voor geld te koop zijn. Zoo werd Pieter de Roose hun
16338
vriend en metgezel en deed hij alles wat zijn slecht karakter hem
16339
ingaf om degenen te folteren, die hij verfoeide, en dat waren al de
16340
inwoners van Meulestede, doch mijn armen broeder het meest.
16341
 
16342
... Eerst en vooral begon hij met Michielken. Valsche getuigen,
16343
rabauwen, die gretig naar guldens waren, verklaarden dat Michielken een
16344
heretiek was, dat hij vuile reden gehouden had over Onze-Lieve-Vrouwe,
16345
en meermalen den naam van God en de santen en santinnen gelasterd
16346
had in de taveerne den Valk, en dat hij daarenboven voor 't minst
16347
driehonderd florijnen in eene kist liggen had.
16348
 
16349
... Alhoewel de getuigen geenszins van goed en zedelijk gedrag
16350
waren, werd Michielken gevangengenomen. Daar Spelle en zijne knechten
16351
verklaard hadden, dat de bewijzen voldoende waren om den beschuldigde
16352
op de pijnbank te leggen, werd Michielken bij de armen gehangen aan
16353
eene katrol, die in de zoldering vastgemaakt was, nadat men aan elken
16354
zijner voeten een gewicht van vijftig pond had gebonden.
16355
 
16356
... Hij loochende het stuk en zei dat, zoo er te Meulestede een
16357
truwant, een rabauw, een godslasteraar en een vuilbaard liep, het
16358
wel Pieter de Roose was, maar hij niet.
16359
 
16360
... Doch Spelle wilde niets hooren, en beval den beulsknechten
16361
Michielken op te trekken tot aan de zoldering en hem vervolgens in eens
16362
te laten nedervallen, met de gewichten aan zijne voeten. Dat deden zij,
16363
en wel zoo wreedelijk, dat de huid en de spieren van den ongelukkige
16364
vaneenscheurden en dat de voeten nog nauwelijks aan de beenen hingen.
16365
 
16366
... Michielken volhardde in zijne verklaring, dat hij onschuldig was;
16367
Spelle deed hem opnieuw folteren en liet hem verstaan dat hij hem
16368
vrijelijk zou laten henengaan, zoo hij hem honderd gulden wilde ter
16369
hand stellen.
16370
 
16371
... Michielken zei, dat hij nog liever alle tormenten verduurde.
16372
 
16373
... Toen die van Meulestede de gevangenneming vernomen hadden, wilden
16374
zij bij hoopen voor Michielken komen getuigen.
16375
 
16376
... Michielken is geen ketter, zeiden eenstemmig al de goede burgers
16377
van de gemeente, want hij ging alle Zondagen naar de misse en
16378
naderde alle hoogdagen de heilige tafel; zij getuigden verder, dat
16379
hij over Onze-Lieve-Vrouwe nooit eenig andere rede gehouden had dan
16380
heure hulp in te roepen in moeilijke aangelegenheden; dat hij nooit
16381
kwaad gesproken had van eenige vrouw op aarde, en hij dienvolgens
16382
het nog minder hadde gedurfd van de hemelsche moeder Gods. Wat de
16383
godslasteringen betreft, die de valsche getuigen, naar hun zeggen,
16384
in de taveerne den Valk hadden hooren uitbraken, dat was gelogen van
16385
't begin tot het einde, zeiden de getuigen.
16386
 
16387
... Toen werd Michielken losgelaten, en de valsche getuigen
16388
gestraft. En Spelle deed Pieter de Roose voor zijne vierschaar
16389
verschijnen, doch liet hem weder los, zonder een onderzoek te doen
16390
of hem op de pijnbank te leggen, mits honderd gulden aanstonds betaald.
16391
 
16392
... Pieter de Roose vluchtte uit Meulestede, uit vreeze dat het
16393
hem nog blijvende geld opnieuw de aandacht van Spelle zou wekken,
16394
terwijl Michielken, mijn arme broeder, stierf van den kanker, die
16395
zich aan zijne voeten gezet had.
16396
 
16397
... Hij, die mij niet meer bezien wilde, deed mij toch roepen om mij
16398
te zeggen goed te letten op het vuur, dat brandt in mijn lichaam,
16399
en dat mij zeker naar de helle zou leiden. En ik kon slechts weenen,
16400
want het vuur brandt in mijn lichaam, en het is mijne schuld niet.
16401
 
16402
... En in mijne armen gaf hij den geest.
16403
 
16404
--Ha! zeide zij, hij, die op Spelle den dood van mijn zoeten en
16405
beminden broeder zou wreken, zou voor eeuwig mijn meester zijn, en
16406
'k zou hem gehoorzamen als een gewillige hond.
16407
 
16408
Terwijl zij sprak, klopte de assche van Klaas op Uilenspiegel's borst.
16409
 
16410
En hij besloot Spelle, den moordenaar, te doen hangen.
16411
 
16412
Boelkin, zoo was de naam van het meideken, keerde gerust terug naar
16413
heur huis te Meulestede, zonder de wraak van Pieter de Roose te
16414
vreezen, want een koerier, die voor zaken naar Destelbergen gekomen
16415
was, verwittigde heur dat de parochiepaap en de poorters verklaard
16416
hadden, dat zij Spelle vóór den hertog zouden doen verschijnen,
16417
bijaldien hij de hand dorst leggen op de zuster van Michielken.
16418
 
16419
Uilenspiegel, die het meideken vergezelschapt had naar Meulestede,
16420
kwam in de benedenkamer van het huis van Michielken, en zag daar het
16421
konterfeitsel van een meester-pasteibakker.
16422
 
16423
Hij veronderstelde dat dit het portret van den armen doode was.
16424
 
16425
En Boelkin zeide:
16426
 
16427
--Dat is mijn rampzalige broeder.
16428
 
16429
Uilenspiegel nam het konterfeitsel en sprak:
16430
 
16431
--Spelle wordt gehangen!
16432
 
16433
--Hoe zult ge dat doen? vroeg zij.
16434
 
16435
--Moest gij het weten, antwoordde hij, dan zoudt gij geenerlei genoegen
16436
meer smaken als gij het ziet.
16437
 
16438
Boelkin schudde het hoofd en zei met jammerende stemme:
16439
 
16440
--Gij hebt geen vertrouwen in mij.
16441
 
16442
--Hoe zoo? sprak Uilenspiegel. Is het integendeel geen groot bewijs
16443
van vertrouwen als ik u zeg: "Spelle wordt gehangen?" Met dat woord
16444
alleen kunt gij mij doen hangen vóór hem.
16445
 
16446
--Inderdaad, antwoordde zij.
16447
 
16448
--Dus, hernam Uilenspiegel, haal mij wat goede klei, een dobbele
16449
pint bruinbier, klaar water en eenige sneden ossevleesch. Alles moet
16450
afzonderlijk zijn.
16451
 
16452
... Het vleesch is voor mij, het bruinbier voor het vleesch, het
16453
water voor de klei en de klei voor het konterfeitsel.
16454
 
16455
Uilenspiegel at en dronk, terwijl hij de klei kneedde; soms at hij
16456
er wel een brokje van, doch daar sloeg hij geen acht op, want heel
16457
aandachtig beschouwde hij het konterfeitsel van Boelkin's broeder.
16458
 
16459
Toen de klei gekneed was, maakte hij daarvan een masker, met een neus,
16460
eenen mond, oogen en ooren, dat zulke groote gelijkenis had met de
16461
trekken van den doode, dat Boelkin er oprecht over verwonderd was.
16462
 
16463
Daarna legde hij het masker in den oven te drogen. Toen het droog
16464
was, beschilderde hij het met de kleur van de lijken, met verwilderde
16465
oogen en een pijnlijk en getrokken gelaat, als dat van een zieltogende.
16466
 
16467
Toen was het meideken niet meer verwonderd, doch ze bekeek het masker,
16468
zonder er van de oogen te kunnen slaan; ze werd bleek, ontstelde,
16469
bedekte heur gezicht met de handen, en huiverend sprak zij:
16470
 
16471
--Hij is het, mijn arm Michielken!
16472
 
16473
Met klei maakte Uilenspiegel ook twee bloedige voeten.
16474
 
16475
Boelkin, die van heur eersten schrik bekomen was, zei op plechtigen
16476
toon:
16477
 
16478
--Gezegend is hij, die den moordenaar zal vermoorden.
16479
 
16480
Uilenspiegel nam het masker en de voeten en sprak:
16481
 
16482
--Nu moet ik iemand hebben, die mij wil helpen.
16483
 
16484
Boelkin antwoordde:
16485
 
16486
--Ga naar de Blauwe Gans, bij Joost Lansaem van Ieperen, dewelke deze
16487
taveerne houdt. Hij was de beste kameraad, de trouwste vriend van
16488
mijn ongelukkigen broeder. Zeg hem, dat het Boelkin is, die u zendt.
16489
 
16490
Uilenspiegel deed zooals zij hem heette.
16491
 
16492
Na zijn dagelijksch werk voor den dood, ging provoost Spelle 's
16493
avonds in de Valk warmen dobbelen klauwaard drinken, die gekookt was
16494
met kaneel en met Madeira-suiker. Uit vreeze van gehangen te worden,
16495
dorst men hem, in de afspanning, niets weigeren.
16496
 
16497
Pieter de Roose, die weer moed gevat had, was naar Meulestede
16498
teruggekeerd. Overal volgde hij Spelle en zijne beulsknechten, om
16499
door hen beschermd te worden.
16500
 
16501
En Spelle trakteerde hem soms. En samen dronken zij blijde met het
16502
geld der onschuldige slachtofferen.
16503
 
16504
Maar de taveerne de Valk werd niet meer bezocht zooals in de schoone
16505
dagen dat het dorpje in vrede leefde, den Heer rechtzinnig diende en
16506
nog niet gekweld werd op het stuk van religie. Nu, echter, was het
16507
als in rouw gehuld; dat zag men aan zijn menigvuldige ledige huizen,
16508
aan zijn eenzame straten, waar enkel eenige magere honden rondzwierven,
16509
die in de mesthoopen wroetten, om hun eten te zoeken.
16510
 
16511
In Meulestede was er geene plaats meer dan voor de twee booswichten. De
16512
verschrikte inwoners zagen hen heel den dag overmoedig rondloopen,
16513
de huizen der aanstaande slachtofferen teekenen, de doodenlijsten
16514
opmaken. En als zij 's avonds, onder 't zingen van vuile
16515
liedekens, van den Valk terugkeerden, werden ze gevolgd door twee
16516
beulsknechten, dronken als zij, en van top tot teen gewapend om hen
16517
te vergezelschappen.
16518
 
16519
Uilenspiegel ging in de Blauwe Gans, bij Joost Lansaem, die achter
16520
zijnen toog stond.
16521
 
16522
Uilenspiegel trok een fleschje brandewijn uit zijnen zak en zei tot
16523
den baas:
16524
 
16525
--Boelkin heeft zoo twee tonnen te verkoopen.
16526
 
16527
--Kom binnen in de keuken, zei de baas.
16528
 
16529
Hij sloot de keukendeur achter zich en bezag Uilenspiegel vlak in
16530
de oogen.
16531
 
16532
--Gij zijt geen koopman in brandewijn, sprak hij, wat beteekent uw
16533
knipoogen? Wie zijt gij?
16534
 
16535
Uilenspiegel antwoordde:
16536
 
16537
--Ik ben de zoon van Klaas, die te Damme verbrand werd; de assche van
16538
den doode klopt op mijne borst: ik wil Spelle den moordenaar dooden.
16539
 
16540
--Is 't Boelkin, die u zendt? vroeg de weerd.
16541
 
16542
--Boelkin zendt mij bij u, antwoordde Uilenspiegel. Ik zal Spelle
16543
dooden en gij zult mij helpen.
16544
 
16545
--Ik wil, zegde de baas. Wat moet ik doen?
16546
 
16547
Uilenspiegel antwoordde:
16548
 
16549
--Ga bij den parochiepaap, die, als een goede herder, de vijand van
16550
Spelle is. Verzamel uwe vrienden en kom morgen, na de slaapklok,
16551
met hen op de Evergemsche baan, voorbij het huis van Spelle, tusschen
16552
den Valk en het huis van dien snoodaard. Gij moet allen in de schaduw
16553
blijven en moogt geen witte kleeren aanhebben. Op klokslag tien zult
16554
gij Spelle uit de herberg zien komen, terwijl van den anderen kant
16555
een wagen zal komen aanrijden.
16556
 
16557
... Dezen avond moogt gij uwe vrienden niet verwittigen; zij
16558
slapen te dicht bij de ooren hunner vrouw. Eerst morgen zult gij ze
16559
opzoeken. Komt, luistert goed, en weest alles indachtig.
16560
 
16561
--Wij zullen alles onthouden, sprak Joost.
16562
 
16563
En, met zijnen beker in de hand, sprak hij:
16564
 
16565
--Ik drink op de koorde van Spelle!
16566
 
16567
--Op zijne koorde! sprak Uilenspiegel.
16568
 
16569
Daarop keerde hij met den baas terug in de gelagkamer, waar eenige
16570
Gentsche oude-kleerkoopers zaten te drinken. Zij kwamen van de
16571
Zaterdagsmerkt, te Brugge, alwaar zij, tegen goeden prijs, zilver-
16572
en goudlakensche wambuizen en opperste kleederen verschacherd hadden,
16573
dewelke zij voor eenige oortjes gekocht hadden van edelen, die ten
16574
onder gegaan waren door de weelde der Spanjaards te willen evenaren.
16575
 
16576
En zij gastreerden luidruchtig op de groote winsten, die zij behaald
16577
hadden.
16578
 
16579
Uilenspiegel en Joost Lansaem gingen in eenen hoek zitten en, onder
16580
't drinken, kwamen zij overeen, zonder gehoord te worden, dat Joost
16581
bij den parochiepaap zou gaan, die kwaad was op Spelle, den moordenaar
16582
van zoovele onschuldige slachtofferen.
16583
 
16584
Daarna zou hij de vrienden gaan vinden.
16585
 
16586
's Anderen daags kwamen de vrienden van Michielken, die verwittigd
16587
waren, bijeen bij Joost Lansaem in de Blauwe Gans, alwaar zij, als naar
16588
gewoonte en om hunne inzichten te verbergen, pinten op pinten dronken.
16589
 
16590
Bij de slaapklok gingen zij henen en begaven zich, langs verschillende
16591
wegen, naar de Evergemsche baan.
16592
 
16593
Zij waren zeventien in getal.
16594
 
16595
Op slag van tien uren kwam Spelle uit den Valk, gevolgd door zijne
16596
twee beulsknechten en door Pieter de Roose.
16597
 
16598
Lansaem en zijne gezellen waren verscholen in de schuur van Samson
16599
Boone, een vriend van Michielken.
16600
 
16601
Spelle kon hen niet zien.
16602
 
16603
De vrienden van Michielken hoorden hem zwijmelend voorbijgaan, alsook
16604
Pieter de Roose en de beide beulsknechten.
16605
 
16606
Met een zware tong, stamelde Spelle hikkend en snikkend:
16607
 
16608
--Provoosten! provoosten! die hebben hier op Gods aarde goed leven;
16609
komaan, truwanten, die van mijn overschot leeft, ondersteunt mij toch
16610
een beetje!
16611
 
16612
Maar, op den steenweg, van den kant van den kouter, hoorde men op
16613
eens het gebalk van een ezel en 't geklap eener zweep.
16614
 
16615
--Dat moet een weerspannige ezel zijn, zij Spelle, want hij wil niet
16616
vooruit, niettegenstaande het vriendelijk verzoek van de zweep.
16617
 
16618
Plotseling hoorde men een groot wielengeknars en eenen wagen, die
16619
onstuimig over den steenweg stormde.
16620
 
16621
--Houdt hem tegen! riep Spelle.
16622
 
16623
Toen de wagen dicht bij hen was, sprongen Spelle en zijne twee
16624
beulsknechten naar den kop van den ezel.
16625
 
16626
--In dien wagen steekt niets, hij is teenemaal ledig, sprak een van
16627
de beulsknechten.
16628
 
16629
--Lomperik, zei Spelle, sedert wanneer rijden de wagens 's nachts
16630
heel alleen op de baan? In dien wagen is iemand, die zich verbergt;
16631
spoedt u, steekt de lanteernen aan en heft ze omhoog, ik zal kijken.
16632
 
16633
De lanteernen werden aangestoken en Spelle klom op den wagen met
16634
zijne lanteerne in de hand; maar nauwelijks had hij gekeken, of hij
16635
slaakte een grooten schreeuw en viel achterover, gillend:
16636
 
16637
--Michielken! Michielken! Jezus, ontferm u mijner!
16638
 
16639
In een hoek van den wagen stond een man, die in 't wit gekleed was,
16640
lijk de pasteibakkers, en die, in de beide handen, bloedige voeten
16641
vasthield.
16642
 
16643
Toen Pieter de Roose den man zag, die nu door het licht der lanteernen
16644
beschenen was, riep hij als waanzinnig:
16645
 
16646
--Michielken! Michielken!
16647
 
16648
En de twee beulsknechten klappertandden en fluisterden:
16649
 
16650
--Michielken! Heer, ontferm u onzer!
16651
 
16652
Op het gerucht kwamen de zeventien vrienden bij, om het schouwspel
16653
te zien, en allen verschrikten toen zij, bij het zilveren licht van
16654
de maan, de treffende gelijkenis zagen van Michielken, den armen doode.
16655
 
16656
En de gedaante zwaaide steeds met de bloedige voeten.
16657
 
16658
Het was zijn zelfde vol en rond gezicht, doch verbleekt door den
16659
dood, en grimmig, sneeuwwit keek het dreigend toe, en aan de kin
16660
waren reeds de wormen aan 't knagen.
16661
 
16662
Het spook, dat altijd met de bloedige voeten zwaaide, zei met holle
16663
stem tot Spelle, die op den rug lag te zuchten:
16664
 
16665
--Spelle! provoost Spelle, word wakker!
16666
 
16667
Maar Spelle verroerde zich niet.
16668
 
16669
--Spelle, sprak het spook opnieuw, provoost Spelle, word wakker,
16670
of ik sleep u in den gapenden mond van de helle.
16671
 
16672
Spelle sukkelde recht en riep jammerlijk, met de haren te berge
16673
van schrik:
16674
 
16675
--Michielken! Michielken! heb medelijden!
16676
 
16677
De poorters waren nader gekomen, doch Spelle zag niets anders dan de
16678
lichtjes hunner lanteernen, die hij voor oogen van duivelen nam. Zoo,
16679
ten minste, bekende hij later.
16680
 
16681
--Spelle, vervolgde de schim van Michielken, zijt gij tot sterven
16682
bereid?
16683
 
16684
--Tot sterven, neen, antwoordde de provoost, neen, messire Michielken,
16685
daar ben ik niet toe bereid, want ik wil vóór God niet verschijnen,
16686
beladen met zoo menigvuldige zonden.
16687
 
16688
--Herkent gij mij? vroeg het spook.
16689
 
16690
--God weze mij genadig, zuchtte Spelle; ja, ik herken u; gij zijt
16691
het spook van Michielken, den pasteibakker, die onschuldig stierf
16692
in zijn bed, ten gevolge van de pijnen der foltering; en de twee
16693
bloedige voeten zijn die, aan ieder derwelke ik een gewicht van
16694
vijftig pond deed hangen. Ha! Michielken, ontferm u mijner, schenk
16695
mij vergiffenis; die Pieter de Roose heeft mij in bekoring gebracht;
16696
hij bood mij vijftig gulden, en ik heb ze aanveerd, om uwen naam in
16697
het doodenboek te schrijven.
16698
 
16699
--Wilt gij biechten? vroeg het spook.
16700
 
16701
--Ja, messire, zeker wil ik biechten, alles bekennen en penitentie
16702
doen. Maar verweerdig u toch die duivelen te doen weggaan, die daar
16703
staan, bereid om mij te verslinden. Ik zal alles bekennen. Verwijder
16704
die oogen van vuur! Ik heb hetzelfde gedaan te Doornijk, met vijf
16705
onschuldige poorters, en ook te Brugge, met vier andere. Ik weet hunne
16706
namen niet meer, maar ik zal ze opzoeken en ze u zeggen, als gij wilt;
16707
elders nog heb ik insgelijks gezondigd, heer, en door mijn toedoen
16708
zijn negen en zestig onschuldige martelaren ten grave gedaald.
16709
 
16710
... Michielken, de koning moest geld hebben. Men had het mij laten
16711
weten, doch ik ook moest er hebben; het is te Gent, in den kelder,
16712
onder de vloersteenen, bij de oude Gravels, mijn echte moeder. Ik
16713
heb alles, alles gezegd; genade en ontferming! Doe de duivelen
16714
weggaan. Heere God! Heilige Maagd Maria, wees mijn voorspreekster;
16715
verwijder de vuren der helle! Ik zal alles verkoopen, alles aan de
16716
arme geven en mijn leven lang boetveerdigheid plegen.
16717
 
16718
Uilenspiegel, ziende dat de menigte der toegeloopen poorters bereid
16719
was om hem ter zijde te staan, sprong van den wagen naar de keel van
16720
Spelle en wilde hem verworgen.
16721
 
16722
Maar de pastoor kwam bij.
16723
 
16724
--Laat hem leven, sprak hij, het is beter dat hij door beulshanden
16725
sterve dan door die van een spook.
16726
 
16727
--Wat wilt gij er mee doen? vroeg Uilenspiegel.
16728
 
16729
--Hem vóór den hertog beschuldigen en naar verdienste doen hangen,
16730
antwoordde de parochiepaap. Maar wie zijt gij? vroeg hij.
16731
 
16732
--Ik ben, antwoordde Uilenspiegel, het masker van Michielken en een
16733
arme Vlaamsche vos, die terug naar zijn hol trekt, uit vreeze voor
16734
de Spaansche jagers.
16735
 
16736
Intusschen nam Pieter de Roose in aller ijl de vlucht.
16737
 
16738
En Spelle werd gevonnist en gehangen, en zijne goederen
16739
verbeurdverklaard.
16740
 
16741
En de koning erfde.
16742
 
16743
 
16744
 
16745
 
16746
XXXIII.
16747
 
16748
's Anderen daags trok Uilenspiegel naar Kortrijk, langsheen den boord
16749
van de Leie, met heur helder gouden water.
16750
 
16751
Jammerend volgde Lamme zijn vriend.
16752
 
16753
Uilenspiegel zei tot hem:
16754
 
16755
--Zucht gij nu weder, lafhertige ziele, voor de vrouw, die u een
16756
hoornen kroon op het hoofd zette?
16757
 
16758
--Mijn vriend, antwoordde Lamme weemoedig, zij was mij altijd getrouw,
16759
en beminde mij genoegzaam, lijk ik ze te zeer beminde, mijn zoete
16760
Jezus. Eens dat zij naar Brugge gegaan was, kwam zij teenemaal
16761
veranderd terug. Sedertdien, als ik heur van liefde sprak, gaf zij
16762
mij tot antwoord:
16763
 
16764
--Ik moet met u leven als eene vriendinne, doch anders niet.
16765
 
16766
--Toen sprak ik, met den weemoed in mijn gebroken herte:
16767
 
16768
--Liefste mijne, wij zijn getrouwd voor den Heer. Deed ik voor u niet
16769
alles wat gij wildet? Ging ik niet dikwijls gedost in een zwart linnen
16770
wambuis of een bombazijnen opperste kleed, om u, niettegenstaande
16771
de koninklijke ordonnantiën tegen de weelde, zijden en goudlakensche
16772
kleeren te laten dragen? Bemint ge mij dan niet meer, liefste?
16773
 
16774
--Ik bemin u, sprak zij, volgens God en Zijne wetten, volgens de
16775
heilige voorschriften en de boetveerdigheid. Nochtans zal ik een
16776
deugdzame gezellin voor u wezen.
16777
 
16778
--Met uwe deugdzaamheid heb ik niets te maken, antwoordde ik; u is het,
16779
die ik hebben wil, u, mijne vrouw!
16780
 
16781
--Zij schudde het hoofd en vervolgde:
16782
 
16783
--Ik weet, dat gij goed en braaf zijt; tot heden waart gij de kok in
16784
ons huis, om mij het koken en het braden te sparen; tot heden streekt
16785
gij onze lakens, kragen en hemden, omdat de ijzers mij te zwaar vielen;
16786
gij deedt de wasch, gij kuischtet het huis en de straat vóór de deur,
16787
om mij de minste vermoeienis te sparen. Thans wil ik werken in uwe
16788
plaats, doch verder niets, mijn vriend.
16789
 
16790
--Ik geef daar niet om, antwoordde ik; ik zal als voorheen uwe
16791
kamenier, uwe strijkster, uwe keukenmeid, uwe waschvrouw, uw
16792
onderdanige slaaf wezen; maar schei toch geen twee herten en zielen,
16793
die maar één wezen uitmaken; breek den zoeten liefdeband niet, die
16794
ons zoo innig verbindt.
16795
 
16796
--Het moet, antwoordde zij.
16797
 
16798
--Laas! zeide ik, is het te Brugge, dat gij dit harde besluit hebt
16799
genomen?
16800
 
16801
Zij antwoordde:
16802
 
16803
--Ik heb gezworen voor God en Zijne santen.
16804
 
16805
--Wie dan, riep ik uit, heeft u gedwongen te zweren uwe echtelijke
16806
plichten niet meer te volbrengen?
16807
 
16808
--Hij, die den geest Gods in zich heeft en zich verweerdigt mij onder
16809
't getal zijner boetelingen te tellen, sprak zij.
16810
 
16811
--Van dat oogenblik hield zij op mijne vrouw te wezen, alsof zij de
16812
trouwe gezellin van een ander was.
16813
 
16814
--Ik smeekte, plaagde, dreigde haar; ik weende en bad, doch
16815
tevergeefs. Op een avond, dat ik van Blankenberge terugkwam, alwaar ik
16816
gegaan was om de halfwinning van een mijner hofsteden te ontvangen,
16817
vond ik mijne vrouw niet meer in huis. Zij was onze halle ontvlucht;
16818
ongetwijfeld was zij mijne smeekingen moede, of was zij vergramd of
16819
droevig om mijn verdriet.
16820
 
16821
--Waar mag zij nu wezen?
16822
 
16823
En Lamme zette zich neer aan den boord van de Leie, met het hoofd in
16824
zijne handen, en keek naar het water.
16825
 
16826
--Ha! mijne vriendin, sprak hij, wat waart gij teeder, poezel en
16827
lieftallig! Zal ik ooit een duifje vinden als gij? Stoverije van
16828
liefde, zal ik u nimmermeer proeven? Waar zijn uwe kussen, geurig
16829
als ortolanen; waar is uw mond, op denwelken ik uw zoenen plukte,
16830
als het bijtje den honig op de roze; waar zijn uw witte armen, die
16831
mij streelend omhelsden? Waar is uw kloppend hert, uw ronde boezem
16832
en die lieve huivering van uw aanbiddelijk lichaam, verlangend naar
16833
liefde? Doch waar zijn uwe golven van vroeger, frissche rivier, die
16834
uw nieuwe golfjes zoo blijde voortstuwt in 't gouden licht van de zon?
16835
 
16836
 
16837
 
16838
 
16839
XXXIV.
16840
 
16841
De beide wandelaars kwamen voorbij het Petegemsche bosch; het was
16842
snikkend heet. Lamme sprak tot Uilenspiegel:
16843
 
16844
--Ik braad; laat ons de schaduw opzoeken.
16845
 
16846
--'t Kan mij niet schelen, antwoordde Uilenspiegel.
16847
 
16848
Zij zetten zich neer in het bosch, op het gras, en zagen eenen troep
16849
herten voorbijrennen.
16850
 
16851
--Kijk goed, Lamme, zei Uilenspiegel, die den haan zijner Duitsche
16852
bus overtrok. Daar zijn groote, oude herten, die hun gewei met negen
16853
takken fier in de lucht dragen; lieve reebokjes, die hunne schildknapen
16854
zijn, huppelen aan hunne zijde, bereid om hun van dienst te zijn met
16855
hun puntige horens. Zij gaan naar hun leger. Trek het rad van uwe
16856
bus over, lijk ik. Schiet. Het oude hert is gewond. Een reebokje is
16857
getroffen aan de bil; het vlucht. Laten wij het volgen totdat het
16858
valt. Doe lijk ik, loop, spring, vlieg....
16859
 
16860
--Mijn gekke vriend is wederom bezig, sprak Lamme, hij wil de herten
16861
te voet achternazetten. Beproef niet te vliegen zonder vleugelen,
16862
't is verloren moeite. Gij zult ze niet krijgen. Ha! wat wreedaardige
16863
gezel! Meent gij, dat ik zoo vlug ben als gij? Ik zweet, mijn vriend;
16864
ik zweet en ik ga vallen van vermoeidheid. Als de houtvester u pakt,
16865
wordt gij gehangen. Herten zijn koningswild; laat ze loopen, mijn zoon,
16866
gij kunt ze toch niet krijgen.
16867
 
16868
--Kom, sprak Uilenspiegel. Hoort gij het gerucht van zijn gewei in
16869
de bladeren? 't Is als eene hoos, die voorbijvliegt. Zie eens deze
16870
gebroken takken, de bladeren, waarmede de grond teenemaal bedekt
16871
is. Nu heeft het een nieuwen kogel in de bil; fluks eten wij het op.
16872
 
16873
--Het is nog niet gebraden, zeide Lamme. Laat die arme dieren maar
16874
loopen. He! wat is het warm! Ge moogt mij gelooven: ik ga er bij
16875
vallen om nimmermeer op te staan.
16876
 
16877
Doch eensklaps kwamen armzalig gekleede mannen, die wapenen droegen,
16878
te allen kanten te voorschijn uit het bosch. Blaffende honden renden
16879
de herten achterna. Vier mannen met woest uitzicht kwamen rond Lamme
16880
en Uilenspiegel staan en leidden hen naar eene plaats, te midden in
16881
het dichtst begroeide deel van het woud.
16882
 
16883
Daar zagen zij vrouwen en kinderen, die daar gelegerd waren, en
16884
ook een groot getal mannen, allen op verschillende wijze gewapend
16885
met zweerden, met bussen, met voetbogen, met lansen, met spiesen,
16886
met ruiterspistolen.
16887
 
16888
Toen Uilenspiegel hen zag, zei hij tot hen:
16889
 
16890
--Gij schijnt hier in gemeenschap te leven om de vervolging te
16891
ontvluchten; zijt gij soms de Broeders van het Woud?
16892
 
16893
--Wij zijn de Broeders van het Woud, antwoordde een grijsaard, die bij
16894
het vuur zat en eenige vogelen in eene braadpan liet bakken. Maar gij,
16895
wie zijt gij?
16896
 
16897
--Ik ben uit het schoone Vlaanderenland vandaan, antwoordde
16898
Uilenspiegel, en ben schilder, boer, edelman, beeldhouwer, alles te
16899
gelijk. En door de wereld ga ik aldus, om het goede en het schoone
16900
te prijzen, en luidkeels te lachen en te spotten met alles wat dwaas
16901
en verkeerd is.
16902
 
16903
--Als gij zoovele landen bereisd hebt, sprak de oude man, moet gij
16904
Schild en Vriend kunnen uitspreken, naar de wijs van de Gentenaren; zoo
16905
niet, zijt gij een valsche Vlaming en moet gij u tot sterven bereiden.
16906
 
16907
Uilenspiegel sprak:
16908
 
16909
--Schild en Vriend.
16910
 
16911
--En gij, dikzak? vroeg de oude man tot Lamme, welk bedrijf voert
16912
gij uit?
16913
 
16914
Lamme antwoordde:
16915
 
16916
--Mijne landerijen, pachthoeven, cijnzen en messeniën opeten, mijn
16917
echtelijke vrouw zoeken, en mijn vriend Uilenspiegel in alle oorden
16918
en plaatsen opvolgen.
16919
 
16920
--Als gij ook zooveel gereisd hebt, sprak de oude man, moet gij weten
16921
hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?
16922
 
16923
--Ik weet het niet, was 't antwoord van Lamme, maar kunt gij mij
16924
den naam niet zeggen van den ellendigen deugniet, die mijne vrouw
16925
overreede heur huis te verlaten? Zeg mij zijn naam, en dadelijk ga
16926
ik hem vermoorden.
16927
 
16928
De oude man antwoordde:
16929
 
16930
--In deze wereld bestaan twee dingen, die nimmermeer wederkomen, eens
16931
dat zij weg zijn: te weten het verteerde geld, en de onverschillig
16932
geworden vrouw, die den huize ontvlucht is.
16933
 
16934
Toen wendde de oude man zich tot Uilenspiegel en stelde hij hem ook
16935
deze vraag:
16936
 
16937
--En gij, weet gij niet hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?
16938
 
16939
--De rogstekers, wat in hunne streek onttooveraars van roggen bediedt.
16940
 
16941
--Kunt gij ook zeggen waarom?
16942
 
16943
--Een levende rog, gevallen uit de kar van een vischverkooper, lag
16944
zoodanig te spartelen op den weg, dat eenige oude wijven ze voor den
16945
duivel namen. "Laat ons den parochiepaap halen om den duivel uit de
16946
rog te verbannen", zeiden zij. De pastoor bezweerde de rog, en nam ze
16947
mede naar huis, alwaar hij ze kookte, ter eere van die van Weert. Mocht
16948
het Gode behagen hetzelfde lot te bescheren aan den bloedigen koning!
16949
 
16950
Intusschen hoorde men, in het bosch, 't geblaf van de honden
16951
weerklinken. De gewapende mannen liepen het woud in, en riepen
16952
luidkeels om het wild schrik aan te jagen.
16953
 
16954
--Het zijn de dieren, die ik achternagezet heb, zeide Uilenspiegel.
16955
 
16956
--Wij zullen ze opeten, sprak de oude man. Maar zeg mij nog: hoe
16957
noemt men die van Eindhoven, in Limburg?
16958
 
16959
--De pinnemakers, antwoordde Uilenspiegel. Eens was de vijand vóór de
16960
poort hunner stede, en zij grendelden die vast met eenen wortel. De
16961
ganzen kwamen en begonnen gulzig in den wortel te pikken, en de
16962
vijand rukte Eindhoven binnen. Maar ijzeren bekken zullen het wezen,
16963
die de pinnen zullen vaneen pikken, achter dewelke men het vrije
16964
geweten wil kerkeren.
16965
 
16966
--Als God met ons is, wie kan tegen ons zijn? antwoordde de oude man.
16967
 
16968
Uilenspiegel sprak:
16969
 
16970
--Hondengeblaf, mannengeschreeuw en gebroken takken: het stormt in
16971
het woud.
16972
 
16973
--Is hertenvleesch lekkere spijze? vroeg Lamme, terwijl hij de
16974
stoverije bekeek.
16975
 
16976
--Het geroep der drijvers komt nader en nader, zei Uilenspiegel tot
16977
Lamme; de honden zijn nabij. Wat gedonder! Het hert! het hert! uit
16978
den weg, mijn vriend! Foei! wat leelijk beest, het heeft mijn dikken
16979
vriend ten gronde geworpen, te midden van potten, pannen, mooren,
16980
ketels en stoverije. Waanzinnig van schrik, gaan de vrouwen en
16981
meidekens op den loop. Maar gij bloedt, mijn vriend?
16982
 
16983
--Gij lacht, nietdeug, sprak Lamme. Ja, ik bloed, het dier heeft mij
16984
met de horens eenen stoot op mijn achterste gegeven. Zie, mijne hooze
16985
is gescheurd, en mijn vel insgelijks, en al die lekkere stoverije
16986
ten gronde! Zie, ik verlies zooveel bloed, dat mijne kous er gansch
16987
mee besmeurd is.
16988
 
16989
--Dat hert is een knap chirurgijn, het heeft U van eene geraaktheid
16990
gered, antwoordde Uilenspiegel.
16991
 
16992
--Foei, hertelooze deugniet die ge zijt, sprak Lamme verwijtend. Doch
16993
ik zal U niet meer volgen. Hier blijf ik, te midden van deze goede
16994
mannen en vrouwen. Hoe kunt ge toch zoo schaamteloos wezen, ongevoelig
16995
te zijn voor mijne smerten, alswanneer ik u volg op de hielen, als
16996
een hondje, door sneeuw, door vorst, door hagel en wind en, als het
16997
heet is, mijne ziel door mijn vel zweet?
16998
 
16999
--Wees gerust, 't is niet erg. Leg een oliekoekje op uwe wonde,
17000
het zal een gebakken pleister zijn, antwoordde Uilenspiegel. Maar
17001
weet gij hoe die van Leuven worden geheeten? Gij weet het niet,
17002
mijn arme vriend? Hewel, ik zal het u zeggen, maar gij moogt niet
17003
meer schreien. Men heet ze de koeienschieters: want eens waren
17004
ze zoo onnoozel naar weerlooze koeien te schieten, die zij voor
17005
vijandelijke soldaten aanzagen. Wat ons betreft, wij schieten naar
17006
de Spaansche bokken, hun vleesch stinkt als de pest, maar hun vel is
17007
goed om trommelen van te maken. En die van Thienen? Weet gij het? Ook
17008
al niet? Zij hebben den glorierijken naam van kwekkers. Want bij
17009
hen vliegt, op Sinksen, in de groote kerk, een eendvogel van het
17010
oksaal naar het autaar, en dat is de beeltenis van hunnen Heiligen
17011
Geest. Leg eenen heete koek op uwe wonde. Het zal niet erg zijn,
17012
want ik zie dat gij, zonder een woord te vertellen, de mooren en
17013
stoverije opraapt, die het hert omver gesmeten heeft. Uw moed behoort
17014
vooral thuis in de keuken. Gij steekt het vuur opnieuw aan, brengt den
17015
soepketel terug op zijne drie palen, en houdt u zorgvuldig bezig met
17016
de kook. Weet gij waarom er vier wonderen te Leuven zijn? Neen? Ik
17017
zal het u zeggen. Ten eerste, omdat de levenden er onder de dooden
17018
gaan, want St.-Michielskerk is gebouwd dicht bij de poort van de
17019
stad. Haar kerkhof ligt op den berm der wallen; ten tweede, omdat de
17020
klokken er buiten de torens hangen, gelijk men aan St.-Jacobskerk
17021
ziet, waar een groote klok en een kleine klok zijn; daar de kleine
17022
in den toren niet meer kon geplaatst worden, heeft men ze buiten
17023
gehangen. Ten derde, omdat de autaren buiten de kerk staan, want de
17024
gevel van St.-Jacobskerk lijkt op een autaar. Ten vierde, ter oorzake
17025
van den Toren-zonder-Nagels, omdat de torenspits van Ste-Geertrui
17026
van steen gemaakt is en niet van hout, en dat men in steenen geene
17027
nagelen slaat, behalve in het hert van den bloedigen koning, dat ik
17028
boven aan de groote poort van Brussel zou willen spijkeren. Maar, gij
17029
luistert niet. Hebt gij zout in het eten gedaan? Weet gij waarom die
17030
van Dendermonde de vuurpannen heeten? Omdat, toen eens een jonge prins
17031
in de afspanning de Wapens van Vlaanderen moest komen vernachten,
17032
de baas niet wist hoe hij het bed warm zou krijgen, want hij had
17033
geene vuurpan. Hij deed het bed verwarmen door zijne dochter, die,
17034
zoodra zij den prins hoorde bovenkomen, ijlings de vlucht nam, en de
17035
prins vroeg waarom men de pan uit het bed had genomen. God believe
17036
dat koning Philippus, in een gloeienden ijzeren trommel gestoken,
17037
tot vuurpan diene voor het leger van Astarte.
17038
 
17039
--Laat mij gerust, zeide Lamme; ik lach met u, met uwe vuurpannen,
17040
met uwen Toren-zonder-Nagels, met uwe Astarte en met al de flauwe kul,
17041
die gij verkoopt. Trek mij niet af van mijne sausen.
17042
 
17043
--Pas op, sprak Uilenspiegel. Het geblaf houdt niet op, het komt
17044
dichter en dichter, de honden huilen, de trompetten weerschallen. Pas
17045
op voor het hert.
17046
 
17047
Op die woorden nam Lamme de vlucht, en Uilenspiegel riep hem nog
17048
achterna:
17049
 
17050
--Hoort gij de jachthorens?
17051
 
17052
--'t Is niets, Lamme, kom terug bij uwe stoverije, sprak de oude
17053
man. 't Zijn de honden, die hun deel van het wild krijgen; het hert
17054
is dood.
17055
 
17056
--Dat zal ons een lekkeren maaltijd bezorgen, sprak Lamme. Ik hoop
17057
wel dat gij mij zult nooden, ter oorzake van de moeite, die ik mij
17058
geef voor ulieden. De saus van de vogelen zal lekker zijn, maar ze
17059
kraakt toch een weinig. Dat kan ook niet missen, want de vogelen
17060
zijn in het zand gevallen, als die groote duivel van een hert op mij
17061
kwam gestormd, en mijn wambuis en mijn vel al te zamen aan stukken
17062
trok. Maar zeg eens, vreest gij de houtvesters niet?
17063
 
17064
--Wij zijn al te talrijk, sprak de oude man; zij zijn bevreesd en
17065
verontrusten ons niet. Ook de serjanten, beulsknechten en rechters
17066
laten ons met vrede. De inwoners van de steden zien ons geerne,
17067
want wij doen hun geen kwaad. Wij zullen hier nog eenigen tijd
17068
leven in vrede, ten ware het Spaansche leger ons omsingelde. Mocht
17069
dat gebeuren, zoo zouden wij, grijsaards, jonge mannen, vrouwen,
17070
dochteren, knapen en meidekens, ons leven duur verkoopen, en liever
17071
nog doodden wij elkander, dan duizend folteringen te lijden door de
17072
hand van den bloedigen hertog.
17073
 
17074
Uilenspiegel sprak:
17075
 
17076
De tijd is voorbij, dat men den gruwzamen beul te lande bestreed. 't
17077
Is op zee, dat wij zijne macht moeten fnuiken. Gaat naar den kant van
17078
de Zeeuwsche eilanden, over Brugge, Heist en Knokke, langs het duin.
17079
 
17080
--Wij bezitten geen duit, spraken zij.
17081
 
17082
Uilenspiegel antwoordde:
17083
 
17084
--Hier zijn duizend karolussen vanwege den prins. Gaat voort langsheen
17085
de waterloopen, vaarten, stroomen en rivieren; als gij schepen ziet met
17086
het merk J-H-S, dat een uwer het gezang des leeuweriks nabootse. Een
17087
hanengekraai zal U antwoorden. En gij zult wezen bij vrienden, bij
17088
soldaten van 't vrije geweten.
17089
 
17090
--Wij zullen het doen, zeiden de mannen.
17091
 
17092
De jagers, gevolgd door de honden, verschenen weldra, en trokken met
17093
koorden het doode hert achter zich.
17094
 
17095
Toen zetten allen zich neer rond het vuur.
17096
 
17097
Zij waren wel zestig in getal, mannen, vrouwen en kinderen.
17098
 
17099
Het brood werd uit de weitasschen gehaald, de messen uit de scheeden
17100
getrokken. Het hert werd aan stukken gesneden, gestroopt, geruimd,
17101
en met het kleinere wild aan het braadspit gestoken.
17102
 
17103
En, na den maaltijd, zag men Lamme tegen eenen boom zitten snorken,
17104
met het hoofd op de borst.
17105
 
17106
Toen de avond gevallen was, trokken de Broeders van het Woud in holen
17107
onder den grond om te slapen, en Lamme en Uilenspiegel deden hetzelfde.
17108
 
17109
Gewapende mannen hielden de wacht rond het kamp. En Uilenspiegel
17110
hoorde de droge bladeren onder hunne voeten kraken.
17111
 
17112
En 's anderen daags morgens ging hij henen met Lamme, terwijl die
17113
van het kamp zeiden tot hem:
17114
 
17115
--God zegene u; wij gaan naar de zee.
17116
 
17117
 
17118
 
17119
 
17120
XXXV.
17121
 
17122
Te Harelbeke vernieuwde Lamme zijnen voorraad oliekoeken. Hij vond
17123
ze zoo lekker, dat hij er zeven en twintig zelf opat en dertig in
17124
zijnen korf stak.
17125
 
17126
Uilenspiegel droeg zijne vogelkooien in de hand.
17127
 
17128
Rond den avond kwamen zij te Kortrijk, alwaar zij afstapten in de
17129
afspanning de Bie, bij Gillis Vanden Ende, die aan zijne deur kwam,
17130
zoodra hij het gezang des leeuweriks hoorde.
17131
 
17132
Daar leefden zij als vischjes in 't water. Toen de weerd de brieven
17133
des prinsen gezien had, stelde hij Uilenspiegel vijftig karolussen ter
17134
hand voor den Zwijger; bovendien wilde hij niets voor den kalkoen,
17135
dien hij opgediend had, noch voor den dubbelen klauwaard, waarmede
17136
hij hem rijkelijk besproeide. Ook verwittigde hij hem, dat er spionnen
17137
van den Bloedraad in Kortrijk rondliepen, weshalve hij en zijn gezel
17138
goed op hunne tong moesten letten.
17139
 
17140
--Wij zullen ze wel herkennen, zeiden Lamme en Uilenspiegel.
17141
 
17142
De zonne neigde ten Westen en vergulde de gevelspitsen der huizen;
17143
de vogelen zongen hun avondgebed; de vrouwen praatten op de zulle
17144
harer deuren; de kinderen stoeiden in het stof en Uilenspiegel en
17145
Lamme dwaalden op goed-valle-'t-uit door straten en stegen.
17146
 
17147
Eensklaps sprak Lamme:
17148
 
17149
--Ik heb aan Gillis Vanden Ende gevraagd of hij geene vrouw gezien had,
17150
die op de mijne geleek--ik gaf hem zoo goed als ik kon de beschrijving
17151
van heur bekoorlijk gezicht--en hij zei mij dat, bij Stevenijne, op
17152
den Brugschen steenweg, in den Regenboog, buiten de stad, alle avonden
17153
een groot getal vrouwen bijeenkomen. Ik trek er aanstonds naar toe.
17154
 
17155
--Ik zal u daar komen vinden, sprak Uilenspiegel. Ik wil de stad
17156
eens afzien; als ik uwe vrouw tegenkom, zal ik ze dadelijk bij u
17157
zenden. Vergeet niet, dat de baas u voor raad heeft gegeven op uwe
17158
tong te passen, zoo gij aan uw leven houdt.
17159
 
17160
--Wees gerust, sprak Lamme.
17161
 
17162
Uilenspiegel wandelde op zijn gemak rond de stad; de zonne ging onder
17163
en de avond viel snel.
17164
 
17165
Uilenspiegel kwam in een eenzame steeg. Daar hoorde hij kunstig op de
17166
vedel spelen; toen hij nadergekomen was, zag hij van verre een witte
17167
gedaante, die hem riep, doch wegvluchtte en steeds op de vedel speelde.
17168
 
17169
Maar Uilenspiegel liep sneller dan zij; hij haalde heur in, greep ze
17170
vast en wilde heur aanspreken; maar zij legde heure hand, die naar
17171
benzoë rook, op zijnen mond.
17172
 
17173
--Zijt gij gemeene burger of edelman? vroeg zij.
17174
 
17175
--Ik ben Uilenspiegel.
17176
 
17177
--Zijt gij rijk?
17178
 
17179
--Rijk genoeg om een hemelsch genot te betalen, niet genoeg om mijne
17180
ziel af te koopen.
17181
 
17182
--Hebt gij geen peerd, dat gij te voet gaat?
17183
 
17184
--Ik had een ezel, antwoordde Uilenspiegel, maar ik heb hem op stal
17185
gelaten.
17186
 
17187
--Hoe komt het dat gij alleen, zonder vrienden of dienaren, rondzwerft
17188
in een vreemde stede?
17189
 
17190
--Omdat mijn vriend zijnerzijds ergens ronddwaalt lijk ik mijnerzijds,
17191
nieuwsgierige schoone.
17192
 
17193
--Ik ben geenszins nieuwsgierig, antwoordde zij. Is hij rijk,
17194
uw vriend?
17195
 
17196
--Ja, hij is rijk, doch in vet, sprak Uilenspiegel. Maar hebt gij
17197
haast gedaan met mij te ondervragen?
17198
 
17199
--Ik heb gedaan, zeide zij, laat mij nu.
17200
 
17201
--U laten? sprak hij, 't was precies alsof men tot Lamme, als hij
17202
honger heeft, zou zeggen eene pateel ortolanen te laten staan. Van
17203
u wil ik eten.
17204
 
17205
--Maar gij hebt mij nog niet gezien, zeide zij.
17206
 
17207
En zij opende eene lanteerne, die plotseling heur aangezicht
17208
verlichtte.
17209
 
17210
--Hoe schoon! sprak Uilenspiegel. Ho! wat schoone lichtbruine huid, wat
17211
zachte oogen, wat roode mond, wat liefelijk lichaam! Alles zij mijn!
17212
 
17213
--Alles, sprak zij.
17214
 
17215
En zij bracht hem bij Stevenijne, op den Brugschen steenweg, in
17216
den Regenboog.
17217
 
17218
Uilenspiegel zag daar een groot getal meidekens, die aan den arm
17219
schijfjes droegen van een andere kleur dan die van heur bombazijnen
17220
kleed.
17221
 
17222
De gezellinne van Uilenspiegel had een zilverlakensch schijfje op
17223
een goudlinnen kleed. En al de meidekens bezagen heur met afgunst.
17224
 
17225
Bij het binnenkomen had zij de bazinne eenen wenk gegeven, maar
17226
Uilenspiegel had het niet bemerkt: zij zetten zich getweeën neder
17227
en dronken.
17228
 
17229
--Weet gij, sprak zij, dat wie mij eens beminde, voor eeuwig mijn is?
17230
 
17231
--Schoone, welriekende deerne, sprak Uilenspiegel, het ware mij een
17232
heerlijk festijn eeuwig uwe genuchten te smaken.
17233
 
17234
Eensklaps zag hij Lamme in eenen hoek zitten, met een tafeltje voor
17235
zich, waarop eene keers, eene hesp en een pot bier stonden; hij had
17236
het zeer druk om zijne hesp en zijn bier te verdedigen tegen twee
17237
meidekens, die met alle geweld met hem wilden eten en drinken.
17238
 
17239
Toen Lamme zijn vriend Uilenspiegel gewaar werd, kwam hij voor hem
17240
staan en sprong wel drie voet hoog van blijdschap.
17241
 
17242
--God zij geloofd, sprak hij, omdat Hij mij mijnen vriend Uilenspiegel
17243
teruggeeft! Bazinne, breng ons te drinken!
17244
 
17245
Uilenspiegel trok zijne tasch uit en sprak:
17246
 
17247
--Te drinken tot dit op is!
17248
 
17249
En hij deed zijne karolussen rinkelen.
17250
 
17251
--Leve God! sprak Lamme, die hem gezwind de tassche uit de hand trok,
17252
ik ben 't die betaal, maar gij niet! Deze tassche is mijn!
17253
 
17254
Uilenspiegel wilde met geweld zijne tassche terugnemen, doch Lamme
17255
hield ze stevig vast. Terwijl zij met elkander vochten, de een om de
17256
tassche te houden, de andere om ze terug te nemen, sprak Lamme stille
17257
tot Uilenspiegel:
17258
 
17259
--Luister: serjanten in huis ... ze zijn gevieren ... in een kleine
17260
kamer met drie meidekens.... Twee buiten voor u, voor mij.... Heb
17261
willen weggaan ... ben belet geworden.... De deerne met heur goudlinnen
17262
kleed is eene verklikster ... Stevenijne, ook verklikster!
17263
 
17264
Terwijl zij met elkander vochten, luisterde Uilenspiegel goed naar
17265
Lamme en riep hij:
17266
 
17267
--Mijne tasch terug, dieper!
17268
 
17269
--Gij zult ze niet hebben, sprak Lamme.
17270
 
17271
En zij vatten elkander bij den nek, bij de schouderen en rolden ten
17272
gronde, terwijl Lamme stille alles zeide tot Uilenspiegel wat deze
17273
diende te weten.
17274
 
17275
Maar de baas uit de Bie kwam eensklaps binnen met zeven mannen, die
17276
hij niet scheen te kennen. Hij kraaide als de haan en Uilenspiegel
17277
floot als de leeuwerik.
17278
 
17279
Toen de baas Uilenspiegel en Lamme samen aan 't vechten zag, vroeg
17280
hij tot Stevenijne:
17281
 
17282
--Wat zijn dat voor twee rabauwen?
17283
 
17284
Stevenijne antwoordde:
17285
 
17286
--Truwanten, die men niet slecht zou doen van elkander te scheiden,
17287
in stede van hen hier al dat gedruisch te laten maken, vóór zij naar
17288
't galgeveld trekken.
17289
 
17290
--Als hij zich vermeet ons te scheiden, sprak Uilenspiegel, hameren
17291
wij met zijnen kop op de vloersteenen.
17292
 
17293
--Ja, op de vloersteenen, bevestigde Lamme.
17294
 
17295
--De baas komt ons redden, fluisterde Uilenspiegel tot Lamme.
17296
 
17297
De baas, die eene of andere geheimenis ried, wierp zich tusschen
17298
de vechters.
17299
 
17300
Lamme zei hem in der haast deze woorden in 't oor:
17301
 
17302
--Komt gij ons redden? Hoe dat?
17303
 
17304
De baas gebaarde dat hij Uilenspiegel duchtig bij de ooren trok,
17305
en fluisterde hem toe:
17306
 
17307
--Zeven voor u ... sterke mannen, beenhouwers.... Ik ga weg ... te
17308
zeer gekend in de stad.... Als ik weg ben, is 't tijd van te beven
17309
den klinkaard.... Alles aan stukken slaan....
17310
 
17311
--Goed, zeide Uilenspiegel, die zich oprichtte en den baas eenen
17312
schop gaf.
17313
 
17314
Maar de baas gaf hem eenen schop terug en eenen slag daarbij. En
17315
Uilenspiegel zei hem:
17316
 
17317
--Gij slaat dapper, kameraad.
17318
 
17319
--Ja, ze vallen als hagelsteenen, niet waar, antwoordde de baas, die
17320
meteen vlug de tassche uit Lamme's handen rukte en ze aan Uilenspiegel
17321
teruggaf.
17322
 
17323
--Daar, rabauw, sprak hij, trakteer mij, nu gij terug in 't bezit
17324
van uw goed zijt.
17325
 
17326
--Zuip maar op, schandalige dieper, antwoordde Uilenspiegel.
17327
 
17328
--Hoor eens hoe stout hij is, sprak Stevenijne.
17329
 
17330
--Zoo stout als gij schoon zijt, lievelinge, antwoordde Uilenspiegel
17331
met een spottenden glimlach.
17332
 
17333
Nu, Stevenijne was diep in de zestig en had een gezicht als eene
17334
mispel, doch 't was nu geel van toorn en gramschap. In 't midden
17335
stond een neus, die geleek op den bek van een uil. Zij had oogen
17336
lijk die van een vrek, zonder glans van min of van vriendschap. Twee
17337
lange, puntige tanden staken uit haren mageren mond met zijn dunne,
17338
kleurlooze lippen. En een groote roode vlek bemorste hare linkerwang.
17339
 
17340
De meidekens lachten, spotten met haar en zeiden:
17341
 
17342
--Lievelinge, lievelinge, geef hem te drinken!--Hij zal u kussen en
17343
streelen.--Hoelang is het geleden, dat gij samen voor de eerste maal
17344
paardet?--Pas op, Uilenspiegel, zij gaat u verscheuren.--Bezie hare
17345
oogen, zij flikkeren, maar 't is van haat en niet van liefde.--Zou men
17346
niet zeggen, dat zij lust heeft tot bijten?--Wees niet bevreesd.--Al
17347
de vrouwen, die oprecht beminnen, doen zooals zij.--Zij wil slechts
17348
uw goed.--Zie eens hoe 't lachen haar in goede luim heeft gebracht!
17349
 
17350
En, inderdaad, Stevenijne lachte, doch knipoogde intusschen tot
17351
Gilline, de deerne met heur goudlinnen kleed.
17352
 
17353
De baas dronk, betaalde en vertrok.
17354
 
17355
De zeven beenhouwers deden teeken van verstandhouding tot de serjanten
17356
en tot Stevenijne.
17357
 
17358
Een van de zeven maakte een gebaar om te bedieden, dat hij Uilenspiegel
17359
voor een onnoozele hield en dat hij hem leelijk ging beethebben.
17360
 
17361
En in Uilenspiegel's oor zeide hij, terwijl hij spottend de tong
17362
uitstak naar Stevenijne, die lachte en heure tanden liet zien:
17363
 
17364
--'t Is van te beven den klinkaard!
17365
 
17366
Vervolgens, naar de serjanten wijzend, sprak hij luidop:
17367
 
17368
--Lieve hervormde, wij zijn allen met u, trakteer ons met eten
17369
en drinken.
17370
 
17371
En Stevenijne lachte van plezier en stak ook heure tong uit naar
17372
Uilenspiegel, toen deze met zijnen rug naar heur was gekeerd.
17373
 
17374
En Gilline, de deerne met heur goudlinnen kleed, stak insgelijks
17375
heure tong uit naar Uilenspiegel.
17376
 
17377
En de meidekens zeiden tot elkander:
17378
 
17379
--Ziet die verklikster, die den Spanjaard aanhangt en die, door
17380
heure schoonheid, meer dan zeven en twintig hervormden naar de wreede
17381
pijnbank en naar den nog wreederen marteldood bracht. Zie, Gilline
17382
is buiten zich zelve van vreugde; zeker denkt ze aan het geld, dat
17383
zij als aanbrengster krijgt,--de eerste honderd karolusgulden op de
17384
nalatenschap der slachtofferen. Maar zij lacht niet, want zij denkt
17385
er aan, dat zij met Stevenijne moet deelen.
17386
 
17387
En allen, serjanten, beenhouwers en meidekens, staken hunne tong uit
17388
om te spotten met Uilenspiegel.
17389
 
17390
En Lamme zweette water en bloed; hij was van gramschap zoo rood als
17391
de kam van een haan, doch hij wilde niet spreken.
17392
 
17393
--Komaan, trakteer ons met eten en drinken, zeiden de beenhouwers en
17394
de serjanten.
17395
 
17396
--Wel, sprak Uilenspiegel, terwijl hij zijne karolussen opnieuw deed
17397
rinkelen, geef ons te eten en te drinken, beminnelijke Stevenijne,
17398
geef ons te drinken in glazen, die klinken.
17399
 
17400
Op die rede lachten de meidekens opnieuw en stak Stevenijne heure
17401
scherpe tanden weer uit.
17402
 
17403
Maar ze ging toch naar de keuken en naar den kelder, en ze kwam
17404
terug met hesp, met worsten, met pannekoeken van zwarte pensen en
17405
met klinkaards: dat zijn glazen met een voet, aldus geheeten omdat
17406
zij klinken lijk de beiaard, als men ze tegeneen stoot.
17407
 
17408
Uilenspiegel zei toen:
17409
 
17410
--Dat zij eten, die honger hebben, en drinken, die dorst hebben!
17411
 
17412
En serjanten, meidekens, beenhouwers, Gilline en Stevenijne klapten
17413
in de handen en trapten met de voeten. Ieder zette zich neer waar
17414
hij plaats vond: Uilenspiegel, Lamme en de zeven beenhouwers aan de
17415
groote eeretafel, de serjanten en de meidekens aan twee kleine tafelen.
17416
 
17417
En men at en men dronk met een luidruchtig geknauw, tot zelfs de
17418
twee serjanten, die buiten stonden en die door hunne gezellen werden
17419
binnengeroepen om deel te nemen aan het festijn.
17420
 
17421
En uit hunne gordeltasschen zag men koorden en kettingen steken.
17422
 
17423
Stevenijne liet hare tanden zien, en grinnikend sprak zij:
17424
 
17425
--Niemand zal hier uitgaan, vóór ik betaald ben.
17426
 
17427
En al de deuren ging zij vast doen; en de sleutelen stak zij in
17428
heure tassche.
17429
 
17430
Gilline stak heur glas omhoog en sprak:
17431
 
17432
--Laat ons drinken, de vogel is gevangen!
17433
 
17434
Bij die rede zeiden twee meidekens, Gena en Greta, tot heur:
17435
 
17436
--Gaat gij dien ook al ter dood brengen, wreedaardige beulin?
17437
 
17438
--Laat mij gerust, zei Gilline, laat ons drinken!
17439
 
17440
Maar de twee meidekens wilden niet klinken met heur.
17441
 
17442
En Gilline nam heure vedel en zong:
17443
 
17444
 
17445
    Op de vedel zing ik geerne,
17446
      Op de vedel nacht en dag.
17447
    Ik ben de dartele deerne
17448
      Die leef van minnegelag.
17449
 
17450
    Venus mijn heupen maakte,
17451
      Vlammend als van een elf;
17452
    Wit zijn mijn schouders, de naakte,
17453
      Mijn lijf is de godheid zelf.
17454
 
17455
    Laat uit den buidel klinkelen
17456
      Kronen met hellen klank.
17457
    Laat een goudstroom ruischen en rinkelen
17458
      Geel om mijn voeten blank.
17459
 
17460
    Ik ben van Eva's geslachte,
17461
      Door Satan, den feilen held.
17462
    Geen vreugdbron lokt uw gedachte
17463
      Die niet in mijn herte welt.
17464
 
17465
    'k Ben koud en gloeiend samen,
17466
      Teeder, wankel, of stil,
17467
    Flauw, lauw, heet in 't verzamen,
17468
      Willig, man, naar uw wil.
17469
 
17470
    Zie mijn schoonheid veil, mijn blikken,
17471
      Mijn oogen, blauw en rood,
17472
    Mijn lachjes, tranen en snikken,
17473
      En zoo ge 't zoekt, den Dood.
17474
 
17475
    Op de vedel zing ik geerne,
17476
      Op de vedel nacht en dag.
17477
    Ik ben de dartele deerne
17478
      Die leef van minnegelag.
17479
 
17480
 
17481
En terwijl Gilline zong, was ze zóó bevallig, zóó betooverend schoon,
17482
dat al de mannen, serjanten, beenhouwers, Lamme en Uilenspiegel,
17483
verteederd, glimlachend, als overwonnen, sprakeloos bleven zitten.
17484
 
17485
Eensklaps schoot Gilline in een luiden schaterlach en, Uilenspiegel
17486
beziende, sprak ze:
17487
 
17488
--Zóó is 't dat men vogelen vangt!
17489
 
17490
En heure tooverkracht was verdwenen....
17491
 
17492
Uilenspiegel, Lamme en de zeven sterke beenhouwers bezagen malkander.
17493
 
17494
--Nu, gaat ge mij betalen? sprak Stevenijne, gaat ge mij betalen,
17495
messire Uilenspiegel, die teert en smeert met het geld van de
17496
predikantjes?
17497
 
17498
Lamme wilde spreken, doch Uilenspiegel deed hem zwijgen en zei tot
17499
Stevenijne:
17500
 
17501
--Ik ben niet gewoon op voorhand te betalen.
17502
 
17503
--Dan zal ik mij naderhand doen betalen op uwe nalatenschap, zeide
17504
Stevenijne.
17505
 
17506
--Hyena's leven van lijken, antwoordde Uilenspiegel.
17507
 
17508
--Ja, sprak een van de serjanten, die twee diepers hebben 't geld van
17509
de predikanten genomen: meer dan driehonderd karolusgulden. Daar zal
17510
een goede stuiver voor Gilline afmogen.
17511
 
17512
Deze zong:
17513
 
17514
 
17515
    Zoek elders zoeter blikken,
17516
      Neem alles, mijn lief genoot,
17517
    Vreugden, kussen, en snikken,
17518
      En, zoo ge 't wilt, den Dood.
17519
 
17520
 
17521
En toen riep ze, grijnslachend:
17522
 
17523
--Laat ons drinken!
17524
 
17525
De serjanten antwoordden:
17526
 
17527
--Laat ons drinken!
17528
 
17529
--Bij God! zei Stevenijne, laat ons drinken! De deuren zijn vast,
17530
de vensteren zijn van stevige ijzeren staven voorzien: de vogelen
17531
zijn gevangen; laat ons drinken!
17532
 
17533
--Laat ons drinken! zei Uilenspiegel.
17534
 
17535
--Laat ons drinken! zei Lamme.
17536
 
17537
--Laat ons drinken! zeiden de zeven beenhouwers.
17538
 
17539
--Laat ons drinken! zeiden de serjanten.
17540
 
17541
--Laat ons drinken! zei Gilline, die de snaren heurer vedel
17542
tokkelde. Ik ben schoon, laat ons drinken! Den aartsengel Gabriël
17543
zou ik vangen in de netten van mijn lied!
17544
 
17545
--Laat ons dan maar drinken, riep Uilenspiegel. Breng wijn op, om het
17546
feest te bekronen, en wèl van den besten! Dat onze dorstige lichamen
17547
van het hoofd tot de voeten doortrokken wezen van het vurige sap van
17548
den wijngaard!
17549
 
17550
--Laat ons drinken! sprak Gilline, een grondeling, als gij, is den
17551
heekt wel een hap weerd.
17552
 
17553
Stevenijne bracht bottels wijn op.
17554
 
17555
De serjanten en de meidekens zaten samen, en dronken en zwolgen. De
17556
zeven beenhouwers, die aan de tafel van Lamme en Uilenspiegel zaten,
17557
smeten van hunne tafel naar die van de meidekens hespen, worsten,
17558
pannekoeken en bottels, die zij vingen in de vlucht, gelijk de karpers
17559
boven het water naar de vliegen snappen. En Stevenijne liet heure
17560
scherpe tanden zien en grijnslachte, en wees naar de pakken keersen
17561
van vijf in het pond, die boven den toog hingen. Het waren de keersen
17562
van de meidekens.
17563
 
17564
Vervolgens sprak zij tot Uilenspiegel:
17565
 
17566
--Men gaat naar den brandstapel met eene vetkeers in de hand; wilt
17567
gij er reeds eene hebben?
17568
 
17569
--Laat ons drinken! zei Uilenspiegel.
17570
 
17571
--Laat ons drinken! zeiden de zeven.
17572
 
17573
Gilline sprak:
17574
 
17575
--Evenals die van eenen zwaan, dien de dood nabij is, flikkeren
17576
Uilenspiegel's oogen lijk perelen.
17577
 
17578
--Perelen, die wij voor de verkens zullen smijten, sprak Stevenijne
17579
met wrok in het herte.
17580
 
17581
--Nu, dit ware zoo ongewoon niet: er zijn meer zeugen, die perelen
17582
dragen; laat ons drinken! antwoordde Uilenspiegel.
17583
 
17584
--Wat zoudt gij zeggen, vervolgde Stevenijne, als men u op de pijnbank
17585
legde en daarna uwe tong met een gloeiend ijzer doorboorde?
17586
 
17587
--Dat ik dan beter zou kunnen schuifelen: Laat ons drinken! antwoordde
17588
Uilenspiegel opnieuw.
17589
 
17590
--Ge zoudt zooveel praat niet maken als gij gehangen werdt, sprak
17591
Stevenijne, en uwe lievelinge zou komen zien hoe gij het stelt.
17592
 
17593
--Ja, sprak Uilenspiegel, maar ik weeg nogal zwaar, en licht kon het
17594
gebeuren, dat ik op uw goddelijk wipneusje bonsde: laat ons drinken!
17595
 
17596
--Wat zoudt gij zeggen zoo gij gekortoord werd, en op het voorhoofd
17597
en op den schouder met eenen sleutel gebrandmerkt?
17598
 
17599
--Ik zou zeggen, dat men een verkeerd beest heeft genomen, antwoordde
17600
Uilenspiegel, en dat men, in stee van met de zeug Stevenijne, met
17601
den beer Uilenspiegel bezig is: laat ons drinken!
17602
 
17603
--Mits gij van al die lieve dingen niet houdt, sprak Stevenijne, zult
17604
gij gebracht worden op de galeien des konings, en daar gevierendeeld
17605
worden.
17606
 
17607
--Wel, sprak Uilenspiegel, dan zullen mijne vier deelen in de zee
17608
gesmeten worden om den haaien te dienen tot voedsel, en wat zij
17609
overlaten is voor u, mijn hertje: laat ons drinken!
17610
 
17611
--Eet liever, sprak zij, eet liever deze keersen, zij zullen u dienstig
17612
zijn in de helle, om uw eeuwige verdoemenis te verlichten.
17613
 
17614
--Ik zie klaar genoeg om uw lichtenden snoet te onderscheiden,
17615
o slecht gebrande zeug, hernam Uilenspiegel.
17616
 
17617
Eensklaps sloeg hij met den voet van zijn glas op de tafel, daarbij
17618
bootste hij, met de handen, 't gerucht na, dat de tapijtsiers maken
17619
als zij wolle op eene horde uitkloppen, doch hij deed het stilletjes
17620
en zei op de maat:
17621
 
17622
--'t Is van te beven den klinkaard!
17623
 
17624
In Vlaanderen was dit het teeken, dat de drinkers kwaad werden. Op
17625
dit teeken werd gemeenlijk alles kort en klein geslagen in de huizen
17626
met roode lanteerne.
17627
 
17628
Uilenspiegel dronk, tikte met zijn glas op de tafel en sprak:
17629
 
17630
--'t Is van te beven den klinkaard!
17631
 
17632
En de zeven deden als hij.
17633
 
17634
Allen hielden zich stille: Gilline verbleekte, Stevenijne scheen
17635
verrast en onthutst.
17636
 
17637
De serjanten vroegen tot elkaar:
17638
 
17639
--Zouden die zeven met hen zijn?
17640
 
17641
Maar de beenhouwers knipoogden om hen gerust te stellen, terwijl zij
17642
gedurig luider en luider zeiden met Uilenspiegel:
17643
 
17644
't Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
17645
 
17646
Stevenijne dronk mee, om zich een hert onder den riem te steken.
17647
 
17648
Toen sloeg Uilenspiegel met de vuist op de tafel, op de maat van
17649
de tapijtsiers, die wolle kloppen; de zeven deden als hij: glazen,
17650
kruiken, schalen, pinten en bekers begonnen te dansen, stieten tegen
17651
elkander, braken, sprongen van den eenen kant weder recht om van den
17652
anderen weer neder te vallen.
17653
 
17654
En altijd weerklonk meer en meer dreigend en vervaarlijk, het
17655
krijgszuchtig en eentonig referein:
17656
 
17657
--'t Is van te beven den klinkaard!
17658
 
17659
--Laas! zuchtte Stevenijne, zij gaan hier alles aan stukken slaan!
17660
 
17661
En de schrik deed heure scherpe tanden nog langer uitsteken dan
17662
gewoonte.
17663
 
17664
En, van woede en grammoedigheid begon het bloed van de zeven en van
17665
Lamme en Uilenspiegel meer en meer te koken.
17666
 
17667
En, zonder hun eentonig en dreigend gezang te staken, namen al die
17668
van Uilenspiegel's tafel hunne glazen en bekers en braken zij dezelve
17669
op de tafel, op de maat der tapijtsiers. Vervolgens zetten zij zich
17670
te peerd op hunne stoelen en trokken zij hunne kruismessen uit.
17671
 
17672
En zij maakten zulk een gedruisch met hun lied, dat al de ruiten van
17673
het huis aan 't rinkelen gingen.
17674
 
17675
Vervolgens stormden zij, als uitzinnige duivelen, op hunne stoelen,
17676
rond de kamer en om de tafelen, terwijl zij aanhoudend riepen:
17677
 
17678
--'t Is van te beven den klinkaard!
17679
 
17680
En bevend van schrik stonden de serjanten toen recht en haalden
17681
zij hunne koorden en kettingen uit. Maar de beenhouwers en Lamme en
17682
Uilenspiegel staken hunne kruismessen in de scheeden, grepen hunne
17683
stoelen in de hand, zwaaiden ermede als knuppels, liepen aldus de kamer
17684
rond en sloegen, in't wilde, alles aan stukken en brokken. Alleen de
17685
meidekens werden ontzien, doch huisraad, schapraaien, ruiten en pinten,
17686
glazen en schalen, bottels en flesschen werden aan stukken geslagen,
17687
ook de serjanten kregen ruimschoots hun deel, altijd op de maat van
17688
de tapijtsiers, die wolle kloppen:
17689
 
17690
--'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
17691
 
17692
Intusschen had Uilenspiegel eenen vuistslag gegeven op Stevenijne's
17693
neus en hare sleutels uit heure tassche genomen, en nu wilde hij met
17694
alle geweld haar heure keersen doen eten.
17695
 
17696
De schoone Gilline krabde, als eene verschrikte kattin, met heure
17697
nagelen aan deuren, ramen, ruiten en vensteren, om ergens een uitweg
17698
te vinden. Vervolgens ging zij, bleek als de dood, in eenen hoek op
17699
heure hurken zitten, met heure vedel vóór zich, alsof deze heur had
17700
moeten beschermen.
17701
 
17702
De zeven en Lamme zeiden tot de verschrikte meidekens:
17703
 
17704
--U zullen wij geenerlei leed doen.
17705
 
17706
En, geholpen door heur, bonden zij, met koorden en kettingen,
17707
de serjanten, die beefden als riet en niet dorsten wederstaan,
17708
daar zij wel voelden, dat de beenhouwers--die de weerd uit de Bie
17709
onder de sterksten gekozen had--hen met hunne kruismessen in stukken
17710
hadden gekapt.
17711
 
17712
En, naarmate Uilenspiegel met geweld Stevenijne keersen deed eten,
17713
sprak hij:
17714
 
17715
--Deze is voor de pijne der galge; deze voor de kortooring; nog eene
17716
voor de brandmerking; deze hier voor de tongboring; kom, hier nog twee
17717
dikke vette voor de galeien des konings en voor de vierendeeling;
17718
deze is voor uwe spelonk van spionnen; deze is voor uwe deerne met
17719
heur goudlinnen kleed; en al deze hier voor mijn eigen rekening.
17720
 
17721
En de meidekens proestten van 't lachen, als ze Stevenijne hoorden
17722
niezen van gramschap en zagen hoe zij bovenmatige pogingen inspande om
17723
de keersen uit te spuwen. Maar te vergeefs, want heur mond was te vol.
17724
 
17725
Uilenspiegel, Lamme en de zeven anderen hielden niet op met zingen
17726
op maat:
17727
 
17728
--'t Is van te beven den klinkaard!
17729
 
17730
Vervolgens scheidde Uilenspiegel uit, en deed hij hun teeken het
17731
referein zachtjes te mompelen. Zulks deden zij, terwijl hij tot de
17732
serjanten en meidekens sprak:
17733
 
17734
--Als een uwer zich vermeet om hulp te roepen, wordt hij onmiddellijk
17735
gekeeld.
17736
 
17737
--Gekeeld! bevestigden de beenhouwers,
17738
 
17739
--Wij zullen zwijgen, maar doe ons geen leed, Uilenspiegel, zeiden
17740
de meidekens.
17741
 
17742
Doch Gilline, die met uitpuilende oogen, met toegebeten tanden,
17743
op de hurken in heuren hoek zat, kon niet spreken en prangde heure
17744
vedel tegen heure borst.
17745
 
17746
En de zeven murmelden altijd op maat:
17747
 
17748
--'t Is van te beven den klinkaard!
17749
 
17750
Stevenijne wees met den vinger naar de keersen, die in haren mond
17751
staken, om te bedieden dat zij ook zwijgen zou. De serjanten beloofden
17752
zulks insgelijks.
17753
 
17754
Uilenspiegel vervolgde zijne rede en sprak:
17755
 
17756
--Gij zijt hier allen in onze macht; 't is donker, de nacht is
17757
gevallen, wij zijn hier dicht bij de Leie, in dewelke men lichtelijk
17758
verdrinkt, vooral als men daartoe door flinke gasten wordt geholpen.
17759
 
17760
--De poorten van Kortrijk zijn lang reeds gesloten. Als de nachtwacht
17761
het gedruisch gehoord heeft, zal zij zich niet verroeren, want zij
17762
is er te lui voor. Ook meent zij, dat het goede Vlamingen zijn, die
17763
blijde drinken en zingen bij 't gerinkel van bottels en glazen. Houdt
17764
u dus koest en luistert naar de bevelen van uwe meesters.
17765
 
17766
Toen vroeg hij tot de zeven:
17767
 
17768
--Gaat gij naar Petegem bij de Geuzen?
17769
 
17770
--Ja; wij hebben onze toebereidselen gemaakt, zoodra wij hoorden,
17771
dat gij naar de stad kwaamt.
17772
 
17773
--Van daar gaat gij naar de zee?
17774
 
17775
--Ja, zeiden zij.
17776
 
17777
--Kent gij onder die serjanten een of twee, die men zou mogen loslaten,
17778
om ons te dienen?
17779
 
17780
--Ja, zeiden ze, twee, Nicolaas en Judocus, die nimmer de arme
17781
hervormden hebben vervolgd.
17782
 
17783
--Wij zijn getrouw! riepen Nicolaas en Judocus.
17784
 
17785
Toen sprak Uilenspiegel:
17786
 
17787
--Hier hebt gij twintig karolusgulden, tweemaal meer dan gij hadt
17788
ontvangen als eerloozen prijs uwer aanklacht.
17789
 
17790
Plotseling riepen de vijf andere:
17791
 
17792
--Twintig gulden! Voor twintig gulden willen wij ook den prins
17793
dienen. De koning betaalt slecht. Geef ons enkel de helft van die som,
17794
en wij vertellen aan den rechter al wat gij wilt.
17795
 
17796
De beenhouwers en Lamme herhaalden gezamenlijk, met een dof gemurmel:
17797
 
17798
--'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
17799
 
17800
--Opdat gij uwe tong niet zoudt voorbijklappen, sprak Uilenspiegel,
17801
zullen de zeven u gekneveld en gebonden naar Petegem brengen, bij de
17802
Geuzen. Gij zult tien gulden hebben als gij op zee zult zijn; op die
17803
manier zijn wij zeker, dat de keuken van 't kamp u bijhoudt. Als gij
17804
dient als dappere soldaten, krijgt gij uw deel van de buit. Als gij
17805
beproeft te ontsnappen wordt gij gehangen. Als gij ontsnapt, om de
17806
koorde te ontloopen, valt gij gewis op het mes.
17807
 
17808
--Wij dienen, die ons betaalt, zeiden zij.
17809
 
17810
Lamme en de zeven sloegen op de tafels met scherven van potten en
17811
pinten en bekers, en spraken:
17812
 
17813
--'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
17814
 
17815
--Gilline, Stevenijne en drie deernen zult gij insgelijks medenemen,
17816
vervolgde Uilenspiegel. Als een van heur poogt te ontsnappen, naait
17817
gij ze in eenen zak en smijt ze in de Leie.
17818
 
17819
--Hij heeft mij niet gedood, kreet Gilline, uit heuren hoek springend
17820
en met heure vedel zwaaiend.
17821
 
17822
En zij zong:
17823
 
17824
 
17825
    Bloedig was de gedachte
17826
    Die nog mijn hart ontstelt.
17827
    Ik ben van Eva's geslachte
17828
    Door Satan, den fellen held.
17829
 
17830
 
17831
Stevenijne en de anderen zetten een gezicht alsof zij in tranen
17832
gingen uitbarsten.
17833
 
17834
--Vreest niets, mijne liefsten, sprak Uilenspiegel, gij zijt zoo zoet
17835
en zoo zacht, dat men u overal zal minnen, vieren en streelen. Bij
17836
elke bemachtiging, door onze legers gedaan, krijgt gij ook uw deel
17837
van den buit.
17838
 
17839
--Ik, ik zal niemendal krijgen, ik ben reeds te oud, sprak Stevenijne
17840
krijtend.
17841
 
17842
--Eén stuiver daags zult gij krijgen, sprak Uilenspiegel, want gij
17843
zult de dienaresse dezer vier schoone deernen wezen. Gij zult heure
17844
rokken, kleeren en hemden wasschen.
17845
 
17846
--Ik, Heere God? riep zij.
17847
 
17848
Uilenspiegel antwoordde:
17849
 
17850
--Lang genoeg hebt gij heure meesteresse gespeeld, lang genoeg
17851
hebt gij rijkelijk geleefd op heur lijf, terwijl gij ze in armoede
17852
en ontbering liet sukkelen. Nu moogt gij schreeuwen en ruchelen,
17853
't is vergeefs. Zooals ik zeg, zal geschieden.
17854
 
17855
Daarop schoten de vier meidekens in eenen schaterlach; ze begonnen
17856
met Stevenijne te lachen en zeiden, terwijl zij spottend de tong naar
17857
heur uitstaken:
17858
 
17859
--Elk zijne beurt op de wereld. Wie had dat gedacht van de gierige
17860
Stevenijne? Zij zal voor ons werken als onze dienstmeid. Gezegend
17861
zij onze heer, gezegend zij Uilenspiegel!
17862
 
17863
Vervolgens zei Uilenspiegel tot de zeven beenhouwers en tot Lamme
17864
Goedzak:
17865
 
17866
--Ledigt de wijnkelders, neemt al het geld; het zal dienen tot het
17867
onderhoud van Stevenijne en de vier meidekens.
17868
 
17869
--Zij knarsetandt, de gierige Stevenijne, zeiden de meidekens. Gij
17870
waart hard jegens ons, nu is men het ook jegens U. Gezegend zij onze
17871
heer, gezegend zij Uilenspiegel!
17872
 
17873
En de drie deernen wendden zich tot Gilline:
17874
 
17875
--Gij waart heure dochter, heure broodwinster, zeiden zij, met heur
17876
deeldet gij de vruchten van uw eerloos spionbedrijf. Zoudt gij ons
17877
nog durven slaan en beleedigen, met uwe goudlinnen kleeren? Voor
17878
ons koesterdet gij niets dan verachting, omdat wij maar bombazijn
17879
droegen. Als gij zoo schoon gekleed waart, was het alleen met den
17880
prijs van het bloed uwer slachtofferen. Wij zullen heur kleed van
17881
heur lijf rukken, opdat zij onze gelijke zou wezen.
17882
 
17883
--Dat zal ik niet dulden, sprak Uilenspiegel.
17884
 
17885
En Gilline vloog hem om den hals en sprak blijde:
17886
 
17887
--Gezegend zijt gij, die mij spaart van den dood en niet duldt dat
17888
ik leelijk weze!
17889
 
17890
En de afgunstige meidekens bezagen Uilenspiegel en spraken tot
17891
elkander:
17892
 
17893
--Hij is zot van haar, evenals de anderen.
17894
 
17895
Gilline nam heure vedel en zong een liedeken van vurige minne.
17896
 
17897
De zeven vertrokken naar Petegem, langsheen de Leie, en leidden de
17898
serjanten en de meidekens mede.
17899
 
17900
Onderweg murmelden zij:
17901
 
17902
--'t Is van te beven den klinkaard! 't Is van te beven den klinkaard!
17903
 
17904
Met den dageraad kwamen zij nabij het kamp. Zij zongen als de
17905
leeuwerik en het gekraai van den haan antwoordde hun. De meidekens
17906
en de serjanten werden van dichtbij bewaakt.
17907
 
17908
Edoch, den derden morgen werd Gilline dood gevonden: in heur hert
17909
stak een groote naald.
17910
 
17911
Stevenijne werd door de drie meidekens beschuldigd en gebracht voor den
17912
bentkapitein, zijne tiendeniers en serjanten, in verschaar vergaderd.
17913
 
17914
Daar bekende zij, zonder dat men heur op de pijnbank moest leggen, dat
17915
zij Gilline gedood had uit afgunst op heure schoonheid en uit woede,
17916
omdat de deerne heur zonder mededoogen als eene dienstmeid behandelde.
17917
 
17918
En Stevenijne werd gehangen en vervolgens begraven in het bosch.
17919
 
17920
Gilline werd ook begraven, en men las de gebeden der dooden over heur
17921
liefelijk lichaam.
17922
 
17923
Doch de twee serjanten Judocus en Nikolaas, dien Uilenspiegel de
17924
les had gespeld, waren vóór den kastelein van Kortrijk verschenen,
17925
want het gedruisch, het geweld en de plundering moesten door hem
17926
gestraft worden, daar het huis van Stevenijne in de kasselrij, buiten
17927
den bijvang der stad Kortrijk lag. Nadat zij aan den kastelein het
17928
gebeurde hadden verteld, zeiden zij hem met de innigste overtuiging
17929
en de nederigste oprechtheid:
17930
 
17931
--De moordenaars van de predikanten zijn geenszins Uilenspiegel
17932
en zijn trouwe vriend Lamme Goedzak, die maar naar den Regenboog
17933
gekomen waren om zich te vermaken. Zij hebben zelfs reispassen van den
17934
hertog en wij hebben die met eigen oogen gezien. De twee schuldigen
17935
zijn twee kooplieden van Gent, een magere en een heel dikke, die naar
17936
Frankrijk getogen zijn, nadat zij alles aan stukken hebben geslagen bij
17937
Stevenijne, dewelke zij medegenomen hebben met heure vier meidekens,
17938
voor hun pleizier. Wij hadden ze wel bij den kraag gepakt, doch daar
17939
waren zeven beenhouwers in het kot, van de sterksten der stad, die
17940
voor de booswichten aantrokken. Zij hebben ons allen gekneveld en ons
17941
maar losgelaten als zij verre in Frankrijk waren. Hier ziet gij nog
17942
het merk van de koorden. De vier andere serjanten zijn achter hunne
17943
hielen, en wachten op versterking, om de hand op hen te leggen.
17944
 
17945
De kastelein gaf hun elk twee karolussen en een nieuw kleed, als
17946
belooning voor hun trouwe en eerlijke diensten.
17947
 
17948
Vervolgens schreef hij naar den raad van Vlaanderen, naar de
17949
schepenbank van Kortrijk en naar andere vierscharen om hun kond te
17950
doen, dat de ware moordenaars ontdekt geweest waren.
17951
 
17952
En hij legde de zaak uiteen van 't begin tot het einde.
17953
 
17954
Dat deed al die van den Raad van Vlaanderen en van de smalle
17955
vierscharen sidderen en beven.
17956
 
17957
En de kastelein werd om zijne scherpzinnigheid geloofd en geprezen.
17958
 
17959
En Uilenspiegel en Lamme gingen ongehinderd op den weg van Petegem
17960
naar Gent, langsheen den oever der Leie; van deze laatste stede zouden
17961
zij zich begeven naar Brugge, alwaar Lamme zijn vrouw hoopte weder
17962
te vinden, en naar Damme, alwaar Uilenspiegel reeds had willen zijn,
17963
om Nele te zien, die treurig leefde bij de uitzinnige Katelijne.
17964
 
17965
 
17966
 
17967
 
17968
XXXVI.
17969
 
17970
Sedert lang werden er, in het land van Damme en in de omstreken,
17971
afschuwelijke gruweldaden gepleegd.
17972
 
17973
Meidekens, jonge knapen, oude mannen, die met geld naar Gent, Brugge
17974
of andere steden of dorpen van Vlaanderen waren gegaan, werden dood
17975
gevonden op den weg, naakt als pieren, den hals doorgebeten met zulke
17976
lange en scherpe tanden, dat het nekbeen van allen gebroken was.
17977
 
17978
De geneesheeren en de chirurgijns-baardemakers verklaarden, dat het
17979
tanden waren van een grooten wolf.
17980
 
17981
--Dieven waren ongetwijfeld gekomen na den wolf, en hadden den
17982
slachtofferen geld en kleederen afgenomen, zeiden zij.
17983
 
17984
Verscheidene aanzienlijke poorters, die zich kloekmoedig zonder
17985
geleide op weg hadden begeven, verdwenen zonder dat men wist wat zij
17986
geworden waren, behalve dat men nu en dan eens een landbouwer, die
17987
's morgens naar zijn akker ging, wolvesporen vond in zijn kouter,
17988
terwijl zijn hond met de pooten de aarde openkrabde en een armzalig,
17989
naakt lijk ontblootte, waarop men, in den nek of onder het oor, de
17990
tanden van den wolf zag, en menigwerf ook in de beenen, doch altijd
17991
van achteren. En altijd was het nekbeen gebroken.
17992
 
17993
De ontstelde boer ging dan schielijk kennis geven van zijne akelige
17994
vondst aan den baljuw, die met zijn griffier-crimineel, twee schepenen
17995
en een chirurgijn-baardemaker, ter plaatse kwam, waar het lijk des
17996
vermoorden lag. Na een neerstig en zorgvuldig onderzoek, lukte het hun
17997
soms, als het gezicht niet afgeknaagd was door de wormen, den stand,
17998
zelfs den naam en den toenaam van den verslagene te ontdekken.
17999
 
18000
Doch ze waren ten zeerste verwonderd, dat de wolf, die uit honger
18001
slechts menschen aanvalt, nooit het kleinste stuk uit het lijk had
18002
gebeten.
18003
 
18004
En die van Damme waren met schrik bevangen en dorsten 's nachts zonder
18005
goed geleide niet meer uitgaan.
18006
 
18007
Eindelijk toch werden verscheidene kloekmoedige soldaten uitgezonden om
18008
den wolf op te sporen, met bevel hem te zoeken, bij dag en bij nacht,
18009
in het duin, langsheen de zee.
18010
 
18011
Toen waren ze omtrent Heist, in het groot duin. De nacht was
18012
gevallen. Een der soldaten, vol vertrouwen op zijne kracht, wilde hen
18013
verlaten, om alleen op zoek te gaan, gewapend met zijne bus. De anderen
18014
lieten hem gaan, overtuigd als zij waren dat hij, een kloekmoedig
18015
en goed gewapend soldaat, den wolf zou dooden, als deze zich dorst
18016
laten zien.
18017
 
18018
Toen hun gezel vertrokken was, staken zij een groot vuur aan, bij
18019
hetwelk zij zich zetten te spelen met dobbelsteenen, en brandewijn
18020
te drinken.
18021
 
18022
En van tijd tot tijd riepen zij luide:
18023
 
18024
--Nu, kameraad, kom maar terug; de wolf heeft schrik; kom, drink
18025
eenen slok.
18026
 
18027
Doch hij antwoordde niet.
18028
 
18029
Eensklaps hoorden zij een grooten schreeuw, als 't gereutel van een
18030
man, die gekeeld wordt, en terstond liepen zij naar den kant van
18031
denwelken het geschreeuw kwam.
18032
 
18033
En zij riepen:
18034
 
18035
--Verweer u kloekmoedig, wij komen u ter hulp!
18036
 
18037
Maar 't duurde tamelijk lang, voordat zij hunnen makker vonden, want
18038
sommigen vermeenden, dat de kreet uit het dal, anderen dat hij van
18039
de hoogste duin was gekomen.
18040
 
18041
Toen zij dal en duin met hunne lanteernen goed afgezocht hadden,
18042
vonden zij eindelijk hunnen gezel, van achteren gebeten in den arm
18043
en in het been en met gebroken nek, lijk de andere slachtofferen.
18044
 
18045
Hij lag op den rug, met zijn zweerd in de toegenepen hand; zijne bus
18046
lag op het zand. Naast hem waren drie afgesneden vingeren, die de zijne
18047
niet waren, en die zij meedroegen. Zijne gordeltasch was hem ontnomen.
18048
 
18049
Zij namen het lijk van hunnen gezel op de schouderen; zijn flink
18050
zweerd en zijn dappere bus droegen zij insgelijks mede, en, grammoedig
18051
en jammerend, droegen zij het lijk naar het baljuwschap, alwaar de
18052
baljuw het ontving, bijgestaan door zijnen griffier-crimineel, door
18053
twee schepenen, alsmede door twee chirurgijns.
18054
 
18055
De afgesneden vingeren werden onderzocht en bevonden als zijnde die van
18056
eenen ouderling, dewelke van geenerlei ambacht kon zijn, want zij waren
18057
dun en fijn, en de nagelen lang, lijk die van rechters en geestelijken.
18058
 
18059
's Anderen daags gingen de baljuw, de schepenen, de griffier, de
18060
chirurgijns en de soldaten naar de plaats, waar de arme doode gebeten
18061
was, en zij zagen bloeddroppelen op het gras, en stappen die gingen
18062
tot aan de zee, waar zij ophielden.
18063
 
18064
 
18065
 
18066
 
18067
XXXVII.
18068
 
18069
Het was in den tijd der rijpe druiven, de vierde dag van de Wijnmaand,
18070
als wanneer men te Brussel, na de hoogmis, van op Sint-Nicolaastoren,
18071
zakken okkernoten te grabbel smijt.
18072
 
18073
Des nachts werd Nele gewekt door kreten, die kwamen van de straat. Zij
18074
zocht Katelijne in de kamer, maar vond ze niet. Zij liep naar beneden
18075
en opende de deur, en Katelijne kwam haastiglijk binnen en sprak:
18076
 
18077
--Red mij! red mij! De wolf! de wolf!
18078
 
18079
En Nele hoorde, van verre in het veld, een akelig, schor
18080
gehuil. Sidderend stak zij al de lampen en keersen aan, die zij vond.
18081
 
18082
--Wat is er gebeurd, Katelijne? vroeg zij, heur in de armen drukkend.
18083
 
18084
Katelijne zette zich neer op eenen stoel, en, met verwilderde oogen,
18085
zeide zij, terwijl zij de keersen aanstaarde:
18086
 
18087
--Dat is de zonne, die de booze geesten verdrijft. De wolf, de wolf
18088
huilt in de verte.
18089
 
18090
--Maar, zeide Nele, waarom zijt gij uit uw bed gekomen, waar gij warm
18091
laagt, om koorts op te doen in de vochtige najaarsnachten?
18092
 
18093
En Katelijne sprak:
18094
 
18095
--Hansken schreeuwde daar even als de nachtuil; en ik heb de deur
18096
opengedaan. En hij zei tot mij: "Drink den tooverdrank"; en ik
18097
dronk. Hansken is schoon. Doe het vuur weg. Toen bracht hij mij dicht
18098
bij de vaart en zeide hij mij: "Katelijne, ik zal u de zevenhonderd
18099
karolussen teruggeven, gij zult ze geven aan Uilenspiegel, zoon
18100
van Klaas. Hier zijn twee karolussen voor u, koop er een kleed mee,
18101
weldra zult gij er duizend hebben".--"Duizend, sprak ik, mijn beminde,
18102
dan zal ik rijk zijn".--"Gij zult ze hebben, sprak hij. Maar zijn er
18103
in Damme geene vrouwen of meidekens, die nu zoo rijk zijn als gij dan
18104
zult wezen?"--"Ik weet het niet", antwoordde ik. Ik wilde heure namen
18105
niet zeggen, uit vreeze dat hij ze zou beminnen. Toen zeide hij mij:
18106
"Tracht dit te weten te komen en zeg mij heure namen als ik terugkom".
18107
 
18108
...Het was koud, de mist hing over de weide, droge takjes vielen van
18109
de boomen op den weg. En de maan glom, en er waren lichtjes op het
18110
water van de vaart. Hansken zeide mij: "'t Is nacht van de weerwolven;
18111
dezen nacht mogen alle schuldige zielen uit de helle komen om op de
18112
wereld te wandelen. Gij moet driemaal het teeken des kruises met de
18113
linkerhand maken en roepen: "Zout! zout! zout!" dat het zinnebeeld is
18114
van onsterfelijkheid; en zij zullen u geenerlei leed doen". En ik zei:
18115
"Ik zal doen wat gij wilt, Hansken, mijn geliefde".--Hij omhelsde mij
18116
en sprak: "Gij zijt mijn gade".--"Ja", sprak ik. En bij zijn zoete
18117
woorden viel een hemelsch geluk als een balsem over mijn lichaam. Hij
18118
kroonde mij met rozen en sprak: "Gij zijt schoon". En ik zeide hem:
18119
"Gij ook zijt schoon, Hansken, mijn geliefde, met uw fijne kleederen
18120
van groene panne met gouden belegsels, met uw lange struisveeren, die
18121
wuiven op uw toque en met uw bleek gezicht, dat lijkt op de branding
18122
der zee. En als de meidekens van Damme u zagen, zouden allen achter u
18123
loopen, om u uw herte te vragen; maar gij moogt het slechts geven aan
18124
mij, Hansken".--Hij sprak: "Tracht te weten te komen wie de rijksten
18125
zijn, haar fortuin is voor u". Toen vertrok hij, na mij verboden te
18126
hebben hem te volgen of te vergezelschappen. Bibberend van koude,
18127
nat van den mist, bleef ik staan, terwijl ik de twee karolussen in
18128
mijne hand deed rammelen, toen eensklaps een wolf met groenen muil
18129
en lange lischblaren in zijn wit haar, den oever van de vaart opklom
18130
en naar mij kwam. Ik riep: "Zout! zout! zout!" en maakte driemaal
18131
het teeken des kruises, doch daar scheen hij geenszins schrik voor
18132
te hebben. En ik liep uit al mijne macht, al schreeuwend, terwijl
18133
hij achter mij huilde, en ik hoorde het klapperend geluid zijner
18134
tanden achter mij, en eenmaal dit zóó dicht tegen mijne schouderen,
18135
dat ik dacht dat hij mij vastgrijpen ging. Maar ik liep gauwer dan
18136
hij. Tot mijn groot geluk kwam ik aan den hoek van de Reigerstraat
18137
den nachtwacht met zijne lanteerne tegen. "De wolf! de wolf!" riep
18138
ik. "Wees niet bevreesd, sprak de nachtwacht tot mij, ik zal u naar
18139
huis leiden, uitzinnige Katelijne". En ik voelde dat zijne hand,
18140
die de mijne vasthield, insgelijks beefde. En hij ook was bevreesd.
18141
 
18142
--Maar reeds heeft hij weer moed gevat, sprak Nele. Hoor, daar zingt
18143
hij met slepende stemme: "De klok slaat tien, tien slaat de klok!" En
18144
hij draait met zijnen ratel.
18145
 
18146
--Doe het vuur weg, sprak Katelijne; mijn hoofd brandt. Kom terug,
18147
Hansken, mijn liefste!
18148
 
18149
En Nele keek droevig naar Katelijne; en zij bad Onze-Lieve-Vrouwe,
18150
de Heilige Moeder Gods, dat zij het vuur der uitzinnigheid uit heur
18151
hoofd zou wegnemen; en zij weende over heur.
18152
 
18153
 
18154
 
18155
 
18156
XXXVIII.
18157
 
18158
Te Bellem, aan den oever van de Brugsche vaart, kwamen Uilenspiegel
18159
en Lamme eenen ruiter tegen, met drie haneveeren op zijn vilten hoed,
18160
en die spoorslags naar Gent reed. Uilenspiegel zong als de leeuwerik
18161
en de ruiter hield zijn peerd in, en antwoordde met Kanteklaar's
18162
helder gekraai.
18163
 
18164
--Brengt gij tijdingen mede, onstuimige ruiter? vroeg Uilenspiegel.
18165
 
18166
--Gewichtige tijdingen, antwoordde de ruiter. Op raadgeving van
18167
mijnheer de Châtillon, die in Frankrijk admiraal is, heeft de
18168
prins kaperbrieven uitgegeven; buiten de vaartuigen van Emden en
18169
Oost-Friesland, worden allerwegen oorlogsschepen uitgerust. De dappere
18170
mannen, die de brieven ontvingen, zijn: Adriaan van Bergen, heer van
18171
Dolhain; de baron de Montfaucon, Lodewijk van Brederode; Albrecht van
18172
Egmond, zoon van den gehalsrechte en geen verrader lijk zijn broeder;
18173
Berthold Enthens van Mentheda, de Fries; Adriaan Menningh, Hembyse,
18174
de trotsche, vurige Gentenaar, alsmede Jan Brock.
18175
 
18176
... De prins heeft heel zijn vermogen gegeven, over de vijftigduizend
18177
gulden.
18178
 
18179
--Ik heb er vijfhonderd voor hem, sprak Uilenspiegel.
18180
 
18181
--Draag ze naar de zee, sprak de ruiter.
18182
 
18183
En hij reed weg op een draf.
18184
 
18185
--Hij geeft heel zijn vermogen, zeide Uilenspiegel. Wij, wij hebben
18186
slechts ons lijf en geven het geerne.
18187
 
18188
--En heet gij dat niets, vroeg Lamme, en zullen wij altijd leven
18189
tusschen rooven en moorden? Oranje is ten gronde.
18190
 
18191
--Ja, sprak Uilenspiegel, ten gronde evenals de eik; maar met eikenhout
18192
bouwt men schepen voor de vrijheid!
18193
 
18194
--Tot zijn profijt, sprak Lamme. Maar, nu alle gevaar verdwenen is,
18195
konden wij ezelen koopen, dunkt mij. Ik zit nog al geerne op mijn gemak
18196
als ik reis, en ben geen liefhebber van veeren op mijne voetzolen.
18197
 
18198
--Wij zullen langooren koopen, zeide Uilenspiegel; die kunnen wij
18199
steeds verkoopen zonder verlies.
18200
 
18201
Zij trokken naar de merkt en kochten er twee schoone ezelen met het
18202
noodige tuig.
18203
 
18204
 
18205
 
18206
 
18207
XXXIX.
18208
 
18209
Schrijlings op hunne rijdieren gezeten, kwamen zij te Oostkamp,
18210
alwaar een groot bosch is, hetwelk aan de vaart paalt.
18211
 
18212
Op zoek naar lommer en naar liefelijke geuren, traden zij er in,
18213
zonder iets anders te zien dan lange dreven, die in alle richtingen
18214
naar Gent, Brugge, Zuid- en Noord-Vlaanderen liepen.
18215
 
18216
Eensklaps sprong Uilenspiegel van zijnen ezel.
18217
 
18218
--Ziet gij daar niets?
18219
 
18220
Lamme sprak:
18221
 
18222
--Ja, ik zie iets.
18223
 
18224
En bevend vervolgde hij:
18225
 
18226
--Mijne vrouw, mijn goede vrouw! Zij is het, mijn vriend. Ha! ik zal
18227
naar heur niet kunnen loopen. Wie had ooit gedacht, dat ik heur aldus
18228
zou terugvinden?
18229
 
18230
--Waarover klaagt gij? sprak Uilenspiegel. Zij is schoon, zoo
18231
half naakt, in dat uitgebekt neteldoeksch wambuis, dat heur vel
18232
zoo liefelijk doet uitkomen. Die vrouw is te jong, zij kan de uwe
18233
niet wezen.
18234
 
18235
--Mijn vriend, sprak Lamme, zij is het, mijn vriend; ik herken
18236
ze. Draag mij, ik kan niet meer gaan. Wie had dit van heur
18237
gedacht? Alzoo dansen, in Egyptische deerne verkleed, zonder
18238
schaamte! Ja, zij is het; zie maar heur schoone beenen, heur tot den
18239
schouder ontbloote armen, heur ronde lichtbruine borsten, die half
18240
uitkomen uit heur neteldoeksch wambuis. Zie eens hoe zij dien grooten
18241
hond plaagt met een rood vlaggetje, en hoe hij er naar toe springt.
18242
 
18243
--'t Is een Egyptische hond, zeide Uilenspiegel; die soort hoort niet
18244
te huis in de Nederlanden.
18245
 
18246
--Of het een Egyptische hond is, weet ik niet juist.... Maar zij
18247
is het.... Ha! mijn vriend, ik sta het niet langer uit. Zij licht
18248
heur kleed nog hooger op, om heur ronde beenen nog hooger te laten
18249
zien. Zij lacht om heur witte tanden te toonen, en schatert om den
18250
klank heurer zoete stem te laten hooren. Zij opent heur wambuis
18251
van boven en werpt zich achterover. Ha! die zwanenhals, die bloote
18252
schouderen, die heldere en stoutmoedige oogen! Ik loop er naar toe!
18253
 
18254
En hij sprong van zijnen ezel.
18255
 
18256
Doch Uilenspiegel hield hem tegen en sprak:
18257
 
18258
--Dat meideken is uwe vrouw niet. Wij zijn omtrent een kamp
18259
van Egyptenaren. Pas op. Ziet gij den rook tusschen de boomen
18260
opstijgen? Hoort gij 't geblaf van de honden? Zie maar: hier zijn
18261
er eenigen, die ons bezien en misschien lust gevoelen om ons te
18262
bijten. Laat ons terugkeeren, Lamme.
18263
 
18264
--Ik wil niet terugkeeren, sprak Lamme, die vrouw is de mijne; zij
18265
is uit Vlaanderen vandaan lijk wij.
18266
 
18267
--Waanzinnige blinde! zei Uilenspiegel.
18268
 
18269
--Maar ik ben niet blind, sprak Lamme. Ik zie ze, half naakt, dansen,
18270
lachen en joelen met dien hond. Zij gebaart mij niet te zien. Maar
18271
ik verzeker u dat zij ons ziet. Thijl! Thijl! zie, de hond werpt zich
18272
op heur en smijt ze ten gronde, om het roode vlaggetje te hebben. En
18273
zij valt met een smertvollen kreet.
18274
 
18275
En eensklaps vloog Lamme er naar toe, zeggende:
18276
 
18277
--Mijne vrouw, mijne vrouw! Waar hebt gij zeer, mijne liefste? Waarom
18278
berst gij in eenen schaterlach uit? Uw oogen staan verwilderd in
18279
uw hoofd.
18280
 
18281
En hij kuste, streelde heur, en sprak:
18282
 
18283
--Dat geboortevlekje, dat gij onder den linkerboezem hadt, zie ik
18284
niet! Waar is het? Zoudt gij mijne vrouw niet wezen? God van den
18285
hoogen hemel!
18286
 
18287
En zij hield op met lachen.
18288
 
18289
Eensklaps riep Uilenspiegel:
18290
 
18291
--Pas op, Lamme.
18292
 
18293
En Lamme keerde zich om, en zag een grooten duivel van een Egyptenaar
18294
met een mager gezicht vóór zich staan, die bruin was als peperkoek.
18295
 
18296
Lamme raapte zijnen stok op, stelde zich te weer en riep:
18297
 
18298
--Ter hulp, Uilenspiegel!
18299
 
18300
Uilenspiegel was daar met zijn kruismes.
18301
 
18302
De Egyptenaar zei hem in het Hoogduitsch:
18303
 
18304
--Gieb mir Geld, einige Thaler.
18305
 
18306
--Zie, sprak Uilenspiegel, het meideken gaat schaterlachend henen en
18307
keert zich gedurig om, opdat men heur volge.
18308
 
18309
--Gieb mir Geld, sprak de man. Betaal uwe minnarijen. Wij zijn arm
18310
en willen u geen kwaad.
18311
 
18312
Lamme gaf hem eenen karolus.
18313
 
18314
--Welk bedrijf voert gij uit? vroeg Uilenspiegel.
18315
 
18316
--Alle bedrijven, antwoordde de Egyptenaar: zeer bedreven in de
18317
goochelkunst, doen wij wonderbare en bovennatuurlijke toeren. Wij
18318
spelen op de tamboerijn en dansen Hongaarsche dansen. Onder ons zijn
18319
er, die schoone vogelkooien maken en anderen die roosters verveerdigen
18320
om vleesch op te braden. Doch allen, Vlamingen als Walen, zijn bevreesd
18321
voor ons en jagen ons weg. Daar wij niets kunnen verdienen, zijn wij
18322
wel gedwongen, groenten, vleesch en kiekens bij de boeren te stelen,
18323
vermits zij ons die niet willen geven of laten verdienen.
18324
 
18325
Lamme vroeg hem:
18326
 
18327
--Van waar komt dat meideken, dat zoo goed op mijne vrouw trekt?
18328
 
18329
--Dat is de dochter van onzen hoofdman, antwoordde de zwerver.
18330
 
18331
Vervolgens zeide hij stiller, als iemand, die vreest dat men hem
18332
zou afluisteren:
18333
 
18334
--Zij werd door God getroffen met minnekwaal en kent niets van
18335
de vrouwelijke eerbaarheid. Zoodra zij eenen man ziet, wordt zij
18336
blijgeestig en minziek, en lacht zij gedurig. Zij is weinig van
18337
zeggen; langen tijd meenden wij dat zij doof was. 's Nachts blijft
18338
zij in alleenigheid vóór het vuur; soms zit zij te weenen, of zonder
18339
reden te lachen, en wijst zij naar heuren buik, waar zij zeer heeft,
18340
naar zij zegt. 's Zomers, rond het middaguur, na het eten, is ze 't
18341
ergst gefolterd door heure kwaal. Dan gaat ze, schier teenemaal naakt,
18342
dansen omtrent het kamp. Zij wil niets anders dragen dan kleederen
18343
van gaas of van neteldoek, en 's winters hebben wij alle moeite om
18344
heur een opperste kleed van geitenlaken te doen omslaan.
18345
 
18346
--Maar, sprak Lamme, heeft zij dan geen enkelen vriend om haar te
18347
beletten aldus aan een iegelijk heur lichaam ten beste te geven?
18348
 
18349
--Neen, sprak de man, zij geeft geenerlei vriend, want als de
18350
wandelaars, die zij tot zich lokt, heur waanzinnige oogen zien,
18351
krijgen zij meer schrik dan liefde voor heur. Die dikke man was
18352
tamelijk stout, sprak hij, naar Lamme wijzend.
18353
 
18354
Lamme fronste de wenkbrauwen, bij die toespeling op zijne dikte.
18355
 
18356
--Laat hem maar zeggen, Lamme; 't is de sprot, die kwaad spreekt van
18357
den walvisch.
18358
 
18359
--Gij zijt spotziek, dezen morgen, sprak Lamme.
18360
 
18361
Doch zonder te luisteren, vervolgde Uilenspiegel tot den zwerver:
18362
 
18363
--Wat doet zij, als anderen zoo stout zijn als mijn vriend Lamme?
18364
 
18365
De Egyptenaar antwoordde droefgeestig:
18366
 
18367
--Dan heeft zij genot en profijt. Zij die heur krijgen, betalen hun
18368
pleizier, en het geld dient om heur te kleeden en ook tot de behoeften
18369
der grijsaards en vrouwen.
18370
 
18371
--Zij gehoorzaamt dus aan niemand? vroeg Lamme.
18372
 
18373
De bruine man antwoordde:
18374
 
18375
--Laat hen, die God treft, hun zin doen. Aldus beduidt hij zijnen
18376
wil. En zijn wil is onze wet.
18377
 
18378
Uilenspiegel en Lamme vervolgden hunnen weg naar Brugge. En de
18379
Egyptenaar ging ernstig en fier terug naar het kamp. En het meideken
18380
danste, schaterlachend, in een opene plaats van het bosch.
18381
 
18382
 
18383
 
18384
 
18385
XL.
18386
 
18387
Onderweg sprak Uilenspiegel tot Lamme:
18388
 
18389
--Wij hebben reeds schrikkelijk veel geld uitgegeven: wij hebben
18390
huurlingen aangeworven, den serjanten eene belooning gegeven,
18391
een karolus aan dat Egyptisch meideken geschonken; voeg daarbij de
18392
ontelbare oliekoeken, die het u beliefde zonder ophouden zelf te eten,
18393
liever dan er éénen te verkoopen. Nu, niettegenstaande het verzet van
18394
uwen buik, wordt het hoog tijd dat wij ons met minder generen. Geef
18395
mij uw geld: ik zal de gemeenschappelijke beurs houden.
18396
 
18397
--Ik wil wel, sprak Lamme.
18398
 
18399
Hem de beurs langend, sprak hij:
18400
 
18401
--Laat mij evenwel niet sterven van honger; want bedenk toch: dik en
18402
struisch als ik ben, moet ik kloek en overvloedig voedsel hebben. Dat
18403
is goed voor u, die mager en schraal zijt, van onbekommerd te leven,
18404
onverschillig of gij eten vindt of niet, lijk de planken op de kaaien,
18405
die leven van regen en lucht. Doch ik, dien de lucht en de regen
18406
hongerig maken, ik hoef andere festijnen.
18407
 
18408
--Gij zult ze hebben, die festijnen, maar 't zullen festijnen zijn
18409
van een deugdzame vasten. De best gevulde buiken zijn daartegen niet
18410
bestand; zij nemen langzamerhand af en maken de zwaartste mannen
18411
als een vlinder zoo licht. En weldra zal men Lamme, mijnen vriend,
18412
genoegzaam ontvet, zien loopen als een hert,
18413
 
18414
--Laas! sprak Lamme, zou dit voortaan mijn armzalig lot moeten
18415
wezen? Ik heb honger, mijn vriend, en zou willen eten.
18416
 
18417
De avond viel. Zij kwamen te Brugge langs de Gentpoort. Zij toonden
18418
hunne passen. Toen zij een halven stuiver voor zich en twee stuivers
18419
voor hunne ezelen hadden betaald, traden zij de stad binnen.
18420
 
18421
Lamme dacht gedurig aan de woorden van Uilenspiegel en was diep
18422
nedergeslagen.
18423
 
18424
--Zullen wij haast avondmalen? sprak hij.
18425
 
18426
--Ja, antwoordde Uilenspiegel.
18427
 
18428
Zij stapten af in de Meermin, afspanning, die van verre kennelijk was
18429
door de gouden meermin, die, als windwijzer, bovenop den trappengevel
18430
stond.
18431
 
18432
De beide wandelaars brachten hunne ezelen op stal, en Uilenspiegel
18433
bestelde brood, bier en kaas voor hun avondmaal.
18434
 
18435
De weerd grijnslachte bij het opdienen van dien schamelen
18436
maaltijd. Lamme at met lange tanden, en zag vertwijfeld naar
18437
Uilenspiegel, die het oudbakken brood en de te jonge kaas
18438
binnenspeelde alsof hij ortolanen at. En Lamme dronk zijn dun bier
18439
zonder genoegen. Uilenspiegel lachte in zich zelven als hij hem
18440
zoo jammerend zag zitten. En daar was nog iemand, die lachte in het
18441
binnenhof van de afspanning, en die van tijd tot tijd den neus voor
18442
het venster kwam steken. Uilenspiegel zag dat het eene vrouw was, die
18443
heur aangezicht verborg. In den waan dat het een oolijke dienstmaagd
18444
was, hield hij er zich niet verder mede bezig, te meer daar hij, naar
18445
Lamme kijkend, zag dat zijn vriend bleek, treurig en troosteloos was
18446
ter oorzake van zijne tegengewerkte liefde voor lekkere spijzen en
18447
dranken. Hij kreeg medelijden met hem en meende voor zijn gezel een
18448
pannekoek met pensen, eene pateel ossenvleesch met boonen of een ander
18449
warm gerecht te bestellen, toen de weerd binnenkwam en beleefdelijk
18450
sprak, met zijne muts in de hand:
18451
 
18452
--Als die doorluchtige heeren een beter avondmaal wenschen, moeten
18453
zij maar spreken en zeggen wat hun zal believen.
18454
 
18455
Lamme sperde de oogen wijd open en den mond nog wijder, en bezag
18456
Uilenspiegel met angstige onrust.
18457
 
18458
Deze antwoordde:
18459
 
18460
--Reizende werklieden hebben geen gouden karolussen te vereten.
18461
 
18462
--Toch gebeurt het somtijds, sprak de baas, dat zij niet weten wat
18463
zij bezitten....
18464
 
18465
En, naar Lamme wijzend, vervolgde hij:
18466
 
18467
--Die goede tronie is er twee andere weerd. Wat zouden die doorluchtige
18468
heeren gelieven te eten en te drinken? een pannekoek met vette, lekkere
18469
hesp? Soezels?--wij hebben er dezen avond gereedgemaakt. Krakelingen,
18470
een kapoen, die zoo malsch is dat hij smelt in den mond? Geurige
18471
karbonaden met saus, bereid met de vier specerijen? Antwerpsche
18472
dobbelen knol, Brugsche dobbele kuite, Leuvenschen wijn bereid naar
18473
de wijs van Bourgondië? En dit alles zonder een duit te betalen.
18474
 
18475
--Breng dan maar alles op, sprak Lamme.
18476
 
18477
Weldra stond de tafel gedekt en schepte Uilenspiegel er oprecht
18478
vermaak in den armen Lamme bezig te zien, die, hongeriger dan ooit,
18479
beurtelings alle gerechten aanviel: den pannekoek, de soezels,
18480
den kapoen, de hesp, de karbonaden, en heele stoopen dobbelen knol,
18481
dobbele kuite en Leuvenschen wijn, bereid naar de wijs van Bourgondië,
18482
door zijn keelgat zond.
18483
 
18484
Toen Lamme zijne bekomst had, blies hij lijk een walvisch van genoegen;
18485
en hij keek rondom zich op de tafel om te zien of er niets meer te
18486
peuzelen viel. En zorgvuldig snoepte hij de brokken der krakelingen.
18487
 
18488
Hij noch Uilenspiegel hadden het lieve gezichtje gezien, dat in het
18489
binnenhof, glimlachend voor de ruiten kwam lonken. De baas had warmen
18490
wijn opgebracht, die met kaneel en Madeira-suiker gekookt was. En de
18491
beide vrienden dronken en zongen.
18492
 
18493
Bij de slaapklok, vroeg de baas of zij ieder naar hun groote, schoone
18494
kamer wilden gaan.
18495
 
18496
Uilenspiegel zeide, dat een klein kamertje voldoende was voor hun
18497
tweeën.
18498
 
18499
De baas antwoordde:
18500
 
18501
--Kleine kamerkens heb ik niet; gij zult elk eene heerenkamer hebben,
18502
zonder een duit te betalen.
18503
 
18504
En, inderdaad, hij bracht hen naar rijk gestoffeerde kamers met
18505
prachtige meubelen. In die van Lamme stond een groot bed.
18506
 
18507
Uilenspiegel, die veel gedronken had en viel van den vaak, liet hem
18508
slapen gaan en deed als hij.
18509
 
18510
's Anderen daags, rond den middag, trad hij in de kamer zijns vriends
18511
en vond hem nog in zijne koets aan 't ronken. Naast hem lag een fijn
18512
geborduurde beugeltasch. Hij opende die en zag dat ze met gouden
18513
karolussen en zilveren oortjes gevuld was.
18514
 
18515
Hij schudde Lamme om hem wakker te maken; deze schoot uit zijn slaap,
18516
wreef zich de oogen en, ongerust rondom zich kijkend, vroeg hij:
18517
 
18518
--Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?
18519
 
18520
En, naar de ledige plaats naast zich in het bed wijzend, sprak hij:
18521
 
18522
--Straks was ze daar nog.
18523
 
18524
Hij sprong vervolgens uit zijn bed en keek opnieuw overal rond, in
18525
alle hoeken en kanten der kamer, in de alkoof, tot in de schapraaien.
18526
 
18527
Stampvoetend herhaalde hij:
18528
 
18529
--Mijne vrouw? Waar is mijne vrouw?
18530
 
18531
De baas kwam boven, op 't gerucht dat hij maakte.
18532
 
18533
--Deugniet, riep Lamme, den weerd bij de keel grijpend, deugniet,
18534
waar is mijne vrouw? Wat hebt gij gedaan met mijne vrouw?
18535
 
18536
--Driftige kerel, zeide de baas, uwe vrouw? Welke vrouw? Gij zijt
18537
hier alleen gekomen. Ik weet niet wat ge vertelt.
18538
 
18539
--Ha! hij weet het niet, hij weet het niet, sprak Lamme, die opnieuw
18540
al de hoeken en kanten der kamer afzocht. Laas! Daar, in mijn bed,
18541
was zij dezen nacht, als in den schoonen tijd onzer liefde. Ja,
18542
waar zijt ge, mijn hertje?
18543
 
18544
En, de beurze ten gronde smijtend, vervolgde hij:
18545
 
18546
--'t Is uw geld niet, dat ik hebben moet; 't is u, 't is uw liefelijk
18547
lichaam, uw schoonen boezem, 't is uw hert, mijne welbeminde! O,
18548
genuchten des hemels, zult gij nooit meer terugkomen? Ik had er mij
18549
aan gewend te leven zonder u te zien, te leven zonder liefde, mijn
18550
hertediefje. En nu verlaat gij mij opnieuw, na mij uw zoete kussen
18551
te hebben laten smaken. Maar ik zal het besterven! Mijne vrouw! Waar
18552
is mijne vrouw?
18553
 
18554
En hij lag te snikken ten gronde. Doch eensklaps vloog hij naar de
18555
deur; hij stormde de trap af, en liep in zijn hemd de afspanning door,
18556
tot op de straat, al roepend:
18557
 
18558
--Mijne vrouw? waar is mijne vrouw?
18559
 
18560
Maar hij kwam dadelijk terug, want de straatjongens jouwden hem uit
18561
en smeten met steenen naar hem.
18562
 
18563
En Uilenspiegel zeide tot hem:
18564
 
18565
--Kleed u, Lamme, en wees niet wanhopend, gij zult ze terugzien,
18566
vermits gij ze heden gezien hebt. Zij mint u nog immer, vermits
18567
zij bij u is teruggekomen, vermits zij het waarschijnlijk is,
18568
die het lekkere maal van gisteravond en de heerenkamers betaald,
18569
en deze volle beurze op het bed gelegd heeft. De assche zegt mij,
18570
dat dit het werk niet is van een ontrouwe vrouw. Ween niet meer,
18571
en laat ons gaan voor het heil van den grond onzer vaderen.
18572
 
18573
--Laat ons te Brugge blijven, zei Lamme; ik zal heel de stad afloopen,
18574
en zal ze wel vinden.
18575
 
18576
--Gij zult ze niet vinden, daar zij zich voor u verbergt, sprak
18577
Uilenspiegel.
18578
 
18579
Lamme vroeg inlichtingen aan den baas, doch deze wilde niets zeggen.
18580
 
18581
En zij togen naar Damme.
18582
 
18583
Onderwege sprak Uilenspiegel tot Lamme:
18584
 
18585
--Waarom vertelt gij mij niet, hoe gij ze dezen nacht nevens u vondt
18586
en hoe zij u verliet?
18587
 
18588
--Mijn vriend, antwoordde Lamme, gij weet dat wij gisterenavond
18589
gegastreerd hebben met vleesch, met bier en met wijn, en dat ik met
18590
moeite kon blazen, toen ik de trap opklom om te slapen. Om mij te
18591
lichten hield ik, als een groot heer, eene waskeers in mijne hand,
18592
en om te slapen had ik den kandeleer op eene schapraai gezet; de deur
18593
was tegenaan en de schapraai stond dicht bij de deur. Terwijl ik mij
18594
ontkleedde, bezag ik mijn bed met genoegen, want ik had grooten vaak;
18595
de waskeers werd eensklaps uitgeblazen. Ik hoorde als een ademtocht
18596
lichte stappen in mijne kamer; doch mits ik meer vaak had dan schrik,
18597
liet ik mij vallen in 't bed. Ik ging slaap vatten, toen eene stem,
18598
heure stem, o mijne vrouw, mijn arme vrouwe, mij vroeg: "Heeft het
18599
avondmaal gesmaakt, Lamme?" en heure stem was dicht tegen mij en heur
18600
aangezicht ook, en heur liefelijk lichaam.
18601
 
18602
 
18603
 
18604
 
18605
XLI.
18606
 
18607
Dien dag had koning Philippus te veel lekkernijen gegeten en was
18608
hij naargeestiger dan gewoonte. Hij had op zijn levende klavecimbel
18609
gespeeld, eene kist waar katten in waren, dewelke heuren kop door
18610
ronde gaten staken, boven de toetsen. Telkens dat de koning op eene
18611
toets sloeg, sloeg deze op hare beurt de kat met eenen schicht; en het
18612
dier mauwde erbarmelijk, ter oorzake van de smert, die het uitstond.
18613
 
18614
Doch Phillippus lachte niet.
18615
 
18616
Gedurig zocht hij in zijnen geest hoe hij Elisabeth, de groote
18617
koningin, zou kunnen overwinnen om Maria Stuart terug op den troon
18618
van Engeland te plaatsen. Met dat doel had hij eenen brief geschreven
18619
aan den Paus, dewelke diep in schulden stak; de Paus had geantwoord
18620
dat hij, voor die onderneming, geerne de heilige vaten der tempels
18621
en de schatten van het Vatikaan zou verkocht hebben.
18622
 
18623
Maar Philippus lachte niet.
18624
 
18625
Ridolfi, de lieveling van koningin Maria, die heur wilde verlossen
18626
in de heimelijke hoop naderhand met heur te trouwen en koning van
18627
Engeland te worden, kwam bij Philippus om met hem Elisabeth's dood
18628
te beramen. Maar hij had zulke lange tong, lijk de koning naderhand
18629
schreef, dat men ter Beurze van Antwerpen openlijk van zijn voornemen
18630
gesproken had; en de moord werd niet bedreven.
18631
 
18632
En Philippus lachte niet.
18633
 
18634
Later zond de bloedige hertog, op bevel van den koning, vier
18635
moordenaars naar Engeland. Zij slaagden er slechts in, zich te
18636
doen hangen.
18637
 
18638
En Philippus lachte niet.
18639
 
18640
En aldus verijdelde God de heerschzuchtige plannen van dien
18641
bloedzuiger, wiens voornemen was Maria Stuart heuren zoon te ontnemen
18642
en in zijne plaats, samen met den Paus, over Engeland te regeeren. En
18643
de moordenaar was verbitterd, omdat dit edele land zoo groot en zoo
18644
machtig was. Gedurig wendde hij zijn bleeke oogen naar hetzelve,
18645
en zocht hij het middel om het te verpletten, om vervolgens over de
18646
wereld te regeeren, de hervormden uit te roeien, en liefst nog de
18647
rijke, en have en goed te erven van de slachtofferen.
18648
 
18649
Maar hij lachte niet.
18650
 
18651
En men bracht hem ratten en muizen in een ijzeren doos met hooge
18652
randen, open van boven; en hij stelde de doos met den bodem op een
18653
gloeiende stoof en hij schepte er vermaak in, de arme diertjes te
18654
zien en te hooren springen, schreeuwen, zuchten en sterven....
18655
 
18656
Maar hij lachte niet.
18657
 
18658
Vervolgens ging hij, met bleek gezicht en bevende handen, in de
18659
armen van mevrouw van Eboli, zijn vuur van geilheid blusschen, dat
18660
aangestoken was met de toorts van de wreedheid.
18661
 
18662
En hij lachte niet.
18663
 
18664
En mevrouw van Eboli ontving hem, uit vrees en geenszins uit liefde.
18665
 
18666
 
18667
 
18668
 
18669
XLII.
18670
 
18671
De lucht was warm: van de kalme zee woei geen het minste
18672
windeken. Nauwelijks trilden de bladeren der boomen aan de vaart van
18673
Damme; de krekelen bleven in de meerschen, terwijl, in de velden,
18674
de bedienden der kerken en abdijen het dertiende van de oogsten
18675
ophaalden, ten profijte van papen en abten. Uit de hoogte van den
18676
vurigen, diepen, blauwen hemel overstroomde de zonne het aardrijk
18677
met haar gloed, en de Natuur sliep onder de zonnestralen als een
18678
dartel meideken, dat trilt onder de kussen van beuren geliefde. De
18679
karpers sprongen boven het water naar de vliegen, die gonsden als
18680
een kokende ketel, terwijl de zwaluwen, met heur lang lijf en groote
18681
vleugelen, hun hunne prooi betwistten. Uit de aarde steeg een warme,
18682
vochtige damp omhoog, die schitterde in 't licht. Van op den toren
18683
van Damme liet de koster, door middel eener gebarsten klok, die klonk
18684
als een ketel, den veldarbeiders weten dat het middag was, en tijd om
18685
te gaan eten. De vrouwen brachten heure twee handen trechtergewijze
18686
aan heuren mond om heure mannen en broeders te roepen: Hans, Pieter,
18687
Dokus; en boven de menigte zag men heure roode huiken uitsteken.
18688
 
18689
Lamme en Uilenspiegel zagen, in de verte, den hoogen, vierkanten,
18690
zwaren toren van Onze-Lieve-Vrouwekerk verrijzen.
18691
 
18692
Lamme sprak:
18693
 
18694
--Daar, mijn zoon, daar zijn uwe smerten en uwe minne.
18695
 
18696
Doch Uilenspiegel antwoordde niet.
18697
 
18698
--Weldra, sprak Lamme nogmaals, zijn wij aan mijn oude woning en wie
18699
weet of ik daar mijne vrouw niet zie.
18700
 
18701
Doch Uilenspiegel antwoordde niet.
18702
 
18703
--Houten man, zeide Lamme, steenen hert, kan niets u dan bewegen,
18704
noch de nadering van het plekje, waar gij leefdet als kind, noch de
18705
dierbare schimmen van den armen Klaas en de arme Soetkin, de beide
18706
martelaren? Hoezoo! gij zijt weemoedig noch blijde van zin; wie dan
18707
heeft aldus alle gevoel uit uw herte gerukt? Aanschouw mij, zie hoe de
18708
angst, de aandoening mijn hert in mijnen buik doen schokken; bezie mij.
18709
 
18710
Lamme keek op naar Uilenspiegel; hij zag hem met een bleek gezicht,
18711
met gebogen hoofd, met trillende lippen, sprakeloos weenen.
18712
 
18713
En hij zweeg.
18714
 
18715
Zonder nog een woord te wisselen, reden zij voort naar Damme;
18716
zij kwamen de stad langs de Reigerstraat binnen, doch zij zagen
18717
niemand, ter oorzake van de hitte. De honden lagen op hunne zijde,
18718
met hangende tong, voor de zullen der deuren. Lamme en Uilenspiegel
18719
gingen dicht tegen het Schepenhuis, rechtover hetwelk Klaas verbrand
18720
werd; Uilenspiegel's lippen beefden heviger, doch hij weende niet
18721
meer. Toen hij noesch over het huis kwam van Klaas, dat nu bewoond
18722
was door een meester-koolbrander, ging hij er binnen, zeggende:
18723
 
18724
--Herkent gij mij? Hier wil ik rusten.
18725
 
18726
De meester-koolbrander sprak:
18727
 
18728
--Ik herken u; gij zijt de zoon van het slachtoffer. Doe alsof gij
18729
thuis waart in deze halle.
18730
 
18731
Uilenspiegel ging in de keuken, vervolgens in de kamer van Klaas en
18732
van Soetkin en weende.
18733
 
18734
Toen hij terug beneden was, zeide de meester-koolbrander tot hem:
18735
 
18736
--Hier is brood, kaas en bier. Eet als gij honger, drink als gij
18737
dorst hebt.
18738
 
18739
Uilenspiegel deed teeken met de hand, dat hij honger noch dorst had.
18740
 
18741
Toen ging hij voort met Lamme, die schrijlings op zijnen ezel bleef,
18742
terwijl Uilenspiegel den zijnen bij den halster geleidde.
18743
 
18744
Zij kwamen aan de hut van de uitzinnige Katelijne, bonden hunne ezelen
18745
vast en gingen binnen. Het was het etensuur. Op de tafel stond eene
18746
pateel prinsessenboonen, ondereengestoofd met boerenteenen. Katelijne
18747
was aan 't eten, terwijl Nele recht stond met de sauspan in de hand,
18748
gereed om saus te gieten in Katelijne's teil.
18749
 
18750
Toen Uilenspiegel binnentrad, was zij zoo ontroerd, zoo aangedaan,
18751
dat zij de sauspan met heel den inhoud in de teil van Katelijne
18752
liet vallen. De uitzinnige schuddebolde, zocht met heuren lepel de
18753
boerenteenen uit, rondom de sauspan; zij sloeg op heur voorhoofd
18754
en sprak:
18755
 
18756
--Doe het vuur weg! mijn hoofd brandt.
18757
 
18758
De reuk van de azijnsaus streelde Lamme's neus; de dikke man was in
18759
verzoeking gebracht.
18760
 
18761
Uilenspiegel bleef staan en, in zijn groote droefheid, bezag hij Nele
18762
met een teederen, liefderijken glimlach.
18763
 
18764
En zonder een woord tot hem te richten, vloog Nele hem om den hals. Zij
18765
ook scheen waanzinnig; zij weende, lachte, en zeide enkellijk,
18766
blozend van zoet en innig genoegen:
18767
 
18768
--Thijl! Thijl!
18769
 
18770
Uilenspiegel, gelukkig, kon zijne oogen niet wenden van zijne geliefde,
18771
die zich eensklaps zachtjes losmaakte en eenen stap achteruitweek,
18772
om hem beter te bezien; en opnieuw vloog zij blijde om zijnen hals en
18773
drukte hem tegen heure borst, en dit herhaalde reizen achtereen. Zalig
18774
van geluk, hield hij ze vast, zonder van heur te kunnen scheiden,
18775
totdat zij, moede en als waanzinnig, op eenen stoel nederviel; en
18776
zonder verlegenheid zeide zij:
18777
 
18778
--Thijl! Thijl! mijn geliefde, ge zijt dus terug!
18779
 
18780
Lamme stond nog steeds nabij de deur; toen Nele's aandoening een
18781
weinig gestild was, bemerkte zij hem en sprak zij:
18782
 
18783
--Waar heb ik dien dikzak nog gezien?
18784
 
18785
--Het is mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel. In mijn gezelschap
18786
zoekt hij zijn wettige vrouw.
18787
 
18788
--Nu herken ik u, zeide Nele tot Lamme; gij hebt gewoond in de
18789
Reigerstraat. Gij zoekt uwe vrouw; ik heb ze gezien te Brugge, alwaar
18790
zij godvruchtig en devotelijk leeft. Ik heb heur gevraagd waarom zij
18791
zoo wreedelijk heuren man had verlaten, en zij gaf mij tot antwoord:
18792
"Dus was de heilige wil Gods, maar voortaan mag ik met hem niet
18793
meer wonen".
18794
 
18795
Lamme werd droevig gestemd bij die rede en keek begeerig naar de
18796
prinsessen met azijnsaus. En de leeuweriken zongen en verhieven
18797
zich hoog in den hemel en de smachtende Natuur liet zich kussen door
18798
het warme zonnelicht. En Katelijne stak met heuren lepel, rondom de
18799
sauspan naar de boerenteenen en naar de prinsessen.
18800
 
18801
 
18802
 
18803
 
18804
XLIII.
18805
 
18806
Omtrent dien tijd ging een meideken van vijftien jaar alleen in vollen
18807
dag van Heist naar Knokke, langs het duin. Niemand koesterde de minste
18808
vrees voor heur, want men wist, dat weerwolven en verdoemde zielen
18809
alleen uitgaan en bijten des nachts. Zij droeg, in eene tassche,
18810
acht en veertig zilveren stuivers, wat vier karolusgulden uitmaakt,
18811
die heure moeder Tonia Pietersen, woonachtig te Heist, schuldig was,
18812
wegens eene verkooping, aan heuren oom Jan Rapen, woonachtig te
18813
Knokke. Het meideken, Betkin genaamd, had heure beste kleederen aan,
18814
en was blij te moede vertrokken.
18815
 
18816
's Avonds was Betkin nog niet thuis en heure moeder werd ongerust;
18817
doch daar zij ten slotte onderstelde, dat ze bij heuren oom was
18818
gebleven, bedaarde zij.
18819
 
18820
Visschers die, met een goede vangst van de zee kwamen, trokken 's
18821
anderen daags hunne boot op het strand, en losten hunne visch in
18822
karren om ze aan de meestbiedenden te doen verkoopen te Heist, in de
18823
mijn. Zij klommen den weg in het schelpzand op, en vonden, in het duin,
18824
een naakt meideken liggen, dat gansch uitgeschud was, tot zelfs van
18825
heur hemde ontdaan, en rondom heur lag bloed. Nader gekomen, zagen zij,
18826
in heuren armen gebroken nek, het merk van lange, scherpe tanden. Het
18827
slachtoffer lag op den rug, met de oogen wijd open naar den hemel,
18828
met den mond insgelijks open, alsof het nog om hulp wou roepen.
18829
 
18830
Zij bedekten het lichaam van het meideken met een opperste kleed en
18831
droegen het naar Heist, naar het Schepenhuis. Weldra kwamen aldaar
18832
de schepenen en de chirurgijn-baardemaker bijeen, dewelke laatste
18833
verklaarde, dat die lange tanden geenszins wolfstanden waren, zooals
18834
de Natuur die gemaakt heeft, maar wèl die van een boozen, helschen
18835
weerwolf, en dat men God diende te bidden om Vlaanderenland van dat
18836
gedrocht te verlossen.
18837
 
18838
En, heel het graafschap door, en vooral te Damme, Heist en Knokke,
18839
werden openbare gebeden bevolen.
18840
 
18841
En men zag het volk jammerend de kerken afloopen.
18842
 
18843
En in de kerk van Heist, in dewelke het lijk van het meideken ten
18844
toon gesteld was, schreiden mannen en vrouwen, als zij den bloedigen,
18845
verscheurden nek van het slachtoffer zagen.
18846
 
18847
En de moeder zei in de kerk zelve:
18848
 
18849
--Ik wil naar den weerwolf gaan en hem vaneenscheuren met mijne tanden.
18850
 
18851
En weenend hitsten de vrouwen heur in heur voornemen op. Sommigen
18852
zeiden nochtans:
18853
 
18854
--Gij zoudt niet levend terugkomen.
18855
 
18856
En zij ging met heuren man en heure beide broeders--alle vier goed
18857
gewapend--den wolf zoeken langs strand, duin en dal, maar zij vonden
18858
hem niet. En heur man moest heur terugbrengen naar huis, want door
18859
de nachtelijke koude had zij de koorts gekregen; en zij waakten bij
18860
heur bed terwijl zij hunne netten herstelden.
18861
 
18862
Overwegende, dat de weerwolf een beest is dat leeft van bloed, doch
18863
geenszins de dooden besteelt, meende de baljuw van Damme, dat het
18864
ondier zekerlijk moest gevolgd zijn door diepers, die, voor hun snood
18865
gewin, rondzwierven langs het strand. Dienvolgens liet hij uitbellen,
18866
dat hij een iegelijk gelastte en beval, goed gewapend met bussen,
18867
stokken en anderszins, op zoek te gaan, en alle schooiers en diepers
18868
te vatten en af te tasten, om te zien of in hunne gordeltasschen
18869
geen gouden karolussen staken of geenerlei stuk van de kleeding van
18870
de slachtofferen. En nadien zouden de gezonde en sterke schooiers
18871
en diepers op de galeien des konings worden gebracht. En de oude en
18872
gebrekkelijke zou men laten gaan.
18873
 
18874
Doch men vond niets, dat licht in de zaak bracht.
18875
 
18876
Uilenspiegel ging tot den baljuw en sprak:
18877
 
18878
--Ik wil den weerwolf dooden.
18879
 
18880
--Wat geeft u vertrouwen? vroeg de baljuw.
18881
 
18882
--De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel. Geef mij de
18883
toelating in de gemeentesmidse te werken.
18884
 
18885
--Gij moogt, sprak de baljuw.
18886
 
18887
Zonder tot een man of eene vrouw van Damme een woord over zijn ontwerp
18888
te spreken, trok Uilenspiegel naar de smidse en verveerdigde daar,
18889
in 't geheim, eene schoone en groote val om wilde dieren te vangen.
18890
 
18891
Den volgenden dag, een Zaterdag, de geliefkoosde dag van de weerwolven,
18892
toog Uilenspiegel henen met eenen brief van den baljuw voor den
18893
parochiepaap van Heist, en met de val onder zijnen mantel; overigens
18894
was hij gewapend met een goede bus en een scherp, versch aangezet
18895
kruismes; in 't heengaan zei hij tot die van Damme:
18896
 
18897
--Ik ga op jacht naar de meeuwen en zal met haar dons oorkussens
18898
maken voor mevrouw van den baljuw.
18899
 
18900
Naar Heist stappend, langs het duin, hoorde hij de woedende baren
18901
der zee, die schuimend kwamen botsen op de kust, met een gedruisch
18902
als van den donder, en den wind, die uit Engeland woei en die huilde
18903
in het want van de gestrande schuiten.
18904
 
18905
Een schipper zei tot hem:
18906
 
18907
--Die kwade wind doet ons nadeel. Verleden nacht was de zee kalm,
18908
doch na zonsopgang rees zij eensklaps woedend omhoog. Wij zullen niet
18909
kunnen in zee steken.
18910
 
18911
Uilenspiegel was er blijde om, want aldus was hij zeker des nachts
18912
hulp te krijgen, als zulks noodig mocht zijn.
18913
 
18914
Te Heist ging hij naar den pastoor, denwelken hij den brief van den
18915
baljuw bestelde.
18916
 
18917
De parochiepaap zeide tot hem:
18918
 
18919
--Gij zijt een moedige kerel; edoch ik moet u zeggen, dat niemand
18920
's Zaterdagavonds langs het duin gaat, zonder gebeten, en dood in
18921
het zand gevonden te worden. De dijkwerkers en andere arbeidslieden
18922
wachten steeds op elkaar en begeven zich maar bij troepen op weg. De
18923
avond valt. Hoort gij in het duin den weerwolf huilen? Zal men weeral,
18924
lijk gisteren, heel den nacht door, zijn schor gehuil hooren weergalmen
18925
op den akker der dooden? God zij met u, mijn zoon, maar doe het niet.
18926
 
18927
En de paap maakte het teeken des kruises, en zegende hem.
18928
 
18929
--De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.
18930
 
18931
De pastoor sprak:
18932
 
18933
--Mits gij zoo'n kloekmoedige wilskracht hebt, zal ik u helpen.
18934
 
18935
--Heer pastoor, sprak Uilenspiegel, gij zoudt mij en het arme
18936
geteisterde land grootelijks van dienst zijn, zoo gij bij Tonia, de
18937
moeder van het slachtoffer, en ook bij heure twee broeders wildet
18938
gaan, en hun zeggen, dat de wolf in de nabijheid is en dat ik hem
18939
wil afwachten om hem te dooden.
18940
 
18941
De parochiepaap sprak:
18942
 
18943
--Als gij niet weet welken weg gij moet nemen, begeef u op dien, welke
18944
leidt naar het kerkhof. Hij loopt tusschen twee groene hagen. Twee
18945
mannen zouden er naast elkander niet kunnen gaan.
18946
 
18947
--Daar zal ik zijn, antwoordde Uilenspiegel. En gij, messire dappere
18948
pastoor, gelast en beveel aan de moeder van het meideken, aan heuren
18949
man en aan heure broeders zich, vóór de slaapklok, goed gewapend
18950
in de kerk te bevinden. Als zij mij hooren fluiten lijk de meeuw,
18951
is dit het teeken, dat ik den weerwolf gezien heb. Dan moeten zij
18952
de wacharmklok luiden en mij ter hulp snellen. Hebt gij ook eenige
18953
andere wakkere mannen?
18954
 
18955
--Neen, mijn zoon, antwoordde de pastoor. De visschers vreezen den
18956
weerwolf meer dan pest en dan dood. Maar doe het niet....
18957
 
18958
Uilenspiegel antwoordde:
18959
 
18960
--De assche van Klaas klopt op mijn hert.
18961
 
18962
Toen zei de paap:
18963
 
18964
--Ik zal doen wat gij vraagt, wees gezegend. Hebt gij soms honger
18965
of dorst?
18966
 
18967
--Beide, antwoordde Uilenspiegel.
18968
 
18969
De pastoor gaf hem bier, brood en kaas.
18970
 
18971
Uilenspiegel at en dronk; en hij toog henen.
18972
 
18973
Onderwege hief hij de oogen op; hij zag Klaas, zijn vader, in
18974
glorie naast God in den hemel, in denwelken de heldere maan glom,
18975
en vervolgens zag hij naar de zee en de wolken, en hoorde hij den
18976
loeienden wind, die uit Engeland blies.
18977
 
18978
--Laas! sprak hij, zwarte wolken, die voorbijrennen in het nachtelijk
18979
duister, weest als de Wrake die den Moord achternazet. Loeiende zee,
18980
pikdonkere hemel; bruisend water, dat driftig, grammoedig rolt of
18981
woest omhoog slaat, of in branding schuimend en spattend breekt op
18982
het strand; zwarte zee, in rouw gehulde hemel, komt mij ter hulp in
18983
mijnen strijd tegen den weerwolf, den vuigen moordenaar van onschuldige
18984
meidekens. En gij, wind, die klagend huilt in de bremstruiken van
18985
het duin en in het want van de schepen, gij zijt de stem van de
18986
slachtofferen, die roepen om wrake bij den Heer, dewelke mij helpe
18987
in mijne onderneming!
18988
 
18989
En waggelend op zijne beenen, alsof zijn hoofd honderd pond woog en
18990
zijne maag overlast was, daalde hij neer van het duin.
18991
 
18992
Wankelend stapte hij voort met een slepend lied op de lippen, dat
18993
hij elk oogenblik onderbrak om te hikken, te geeuwen, te spuwen. Van
18994
tijd tot tijd bleef hij staan en gebaarde hij over te geven, doch
18995
in werkelijkheid opende hij goed de oogen, om rondom zich alles
18996
oplettend gade te slaan. Eensklaps hoorde hij een schor geluid; hij
18997
bleef staan om te spugen als een hond, en, bij het licht der rijzende
18998
maan, onderscheidde hij de gedaante van eenen wolf, die sloop naar
18999
het kerkhof.
19000
 
19001
Waggelend sloeg Uilenspiegel het pad in, tusschen de groene hagen. Daar
19002
gebaarde hij neder te vallen, doch 't was om de val te plaatsen langs
19003
den kant, van denwelken de wolf kwam: hij wapende vervolgens zijne
19004
bus en ging tien stappen verder staan in de houding eens dronkaards,
19005
en gedurig veinsde hij te waggelen, te hikken, te braken, doch
19006
werkelijk spande hij zijnen geest als een boog, opende de oogen en
19007
spitste de ooren.
19008
 
19009
En niets zag hij dan de zwarte wolken, die als waanzinnig renden
19010
door 't luchtruim, en een dikke korte en zwarte gedaante, die op hem
19011
afkwam; en niets hoorde hij dan de wind, die kreunend huilde, de zee,
19012
die als de donder rolde, en den weg van schelpzand, die kraakte onder
19013
een zwaren, huppelenden stap.
19014
 
19015
Uilenspiegel veinsde zich te willen nederzetten en liet zich, als
19016
een dronkaard, zwaar op den weg vallen. En hij braakte.
19017
 
19018
Daar hoorde hij ijzerwerk knarsen, op een paar stappen van zich,
19019
dadelijk daarna het gerucht van de val, die toesloeg, en den gil van
19020
een mensch.
19021
 
19022
--De weerwolf, sprak hij bij zich zelven, is met de voorpooten gevangen
19023
in de val. Huilend richt hij zich op; hij schudt de val heen en weer
19024
om te ontvluchten. Maar ontsnappen zal hij niet. En hij schoot zijne
19025
bus af naar zijne beenen.
19026
 
19027
--Getroffen, sprak hij, want gekwetst valt hij neder!
19028
 
19029
En hij floot als de zeemeeuw.
19030
 
19031
Plotseling begon de klok van de kerk wacharm te luiden, en riep de
19032
schelle stem van een knaapje in 't dorp:
19033
 
19034
--Wordt wakker, gij allen, die slaapt; de weerwolf is gevangen!
19035
 
19036
--Hoezee! God zij gedankt! sprak Uilenspiegel.
19037
 
19038
Tonia, de moeder van Betkin, Lansaem, heur man, Judocus en Michiel,
19039
heure broeders, kwamen het eerst met hunne lanteernen.
19040
 
19041
--Hebt gij hem vast? vroegen zij.
19042
 
19043
--Ziet maar, daar ligt hij op den weg, antwoordde Uilenspiegel.
19044
 
19045
--God zij gedankt! spraken zij.
19046
 
19047
En zij maakten het teeken des kruises.
19048
 
19049
--Wie is daar aan 't luiden? vroeg Uilenspiegel.
19050
 
19051
Lansaem antwoordde:
19052
 
19053
--Mijn oudste zoon; de jongste loopt het dorp rond, om de menschen
19054
op te kloppen en te roepen, dat de wolf gevangen is. Heil U!
19055
 
19056
--De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.
19057
 
19058
Plotseling begon de weerwolf te spreken en zeide hij:
19059
 
19060
--Heb medelijden met mij, Uilenspiegel, heb medelijden.
19061
 
19062
--De wolf spreekt, zeiden allen een kruis slaande. Hij is de duivel,
19063
want reeds kent hij Uilenspiegel's naam.
19064
 
19065
--Heb medelijden, medelijden, smeekte de stem, zeg aan die klok van
19066
te zwijgen; zij klept als de doodklok; medelijden, ik ben de wolf
19067
niet. Mijne polsen zijn doorgesneden in de val; ik ben oud en ik
19068
bloed, medelijden! Welk schelle kinderstem hoor ik daar het dorp
19069
wakker maken? Medelijden!
19070
 
19071
--Ik herken uwe stem, ik heb ze vroeger gehoord, sprak Uilenspiegel
19072
onstuimig. Gij zijt de vischverkooper, de moordenaar van Klaas, de
19073
bloedzuiger der arme meidekens. Mannen en vrouwlieden, weest zonder
19074
vrees; 't is de deken, die Soetkin deed sterven van smerte.
19075
 
19076
En met eene hand hield hij hem bij den nek, onder de kin, terwijl
19077
hij met de andere zijn kruismes trok.
19078
 
19079
Maar Tonia, de moeder van Betkin, hield hem tegen en riep:
19080
 
19081
--Neem hem levend gevangen.
19082
 
19083
En met klissen trok zij zijn grijze haren uit, terwijl zij zijn
19084
aangezicht met heure nagelen doorwoelde.
19085
 
19086
En zij huilde van droefheid en woede.
19087
 
19088
Met de handen gevat in de val, en kronkelend ter oorzake van de hevige
19089
smert, riep de weerwolf:
19090
 
19091
--Hebt medelijden, hebt toch medelijden; o, die vrouw, doet ze
19092
weggaan. Ik zal twee gouden karolussen geven. Breekt die klokken! Waar
19093
zijn die tierende kinderen?
19094
 
19095
--Houdt hem levend! schreeuwde Tonia, houdt hem levend, hij moet het
19096
betalen. De doodklokken kleppen voor u, moordenaar. Met zacht vuur,
19097
met gloeiende tangen! Houdt hem levend! dat hij betale!
19098
 
19099
Intusschen stiet Tonia tegen een voorwerp, dat op den grond lag;
19100
zij bukte zich en raapte een wafelijzer op. Toen zij het bekeek
19101
bij den gloed van de toortsen, zag zij, naar de Brabantsche wijs,
19102
diepe ruitjes in de ijzeren platen, maar daarenboven was het bezet met
19103
lange en scherpe tanden, als een ijzeren muil. En als zij het toedeed,
19104
was het als de muil van een wolfshond.
19105
 
19106
Tonia hield toen het wafelijzer vast, opende het en sloot het
19107
beurtelings, en deed daarbij het ijzerwerk knarsen. En ze scheen
19108
waanzinnig en, razend en knarsetandend, reutelend als eene zieltogende,
19109
zuchtend van de bittere smert, die dorstte naar weerwraak, beet zij
19110
met het ijzer den gevangene in zijne armen, in zijne beenen, in zijn
19111
lijf, overal, doch vooral in den nek; en telkens dat zij het ijzer
19112
toedrukte, sprak zij:
19113
 
19114
--Zoo deed hij met Betkin, met de ijzeren tanden. Hij betale. Bloedt
19115
gij, moordenaar? God is rechtveerdig. Hoor maar de doodklok. Betkin
19116
roept om gewroken te worden. Voelt gij de tanden? 't Zijn de tanden
19117
van God!
19118
 
19119
En zij beet zonder ophouden of medelijden, en sloeg met het wafelijzer,
19120
als zij er hem niet mee kon bijten. Maar gedreven door heur groote
19121
begeerte naar wraak, doodde zij hem niet.
19122
 
19123
--Genade, schreeuwde de vischverkooper, Uilenspiegel, steek mij dood
19124
met uw kruismes, stel aan mijn lijden een einde. Smijt die vrouw
19125
weg. Breek de klokken. Dood de kinderen, die schreeuwen!
19126
 
19127
En Tonia folterde hem zonder ophouden, totdat een oud man medelijden
19128
kreeg en heur het wafelijzer ontnam.
19129
 
19130
Maar toen spugde Tonia den weerwolf in het gezicht en trok ze zijne
19131
haren uit, zeggende:
19132
 
19133
--Gij zult betalen, met zacht vuur, met gloeiende tangen: uwe oogen
19134
zal ik met mijne nagelen uitrukken!
19135
 
19136
Intusschen waren al de visschers, boeren en vrouwlieden van Heist
19137
bijgekomen, als zij vernomen hadden, dat de weerwolf geen duivel,
19138
maar een man was.
19139
 
19140
Eenigen droegen lanteernen en toortsen. En allen riepen:
19141
 
19142
--Dief en moordenaar, waar hebt gij het goud weggestoken, dat gij
19143
den armen slachtofferen ontroofdet? Hij moet alles teruggeven!
19144
 
19145
--Ik heb geen goud; hebt medelijden! smeekte de vischverkooper.
19146
 
19147
En de vrouwlieden smeten zand en steenen naar hem.
19148
 
19149
--Hij betale! hij betale! schreeuwde Tonia.
19150
 
19151
--Medelijden, zuchtte hij, ik ben druipend van het bloed, dat gutst
19152
uit mijn wonden.
19153
 
19154
--Uw bloed, sprak Tonia. O, gij moet er houden voor de hand van den
19155
beul. Hij moet sterven met zacht vuur, zijne hand afgekapt worden,
19156
met gloeiende tangen genepen! Hij zal betalen, hij zal betalen.
19157
 
19158
En zij wilde hem slaan; doch zij viel buiten kennis op het zand als
19159
eene doode; en men liet heur daar liggen totdat zij terug tot zich
19160
zelve kwam.
19161
 
19162
Intusschen had Uilenspiegel de handen van den gevangene uit de val
19163
verlost, en toen zag hij, dat drie vingeren ontbraken aan zijne
19164
rechterhand.
19165
 
19166
En hij beval hem stevig te knevelen en in eene vischmand te
19167
binden. Mannen, vrouwlieden en kinderen togen toen henen naar Damme,
19168
en droegen onderwege beurtelings de benne met haar verachtelijke
19169
vracht. En anderen droegen lanteernen en toortsen.
19170
 
19171
En de vischverkooper zei gedurig:
19172
 
19173
--Breekt de klokken, doodt de kinderen, die schreeuwen.
19174
 
19175
En Tonia sprak:
19176
 
19177
--Hij betale, met zacht vuurken, met gloeiende tangen, hij betale!
19178
 
19179
En dan weer zwegen beiden. En Uilenspiegel hoorde niets meer dan den
19180
jagenden adem van Tonia, den zwaren stap van de mannen op het krakende
19181
zand en de zee, die rolde als de donder.
19182
 
19183
En, met treurig hert, zag hij naar de wolken, die, als waanzinnigen,
19184
elkander achternazetten in den hemel; naar de zee, waar de branding
19185
zich als lichtende schaapkens vertoonde, en, bij den gloed van
19186
lanteernen en toortsen, naar het doodsbleeke gelaat van den
19187
vischverkooper, dewelke hem bezag met valschheid en wraaklust.
19188
 
19189
En de assche klopte op zijn hert.
19190
 
19191
En in vier uren gingen zij naar Damme, alwaar het gemeen reeds te
19192
hoop geloopen was, daar het de tijding reeds kende. Allen wilden
19193
den vischverkooper zien en volgden de visschers al dansend, zingend
19194
en roepend:
19195
 
19196
--De weerwolf is gevangen; hij is gepakt, de moordenaar! Gezegend
19197
zij Uilenspiegel! Lang leve onze broeder Uilenspiegel!
19198
 
19199
En er was veel beweging onder het gemeeen.
19200
 
19201
Toen zij aan 't huis van den baljuw waren, kwam deze vóór op het
19202
gerucht en zei tot Uilenspiegel:
19203
 
19204
--Gij zijt overwinnaar! Heil u!
19205
 
19206
--De assche van Klaas klopte op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.
19207
 
19208
Toen sprak de baljuw:
19209
 
19210
--Gij krijgt de helft van de nalatenschap des moordenaars.
19211
 
19212
--Geef dat aan de slachtofferen, antwoordde Uilenspiegel.
19213
 
19214
Lamme en Nele kwamen nader; lachend en weenend van geluk, kuste Nele
19215
heuren vriend Uilenspiegel; Lamme sprong log als een beer omhoog en
19216
klopte op den buik van zijn vriend, zeggende:
19217
 
19218
--Dat is een brave, koene en trouwe gezel; 't is mijn vriend,
19219
mijn spitsbroeder: zulke vrienden hebt gij niet, gijlieden van
19220
't platteland.
19221
 
19222
Maar de visschers lachten en spotten met hem.
19223
 
19224
 
19225
 
19226
 
19227
XLIV.
19228
 
19229
De burgstorm luidde 's anderen daags, om den baljuw, de schepenen
19230
en de griffiers ter vierschaar te roepen op de banken van graszoden,
19231
rond den boom der justitie, dewelke een schoone lindeboom was.
19232
 
19233
En rondom stond het gemeen.
19234
 
19235
De vischverkooper, ondervraagd, wilde niets belijden, zelfs niet
19236
wanneer men hem de drie vingeren toonde, die de soldaat afgekapt had,
19237
en die aan zijne rechterhand ontbraken. Hij antwoordde steeds:
19238
 
19239
--Ik ben arm en oud, hebt medelijden met mij!
19240
 
19241
Maar het gemeen jouwde hem uit en riep:
19242
 
19243
--Gij zijt een oude wolf, een moordenaar van onschuldige kinderen. Geen
19244
medelijden, heeren rechters!
19245
 
19246
De vrouwlieden spraken:
19247
 
19248
--Ge moet ons niet bezien met uwe ijskoude oogen; gij zijt een man en
19249
geen duivel: wij vreezen u niet. Wreedaardig beest, lafhertiger dan
19250
eene kat die de vogeltjes in hun nestje opvreet, dooddet gij de arme
19251
meidekens, die niets vroegen dan in braafheid hun liefelijk leven
19252
te slijten.
19253
 
19254
--Hij betale, hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen,
19255
riep Tonia.
19256
 
19257
En, hoewel de serjanten van de gemeente het heur verboden, hitsten
19258
de moeders heure knapen en meidekens op, om steenen te werpen naar
19259
den vischverkooper. En dezen deden het: en telkens dat hij hen bezag,
19260
jouwden zij hem uit, en gedurig riepen zij:
19261
 
19262
--Bloedzuiger! bloedzuiger! slaat dood!
19263
 
19264
En gedurig riep Tonia:
19265
 
19266
--Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, hij betale!
19267
 
19268
En het volk morde.
19269
 
19270
--Ziet eens, zeiden de vrouwen tot elkander, hij heeft koude onder
19271
de heldere zon, die gloort aan den hemel, en kan zijn witte haren of
19272
zijn vaneengereten gezicht niet verwarmen.
19273
 
19274
--Hij siddert van smerte!
19275
 
19276
--'t Is de rechtveerdigheid Gods!
19277
 
19278
--Ziet eens hoe jammerlijk hij zich recht houdt!
19279
 
19280
--En zijne moordenaarshanden, van voren gebonden, bloeden ten gevolge
19281
van het prangen der val.
19282
 
19283
--Hij betale, hij betale! schreeuwde Tonia.
19284
 
19285
En jammerend zuchtte hij:
19286
 
19287
--Ik ben arm, laat mij gaan.
19288
 
19289
En iedereen, tot zelfs de rechters, dreef den spot met hem. Toen
19290
veinsde hij te weenen om het volk te vermurwen. Maar de vrouwen
19291
lachten.
19292
 
19293
Gezien de genoegzame gronden tot torture, werd hij veroordeeld om op
19294
de pijnbank te worden gezet, totdat hij zou bekennen hoe hij doodde,
19295
van waar hij kwam, waar de kleederen van zijn slachtofferen waren,
19296
en de plaats, waar hij zijn geld verborg.
19297
 
19298
Toen hij, met de te smalle nieuwlederen schoenen aan de voeten,
19299
in de folterkamer gebracht werd, vroeg de baljuw hem, hoe Satan hem
19300
beroerd had zulke afgrijselijke misdaden te bedrijven; hij antwoordde:
19301
 
19302
--Ik zelf ben Satan, want ik gelijk hem in alles. Reeds toen ik zeer
19303
klein was,--ik was leelijk en schraal en onbehendig in alle spelen
19304
en lichaamsoefeningen,--aanzag een iegelijk mij voor eenen onnoozele,
19305
en werd ik dikwijls geslagen. Knapen, noch meidekens hadden medelijden
19306
met mij. Jongeling geworden, wilde geenerlei meideken weten van mij,
19307
zelfs niet mits betaling. Toen vatte ik wrok en haat op tegen een
19308
iegelijk wezen, dat komt van de vrouw. Daarom kloeg ik Klaas aan, dien
19309
een ieder beminde. En ik beminde alleenlijk Munt, die mijn witte of
19310
goudgele gezelline was; met Klaas te doen sterven, vond ik profijt en
19311
plezier. Nadien moest ik, meer nog dan vroeger, leven als een wolf,
19312
en ik droomde van te bijten. Op reize door Brabant, zag ik er de
19313
wafelijzers van dat land en zei ik bij mij zelven, dat een dergelijk
19314
ijzer mij zou kunnen dienen als een ijzeren muil. Ha! had ik u bij
19315
den kraag, gij allen, boosaardige tijgers, die genoegen schept in de
19316
folteringen eens grijsaards! Ik zou u bijten met nog meerder genoegen
19317
dan den soldaat en het meideken. Want, als ik heur op het zand, in
19318
de zonne zoo liefelijk zag slapen met het zakje geld in de handen,
19319
maakten liefde en medelijden zich meester van mij; doch daar ik te
19320
oud ben en het kind niet kon nemen, beet ik het met de ijzeren tanden.
19321
 
19322
De baljuw vroeg hem waar hij woonde; de vischverkooper antwoordde:
19323
 
19324
--Te Ramskapelle; van daar ga ik naar Blankenberge, naar Heist,
19325
ja zelfs naar Knokke. Op Zon- en kermisdagen bak ik, met dat ijzer,
19326
wafelen naar de wijs van die van Brabant. Het was altijd zuiver en goed
19327
gesmeerd. En in al de dorpen werd die nieuwigheid uit vreemde gewesten
19328
zeer goed onthaald. En als het u belieft nog meerder te weten, en hoe
19329
het komt, dat niemand mij kon herkennen, zal ik u zeggen, dat ik mijn
19330
aangezicht wit en mijne haren ros verfde. Wat de wolfshuid betreft,
19331
dewelke gij mij toont met uw wreeden, ondervragenden vinger, die komt
19332
van twee wolven, die ik gedood heb in de bosschen van Raveschoot en
19333
Maldegem. Ik had de vellen maar aaneen te naaien om er mij mede te
19334
bedekken. Ik verborg ze in eene kist in het duin van Heist; daar ook
19335
zijn de kleederen, gestolen door mij, om ze later te verkoopen bij
19336
een goede gelegenheid.
19337
 
19338
--Trek hem van voor het vuur weg, sprak de baljuw.
19339
 
19340
De beul gehoorzaamde.
19341
 
19342
--Waar is uw goud? vroeg nog de baljuw.
19343
 
19344
--De koning zal het niet weten, antwoordde de vischverkooper.
19345
 
19346
--Brand hem van dichtbij met de vlammende keersen, sprak de
19347
baljuw. Breng hem dichter bij het vuur.
19348
 
19349
De hangman gehoorzaamde en de vischverkooper schreeuwde:
19350
 
19351
--Ik zal niets belijden. Ik sprak reeds te veel: gij zult mij
19352
verbranden. Ik ben geen tooveraar: waarom plaatst gij mij bij het
19353
vuur? Mijn voeten bloeden ten gevolge van de brandwonden. Ik zal niets
19354
zeggen. Waarom nu nog dichter? Zij bloeden, zeg ik u, zij bloeden;
19355
die schoenen zijn van gloeiend ijzer gemaakt! Mijn goud? welnu, mijn
19356
eenige vriend op deze wereld is ... trek mij weg van het vuur; het
19357
is in mijnen kelder te Ramskapelle, in eene doos ... laat mij gaan;
19358
genade, ontferming, heeren rechters; vermaledijde hangman, neem de
19359
keersen weg.... Hij brandt mij nog meerder ... het ligt in eene doos
19360
met dubbelen bodem en is gewikkeld in een wollen deken, opdat het
19361
niet rammelen zou, als men de doos schudt; nu heb ik alles gezegd,
19362
breng mij weg van het vuur!
19363
 
19364
Als hij van vóór het vuur werd geschoven, lachte hij valschelijk.
19365
 
19366
De baljuw vroeg hem waarom hij lachte.
19367
 
19368
--Van genoegen, omdat ik verlost ben, antwoordde hij.
19369
 
19370
De baljuw zeide tot hem:
19371
 
19372
--Vroeg niemand u ooit om uw wafelijzer met wreede tanden te zien?
19373
 
19374
De vischverkooper antwoordde:
19375
 
19376
--Men zag, dat het een wafelijzer was, teenemaal gelijk aan de anderen,
19377
behalve dat er gaten in waren, in dewelke ik's nachts de ijzeren tanden
19378
vastschroefde; met den dageraad nam ik ze er uit; de boeren verkozen
19379
mijne wafelen boven die van de andere kooplieden en hieten ze "wafelen
19380
met Brabantsche knoopen", ter oorzake van de ledige holten,--waarin
19381
de tanden geschroefd werden,--en dewelke kleine halfronden, die op
19382
knoopen geleken, op de wafelen maakten.
19383
 
19384
Maar de baljuw vervolgde.
19385
 
19386
--Wanneer beet gij de arme slachtofferen?
19387
 
19388
's Nachts, en ook 's daags. 's Daags dwaalde ik langs het duin
19389
en de groote wegen, met mijn wafelijzer steeds op den loer, maar
19390
voornamelijk 's Zaterdags, de groote merktdag te Brugge. Zag ik een
19391
boer voorbijkomen met een droevig gezicht, dan liet ik hem gaan,
19392
want ik dacht, dat zijne droefgeestigheid te wijten was aan den staat
19393
zijner beurze; doch ik bleef aanstappen naast dengene, die wel te moede
19394
scheen; en als hij er zich het minst aan verwachtte, beet ik hem in
19395
den nek, na hetwelk ik zijne beugeltasch nam. En niet alleenlijk in
19396
het duin liep ik, maar langs alle wegen en paden van 't platteland.
19397
 
19398
Toen sprak de baljuw:
19399
 
19400
--Heb berouw en bid God.
19401
 
19402
Maar godslasterlijk antwoordde de vischverkooper:
19403
 
19404
--'t Is de Heer God, die wilde dat ik was wat ik ben: ik deed alles
19405
ondanks mij zelven, beroerd door den wil der Natuur. Boosaardige
19406
tijgeren, die mij onrechtveerdig wilt straffen! Maar veroordeelt mij
19407
niet tot het vuur: ik deed alles ondanks mij zelven; hebt medelijden,
19408
ik ben arm en oud; ik zal sterven van mijne wonden; verbrandt mij
19409
toch niet!
19410
 
19411
Toen werd hij terug naar de vierschaar gebracht, onder den lindeboom,
19412
om er het vonnis te hooren, in bijzijn van het vergaderde volk.
19413
 
19414
En als schromelijke moordenaar, dief en godslasteraar, werd hij
19415
veroordeeld om de tong met een gloeienden priem doorstoken te worden,
19416
de rechterhand afgekapt, en met een zacht vuur verbrand, totdat de
19417
dood er op volge, vóór de pui van het Schepenhuis.
19418
 
19419
En Tonia riep:
19420
 
19421
--'t Is rechtveerdig, hij betale!
19422
 
19423
En het volk riep:
19424
 
19425
--Lang leven de Heeren van de Wet!
19426
 
19427
En hij werd terug naar het Steen gebracht, alwaar men hem vleesch en
19428
wijn brengen kwam. En hij was blijde, zeggende, dat hij er tot dan
19429
toe nooit had gegeten en gedronken, maar dat de koning, die zijne
19430
goederen erfde, wel dien laatsten maaltijd mocht betalen.
19431
 
19432
En hij grijnslachte.
19433
 
19434
's Anderen daags, bij zonsopgang, toen men hem naar het schavot bracht,
19435
zag hij Uilenspiegel omtrent den brandstapel staan; en hij riep,
19436
met den vinger naar hem wijzend:
19437
 
19438
--Die dààr, die moordenaar van grijsaards, moet insgelijks sterven;
19439
tien jaar geleden smeet hij mij te Damme in de vaart, omdat ik zijn
19440
vader had aangeklaagd. Daardoor diende ik, als trouw onderdaan,
19441
Zijne Katholieke Majesteit.
19442
 
19443
De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.
19444
 
19445
--Voor u ook kleppen die klokken, sprak hij tot Uilenspiegel; gij
19446
zult gehangen worden, daar gij gemoord hebt!
19447
 
19448
--De vischverkooper liegt, riepen die van 't gemeen; hij liegt,
19449
de beul, de moordenaar!
19450
 
19451
En, als waanzinnig, smeet Tonia eenen steen naar hem, die hem kwetste
19452
aan 't voorhoofd. En ze riep:
19453
 
19454
--Had hij u verdronken, ge zoudt niet geleefd hebben om mijn arm
19455
dochterken te bijten lijk een bloedzuiger, die ge zijt!
19456
 
19457
Uilenspiegel uitte geen woord; Lamme sprak:
19458
 
19459
--Heeft iemand den vischverkooper in 't water zien smijten?
19460
 
19461
Uilenspiegel antwoordde niet.
19462
 
19463
--Neen, neen, riep het gemeen, hij heeft gelogen, de beul!
19464
 
19465
--Neen, ik heb geenszins gelogen, schreeuwde de vischverkooper, hij
19466
wierp mij er in, terwijl ik hem om vergiffenis smeekte, en ik kon
19467
er maar uitgeraken door middel van een schuitje, dat aan den oever
19468
vastgemeerd lag. Doornat en bibberend, kwam ik met veel moeite naar
19469
mijne armzalige hut, alwaar ik de koorts had, alwaar niemand mij
19470
oppaste, terwijl ik tusschen leven en dood lag.
19471
 
19472
--Gij liegt, sprak Lamme, niemand heeft het gezien.
19473
 
19474
--Neen, niemand, riep Tonia. In 't vuur, met den beul! Alvorens te
19475
sterven, wil hij nog een onschuldig slachtoffer maken; in 't vuur,
19476
hij betale! Hij heeft gelogen! Belijd niet, Uilenspiegel, al mocht
19477
het nog waar zijn. Er zijn geene getuigen. Hij betale met zacht vuur,
19478
met gloeiende tangen!
19479
 
19480
--Bedreeft gij den moord? vroeg de baljuw tot Uilenspiegel.
19481
 
19482
Uilenspiegel antwoordde:
19483
 
19484
--Den aanklager, den moordenaar van Klaas, mijn vader, smeet ik in
19485
't water. De assche klopte op mijn hert.
19486
 
19487
--Hij bekent, sprak de vischverkooper; hij zal insgelijks sterven? Waar
19488
is de galg, dat ik ze zie? Waar is de beul met het zweerd der
19489
justitie? De doodklok klept ook voor u, nietdeug, moordenaar van een
19490
armen grijsaard.
19491
 
19492
Uilenspiegel sprak:
19493
 
19494
--Ik smeet u in 't water om u te dooden: de assche van mijn vader
19495
klopt op mijn hert.
19496
 
19497
En in het volk spraken de vrouwen:
19498
 
19499
--Waarom het stuk bekend, Uilenspiegel? Niemand heeft het gezien;
19500
nu zult gij sterven.
19501
 
19502
En de vischverkooper lachte, danste van bittere vreugde, zwaaide met
19503
zijne armen, dewelke met bloedige doeken omwonden waren.
19504
 
19505
--Hij zal sterven, sprak hij, hij zal ter helle varen met een strop
19506
om den hals, als dieper, rabauw en truwant: hij zal sterven; God
19507
is rechtveerdig!
19508
 
19509
--Neen, hij zal niet sterven, sprak de baljuw. Na tien jaren wordt, in
19510
Vlaanderenland, de moord niet meer gepunieerd. Uilenspiegel pleegde een
19511
lakensweerdige daad, maar 't was uit kinderlijke liefde. Uilenspiegel
19512
zal uit dien hoofde niet worden vervolgd.
19513
 
19514
--Leve de Wet! riep het volk. Lang leven de Heeren van de Wet!
19515
 
19516
De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten. En de vischverkooper
19517
knarsetandde, boog het hoofd en weende zijn eersten traan.
19518
 
19519
En men kapte zijne hand af, en men doorstak zijne tong met een
19520
gloeienden priem, en hij werd levend verbrand met zacht vuur, vóór
19521
de pui van het Schepenhuis.
19522
 
19523
Als hij den dood nabij was, riep hij:
19524
 
19525
--De koning zal mijn goud niet hebben; ik heb gelogen ... Boosaardige
19526
tijgeren, ik zal weerkomen om u te bijten.
19527
 
19528
En Tonia riep:
19529
 
19530
--Hij betale, hij betale! Zie hoe zijne armen en beenen, die naar den
19531
moord liepen, wringen en smijten: het lichaam van den moordenaar rookt;
19532
zijn wit haar, hyena's haar, brandt op zijn bleek gezicht. Hij betale,
19533
hij betale!
19534
 
19535
En de vischverkooper huilde als een wolf.
19536
 
19537
En de klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.
19538
 
19539
En Lamme en Uilenspiegel stegen terug op hunne ezelen.
19540
 
19541
En de jammerende Nele bleef bij Katelijne, dewelke gedurig zeide:
19542
 
19543
--Doe het vuur weg! het hoofd brandt; kom terug, Hansken, mijn liefste.
19544
 
19545
 
19546
 
19547
 
19548
 
19549
 
19550
 
19551
VIERDE BOEK.
19552
 
19553
 
19554
I.
19555
 
19556
Te Heist, op het duin zijnde, zagen Uilenspiegel en Lamme van Oostende,
19557
Blankenberge, Knokke, menigvuldige visschersschuiten aankomen,
19558
vol gewapende mannen, die, in navolging van de Zeeuwsche Geuzen,
19559
een zilveren halve maan op hun hoed droegen met deze woorden: Liever
19560
den Turc als den Paus.
19561
 
19562
Uilenspiegel was wel te moede; hij floot als de leeuwerik; allerwegen
19563
antwoordde het strijdzuchtig gekraai van den haan.
19564
 
19565
De booten vaarden of vischten, verkochten hare vangst en landden de
19566
eene na de andere te Emden. Daar huisde Willem van Blois, heer van
19567
Treslong, die, op last van den prins van Oranje, een schip uitrustte.
19568
 
19569
Uilenspiegel en Lamme kwamen te Emden, terwijl op bevel van Treslong,
19570
de booten der Geuzen weder in zee staken.
19571
 
19572
Treslong, die sedert elf weken te Emden was, verveelde zich diep. Hij
19573
stapte van de boot op den wal en van den wal op de boot, als een
19574
geketende beer.
19575
 
19576
Uilenspiegel en Lamme wandelden langs de kaaien en ontwaarden daar een
19577
heer met een goede tronie, die er eenigszins droefgeestig uitzag en
19578
druk bezig was met de steenen van de kaai uit te steken, door middel
19579
van een breekijzer. Het ging niet gemakkelijk, doch met goeden moed
19580
zette hij zich steeds opnieuw aan het werk, terwijl achter zijnen
19581
rug een hond aan een been knaagde.
19582
 
19583
Uilenspiegel kwam naar den hond toe en gebaarde, dat hij hem zijn
19584
been wilde afnemen. De hond bromde; Uilenspiegel scheidde niet uit:
19585
de hond werd kwader en blafte en bromde uit al zijne macht.
19586
 
19587
De heer keerde zich om op dat gerucht, en zeide tot Uilenspiegel:
19588
 
19589
--Waarom moet gij dien hond plagen?
19590
 
19591
--Waarom, messire, moet gij de kasseien plagen?
19592
 
19593
--Dat is hetzelfde niet, sprak de heer,
19594
 
19595
--Het verschil is zoo groot niet, antwoordde Uilenspiegel: als de
19596
hond aan zijn been houdt en het niet loslaten wil, houden de kasseien
19597
ook aan de kaai en willen zij er aan blijven. En menschen van mijnen
19598
stand mogen wel eenen hond plagen, als lieden van den uwen de straat
19599
niet met rust laten.
19600
 
19601
Lamme stond achter Uilenspiegel en dorst geen woord uiten.
19602
 
19603
--Wie zijt gij? vroeg de heer.
19604
 
19605
--Ik ben Thijl Uilenspiegel, zoon van Klaas, die verbrand werd om
19606
het geloof.
19607
 
19608
En hij floot als de leeuwerik en de heer kraaide als de haan.
19609
 
19610
--Ik ben admiraal Treslong, sprak hij; wat wilt gij van mij?
19611
 
19612
Uilenspiegel vertelde hem zijne lotgevallen en langde hem vijfhonderd
19613
karolussen.
19614
 
19615
--Wie is die dikzak? vroeg Treslong, naar Lamme wijzend.
19616
 
19617
--Mijn gezel en mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel: hij wil evenals
19618
ik, op uw schip, de schoone stem van de donderbus begeleiden, en het
19619
lied der verlossing van den grond onzer vaderen zingen.
19620
 
19621
--Gij zijt twee dappere kerels, zeide Treslong, gij moogt op mijne
19622
boot inschepen.
19623
 
19624
Toen was men in de Sprokkelmaand: scherp was de wind en vinnig de
19625
vorst. Na drie weken spijtig wachten, barstte Treslong's ongeduld uit
19626
en verliet hij Emden. Daar hij Texel dacht binnen te varen, vertrok
19627
hij van 't Vlie, maar hij was gedwongen Wieringen binnen te loopen,
19628
alwaar zijn vaartuig omringd werd door 't ijs.
19629
 
19630
Weldra zag men een vroolijk schouwspel rondom het schip:
19631
schaatsenrijders heel in de panne, schaatsende vrouwkens met wambuizen
19632
en rokken met gouden, zilveren, scharlaken, hemelsblauwe borduursels;
19633
gierende meidekens; en allen gingen, kwamen, joelden, gleden achter
19634
elkander, of bij paren, terwijl zij op 't ijs een minnelied zongen:
19635
ofwel trokken zij in kramen en tenten met wimpels versierd, om
19636
brandewijn, appelsienen, vijgen, peperkoek, eieren, warme worsten,
19637
heetekoeken en zuurtjes te drinken en te eten, terwijl rond henlieden
19638
arre- en zeilsleden onder hare sporen het ijs deden krassen.
19639
 
19640
Lamme, steeds naar zijne vrouw zoekend, schaverdijnde in 't rond,
19641
gelijk de lustige mannen en vrouwlieden, doch hij viel dikwijls op
19642
zijn achterste.
19643
 
19644
Intusschen ging Uilenspiegel eten en drinken in een kleine taveerne
19645
op de kaai, alwaar hij zijne portie niet duur moest betalen; en hij
19646
bleef geerne praten met de oude bazinne.
19647
 
19648
Op een Zondag, rond negen uren, ging hij er binnen en vroeg hij
19649
zijn eetmaal.
19650
 
19651
--Maar, sprak hij tot een aanvallige vrouw, die vóórkwam om hem te
19652
dienen, wat deedt gij met uwe oude rimpelen? Uw mond heeft al zijn
19653
witte en jeugdige tanden, en uwe lippen zijn als kersen zoo rood. Is
19654
hij voor mij, die zoete, schalksche glimlach?
19655
 
19656
--Wel neen, zeide zij, maar wat wilt gij?
19657
 
19658
--U, sprak hij.
19659
 
19660
De vrouw antwoordde:
19661
 
19662
--Dat is te veel voor een spiering lijk gij; wilt gij ander vleesch?
19663
 
19664
Daar Uilenspiegel niet sprak, ging zij voort:
19665
 
19666
--Wat hebt gij gedaan, zeide zij, met dien schoonen, welgevormden,
19667
dikken man, denwelken ik dikwijls bij u zie?
19668
 
19669
--Lamme? vroeg hij.
19670
 
19671
--Wat hebt gij er mee gedaan? vroeg zij.
19672
 
19673
Uilenspiegel antwoordde:
19674
 
19675
--Hij eet in de kramen, harde eieren, gerookte paling, gezouten visch,
19676
zuurtjes en alles wat hij tusschen de tanden kan steken; dit alles
19677
om zijne vrouw op te zoeken. Waarom zijt gij de mijne niet? Wilt gij
19678
vijftig gulden van mij? Wilt gij een gouden halssnoer?
19679
 
19680
Maar zij maakte het teeken des kruises.
19681
 
19682
--Ik ben te verkoopen noch te nemen, zeide zij.
19683
 
19684
--Bemint gij niemand? vroeg hij.
19685
 
19686
--Ik bemin u als mijn evennaaste; maar vóór alles bemin ik Onzen
19687
Lieven Heer en Zijne Moeder de Heilige Maria, die mij bevelen in
19688
kuischheid mijn leven te slijten. Hard en zwaar zijn mijne plichten,
19689
doch de Heer is ons, armen vrouwen, behulpzaam. Nochtans zijn er die
19690
bezwijken. Is uw dikke vriend vroolijk van aard?
19691
 
19692
Uilenspiegel antwoordde:
19693
 
19694
--Als hij eet is hij blijde, anders is hij treurig gestemd, en altijd
19695
zit hij in gedachten verzonken. Maar gij, zijt gij droefgeestig
19696
of vroolijk?
19697
 
19698
--Wij, vrouwen, sprak zij, zijn slavinnen.
19699
 
19700
--Ik ga tot Lamme zeggen, dat hij u moet komen bezoeken.
19701
 
19702
--Doe dat niet, sprak zij; hij zou weenen en ik insgelijks.
19703
 
19704
--Zaagt gij ooit zijne vrouw? vroeg Uilenspiegel.
19705
 
19706
Zuchtend antwoordde zij:
19707
 
19708
Zij zondigde met hem en werd veroordeeld tot een wreede penitentie. Zij
19709
weet, dat hij op zee gaat voor de zegepraal der ketterije; 't is droef
19710
voor een kerstenhert dit te moeten denken. Verdedig hem, als men hem
19711
aanvalt; verpleeg hem, als hij gewond is: zijne vrouw verzocht mij
19712
u die bede te doen.
19713
 
19714
--Lamme is mijn vriend en mijn broeder, antwoordde Uilenspiegel.
19715
 
19716
--Ha! zuchtte zij, waarom keert gij beiden niet terug in den schoot
19717
onzer Moeder, de Heilige Kerk!
19718
 
19719
--Die heure kinderen verbrandt, antwoordde Uilenspiegel.
19720
 
19721
En hij toog henen.
19722
 
19723
Daar de wind vinnig blies en het ijs maar immer dikker en sterker
19724
maakte, kon het schip van Treslong niet vertrekken; de matrozen en
19725
de soldaten vermaakten zich dus met sleden en schaatsen.
19726
 
19727
Uilenspiegel was in de taveerne en, jammerend en droevig, zei de
19728
lieftallige gastvrouw tot hem:
19729
 
19730
--Arme Lamme! arme Uilenspiegel!
19731
 
19732
--Waarom beklaagt gij ons zoo zeer? vroeg Uilenspiegel.
19733
 
19734
--Laas! laas! zeide zij, waarom ook gelooft gij niet aan de
19735
misse? Zeker gingt gij naar den hemel, en in deze wereld zou ik
19736
vermogen u te redden.
19737
 
19738
Ziende, dat zij naar de deur ging en aandachtiglijk luisterde,
19739
vroeg Uilenspiegel:
19740
 
19741
--Is 't de sneeuw niet, die gij hoort vallen?
19742
 
19743
--Neen, sprak zij.
19744
 
19745
--Luistert gij naar den wind, die huilt in het want?
19746
 
19747
--Neen, sprak zij nogmaals.
19748
 
19749
--Of naar het blijde gejuich van onze dappere matrozen in de naburige
19750
herberg?
19751
 
19752
--De dood sluipt stil als een dief, zeide zij.
19753
 
19754
--De dood, zeide Uilenspiegel, ik begrijp u niet; kom binnen en spreek.
19755
 
19756
--Daar zijn ze, sprak zij.
19757
 
19758
--Wie?
19759
 
19760
--Wie? antwoordde zij. De soldaten van Simon Bol, die, in naam van
19761
den hertog, u allen gaan vangen; zoo men u hier zoo goed behandelt,
19762
is het om met u te doen als met de ossen, die men mest in de weide. Ha,
19763
waarom, zeide zij, badend in tranen, waarom wist ik zulks niet vroeger?
19764
 
19765
--Houd op met uw gejank en geschreeuw, sprak Uilenspiegel, en blijf
19766
hier!
19767
 
19768
--Verraad mij niet, sprak zij.
19769
 
19770
Uilenspiegel ging het huis uit, liep naar al de kramen en taveernen,
19771
en fluisterde in het oor van de matrozen en de soldaten:
19772
 
19773
--De Spanjool komt!
19774
 
19775
Allen liepen naar het schip, bereidden in aller ijl al wat behoefde
19776
voor het gevecht, en wachtten dan den vijand af.
19777
 
19778
Uilenspiegel zeide tot Lamme:
19779
 
19780
--Ziet gij die lieftallige vrouw daar, op de kaai, met heur zwarten
19781
rok met scharlaken borduurselen, die heur gezicht met heur witte
19782
huik verbergt?
19783
 
19784
--'t Is mij eender, antwoordde Lamme. Ik heb koude en zou willen
19785
slapen.
19786
 
19787
En hij wikkelde zijn hoofd in zijn opperste kleed. En alzoo hoorde
19788
hij niet meer dan een doove.
19789
 
19790
Toen herkende Uilenspiegel de lieftallige vrouw en, van op het schip,
19791
riep hij heur toe:
19792
 
19793
--Wilt gij ons volgen?
19794
 
19795
--Tot in het graf, zeide zij, maar ik mag niet....
19796
 
19797
--Gij zoudt goed doen, sprak Uilenspiegel; bedenk toch: als de
19798
nachtegaal in het bosch blijft, is hij gelukkig en zingt hij: maar
19799
als hij het verlaat en zijne broze vleugelen waagt in den wind van
19800
de wijde zee, breekt hij ze en sterft hij.
19801
 
19802
--Thuis heb ik gezongen, sprak zij, en buiten zou ik zingen, zoo ik
19803
maar mocht.
19804
 
19805
Vervolgens het schip naderend, sprak zij:
19806
 
19807
--Neem, Uilenspiegel, neem dezen balsem voor u en uwen vriend, die
19808
slaapt als hij diende te waken.
19809
 
19810
En henen gaande, riep zij:
19811
 
19812
--Lamme! Lamme! God hoede u voor het kwaad!
19813
 
19814
En zij liet heur gezicht zien.
19815
 
19816
--Mijne vrouw! mijne vrouw! riep Lamme.
19817
 
19818
En hij wilde op het ijs springen.
19819
 
19820
--Uw trouwe vrouw! zeide zij.
19821
 
19822
En zij liep heen.
19823
 
19824
Lamme wilde van het dek op het ijs springen, maar een soldaat hield
19825
hem bij zijn opperste kleed en belette het hem. Hij weende, schreide,
19826
smeekte, dat men hem zou laten vertrekken. Maar de provoost zeide hem:
19827
 
19828
--Als gij het schip verlaat, wordt gij gehangen.
19829
 
19830
Lamme wilde toch op het ijs springen, maar een oude Geus weerhield
19831
hem en sprak:
19832
 
19833
--De vloer is nat, gij zoudt koude voeten krijgen.
19834
 
19835
En Lamme viel op zijn achterste, schreide en herhaalde gedurig:
19836
 
19837
--Mijne vrouw! mijne vrouw! laat mij bij mijne vrouw gaan!
19838
 
19839
--Gij zult ze wel weerzien, sprak Uilenspiegel. Zij bemint u, maar
19840
ziet God liever dan u.
19841
 
19842
--'t Is een razende duivelin, riep Lamme. Als ze God liever ziet dan
19843
heuren man, waarom komt ze dan liefelijk en streelend onder mijne
19844
oogen? En als zij mij bemint, waarom verlaat ze mij steeds?
19845
 
19846
--Ziet men klaar in de donkere putten? vroeg Uilenspiegel!
19847
 
19848
--Laas! zuchtte Lamme, ik zal het besterven!
19849
 
19850
En bleek en droefgeestig bleef hij zitten op het dek.
19851
 
19852
Intusschen rukten de lieden van Simon Bol aan, met een machtig geschut.
19853
 
19854
Zij schoten naar het schip, dat hun antwoordde. En de kogels braken
19855
het ijs in het ronde. En tegen den avond viel een warme regen.
19856
 
19857
De wind woei uit het Westen; de zee werd omstuimig onder het ijs en
19858
hief het omhoog met ontzaglijke blokken, dewelke men zag opstaan en
19859
neervallen met een eentonig gekrakkrak, niet zonder gevaar voor het
19860
schip, dat, als de morgenstond de zwarte wolken verbrak, zijn linnen
19861
vleugelen opensperde, als een vogel der vrijheid, en naar de vrije
19862
zee stevende.
19863
 
19864
Daar zeilden zij naar de vloot van messire Willem Lumey, graaf van de
19865
Mark, admiraal van Holland en Zeeland, die als dusdanig eene lanteerne
19866
omhoog in de mast van zijn schip voerde.
19867
 
19868
--Bezie hem goed, Lamme, sprak Uilenspiegel; hij zal u niet sparen,
19869
als gij met geweld het schip wilt verlaten. Hoort gij zijne stem
19870
bulderen als de donder? Zie hoe groot en breed hij is, zie zijn hooge
19871
gestalte! Aanschouw zijn groote handen met kromme nagelen. Zie zijn
19872
ronde koele oogen: 't zijn arendsoogen en zijn langen, puntigen baard,
19873
denwelken hij gezworen heeft te laten groeien totdat hij alle papen
19874
en monniken opgeknoopt heeft, om de beide graven te wreken! Zie eens,
19875
hoe wreed en geducht hij is; gewis doet hij u hangen, zoo gij voortgaat
19876
met zuchten en klagen: Mijne vrouw! Mijne vrouw!
19877
 
19878
--Mijn vriend, antwoordde Lamme, wie van koorden spreekt voor zijn
19879
evennaaste, draagt een hennepen kraag om den hals.
19880
 
19881
--Gij zult hem dragen vóór mij. Dat is mijn hertelijke wensch,
19882
sprak Uilenspiegel.
19883
 
19884
--Aan de galg zal uwe vuile tong eene el lang uit uwen bek steken,
19885
antwoordde Lamme.
19886
 
19887
En de beide vrienden proestten van 't lachen.
19888
 
19889
Dien dag kaapte het vaartuig van Treslong eene kog van Biscaye, die
19890
geladen was met kwikzilver, stofgoud, wijn en specerijen. En het schip
19891
werd geledigd tot het merg, bemanning en buit, als een osseschinkel
19892
onder den tand van den leeuw.
19893
 
19894
Het was ook te dien tijde, dat de hertog den Nederlanden wreede,
19895
afschuwelijke belastingen oplegde, en al de inwoneren, die erf of
19896
have verkochten, tot betaling dwong van duizend op de tienduizend
19897
gulden. En die last was bestendig. Alle hoegenaamde koopers en
19898
verkoopers moesten aan den koning den tienden penning van de koopsom
19899
betalen, wat het volk zeggen deed, dat de handelswaar, die binst
19900
dezelfde week tienmaal verkocht werd, ganschelijk aan den koning kwam.
19901
 
19902
En alzoo gingen nering en hanteering naar Dood en naar Ondergang.
19903
 
19904
En de Geuzen namen den Briel, een versterkte plaats aan de zee,
19905
die de Bakermat der Vrijheid genoemd werd.
19906
 
19907
 
19908
 
19909
 
19910
II.
19911
 
19912
Men was in het begin van de Bloeimaand; de hemel was helder en het
19913
vaartuig dobberde statig op de wateren. Uilenspiegel zong:
19914
 
19915
 
19916
    De asch klopt op mijn hart.
19917
    De beulen kwamen, sloegen
19918
    Met dolk en vuur, geweld en zwaard.
19919
    Vuil geld betaalt den vuigen spioen.
19920
    In stêe van deugden, liefde en geloof,
19921
    Heerschen verklikking en wantrouwen.
19922
    De slachters dienen geslacht.
19923
    Slaat op de krijgstrom.
19924
 
19925
    Leve de Geus! Slaat op de trom.
19926
    De Briel is aan ons.
19927
    Vlissingen ook, de sleutel der Schelde.
19928
    De Heer is goed. Campveere is aan ons,
19929
    Met Zeelands schutterij.
19930
    We hebben kruit en lood en kogels,
19931
    IJzeren kogels, gegoten kogels.
19932
    De Heer is met ons, wie tegen?
19933
 
19934
    Slaat op den trommel. Zege en roem!
19935
    Leve de Geus! Slaat op de trom.
19936
 
19937
    Het zwaard is getogen, harten hoog,
19938
    Vuisten vast; het zwaard is getogen.
19939
    Weg met den Tienden Penning, den nood, den dood!
19940
    Ter galge de beul, ter galge de roover!
19941
    Meineedig vorst wil het volk in oproer.
19942
    Het zwaard is getogen voor ons rechten,
19943
    Voor huis en have, voor vrouw en kinderen.
19944
    Het zwaard is getogen. Slaat op de trom.
19945
 
19946
    Harten hoog, vuisten vast.
19947
    Weg met den Tienden Penning, weg met snood pardoen.
19948
    Slaat op de krijgstrom. Slaat op de trom.
19949
 
19950
 
19951
... Ja, spitsbroeders en vrienden, ja, te Antwerpen, noesch over het
19952
Schepenhuis, hebben zij een groot schavot opgericht, dat met rood
19953
laken bekleed is; de hertog troont er op als een koning te midden van
19954
staffieren en soldeniers. Hij wil goedgunstig glimlachen, doch trekt
19955
slechts een afgrijselijk gezicht. Slaat op de trommel! Leve de Geus!
19956
 
19957
... Hij heeft kwijtschelding geschonken; zwijgt stille: zijn gulden
19958
harnas flikkert in de zonne, de grootprovoost zit te peerd naast
19959
den baldakijn; daar komt de heraut met zijn trommelaars; hij leest
19960
algemeene kwijtschelding af voor al degenen, die niets misdeden;
19961
de anderen zullen wreedelijk worden gestraft.
19962
 
19963
... Luistert spitsbroeders, hij leest het plakkaat, hetwelk, onder
19964
straffe van beschuldiging van muitmakerij, de betaling van den tienden
19965
en den twinstigsten penning beveelt.
19966
 
19967
En Uilenspiegel zong:
19968
 
19969
 
19970
    Hertog, hoort ge de stem van het volk,
19971
    't Geweldig rumoer? 't Is de zee die zwelt
19972
    In 't zware gezwoeg der stormen.
19973
    Geld genoeg, bloed genoeg,
19974
    Nood genoeg. Slaat op de trom.
19975
 
19976
    't Is de klauw in de bloedende wonde,
19977
    De diefstal na den moord. Moet ge ons goud
19978
    Mengen met ons bloed om het te drinken?
19979
    Wij stapten in de baan des plichts,
19980
    Den koning getrouw. De koning is meineedig.
19981
    Wij zijn van den eed ontslagen. Slaat op de krijgstrom.
19982
 
19983
    Hertog van Alva, bloedhertog,
19984
    Zie kramen, en winkels gesloten,
19985
    Zie brouwers, bakkers, kruideniers,
19986
    Weigrend te venten om niet te betalen.
19987
    Wie groet u langs den weg?
19988
    Niemand. Voelt ge als een mist van pest
19989
    Haat en smaad u omringen?
19990
 
19991
    De schoone grond van Vlaanderen,
19992
    Het lustig land Brabánt,
19993
    Treuren als kerkhoven.
19994
    Waar vroeger, in tijden van vrijheid,
19995
    Vedels zongen, pijpen schalden,
19996
    Zijn stilte en dood.
19997
    Slaat op de krijgstrom.
19998
 
19999
    Geen vrooe gezichten meer
20000
    Van zingende vrijers en drinkebroers,
20001
    Maar bleeke gelaten
20002
    Van wie gelaten
20003
    Wachten op 't zwaard van het onrecht.
20004
    Slaat op de krijgstrom.
20005
 
20006
    Wie hoort nog in de taveernen
20007
    Het lustig klinken der glazen,
20008
    Of de helle stemmen der deernen,
20009
    Bij benden zingend op straat?
20010
    Brabánt en Vlaanderen, vreugdelanden,
20011
    Zijn tranenlanden.
20012
    Slaat op de rouwtrom.
20013
 
20014
    Grond der vaadren, verdrukte geliefde,
20015
    Plooi niet onder den voet des moorders.
20016
    Nijvere bijen, zwiert in zwermen
20017
    Neer op de wespen van Spanje,
20018
    Levend begravene vrouwen en dochters,
20019
    Roept tot Christus: wraak!
20020
 
20021
    Dwaalt bij nacht in de velden; arme zielen,
20022
    Roept tot God. De vuist trilt om te slaan.
20023
    Het zwaard is getogen, hertog, we rukken uw ingewand uit
20024
    Om u in 't aangezicht te zweepen.
20025
    Slaat op den trommel. Het zwaard is getogen.
20026
    Slaat op den trommel. Leve de Geus!
20027
 
20028
 
20029
En al de matrozen en soldaten van het vaartuig van Uilenspiegel,
20030
en ook van de andere vaartuigen, zongen in koor:
20031
 
20032
 
20033
    Slaat op den trommel, leve de Geus!
20034
 
20035
 
20036
En hunne stemmen rommelden als de donder der verlossing.
20037
 
20038
 
20039
 
20040
 
20041
III.
20042
 
20043
Men was in Louwe, de wreede maand, die het kalf in den buik van de
20044
koe doet vervriezen. Het had gesneeuwd en daarboven gevrozen. De
20045
knapen vingen, met vogelteer, de musschen, die op de harde sneeuw
20046
een schamel stuksken brood kwamen zoeken, en brachten dat wild naar
20047
de hutten hunner ouders. Op den grijzen hemel staken, onbeweeglijk,
20048
de geraamten der boomen af, welker takken met sneeuwen kussens waren
20049
versierd, die insgelijks de daken der hutten en de nok van de muren
20050
bedekten, en in dewelke men pooten van katten zag, want die dieren
20051
maakten in de sneeuw insgelijks jacht op de musschen. Heinde en ver
20052
waren de weiden verborgen onder die wonderbare vacht, die de aarde
20053
tegen de gure winterkoude beschut. De rook uit de schoorsteenen van
20054
hutten en huizen stak somber af tegen den helderen hemel, en men
20055
hoorde niet het minste gerucht.
20056
 
20057
En Katelijne en Nele zaten alleen in hare woning; en Katelijne schudde
20058
het hoofd en sprak:
20059
 
20060
--Hans, mijn hart trekt naar u. Gij moet de zevenhonderd karolussen
20061
teruggeven aan Uilenspiegel, den zoon van Soetkin. Zijt gij nooddruftig
20062
en kunt gij ze thans niet teruggeven, kom dan toch maar, dat ik uw
20063
glanzend gelaat zie. Doe het vuur weg, mijn hoofd brandt. Laas! waar
20064
zijn uw sneeuwen kussen? waar is uw ijskoud lichaam, Hans, mijn
20065
geliefde?
20066
 
20067
En troosteloos bleef ze vóór 't venster staan. Eensklaps kwam een
20068
koerier, met belletjes aan den gordel, voorbijgeloopen.
20069
 
20070
--Daar komt de baljuw, de hoogbaljuw van Damme! riep de voetlooper.
20071
 
20072
En aldus liep hij tot aan het Schepenhuis, om er de burgemeesteren
20073
en schepenen samen te roepen.
20074
 
20075
Toen hoorde Nele, in de volslagen stilte, twee klaroenen schallen. Die
20076
van Damme kwamen allen aan hunne deur, in de meening dat het Zijne
20077
Koninklijke Majesteit was, die zich door zulk een trompetgeschal
20078
liet aankondigen.
20079
 
20080
En Katelijne ging ook aan de deur met Nele. In de verte zagen zij
20081
schitterende ruiters in groepen bijeen en aan hunne spits reed een
20082
personage, bedekt met een zwart pannen opperste kleed met marter
20083
afgelegd, gekleed in een pannen wambuis met fijngouden belegsels
20084
en met roode kalfsleerzen, gevoerd met martervel. En zij herkenden
20085
den hoogbaljuw.
20086
 
20087
Achter hem reden jonge heeren, die, niettegenstaande de ordonnantie
20088
van wijlen Zijne Keizerlijke Majestijt, aan hunne pannen kleederen,
20089
gouden, zilveren en zijden borduursels, belegsels, banden,
20090
boordsels droegen. En hun opperste kleederen waren, gelijk die van
20091
den hoogbaljuw, met pels afgelegd. Zij reden vroolijk voort, met
20092
fladderende lange struisvederen op hunne met goud afgelegde toques.
20093
 
20094
En zij zagen er allen als goede vrienden en kameraden van den
20095
hoogbaljuw uit; en onder hen was een heer met een zure tronie,
20096
gekleed in groene panne, met goud afgeleid; en zijn opperste kleed
20097
was van zwarte panne, evenals zijne toque, die met lange pluimen
20098
versierd was. En hij had een krommen neus als de bek van een gier,
20099
een dunnen mond, ros haar, een bleek gezicht, en hij zat met fiere
20100
houding te peerd.
20101
 
20102
Terwijl die heeren voorbij de woning reden van Katelijne, sprong
20103
deze eensklaps naar den teugel van 't peerd van den bleeken ruiter,
20104
en riep zij vol blijdschap:
20105
 
20106
--Hans, mijn geliefde, ik wist wel dat gij zoudt terugkomen. Zoo
20107
zijt gij schoon, ganschelijk in de panne en in het goud, lijk eene
20108
zon op de sneeuw! Brengt gij de zevenhonderd karolussen? Zult gij
20109
nog schreeuwen lijk de nachtuil?
20110
 
20111
De hoogbaljuw deed den troep edellieden stilstaan en de bleeke
20112
ruiter sprak:
20113
 
20114
--Wat wil die schooister van mij?
20115
 
20116
Maar Katelijne hield altoos het peerd bij den teugel en sprak:
20117
 
20118
--Verlaat mij niet; ik heb zoo bitter geweend om uwentwille. Zoete
20119
nachten, mijn welbeminde, sneeuwen kussen en ijskoud lichaam.
20120
 
20121
Hier is het kind.
20122
 
20123
En zij wees naar Nele, die hem grammoedig bezag, want dreigend had
20124
hij de karwats naar Katelijne opgeheven.
20125
 
20126
Maar Katelijne sprak schreiend:
20127
 
20128
--Ha? zoudt gij u niet meer herinneren? Neem uwe dienares in
20129
genade. Breng mij met u waar gij wilt. Doe het vuur weg. Hans,
20130
erbarming!
20131
 
20132
--Ga heen! sprak hij.
20133
 
20134
En hij stiet zijn peerd zoo geweldig vooruit, dat Katelijne den teugel
20135
losliet en ten gronde viel; en het peerd trapte op heur en sloeg,
20136
met zijn hoef, op heur voorhoofd, zoodat zij bloedde.
20137
 
20138
Toen zeide de baljuw tot den bleeken ruiter:
20139
 
20140
--Messire, kent gij die vrouwe?
20141
 
20142
--Ik ken ze niet, zeide hij, 't is zeker een krankzinnige.
20143
 
20144
Maar Nele, die Katelijne weder opgericht had, sprak luide:
20145
 
20146
--Is die vrouw krankzinnig, ik ben het niet, en wil hier sterven
20147
van dit brokje sneeuw, dat ik eet--en zij nam een greepje sneeuw en
20148
stak het in den mond--als die man mijne moeder niet heeft gekend,
20149
als hij heur al heur geld niet ontnam, als hij den hond van Klaas
20150
niet doodde, om, tegen den muur van den steenput onzer lochting,
20151
de zevenhonderd karolussen te stelen van den armen aflijvige.
20152
 
20153
Het bloed vloeide uit de wonden van Katelijne, dewelke knielend
20154
smeekte:
20155
 
20156
--Hans, mijn liefste, Hans, mijn welbeminde, geef mij den vredekus;
20157
bezie mij, het bloed vloeit uit mijn voorhoofd; de ziel heeft een
20158
gat gemaakt en nu wil zij buiten; fluks ga ik sterven: laat mij toch
20159
niet alleen!
20160
 
20161
Vervolgens zeide zij met stillere stem:
20162
 
20163
--Eertijds hebt gij uwen vriend gedood uit jaloerschheid, langs
20164
den dijk.
20165
 
20166
En met den vinger wees zij naar den kant van Dudzele.
20167
 
20168
--Toen bemindet gij mij meerder dan nu.
20169
 
20170
En zij nam de knie van den edelman vast en omhelsde ze, en zij greep
20171
zijnen schoen vast en kuste dien.
20172
 
20173
--Wie is die man, die gedood werd? vroeg de hoogbaljuw.
20174
 
20175
--Ik weet het niet, genadige heer, antwoordde de bleeke ruiter. Wij
20176
hebben geene zaken met hetgeen die schooister vertelt. Laat ons
20177
voortgaan.
20178
 
20179
Het volk kwam te hoop rond hen; hoogpoorters en gemeen, werklieden
20180
en boeren trokken partij voor Katelijne, en alle riepen:
20181
 
20182
--Gerechtigheid, heer baljuw, gerechtigheid!
20183
 
20184
En de baljuw sprak tot Nele:
20185
 
20186
--Wie is de man, die gedood werd? spreek volgens God en waarheid.
20187
 
20188
Nele zeide, naar den bleeken jonker wijzend:
20189
 
20190
--Deze hier kwam alle Zaterdagen in de keet om mijne moeder te zien en
20191
heur geld af te doen: hij heeft eenen vriend van hem, Hilbert genoemd,
20192
gedood in den akker van Servaas Vander Vichte, niet uit jaloerschheid,
20193
maar om de zevenhonderd karolussen niet te moeten deelen met hem.
20194
 
20195
En Nele verhaalde de minnarijen van Katelijne en wat deze 's nachts
20196
hoorde, toen zij verborgen was achter den dijk, die liep door den
20197
kouter van Servaas Vander Vichte.
20198
 
20199
--Nele is stout, zeide Katelijne, zij is wel hard jegens Hans, jegens
20200
heuren vader.
20201
 
20202
--Ik zweer, zeide Nele, dat hij schreeuwde als de nachtuil, om van
20203
zijne tegenwoordigheid miede te geven.
20204
 
20205
--Gij liegt, zeide de edelman.
20206
 
20207
--Ho, neen! sprak Nele, en mijnheer de baljuw en al die heeren, hier
20208
tegenwoordig, zien het wel: gij zijt bleek geenszins van koude, maar
20209
van schrik. Hoe komt het dat uw gezicht niet meer blinkt? Bezigt gij
20210
de tooverzalve niet meer, met dewelke gij u streekt, opdat gij helder
20211
zoudt zien als de baren der zee, 's zomers, als 't donkert? Maar,
20212
vermaledijde tooveraar, verbrand zult gij worden voor de pui van 't
20213
Schepenhuis. Gij zijt de oorzaak van Soetkin's dood, gij bracht heuren
20214
zoon, eenen wees, tot ellende; gij, die ongetwijfeld een edelman zijt,
20215
kwaamt bij ons, werklieden, om mijne moeder een enkele maal een weinig
20216
geld te brengen en er heur al de andere keeren veel te ontnemen.
20217
 
20218
--Hans, sprak Katelijne, zult gij mij nog bestrijken met de zalve,
20219
zult gij mij nog naar den Sabbat leiden? Luister naar Nele niet:
20220
zij is stout; gij ziet het bloed, de ziel heeft een gat gemaakt en
20221
wil buiten; fluks zal ik sterven en dan ga ik naar 't voorgeborchte
20222
der helle, alwaar geen vuur is.
20223
 
20224
--Zwijg, krankzinnige tooveres, zeide de edelman, ik weet niet wat
20225
gij zeggen wilt.
20226
 
20227
--En nochtans, zeide Nele, zijt gij het, die kwaamt met eenen vriend,
20228
dien gij mij tot man wildet geven; gij weet dat ik van hem niet wilde
20229
weten; wat heeft hij gedaan, uw vriend Hilbert, wat heeft hij gedaan
20230
voor zijne oogen, nadat ik er in krabde met mijne nagelen?
20231
 
20232
--Nele is stout, zeide Katelijne, geloof ze niet, Hans, mijn geliefde:
20233
zij is grammoedig op Hilbert, die heur met geweld wilde nemen; maar nu
20234
kan Hilbert dat nimmermeer doen, de wormen hebben hem opgegeten. En
20235
Hilbert was leelijk; Hansken, mijn liefste, gij alleen zijt schoon;
20236
Nele is stout!
20237
 
20238
Daarop sprak de baljuw:
20239
 
20240
--Vrouwen, gaat henen in vrede.
20241
 
20242
Maar Katelijne wilde niet weggaan van de plaats waar heur geliefde
20243
was. En men moest ze met geweld naar heure woonstede brengen.
20244
 
20245
En al het te hoop gestroomde volk riep:
20246
 
20247
--Gerechtigheid, heer, gerechtigheid!
20248
 
20249
De serjanten van de gemeente waren bijeengekomen op het gerucht:
20250
de baljuw gebood hun te blijven, en sprak tot de heeren en edellieden:
20251
 
20252
--Heeren en edellieden, niettegenstaande alle privileges, die
20253
de doorluchtige orde van den adel in Vlaanderenland beschermen,
20254
moet ik, op de beschuldigingen en hoofdzakelijk op die van hekserij,
20255
uitgebracht tegen messire Joost Damman, denzelven apprehendeeren totdat
20256
hij geoordeeld en gevonnist worde volgens de wetten en ordonnantiën
20257
des Rijks. Geef mij uw zweerd af, messire Joost.
20258
 
20259
--Heer baljuw, zeide Joost Damman, met grooten hoogmoed en
20260
adellijke fierheid, als gij mij aanhoudt, overtreedt gij de wetten
20261
van Vlaanderen, want gij zelf zijt geen rechter. Nu, gij weet, dat
20262
alleen valsche munters, struikroovers, brandstichters, verkrachters
20263
van vrouwen en meidekens, soldeniers die hunnen hoofdman ontliepen,
20264
tooveraars die de wateren vergiftigden, monniken en begijnen die hunne
20265
kloosters ontliepen, mitsgaders gebannenen, zonder lastgeving van
20266
den rechter, mogen geapprehendeerd worden. Nu, heeren, verdedigt mij!
20267
 
20268
Eenigen wilden bijspringen, maar de baljuw zeide tot hen:
20269
 
20270
--Heeren, ik vertegenwoordig hier onzen koning, grave en heer,
20271
aan denwelke de beslissing van moeilijke gevallen is voorbehouden;
20272
en ik gelast en beveel u, op peine als rebellen te worden beschouwd,
20273
uw zweerd terug in de scheede te steken.
20274
 
20275
De edellieden gehoorzaamden; doch dewijl messire Joost Damman nog
20276
aarzelde, riep het gemeen:
20277
 
20278
--Gerechtigheid, heer, gerechtigheid, hij geve zijn zweerd af.
20279
 
20280
Toen deed hij het tegen zijn dank, en, van zijn peerd gestegen zijnde,
20281
werd hij door twee serjanten van de gemeente naar het Steen gebracht.
20282
 
20283
Doch hij werd niet in de kelders gestoken, maar wel in een getraliede
20284
kamer, alwaar hij, mits betaling, een goed bed en een goed vuur kreeg
20285
en ook goed eten mocht laten halen, van hetwelk de cipier minstens
20286
de helft nam.
20287
 
20288
 
20289
 
20290
 
20291
IV.
20292
 
20293
's Anderen daags gingen de baljuw, de beide griffiers-crimineel, twee
20294
schepenen en een chirurgijn-baardemaker langs den kant van Dudzele, om
20295
te zien of zij in den akker van Servaas Vander Vichte het lijk van een
20296
man zouden vinden, langsheen den dijk, dewelke liep door dien kouter.
20297
 
20298
Nele had tot Katelijne gezeid:
20299
 
20300
--Hans, uw lieveling, vraagt een afgesneden hand van Hilbert: dezen
20301
avond zal hij schreeuwen als de nachtuil, in onze hut komen en u de
20302
zevenhonderd karolusgulden brengen.
20303
 
20304
Katelijne had geantwoord:
20305
 
20306
--De hand zal ik afsnijden.
20307
 
20308
En, inderdaad, zij nam een mes en ging heen, vergezelschapt door Nele
20309
en gevolgd door de officieren van justitie.
20310
 
20311
Zij stapte gauw en fier vooruit met Nele, wier liefelijk gezichtje
20312
bloosde van de vinnige koude.
20313
 
20314
Bibberend en kuchend, volgden heur de officieren van justitie, die
20315
reeds bedaagd waren, en zij allen geleken zwarte schimmen op het
20316
witte veld, en Nele droeg eene spade.
20317
 
20318
Toen zij bij den akker van Servaas Vander Vichte, op den dijk, gekomen
20319
waren, ging Katelijne naar het midden: daar wees zij naar de meersch,
20320
die op heure rechterhand lag en sprak:
20321
 
20322
--Hansken, gij wist niet dat ik daar huiverend verborgen was bij 't
20323
wapengekletter. En Hilbert schreeuwde: Dit ijzer is koud. Hilbert is
20324
leelijk. Hans is schoon. Gij zult zijne hand hebben, laat mij alleen!
20325
 
20326
Zij dwaalde toen links af, zette zich in de sneeuw op de knieën en
20327
schreeuwde driemaal in de lucht, om de geesten aan te roepen.
20328
 
20329
Nele langde heur toen de spade, op dewelke Katelijne drie kruiskens
20330
maakte; vervolgens teekende zij op de bevroren sneeuw de beeltenis van
20331
eene doodkist, alsmede drie kruisen, één naar het Oosten, één naar het
20332
Westen en één naar het Noorden, en sprak: Drij, dat is Mars omtrent
20333
Saturnus, en drij is ontdekking onder Venus, de heldere sterre. En
20334
vervolgens trok zij rondom de doodkist een grooten kring, zeggende:
20335
 
20336
--Ga heen, booze duivel, die de lijken bewaart!
20337
 
20338
Vervolgens knielde zij neder en bad:
20339
 
20340
--Duivel Hilbert, mijn vriend, zeide zij, Hans, mijn heer en meester,
20341
beveelt mij hier uwe hand af te snijden: ik ben hem gehoorzaamheid
20342
verschuldigd: doe mij niet treffen met het aardsche vuur, omdat ik
20343
uw edele grafstee kom storen, en vergeef het mij in name van God en
20344
zijne santen.
20345
 
20346
Toen kapte zij in het ijs, naarvolgens het figuur van de doodkist;
20347
zij maakte de natte graszode bloot, vervolgens het zand, en weldra
20348
zagen de heer baljuw, zijne officieren, Nele en Katelijne het lijk
20349
van een jongen man te voorschijn komen, dat wit geworden was als kalk,
20350
ter oorzake van het zand. Hij was gekleed in grijs lakensch wambuis en
20351
een eender opperste kleed; zijn zweerd lag aan zijne zijde. Aan zijnen
20352
gordel had hij eene maliënbeurs, en een breede dolk stak nog in zijn
20353
lichaam, onder het hert; en er was bloed op het laken van het wambuis,
20354
en dat bloed was geloopen tot onder den rug. En de man was nog jong.
20355
 
20356
Katelijne sneed zijne hand af en stak ze in heure gordeltasch. En de
20357
baljuw liet heur begaan, beval heur vervolgens het lijk te ontdoen
20358
van alle kleederen en kenteekenen. Katelijne vroeg, of Hans zulks
20359
had geheeten, maar de baljuw antwoordde, dat hij slechts handelde
20360
naar zijne bevelen; toen deed Katelijne alles wat hij gebood.
20361
 
20362
Toen het lijk uitgekleed was, zag men dat het droog lijk hout was:
20363
en de baljuw en de officieren van de gemeente deden het bedekken met
20364
zand en de serjanten droegen de kleederen en de wapenen mede.
20365
 
20366
En toen zij voorbij het Steen kwamen, zeide de baljuw tot Katelijne,
20367
dat Hans dáár op heur wachtte; en blijde ging zij er binnen.
20368
 
20369
Nele wilde heur tegenhouden, doch Katelijne antwoordde:
20370
 
20371
--Ik wil Hans zien, mijn heer en meester.
20372
 
20373
En Nele weende aan de poort, want zij wist, dat Katelijne als tooveres
20374
aangehouden was om de bezweringen en teekenen, die zij gemaakt had
20375
op de sneeuw.
20376
 
20377
En men zeide te Damme, dat er voor heur geene ontferming zou zijn.
20378
 
20379
En Katelijne werd gestoken in een onderaardschen kerker van het Steen.
20380
 
20381
 
20382
 
20383
 
20384
V.
20385
 
20386
's Anderen daags woei de wind uit Brabant: de sneeuw smolt en de
20387
meerschen werden overstroomd.
20388
 
20389
En de burgstorm luidde, om de rechters naar de vierschaar te roepen,
20390
onder het afdak, om den wille van de vochtigheid der zodenbanken.
20391
 
20392
En het volk stond rond de vierschaar.
20393
 
20394
Joost Damman werd voorgebracht, zonder kluisters, in zijn prachtige
20395
kleeren. Katelijne werd insgelijks voorgebracht, doch met de handen
20396
van voren gebonden en gekleed in een grijs lijnwaden kleed, hetwelk
20397
de dos der gevangenen was.
20398
 
20399
Joost Damman, ondervraagd, bekende dat hij zijn vriend Hilbert gedood
20400
had, in tweegevecht, met het zweerd. Als men hem zei, dat hij gedood
20401
was met een dolk, antwoordde Joos Damman:
20402
 
20403
--Ik heb hem afgemaakt, omdat hij niet gauw genoeg stierf. Dien moord
20404
beken ik gereedelijk, vermits ik sta onder de bescherming der wetten
20405
van Vlaanderen, volgens dewelke, na verloop van tien jaar, de moord
20406
niet meer vervolgd wordt.
20407
 
20408
De baljuw vroeg hem:
20409
 
20410
--Zijt gij geen tooveraar?
20411
 
20412
--Neen, antwoordde Damman.
20413
 
20414
--Bewijs het, zeide de baljuw.
20415
 
20416
--Ik zal het doen op tijd en stond, zeide Joost Damman, maar nu past
20417
het mij niet.
20418
 
20419
Toen werd Katelijne ondervraagd; zij hoorde niet wat men vroeg,
20420
doch keek gedurig naar Hans en sprak:
20421
 
20422
--Gij zijt mijn groene heer, schoon als de zon zijt ge. Doe het vuur
20423
weg, mijn liefste!
20424
 
20425
Nele kwam toen Katelijne voorspreken en zeide:
20426
 
20427
--Heer baljuw en heeren rechters, meer dan gij weet, kan zij niet
20428
bekennen; zij is geene tooveres, doch enkel uitzinnig.
20429
 
20430
Toen sprak de baljuw:
20431
 
20432
--Tooveraar is hij, die door voorbedachtelijk gebruikte duivelsche
20433
middelen in iets tracht te slagen. Nu, deze twee, man en vrouw, zijn
20434
tooveraars met inzicht en met daad; hij, omdat hij de sabbatszalve
20435
gegeven, en zijn gezicht helder als Lucifer gemaakt heeft, ten
20436
einde geld en vleeschelijken omgang te bekomen; zij, omdat zij hem
20437
aangehangen heeft, hem nemende voor eenen echten duivel, en omdat
20438
zij met hem gehanteerd heeft; hij is pleger van hekserij, en zij
20439
is zijne baarschuldige. Men mag dus geenerlei ontferming hebben,
20440
en ik moet het zeggen, want ik zie dat de schepenen en die van 't
20441
gemeen te goedertieren zijn jegens de vrouw. In der waarheid heeft zij
20442
gemoord noch gestolen, noch heeft zij personen of hunlieder beestiaal
20443
mishand; ook heeft zij geenerlei zieken met buitengemeene middelen
20444
genezen, maar enkellijk met gekende geneeskruiden; doch zij heeft
20445
heure dochter willen overleveren aan den duivel, en als deze in heur
20446
jeugdigen ouderdom niet met zooveel dapperheid wederstaan had, dan had
20447
zij toegegeven aan Hilbert en ware zij, als de tweede beschuldigde,
20448
insgelijks tooveres geworden. Dienvolgens vraag ik aan de heeren van de
20449
vierschaar of zij niet van oordeel zijn, beiden ter torture te stellen?
20450
 
20451
De schepenen antwoordden niet, daardoor beduidende, dat zij niet van
20452
dat oordeel waren, wat Katelijne betrof.
20453
 
20454
Zijne rede vervolgende, zeide toen de baljuw:
20455
 
20456
--Evenals gij, ben ik voor haar vervuld met ontferming en
20457
medelijden; maar had die krankzinnige tooveres, die zoo goed den
20458
duivel gehoorzaamt, als haar ontuchtige medebeschuldigde het heur had
20459
bevolen, het hoofd heurer dochter niet kunnen afhouwen met een kapmes,
20460
zooals Katelijne Dura, in Frankrijk, met heur twee dochters deed, op
20461
aanzoek van den duivel? Had zij, zoo heur zwarte bruidegom het heur had
20462
bevolen, het beestiaal niet kunnen doen sterven; de boter niet kunnen
20463
doen keeren in de karnton, door er suiker in te smijten; had zij in
20464
lijve niet kunnen tegenwoordig zijn bij alle duivelsvereeringen,
20465
heksendansen, verfoeiselen en koppelingen van tooveraars? Had zij
20466
geen menschenvleesch kunnen eten, geene kinderen kunnen dooden om er
20467
pasteien van te maken en die te verkoopen, gelijk een pasteibakker
20468
van Parijs deed; had zij de braaien der gehangenen niet kunnen
20469
afsnijden en meedragen om ze rauw op te eten, aldus plegende beide
20470
een schromelijken diefstal en eene heiligschennis? En ik vraag aan
20471
de vierschaar Katelijne en Joost Damman op de pijnbank te leggen,
20472
ten einde te weten of zij beiden geenerlei andere misdrijven hebben
20473
gepleegd dan degene, die reeds gekend en onderzocht zijn. Vermits
20474
Joost Damman weigert iets meerder te bekennen dan den moord, en
20475
Katelijne niet alles gezegd heeft, gebieden ons de wetten des Rijks
20476
te handelen naarvolgens mijn voorstel.
20477
 
20478
En de sententie der schepenen luidde, dat de torture twee dagen later,
20479
des Vrijdags, zou plaats hebben.
20480
 
20481
En Nele schreeuwde:
20482
 
20483
--Genade, mijne heeren!
20484
 
20485
En het volk schreeuwde met heur, doch te vergeefs.
20486
 
20487
En Katelijne bezag Joost Damman en sprak:
20488
 
20489
--Ik heb Hilbert's hand, kom ze dezen nacht halen, liefste.
20490
 
20491
En zij werden terug naar het Steen gebracht.
20492
 
20493
Op bevel van de vierschaar, werd den cipier geheeten hun elk twee
20494
bewakers te geven, die hen moesten slaan, telkens dat zij zouden willen
20495
slapen; maar de twee bewakers van Katelijne lieten heur den nacht
20496
slapende doorbrengen, en die van Joost Damman sloegen hem wreedelijk
20497
telkens dat hij de oogen look of enkellijk het hoofd vooroverboog.
20498
 
20499
Heel den Woensdag hadden zij honger, alsook den nacht en heel den
20500
Donderdag, tot 's avonds, als men hun vleesch te eten en water te
20501
drinken gaf, beide bereid met zout en met salpeter. Dat was het begin
20502
der torture. En 's morgens brachten de serjanten de beide gevangenen,
20503
die schreeuwden van dorst, naar de folterkamer.
20504
 
20505
Daar werden zij rechtover elkander gezet en ieder gebonden op eene
20506
bank, bekleed met knoopkoorden, die hen schromelijk pijnigden.
20507
 
20508
En ieder moest een glas water drinken, met zout en salpeter er in.
20509
 
20510
Joost Damman kreeg vaak op zijne bank, maar de serjanten sloegen
20511
hem wakker.
20512
 
20513
En Katelijne zeide:
20514
 
20515
--Om Gods wil, slaat hem niet, mijne heeren, gij breekt zijn arm
20516
lichaam. Hij bedreef maar een enkele misdaad, uit liefde, toen hij
20517
Hilbert doodde. Ik heb dorst en gij ook, Hans, mijn beminde! Laat hem
20518
eerst drinken! Water! water! mijn lichaam brandt als vuur. Spaar hem,
20519
ik zal sterven voor hem! Drinken!
20520
 
20521
Hans zeide tot haar:
20522
 
20523
--Heks die gij zijt. Heeren rechters, smijt heure kroenge in 't
20524
vuur. Ik heb dorst!
20525
 
20526
De griffiers schreven al zijne woorden op.
20527
 
20528
Toen zei de baljuw:
20529
 
20530
--Hebt gij niets te belijden?
20531
 
20532
--Ik heb niets meer te zeggen, antwoordde Joost Damman: Gij weet alles.
20533
 
20534
--Daar hij volherdt in zijn loochenen, zeide de baljuw, zal hij tot
20535
verdere en volledige belijdenis op de koordebank blijven zitten en
20536
zal hij dorst lijden, en men zal hem beletten te slapen.
20537
 
20538
--Ik zal blijven, zei Joost Damman, en mij vermaken met die tooveres
20539
te zien lijden op heure bank. Hoe vindt gij 't huwelijksbed, nichtje?
20540
 
20541
En zuchtend antwoordde Katelijne:
20542
 
20543
--Koud van armen en warm van hert, Hans, mijn welbeminde. Ik heb dorst,
20544
mijn hoofd brandt!
20545
 
20546
--En gij, vrouwe, sprak de baljuw, hebt gij niets meer te zeggen?
20547
 
20548
--Ik hoor, zeide zij, de kar van den Dood en een dof gerammel van
20549
beenderen. Ik heb dorst! En Hij leidt mij naar een grooten troon,
20550
waar water is, frisch en klaar water; maar dit water is vuur. Hans,
20551
mijn vriend, verlos mij van die koorden. Ja, ik ben in het vagevuur
20552
en ginder omhoog zie ik Onzen Heer Jezus in het hemelrijk zitten,
20553
met zijn allergenadigste moeder, de Maagd Maria. Ho! Heilige Moeder
20554
Gods, een droppelken water! Eet die sappige vruchten alleen niet op!
20555
 
20556
--Die vrouw is door wreede uitzinnigheid getroffen, zei een van de
20557
schepenen. Men moet ze van de pijnbank verwijderen.
20558
 
20559
--Zij is niet uitzinniger dan ik; zei Joost Damman, 't is gehuichel
20560
en gemaakt spel.
20561
 
20562
En met dreigende stemme, sprak hij tot Katelijne:
20563
 
20564
--Ik zal u zien branden in 't vuur, u, die zoo goed de uitzinnige
20565
speelt.
20566
 
20567
En grijnzend, lachte hij om zijn boosaardige leugen.
20568
 
20569
--Ik heb dorst, zei Katelijne, hebt medelijden, ik heb dorst! Hans
20570
mijn welbeminde, geef mij te drinken. Hoe helder is uw gezicht! Laat
20571
mij tot hem gaan, heeren rechters!
20572
 
20573
En den mond openspalkend, vervolgde zij, smachtend van dorst:
20574
 
20575
--Ja, ja, nu steken zij vuur in mijne borst, en de duivelen binden
20576
mij op dit gruwelijk bed. Hans, neem uw zweerd en dood ze, gij,
20577
die zoo machtig zijt. Water! drinken! drinken!
20578
 
20579
--Sterf, tooveres, zeide Joost Damman: gij moest heur eene prop in
20580
den mond steken om heur, eene vrouw uit 't gemeen, te beletten op te
20581
komen tegen mij, die van adel ben.
20582
 
20583
Een schepen, vijand des adels, antwoordde op deze rede:
20584
 
20585
--Heer baljuw, het is strijdig met de rechten en costumen van den
20586
lande, proppen te steken in den mond van hen, die men ondervraagt, want
20587
zij zijn hier om de waarheid te zeggen en gevonnist te worden volgens
20588
hunne rede. Proppen zijn maar toegelaten wanneer de beschuldigde,
20589
veroordeeld zijnde, van op het schavot tot het volk spreken wil,
20590
om het te vermurwen of gisting onder het gemeen te verwekken.
20591
 
20592
--Ik heb dorst, zeide Katelijne, geef mij te drinken, Hans, mijn
20593
liefste.
20594
 
20595
--Ha! sprak Joost, gij lijdt, vervloekte heks, eenige schuld van al
20596
mijne tormenten; maar in deze folterkamer zult gij nog andere smerten
20597
verduren: de keersen, de wipgalg, de stokskens tusschen de vingeren en
20598
tusschen de teenen. Men zal u, ganschelijk naakt, schrijlings zetten
20599
op den rug eener doodkist, scherp als het lemmer van een mes, en dan
20600
zult gij belijden dat gij geene uitzinnige zijt, maar een tooveres,
20601
door Satan betaald om den edellieden last aan te doen. Drinken!
20602
 
20603
--Hans, mijn beminde, sprak Katelijne opnieuw, wees niet grammoedig
20604
jegens uwe dienares; ik lijd duizenden pijnen voor u, mijn heer en
20605
meester! Spaart hem, heeren rechters: geeft hem een vollen beker te
20606
drinken, maar laat eenige droppelen over voor mij. Hans, is 't reeds
20607
het uur van den nachtuil?
20608
 
20609
Toen vroeg de baljuw aan Joost Damman:
20610
 
20611
--Welke was de reden van het tweegevecht, waarin Hilbert den dood vond?
20612
 
20613
Joost antwoordde:
20614
 
20615
--Wij vochten om een meideken van Heist, dat wij beiden beminden.
20616
 
20617
--Een meideken van Heist, riep Katelijne, die met geweld van de
20618
bank wilde opstaan, gij bedriegt mij dus met eene andere, helsche
20619
verrader?... Wist gij dat ik stond te luisteren, achter den dijk,
20620
toen gij zegdet dat gij al het geld wildet hebben, hetwelk het geld
20621
was van Klaas? 't Was zeker om het met heur te verteren? Laas! en ik,
20622
die mijn bloed had gegeven, als hij er goud had kunnen van maken! En
20623
alles voor eene andere! Wees gevloekt!
20624
 
20625
Doch plotseling begon zij te weenen, en zij poogde zich om te keeren
20626
op de folterbank:
20627
 
20628
--Neen, Hans, zeg dat gij uwe arme dienares noch zult liefhebben, en de
20629
aarde zal ik met mijne vingeren openkrabben; een schat zal ik u vinden;
20630
ja, een schat is verborgen; en ik zal zoeken met het hazelaarstakje,
20631
hetwelk nederbuigt als het boven metaal wordt gehouden; en ik zal
20632
hem vinden en hem u eerlijk brengen; kus mij, liefste, en gij zult
20633
rijk wezen; en alle dagen zullen wij kuite drinken; ja, ja, zij, die
20634
daar zitten, drinken ook bier, schuimend bier, dat verkwikt! O! mijne
20635
heeren, een dropje slechts, ik brand in het vuur! Hans, ik weet waar
20636
hazelaars groeien, maar gij moet wachten tot in den voortijd.
20637
 
20638
--Zwijg, ellendige, zei Joost Damman, ik ken u niet. Hilbert hebt
20639
gij genomen voor mij: hij is 't die boven bij u kwam. En, met uw
20640
helschen geest, hiet gij hem Hans. Weet dat ik niet Hans heet, maar
20641
Joost: wij waren van dezelfde grootte, Hilbert en ik; 't was Hilbert,
20642
waarschijnlijk, die de zevenhonderd karolussen nam. Drinken! mijn
20643
vader zal honderd gulden betalen voor een kroezeken water; maar die
20644
vrouw ken ik niet!
20645
 
20646
--Heer baljuw en heeren rechters, riep Katelijne uit, hij beweert dat
20647
hij mij niet kent; maar ik, ik ken hem wel en weet, dat hij op den
20648
rug een bruine, harige geboortevlek heeft, groot als een erwt. Ha! gij
20649
bemindet een meideken van Heist! Hoeft een oprecht minnaar voor zijn
20650
geliefde te blozen? Hans, ben ik niet meer schoon?
20651
 
20652
--Schoon! grijnslachte Damman, gij hebt een gezicht, glad als eene
20653
mispel, en een lichaam, slank als eene vim takkebossen: bezie mij
20654
die schooister, die beweert een edelman tot minnaar te hebben! Drinken!
20655
 
20656
--Zoo spraakt ge niet, Hans, mijn beminde heer en meester, als ik
20657
zestien jaar jonger was.
20658
 
20659
Vervolgens op heur hoofd en heure borst kloppend, sprak zij:
20660
 
20661
--'t Is het vuur, dat daar is, dat mijn hert en mijn gezicht
20662
verschroeit: verwijt het mij niet; weet gij nog dat wij veel van
20663
zout eten hielden, om beter te kunnen drinken, naar gij zeidet? Nu is
20664
al het zout in ons lijf, mijn beminde, en mijnheer de baljuw drinkt
20665
wijn. Wij vragen geen wijn: geeft ons water. In de beemde kabbelt het
20666
heldere beekje met zijn frisch, lekker water. Neen, dat water kookt,
20667
het verbrandt mij! 't Is water uit de helle!
20668
 
20669
En Katelijne weende en zij sprak:
20670
 
20671
--Nooit deed ik iemand leed, en iedereen smijt mij in 't
20672
vuur. Drinken! de straathonden krijgen water; ik ben een kerstene
20673
vrouw, geeft mij te drinken. Nooit deed ik iemand leed! Geeft mij
20674
toch te drinken!
20675
 
20676
Toen sprak een schepen:
20677
 
20678
--Die tooveres is alleenlijk uitzinnig wat betreft het vuur, dat
20679
brandt in heur hoofd, naar zij zegt, maar voor alle andere dingen
20680
is zij het niet, vermits zij met helderen geest ons het lijk van den
20681
verslagene hielp ontdekken. Als Joost Damman inderdaad een harige vlek
20682
heeft op zijnen rug, is dit merk voldoende om zijne eenzelvigheid te
20683
doen vaststellen met den duivel Hans, op denwelken Katelijne verliefd
20684
was. Beul, toon ons het merk op den rug.
20685
 
20686
De hangman ontblootte den hals en den schouder, en toonde de bruine,
20687
harige vlek.
20688
 
20689
--Ha! sprak Katelijne, hoe wit is uwe huid! zou men niet zeggen dat
20690
het de schouderen eener maagd zijn? Wat zijt gij schoon, Hans, mijn
20691
beminde! Drinken!
20692
 
20693
Toen stak de hangman een lange naald in het merk, doch er kwam geen
20694
bloed uit.
20695
 
20696
En de schepenen zeiden tot elkander:
20697
 
20698
--Dat is een duivel, en hij zal Joost Damman vermoord hebben en
20699
zijn aanschijn genomen, om des te veiliger de arme lieden te kunnen
20700
bedriegen.
20701
 
20702
En de baljuw en de schepenen schrikten:
20703
 
20704
--Hij is een duivel, en er is een tooverteeken.
20705
 
20706
En Joost Damman sprak:
20707
 
20708
--Gij weet wel dat dit geen tooverteeken is, maar dat er vleezige
20709
uitwassen bestaan, in dewelke men mag steken, zonder dat zij
20710
bloeden. Heeft Hilbert die tooveres geld ontfutseld,--want tooveres is
20711
zij, die belijdt met den duivel te hebben geslapen--zoo deed hij het
20712
met de algeheele toestemming van die boerin en werd hij, edelman,
20713
om zijne kussen betaald, gelijk zulks telkendage gebeurt met de
20714
meidekens van pleizier. Zijn er geene mannen, die, als de loddegen,
20715
de vrouwen hunne kracht en hunne schoonheid met geld doen betalen?
20716
 
20717
De schepenen zeiden tot elkaar:
20718
 
20719
--Hoort gij zijn duivelsche, stoutmoedige listen? Zijn harige wrat
20720
heeft niet gebloed: moordenaar, duivel en tooveraar, wil hij enkellijk
20721
de schuld van het tweegevecht bekennen, om al zijn andere misdaden
20722
te schuiven op zijn vriend den duivel, dien hij gedood heeft naar
20723
lichaam, maar geenszins naar ziel.... En ziet eens hoe bleek zijn
20724
gezicht is.--Aldus verschijnen al de duivelen, rood in de helle, bleek
20725
op de wereld, want zij hebben geen levensvuur, dat aan het gezicht zijn
20726
natuurlijken blos geeft, en zij zijn assche van binnen.--Om hem rood te
20727
krijgen en hem te doen branden, moet men hem terug op het vuur zetten.
20728
 
20729
Toen sprak Katelijne:
20730
 
20731
--Ja, duivel is hij, doch een goede, zoete duivel! En de heilige
20732
Joannes, zijn patroon, heeft hem de toelating gegeven de helle te
20733
verlaten. Alle dagen bidt hij den Heer Jezus voor hem. Hij moet maar
20734
zeven duizend jaar vagevuur meer doen: de Moeder Gods wil het, maar
20735
Satan verzet er zich tegen. Doch Maria drijft door wat zij wil. Zult
20736
gijlieden u verzetten tegen heuren wil? Als gij hem goed beziet,
20737
zult gij merken, dat hij niets meer heeft van zijn duivelschen staat,
20738
uitgenomen zijn ijskoud lichaam, en ook zijn gezicht, dat glanst lijk,
20739
in de oogstmaand, de branding der zee, als donder op handen is.
20740
 
20741
En Joost Damman sprak:
20742
 
20743
--Zwijg, tooveres, gij doet mij verbranden!
20744
 
20745
Vervolgens zeide hij tot den baljuw en tot de schepenen:
20746
 
20747
--Aanziet mij, ik ben geen duivel; ik heb vleesch en been, bloed en
20748
water. Ik drink en eet, verteer en werp uit lijk gijlie; mijn vel is
20749
gelijk het uwe en mijn voet insgelijks; beul, trek mijne schoenen uit,
20750
want met mijn gebonden voeten kan ik mij niet verroeren.
20751
 
20752
De hangman deed het, niet zonder schrik.
20753
 
20754
--Ziet, zeide Joost, terwijl hij zijn blanke voeten liet zien: zijn dat
20755
gespleten klauwen, zijn dat duivelspooten? Wat mijne bleekheid betreft,
20756
is niemand uwer zoo bleek als ik ben? Ik zie er meer dan drie onder
20757
ulieden. Maar die zondigde was niet ik, doch die leelijke tooveres en
20758
heure dochter, de boosaardige aanbrengster. Waar haalde zij het geld,
20759
dat zij leende aan Hilbert; van waar kwamen de florijnen, die zij
20760
hem gaf? Waren die niet het loon van den duivel, om de onschuldige
20761
edellieden aan te klagen en te doen sterven? Het is aan die beide
20762
vrouwen dat gij moet vragen, wie den hond in de lochting verworgde,
20763
wie den schat uit den put nam en er mee heenging, wellicht om de
20764
gestolen karolussen ergens elders te verbergen. Soetkin, de weduwe,
20765
kon geen vertrouwen stellen in mij, daar zij mij niet kende, doch wel
20766
in haarlieden, bij dewelken zij heel den dag vertoefde. Zij beiden
20767
zijn het, die het goed van den keizer hebben gestolen.
20768
 
20769
--Vrouwe, hebt gij niets te zeggen tot uwe verdediging?
20770
 
20771
Katelijne keek naar Joost Damman en zeide met liefde:
20772
 
20773
--'t Is het uur van den nachtuil! Hans, mijn welbeminde, ik heb de
20774
hand van Hilbert. Zij zeggen, dat gij de zevenhonderd karolussen
20775
zult teruggeven.
20776
 
20777
... Doet het vuur weg, doet het vuur weg! kermde zij
20778
vervolgens. Drinken! drinken! mijn hoofd brandt! God en de engelen
20779
eten appelsienen in 't hemelrijk.
20780
 
20781
En zij viel in bezwijming.
20782
 
20783
--Neem ze weg van de pijnbank, beval de baljuw.
20784
 
20785
De hangman en zijne knechts gehoorzaamden. Men zag ze wankelen,
20786
met gezwollen voeten, want de beul had de koorden te hard gespannen.
20787
 
20788
--Geef heur te drinken, beval de baljuw.
20789
 
20790
Men gaf heur versch water, hetwelk zij gretig dronk, met den beker
20791
tusschen heure tanden, als een hond doet met een been, zonder hem te
20792
willen loslaten. Vervolgens gaf men heur nog water, en zij wilde er
20793
van dragen aan Joost Damman, maar de beul rukte heur den beker uit
20794
de hand. En zij viel slapend ten gronde, als een blok lood.
20795
 
20796
Toen riep Joost Damman met woede:
20797
 
20798
--Ik ook heb dorst en heb vaak. Waarom laat gij heur drinken en slapen?
20799
 
20800
--Zij is eene vrouw, en daarbij zwak en uitzinnig, antwoordde de
20801
baljuw.
20802
 
20803
--Heure uitzinnigheid is geveinsd, zeide Joost Damman, zij is eene
20804
tooveres. Ik wil drinken, ik wil slapen!
20805
 
20806
En hij sloot de oogen, maar de beulsknechten sloegen hem in het
20807
gezicht.
20808
 
20809
--Geef mij een mes, riep hij, dat ik al dien gemeenen boeren en
20810
burgers de les spelle: ik ben een edelman en nooit sloeg men mij in het
20811
gezicht. Water! laat mij slapen, ik ben onschuldig. Ik ben het niet,
20812
die de zevenhonderd karolussen stal: 't is Hilbert. Drinken! Nooit
20813
bedreef ik tooverij of bezwering. Ik ben onschuldig, laat mij
20814
gaan. Drinken!
20815
 
20816
Toen vroeg de baljuw:
20817
 
20818
--Hoe bracht gij den tijd door, sedert dat gij Katelijne verliet?
20819
 
20820
--Katelijne ken ik niet en heb ze dus niet verlaten, zeide hij. Gij
20821
ondervraagt mij over stukken, die vreemd aan de zaak zijn. Ik moet
20822
u niet antwoorden. Drinken! Laat mij slapen! Ik zeg u, dat Hilbert
20823
alles gedaan heeft.
20824
 
20825
--Maakt hem los, sprak de baljuw. Brengt hem terug naar het Steen. Maar
20826
hij zal drinken noch slapen, totdat hij zijne tooverij en bezwering
20827
bekend heeft.
20828
 
20829
En voor Damman was dit een schromelijke foltering. In den kerker
20830
schreeuwde hij zoo luide: "Drinken! Drinken!" dat het volk het
20831
hoorde, doch zonder mededoogen. En als hij viel van de vaak en zijne
20832
bewakers hem in het gezicht sloegen, werd hij woedend als een tijger
20833
en riep hij:
20834
 
20835
--Ik ben een edelman en zal u allen dooden, boeren! Ik zal gaan bij
20836
den koning, onzen hoofdman. Drinken!
20837
 
20838
Doch hij beleed niets, en men liet hem in het Steen.
20839
 
20840
 
20841
 
20842
 
20843
VI.
20844
 
20845
Toen was men in de Bloeimaand; de boom der justitie was groen,
20846
insgelijks groen waren de banken van graszoden, op dewelke de rechters
20847
waren gezeten. Nele werd ter oorkondschap geroepen. Dien dag moest
20848
het vonnis uitgesproken worden.
20849
 
20850
En het volk: mannen, vrouwlieden, poorters en arbeiders stonden rond
20851
de vierschaar; en de zonne scheen helder.
20852
 
20853
Katelijne en Joost Damman werden voor de vierschaar gebracht; en
20854
Damman zag er nog bleeker uit, ter oorzake van de torture, van den
20855
dorst en van de slapelooze nachten.
20856
 
20857
Katelijne, die zich op heure waggelende beenen niet rechthouden kon,
20858
wees naar de zonne en sprak:
20859
 
20860
--Doe het vuur weg, mijn hoofd brandt!
20861
 
20862
En met teedere liefde zag zij naar Joost Damman.
20863
 
20864
En deze bekeek heur met haat en verachting.
20865
 
20866
En de heeren en edelen, zijne vrienden, die naar Damme waren ontboden,
20867
waren allen als getuigen voor de vierschaar aanwezig.
20868
 
20869
Toen sprak de baljuw:
20870
 
20871
--Nele, de dochter, die heure moeder Katelijne met zooveel
20872
genegenheid verdedigt, heeft in den genaaiden zak van den besten rok
20873
derzelfde Katelijne een briefje gevonden, geteekend "Hansken". In de
20874
beugeltassche, gevonden op het lijk van Hilbert Rijnvisch, stak een
20875
andere brief, aan hem gezonden door Joost Damman, beschuldigde alhier
20876
tegenwoordig. Beide brieven heb ik bewaard, opdat gij op het gepaste
20877
oogenblik, dat thans aangebroken is, zoudt kunnen oordeelen over
20878
de hardnekkigheid van dien man en hem vrijspreken of veroordeelen,
20879
naarvolgens wet en gerechtigheid. Hier is het perkament, in de
20880
beugeltasch gevonden; ik deed het niet open en weet niet of het
20881
leesbaar is of niet.
20882
 
20883
Toen waren de rechters in groote verlegenheid.
20884
 
20885
De baljuw beproefde het bolleken perkament los te maken, doch te
20886
vergeefs; en Joost Damman schompermuilde.
20887
 
20888
Toen sprak een schepen:
20889
 
20890
--Laat ons het bolleken in 't water leggen en vervolgens voor
20891
't vuur stellen. Als het door een heimelijk middel toegeplakt is,
20892
zullen water en vuur het wel losmaken.
20893
 
20894
Het water werd gebracht, de hangman stak een groot houtvuur aan;
20895
de blauwe rook steeg recht omhoog in den helderen hemel, tusschen de
20896
groene takken van den boom der justitie.
20897
 
20898
--Steek den brief in de kom niet, sprak een schepen, want als hij
20899
geschreven is met opgelost ammoniakzout, zullen de letteren verdwijnen.
20900
 
20901
--Neen, zeide een chirurgijn, die daar was, de letteren zullen niet
20902
verdwijnen, het water zal enkellijk het bestrijksel, hetwelk dit
20903
tooverbolleken toeplakt, weeker maken.
20904
 
20905
Het perkament werd geweekt in het water, en, als het zachter was,
20906
werd het geopend.
20907
 
20908
--Nu, zeide de chirurgijn, houdt het nu voor het vuur.
20909
 
20910
--Ja, ja, zeide Nele, houdt het papier voor het vuur; messire
20911
chirurgijn is op weg naar de waarheid, want de moordenaar verbleekt,
20912
en siddert over heel zijn lichaam.
20913
 
20914
Daarop sprak Joost Damman:
20915
 
20916
--Ik verbleek noch ik sidder, kleine heks uit 't gemeen, die op den
20917
dood van een edelman aast; maar gij zult er niet in slagen: dat papier
20918
moet gerot zijn na zestien jaar verblijf in den grond.
20919
 
20920
--Het perkament is geenszins bedorven, zei de schepen, de beugeltasch
20921
was met zijde gevoerd; zijde vergaat niet in den grond, en de wormen
20922
hebben het perkament niet opgegeten.
20923
 
20924
Het perkament werd voor 't vuur gebracht.
20925
 
20926
--Heer baljuw, heer baljuw, zeide Nele, hier voor het vuur komen
20927
reeds letteren te voorschijn: beveel dat men het schrift leze.
20928
 
20929
De chirurgijn nam het perkament om het te lezen, als messire Joost
20930
Damman vlug de hand uitstak om het te grijpen; doch rap als de wind
20931
hield Nele zijnen arm tegen, en zij sprak:
20932
 
20933
--Gij zult het niet aanraken, want daar staat uw dood of die van
20934
Katelijne geschreven. Bloedt thans uw herte, moordenaar, weet dat het
20935
onze reeds vijftien jaar lang bloedt; 't is vijftien jaar dat Katelijne
20936
lijdt, dat heur geest in heur hoofd verbrand werd om uwentwil; 't
20937
is vijftien jaar dat Soetkin stierf ten gevolge der smerten; 't is
20938
vijftien jaar dat wij leven in kommer en ellende, hoewel wij fier het
20939
hoofd mogen verheffen. Lees het papier, lees het papier! De rechters
20940
zijn God op de wereld, want zij zijn Gerechtigheid. Lees het papier!
20941
 
20942
--Lees het papier! riepen de mannen en vrouwlieden snikkend. Nele is
20943
moedig en braaf! Katelijne is geene tooveres.
20944
 
20945
En de griffier las:
20946
 
20947
"Aan Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch, schildknaap, Joost Damman,
20948
schildknaap, Heil!
20949
 
20950
... Waarde vriend, verlies uw geld niet meer met kaarten, dobbelsteenen
20951
en andere dergelijke kansspelen. Ik zal u zeggen hoe men zeker is
20952
altijd geld te winnen: Laat ons duivelen worden, schoone duivelen,
20953
bemind door vrouwen en meidekens. De schoone en rijke vrouwlieden
20954
zullen wij nemen en de leelijken en armen daar laten; zij hebben heur
20955
genoegen maar te betalen. Op die wijze maakte ik in Duitschland, in zes
20956
maanden, vijfduizend rijksdaalders. De vrouwen zouden zich uitkleeden
20957
voor den man, dien zij liefhebben; vlied de gierige feeksen, die met
20958
tegenzin heur pleizier betalen. Wat u betreft, om schoon te wezen en
20959
een echte nachtduivel te schijnen, kondig uwe komst aan met 't gekras
20960
van eenen roofvogel, als zij u in het duister willen ontvangen. En om
20961
u een gezicht te maken van een echten, verschrikkelijken duivel, wrijf
20962
het in met phosphorus, die bij plaatsen schittert als hij nat is. Hij
20963
stinkt, maar de vrouwen nemen dat voor den reuk van het solfer der
20964
helle. Dood al wie u hindert: 't zij man, 't zij vrouw of 't zij beest.
20965
 
20966
... Binnen kort gaan wij samen bij Katelijne, een schoone, goedhertige
20967
loddege; heure dochter, Nele, een kind van mij, als Katelijne mij
20968
trouw was, is een lief en beminnelijk meideken; zonder moeite zult
20969
gij ze nemen; ik schenk ze u, want ik geef niet om bastaards: men
20970
kan ze nooit met zekerheid voor zijn kroost erkennen. Heure moeder
20971
gaf mij reeds meer dan drie en twintig karolussen, gansch heure
20972
have. Maar zij verbergt eenen schat, die, als ik het goed voorheb,
20973
het erfdeel van Klaas is, den ketter, die te Damme levend verbrand
20974
werd: zevenhonderd karolussen, waar verbeurdverklaring op rust;
20975
doch de goede koning Philippus, die zoovele zijner onderdanen deed
20976
verbranden om te erven van hen, kon dien lieven schat in zijne klauwen
20977
niet krijgen. Hij zal zwaarder wegen in mijne tassche dan in de zijne;
20978
Katelijne zal mij zeggen waar hij is; wij zullen hem deelen. Maar gij
20979
moet mij 't grootste deel laten, omdat ik de aanbrenger ben. Wat de
20980
vrouwen betreft, dewelke onze zachtmoedige dienaressen en verliefde
20981
slavinnen zullen wezen, die zullen wij naar Duitschland brengen. Daar
20982
zullen wij van heur nachtduivelinnetjes maken, en ze laten beslapen
20983
door alle rijke poorters en edellieden; wij en haarlieden zullen
20984
daar leven van de liefde, betaald met schoone rijksdaalders, panne,
20985
zijde, goud, perelen en juweelen; zoo worden wij, buiten weten van
20986
onze duivelinnetjes, bemind door de schoonsten onder de schoonen,
20987
en doen wij heur steeds voor onze liefde betalen. Al de vrouwen zijn
20988
zot en dwaselijk verknocht aan den man, die in haar het liefdevuur
20989
doet ontvlammen, hetwelk God onder heuren gordel stak. Katelijne en
20990
Nele zullen het nog meer wezen dan iemand, en zullen ons in alles
20991
gehoorzamen: behoud uwen voornaam, maar voer nooit den naam van uwen
20992
vader Rijnvisch. Neemt de rechter de vrouwen in hechtenis, dadelijk
20993
vertrekken wij zonder dat zij ons kennen of kunnen verraden. Help
20994
mij, mijne getrouwe. De fortuin lacht de jongelieden toe, zeide Zijne
20995
Heilige Majesteit Keizer Karel zaliger, dewelke een meester was in
20996
zaken van liefde en van oorlog".
20997
 
20998
En de griffier hield op met lezen en sprak:
20999
 
21000
--Zoo luidt de brief en hij is geteekend: "Joost Damman, schildknaap".
21001
 
21002
En het volk riep:
21003
 
21004
--Ter dood, de moordenaar! Ter dood, de tooveraar! In 't vuur, de
21005
schavuit, die de vrouwlieden waanzinnig maakt! Aan de galg, de rabauw!
21006
 
21007
Toen sprak de baljuw:
21008
 
21009
--Zwijg, volk, opdat wij dien man in volle vrijheid kunnen oordeelen.
21010
 
21011
En tot de schepenen zeide hij:
21012
 
21013
--Ik wil u den tweeden brief lezen, dien Nele vond in den zak van
21014
Katelijne's besten rok; hij luidt als volgt:
21015
 
21016
"Geliefde tooveres, ziehier het recept eener zalve, dat de vrouw van
21017
Lucifer zelve mij zond: met die zalve zult gij u kunnen begeven in
21018
de zonne, de maan en de sterren; kunnen spreken met de sylphen, die
21019
aan God de gebeden der menschen overbrengen, en alle steden, dorpen,
21020
rivieren, beemden van 't gansche heelal kunnen bezoeken. Stamp
21021
ondereen, bij gelijke deelen, stramonium, solanum somniferum,
21022
bilzenkruid, opium, versche henneptoppen, belladonna en datura.
21023
 
21024
... Als gij wilt, zullen wij dezen avond samen naar den sabbat der
21025
geesten gaan: maar gij moet mij meerder beminnen en zoo gierig niet
21026
zijn, gelijk dien avond, toen gij mij tien gulden weigerdet, onder
21027
voorwendsel dat gij ze niet hadt. Ik weet, dat gij eenen schat verbergt
21028
en het mij niet wilt bekennen. Bemint gij mij niet meer, mijne liefste?
21029
 
21030
"Uw koude duivel,
21031
 
21032
"Hansken".
21033
 
21034
--Ter dood, de tooveraar! riep het volk.
21035
 
21036
De baljuw sprak:
21037
 
21038
--Wij moeten de twee schriften vergelijken.
21039
 
21040
Dit werd gedaan, en zij werden eender bevonden.
21041
 
21042
Toen sprak de baljuw tot de aanwezige heeren en edellieden:
21043
 
21044
--Herkent gij den beklaagde voor messire Joost Damman, zoon van den
21045
schepene van de keure van Gent?
21046
 
21047
--Ja, zeiden zij.
21048
 
21049
--Kendet gij, sprak hij, messire Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch,
21050
schildknaap?
21051
 
21052
Een der edellieden, die Vander Zickele hiet, nam het woord en sprak:
21053
 
21054
--Ik ben van Gent, mijn steen staat op de Hoogpoort; ik ken Willem
21055
Rijnvisch, schepene van de keure van Gent. Hij verloor, over een
21056
vijftiental jaren, een zoon van drie en twintig jaar, een losbol,
21057
een speler, een luierik; maar men vergaf hem zijne gebreken, om den
21058
wille van zijn jeugdigen leeftijd. Sedert dien tijd kreeg nooit iemand
21059
miede van hem. Ik vraag om het zweerd, den dolk en de beugeltassche
21060
van den verslagene te zien.
21061
 
21062
Toen hij die voor zich had, sprak hij:
21063
 
21064
--Op den knop van het hecht van het zweerd en den dolk staan de
21065
wapenen van het geslacht Rijnvisch, hetwelk voert, in blauw, drie
21066
zilveren visschen. Die zelfde wapenen zie ik op een gouden schild
21067
tusschen de maliën der beugeltassche. Welke is die andere dolk?
21068
 
21069
De baljuw sprak:
21070
 
21071
--Die dolk stak in het lichaam van Hilbert Rijnvisch, zoon van Willem.
21072
 
21073
--Daarop herken ik de wapens der Damman's: in zilver, een roode toren.
21074
 
21075
--Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!
21076
 
21077
De andere edellieden zeiden insgelijks:
21078
 
21079
--Die wapenen herkennen wij voor die van Rijnvisch en van Damman. Zoo
21080
helpen ons God en al zijne santen!
21081
 
21082
Toen zei de baljuw:
21083
 
21084
--Gehoord en gelezen de voor de Vierschaar gebrachte getuigenissen
21085
en oorkonden, is naar rechte ten genoege gebleken, dat Joost
21086
Damman, "gecommitteerd hebbende de crimen van tooverije, doodslag,
21087
zotmaking van vrouwlieden, diefte van 's konings goedingen, wezende
21088
de abominabelste zonden die men ter wereld kan bedrijven, schuldig
21089
is aan crimen divinae laesae majestatis, geenszins lijdelijk zonder
21090
exemplaire pugnitie".
21091
 
21092
--Dat zegt gij, messire baljuw, hernam Joost, doch bij gebreke aan
21093
genoegzame bewijzen, kunt gij mij niet veroordeelen; tooveraar ben ik
21094
niet of was ik nooit; enkellijk speelde ik het spel van den duivel. Wat
21095
mijn helder gezicht betreft, nu weet gij het middel, dat ik daartoe
21096
gebruikte. De zalve, hoewel zij bilzenkruid, een vergiftige plant,
21097
bevat, is enkel slaapverwekkend. Als die vrouw, die een ware tooveres
21098
is, er van nam, verviel zij in slaapdronkenheid en droomde zij, dat
21099
zij naar den sabbat ging en er danste met het gezicht buitenwaarts
21100
van de ronde, alsook dat zij eenen duivel aanbad in de gedaante van
21101
eenen bok, op een autaar gezeten. Als de rondedans gedaan was, droomde
21102
zij, dat zij den duivel ging kussen onder zijnen steert, gelijk de
21103
tooveraars doen, tot teeken van onderdanigheid. Als ik, naar zij zegt,
21104
koude armen en een frisch lichaam had, is dit een teeken van jeugd
21105
en geenszins van tooverij. Frischheid is niet bestand tegen het werk
21106
des vleesches. Maar Katelijne nam heure wenschen voor werkelijkheid
21107
en aanzag mij dus voor eenen duivel, hoewel ik een mensch ben, gelijk
21108
gijlie. Zij alleen is schuldig om mij, voor eenen duivel nemende, in
21109
heur bed aanveerd te hebben; aldus zondigde zij met wil en met daad
21110
tegen God en tegen den Heiligen Geest. Zij dus is het, maar ik niet,
21111
die de misdaad van tooverij beging, die strafbaar is met den viere, als
21112
een razende en boosaardige tooveres, die voor uitzinnig wil doorgaan,
21113
ten einde heure boosaardigheid te verbergen.
21114
 
21115
Doch Nele riep:
21116
 
21117
--Hoort gij den moordenaar? Als loddegen, als veile deernen, dewelke
21118
een schijfje op den arm dragen, dreef hij handel in liefde. Hoort
21119
gij hem? om zich te redden, wil hij degene doen verbranden, welke
21120
hem alles gaf.
21121
 
21122
--Nele is stout, zeide Katelijne, Hans, mijn liefste, luister naar
21123
heur niet.
21124
 
21125
--Neen, vervolgde Nele, gij zijt geen mensch: gij zijt een lafhertige,
21126
wreedaardige duivel!
21127
 
21128
En, Katelijne in de armen nemend:
21129
 
21130
--Heeren rechters, riep zij, luistert niet naar dien bleeken booswicht;
21131
hij heeft maar éénen wensch: mijne moeder levend te zien verbranden,
21132
hoewel zij geen andere misdaad bedreef, dan door God met uitzinnigheid
21133
getroffen te worden en de schimmen heurer droomen voor echt te
21134
aanzien. Veel reeds heeft zij geleden naar lichaam en geest. Doet ze
21135
niet sterven, heeren rechters. Laat de uitzinnige heur treurig leven
21136
eindigen in vrede.
21137
 
21138
En Katelijne sprak:
21139
 
21140
--Nele is stout, ge moet ze niet gelooven, Hansken, mijn vriend.
21141
 
21142
En in het volk weenden de vrouwlieden en riepen de mannen:
21143
 
21144
--Genade voor Katelijne!
21145
 
21146
Op belijdenissen, die Joost Damman na nieuwe folteringen deed, brachten
21147
de baljuw en de schepenen hunne sententie te zijnen opzichte uit:
21148
hij werd veroordeeld om te worden ontadeld en levend verbrand met
21149
zacht vuur, totdat de dood er op volgde.
21150
 
21151
's Anderen daags doorstond hij de doodstraf voor de pui van het
21152
Schepenhuis, gedurig roepend:
21153
 
21154
--Doet de tooveres sterven; zij alleen is schuldig. Gevloekt weze
21155
God! mijn vader zal de rechters vermoorden!
21156
 
21157
En hij gaf den geest.
21158
 
21159
En het volk zeide:
21160
 
21161
--Hoort hoe hij God vloekt en lastert, hij sterft als een hond.
21162
 
21163
's Anderen daags brachten de baljuw en de schepenen hun vonnis uit
21164
ten opzichte van Katelijne: zij werd veroordeeld om de waterproef
21165
te doorstaan, in de Brugsche vaart. Zoo zij boven dreef, zou zij als
21166
tooveres worden verbrand; zoo zij zonk en stierf, zou zij beschouwd
21167
worden als op kerstene wijze gestorven en als dusdanig op 't kerkhof
21168
begraven.
21169
 
21170
's Anderen daags werd Katelijne, baarvoets, gekleed met een zwart
21171
linnen hemde, en met eene waskeers in heure hand, processiegewijs
21172
gebracht tot aan de vaart, langsheen de boomen. Vóór heur gingen,
21173
de gebeden der dooden zingend, de deken van Onze-Lieve-Vrouwekerk,
21174
zijne vicarissen, de koster met het kruis; en achter heur, de baljuw
21175
van Damme, de schepenen, de griffiers, de serjanten der gemeente,
21176
de provoost, de hangman en zijne beide knechts. Op de beide oevers
21177
stond een groote menigte vrouwen, die weenden, en mannen, die morden,
21178
uit medelijden met Katelijne, dewelke gedwee als een lam zich liet
21179
leiden zonder te weten waarheen, en gedurig zei:
21180
 
21181
--Doet het vuur weg, mijn hoofd brandt! Hansken, waar zijt gij?
21182
 
21183
Nele, die te midden van de vrouwen stond, riep:
21184
 
21185
--Ik wil met heur in 't water worden gesmeten!
21186
 
21187
Maar de vrouwen lieten heur omtrent Katelijne niet komen.
21188
 
21189
Een scherpe wind blies van de zee; een fijne hagel viel uit
21190
den loodgrijzen hemel in het water der vaart; eene boot lag daar
21191
vastgemeerd; de hangman en zijne knechts namen dezelve in naam Zijner
21192
Koninklijke Majesteit. Op hun bevel stapte Katelijne er in: de beul
21193
stond recht in de boot en hield Katelijne vast, en, op een teeken van
21194
den provoost met de roede der justitie, smeet hij ze in de vaart. Zij
21195
spartelde, doch niet lang, en zonk nog roepende:
21196
 
21197
--Hans! Hans! help mij!
21198
 
21199
En het volk zeide:
21200
 
21201
--Die vrouw is geene tooveres.
21202
 
21203
Mannen sprongen in de vaart en trokken Katelijne er uit, dewelke
21204
van heurzelve was en stijf als eene doode. Zij werd in eene taveerne
21205
gebracht en voor een groot vuur nedergelegd; Nele trok heur nat hemd
21206
uit en deed heur een ander aan; toen zij tot zich zelve kwam, zegde
21207
zij bibberend en klappertandend:
21208
 
21209
--Hans, geef mij een wollen mantel.
21210
 
21211
En Katelijne kon zich niet verwarmen. En den derden dag stierf zij. En
21212
zij werd op 't kerkhof begraven, in gewijde aarde.
21213
 
21214
En Nele toog henen naar Holland, bij Rosa van Auweghem.
21215
 
21216
 
21217
 
21218
 
21219
VII.
21220
 
21221
Op de hulken, op de boeiers, de poonen der Geuzen, vaart Thijl Klaas
21222
Uilenspiegel.
21223
 
21224
De vrije zee draagt de wakkere vliebooten, op dewelke acht, tien,
21225
tot twintig ijzeren stukken staan: zij braken dood en vernieling naar
21226
de verraderlijke Spanjolen.
21227
 
21228
Hij is een ervaren kanonnier, Thijl Uilenspiegel, zoon van Klaas:
21229
het is een lust te zien hoe juist hij het stuk richt, hoe goed hij
21230
mikt, en, als in boter, een gat boort in de schepen der beulen.
21231
 
21232
Op den vilten hoed draagt hij de zilveren halvemaan met het opschrift:
21233
Liever den Turc als den Paus.
21234
 
21235
De matrozen, die hem, vlug als eene kat, met een referein op de lippen,
21236
op hunne boot zagen springen, ondervroegen hem nieuwsgieriglijk:
21237
 
21238
--Hoe komt het, maat, dat gij er nog zoo jeugdig uitziet, want men
21239
zegt, dat het reeds lang geleden is dat gij te Damme ter wereld kwaamt?
21240
 
21241
--Ik ben geen lichaam, maar een geest, zei hij, en Nele, mijne
21242
vriendinne, gelijkt mij. Geest van Vlaanderen, Liefde van Vlaanderen,
21243
zullen wij beiden nooit sterven.
21244
 
21245
--Maar, zeiden zij, als men u snijdt, bloedt gij toch?
21246
 
21247
--Schijn bedriegt, antwoordde Uilenspiegel, het is wijn, maar geen
21248
bloed.
21249
 
21250
En de geborduurde banieren uit de ommegangen der Roomschen wapperden
21251
aan de masten der schepen. En gekleed in panne, in brocaat, in zijde,
21252
in goud- en zilverlaken, met mijter en staf, den wijn der monniken
21253
drinkend, hielden de Geuzen de wacht op hunne schepen.
21254
 
21255
En 't was een vreemdsoortig schouwspel, uit de mouwen der rijke
21256
kleederen die ruwe handen te zien steken, dewelke bogen of bussen,
21257
hellebaarden of pieken droegen, en al die mannen met stuursche
21258
tronie, met flikkerende pistolen en kruismessen in den gordelriem,
21259
uit gouden kelken den wijn der abten te zien drinken, die nu de wijn
21260
der vrijheid was.
21261
 
21262
En zij zongen en riepen: "Vive le Geus!" en dobberden aldus op het
21263
ruime sop.
21264
 
21265
 
21266
 
21267
 
21268
VIII.
21269
 
21270
Te dien tijde namen de Geuzen, onder dewelke Lamme en Uilenspiegel
21271
waren, het stedeken Gorkum. En zij waren aangevoerd door kapitein
21272
Marinus. Deze Marinus, die vroeger dijkwerker was, was weergaloos
21273
trotsch en verwaand en teekende met Gaspard Turk, de verdediger van
21274
Gorkum, eene capitulatie, bij dewelke Turk, de monniken, poorters en
21275
soldaten, die binnen de vesting waren, vrijelijk zouden mogen uitgaan
21276
met den kogel in den mond, het musket op den schouder, met alles
21277
wat zij zouden kunnen dragen, uitgenomen de goedingen van kerken en
21278
kloosters, die aan de belegeraars moesten komen.
21279
 
21280
Maar, op bevel van messire Lumey, wederhield kapitein Marinus negentien
21281
monniken; alleen de soldaten en poorters liet hij gaan.
21282
 
21283
En Uilenspiegel sprak:
21284
 
21285
--Soldatenwoord moet gulden woord wezen. Waarom breekt hij het zijne?
21286
 
21287
Een oude Geus antwoordde hem:
21288
 
21289
--De monniken zijn de zonen Satans, de melaatschheid der landen, de
21290
schande der volken. Sedert de komst van den bloedigen hertog, spelen
21291
dezen hier den baas in Gorkum. Onder hen is er een, paap Nicolaas,
21292
dewelke fier is als een pauw en wreed als een tijger. Telkenmale dat
21293
hij over de straat ging met zijn monstrans, waarin zijn met hondevet
21294
gebakken ouwel stak, keek hij met grammoedige oogen naar de huizen, uit
21295
dewelke de vrouwen niet kwamen om neder te knielen, en kloeg hij bij
21296
den rechter al degenen aan, die de knie niet bogen voor zijnen afgod
21297
van water en bloem. De andere monniken volgden zijn voorbeeld. Dat
21298
was de oorzaak van vele gruweldaden, verbrandingen en andere wreede
21299
folteringen in het stedeken Gorkum. Kapitein Marinus deed wèl van die
21300
monniken gevangen te houden, die anderszins, met hunne gelijken, in
21301
vlekken, steden en gehuchten zouden gaan, om te preeken tegen ons, het
21302
volk op te hitsen en de arme hervormden te doen verbranden. Bloedhonden
21303
legt men aan de keten totdat zij verrekken; aan de keten, de monniken;
21304
aan de keten, de bloedhonden van den hertog van Alva; in den kerker,
21305
de beulen! Vive le Geus!
21306
 
21307
--Maar, sprak Uilenspiegel, Oranje, onze prins van de vrijheid, wil
21308
dat men, bij elke overgave, de goedingen der menschen en het vrije
21309
geweten eerbiedige.
21310
 
21311
De oude geuzen antwoordden:
21312
 
21313
--De admiraal wil dat niet voor de monniken: hij is de meester:
21314
hij nam den Briel. In den kerker, de monniken!
21315
 
21316
--Soldatenwoord is gulden woord! Waarom schendt hij zijn
21317
woord? antwoordde Uilenspiegel. De monniken, die in den kerker worden
21318
gehouden, zijn aan de grofste beleedigingen blootgesteld.
21319
 
21320
--De assche klopt niet meer op uw hert, spraken zij: ten gevolge van
21321
de edicten, hebben honderdduizend gezinnen de ambachten, de nijverheid
21322
onzer landen, overgebracht naar het Noordwesten, naar Engeland; betoon
21323
maar medelijden voor de bewerkers van onzen ondergang! Sedert Keizer
21324
Karel V, Beul I, en, onder den huidigen, bloedigen koning, Beul II,
21325
stierven honderd achttien duizend menschen den marteldood. Wie droeg de
21326
keersen bij de begrafenissen, in den moorden in de tranen? Monniken en
21327
Spaansche soldeniers! Hoort gij, hoort gij de zielen der slachtoffers
21328
niet klagen en kermen in het kille graf?
21329
 
21330
--De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel. Soldatenwoord is
21331
gulden woord!
21332
 
21333
--Wie dan, zeiden zij, wilde door excommunicatie ons in den ban van
21334
alle landen sluiten? Wie had hemel en aarde, God en duivel en hunne
21335
dichte gelederen santen en santinnen tegen ons afgezonden? Wie spatte
21336
er droppelen ossenbloed op de ouwels, wie deed de houten heiligen
21337
weenen? Wie deed het de Profundis zingen over den grond onzer vaderen,
21338
anders dan die gevloekte geestelijkheid, die hoop ledige, vadsige
21339
monniken? En dit alles om hunnen rijkdom te behouden, alsmede hunnen
21340
invloed op de afgodendienaars, en door ondergang, bloed en vuur te
21341
heerschen over het arme land. In de kooi, de wolven, die de menschen
21342
beloeren; in de kooi, de hyena's. Vive le Geus!
21343
 
21344
--Soldatenwoord is gulden woord!
21345
 
21346
's Anderen daags, kwam een bode vanwege messire Lumey, met bevel de
21347
negentien gevangen monniken te doen overbrengen van Gorkum naar den
21348
Briel, alwaar de admiraal zich bevond.
21349
 
21350
--Zij zullen gehangen worden, zei kapitein Marinus tot Uilenspiegel.
21351
 
21352
--Toch niet zoolang ik zal leven, antwoordde hij.
21353
 
21354
--Mijn vriend, zeide Lamme, spreek zóó niet tot messire Lumey. Hij is
21355
wreedaardig en zal u doen hangen in het weinig vereerend gezelschap
21356
der monniken.
21357
 
21358
--Ik zal spreken naarvolgens de waarheid, antwoordde Uilenspiegel:
21359
soldatenwoord is gulden woord!
21360
 
21361
--Als gij ze kunt redden, zeide Marinus, breng hunne boot naar den
21362
Briel. Neem Rochus den loods mee, en uwen vriend Lamme, als gij wilt.
21363
 
21364
--Ik wil, antwoordde Uilenspiegel.
21365
 
21366
De boot werd gemeerd aan de Groene Kade, de negentien monniken namen er
21367
plaats in; de vreesachtige Rochus werd gezet aan het roer, Uilenspiegel
21368
en Lamme, beiden goed gewapend, gingen staan op de voorplecht. Eenige
21369
schavuiten, die met het oog op de plundering als soldaten bij de Geuzen
21370
waren gekomen, zaten bij de monniken, die honger hadden. Uilenspiegel
21371
gaf hun te eten en te drinken. "Die zal verraden!" zeiden de slechte
21372
soldaten. De negentien monniken zaten in het midden, schijnheilig
21373
vroom en bibberend, hoewel men in de Hooimaand was en de zon helder
21374
en warm scheen, en een zachte zeewind de zeilen der boot deed zwellen,
21375
die log en zwaar over de groene golven gleed.
21376
 
21377
Pater Nicolaas sprak toen en zeide tot den loods:
21378
 
21379
--Rochus, leidt men ons naar het Galgeveld?
21380
 
21381
Vervolgens wendde hij zich in de richting van Gorkum en sprak,
21382
terwijl hij rechtstond en de hand uitstak:
21383
 
21384
--O, stede van Gorkum, o stede van Gorkum! Hoevele kwalen hebt gij
21385
te lijden: gevloekt zult gij wezen onder al de steden, want binnen
21386
uwe muren hebt gij het zaad der ketterij laten kiemen! O, stede van
21387
Gorkum! En de engel des Heeren zal bij uwe poorten de wacht niet
21388
meer houden. Hij zal niet meer zorgen voor de eer uwer maagden, den
21389
moed uwer mannen, het fortuin uwer kooplieden! O stede van Gorkum,
21390
gevloekt zijt gij, rampzalige!
21391
 
21392
--Gevloekt, gevloekt, antwoordde Uilenspiegel, gevloekt zeker als
21393
de kam, die al de Spaansche luizen afgekamd heeft! Gevloekt als
21394
de hond, die zijne keten verbreekt, als het trotsche peerd, dat
21395
een wreedaardigen ruiter ontzadelt! Maar gij zelf zijt gevloekt,
21396
dompelaar van een predikant, die slecht vindt dat men de roede,
21397
al ware zij van ijzer, aan stukken slaat op den rug der tirannen!
21398
 
21399
De monnik zweeg en sloeg de oogen neer; hij scheen ganschelijk
21400
overgeleverd aan zijn godvruchtigen haat.
21401
 
21402
De schavuiten, die met het oog op plundering als soldaten bij de
21403
Geuzen waren gekomen, waren nabij de monniken, dewelke weldra weer
21404
honger kregen. Uilenspiegel vroeg voor hen haring en beschuit. De
21405
schipper van de boot antwoordde:
21406
 
21407
--Smijt ze in de Maas, daar zullen zij versche haring vinden.
21408
 
21409
Uilenspiegel gaf toen aan de monniken al het brood en al de worst,
21410
die hij overhad voor zich en voor Lamme.
21411
 
21412
De schipper en de schavuiten zeiden tot elkander:
21413
 
21414
--Die is een verrader, hij spijst de monniken. Wij moeten hem
21415
aanklagen.
21416
 
21417
Te Dordrecht hield de boot stil in de haven, aan de Bloemenkade;
21418
mannen, vrouwlieden, knapen en meidekens kwamen in groote menigte
21419
toeloopen om de monniken te zien en zeiden tot elkander, terwijl zij
21420
hen met den vinger toonden of met de vuisten bedreigden:
21421
 
21422
--Beziet die schoften daar, die godmakers, die de lichamen naar de
21423
brandstapels brengen en de zielen naar 't eeuwige vuur; beziet die
21424
vetgemeste tijgeren, die dikbuikige jakhalzen.
21425
 
21426
De monniken lieten het hoofd zakken en dorsten niet spreken. Weer
21427
zag Uilenspiegel hen zitten bibberen.
21428
 
21429
--Wij hebben nog honger, medelijdende soldaat, zeiden zij.
21430
 
21431
Maar de schipper sprak:
21432
 
21433
--Wie drinkt altijd? Droog zand. Wie eet altijd? Monniken.
21434
 
21435
Uilenspiegel ging hun in de stad brood, hesp en een grooten pot
21436
bier koopen.
21437
 
21438
--Eet en drinkt, zeide hij; gij zijt onze gevangenen, doch als ik kan,
21439
zal ik u redden. Soldatenwoord is gulden woord!
21440
 
21441
--Waarom geeft gij hun dat eten en drinken? Nooit zullen zij u betalen,
21442
zeiden de schavuiten.
21443
 
21444
En stille spekend, fluisterden zij elkander in 't oor:
21445
 
21446
--Hij heeft beloofd hen te redden, wij moeten hem gadeslaan.
21447
 
21448
Met den dageraad kwamen zij aan den Briel. Toen de poorten hun geopend
21449
waren, ging een voetlooper messire Lumey verwittigen van hunne komst.
21450
 
21451
Zoodra deze de miede ontving, sprong hij te peerd en, nauwelijks
21452
gekleed en vergezelschapt door eenige gewapende ruiters en
21453
voetknechten, kwam hij aan de boot.
21454
 
21455
En nog eens kon Uilenspiegel den wreeden admiraal zien, gekleed als
21456
een heer, die in overvloed baadt.
21457
 
21458
--Goeden dag, heeren monniken, sprak hij. De handen op! Waar is het
21459
bloed der heeren van Egmond en Hoorn? Gij toont mij uwe pootjes,
21460
dat is wel van u....
21461
 
21462
Een monnik, Leonard genoemd, antwoordde:
21463
 
21464
--Doe met ons wat gij wilt. Wij zijn monniken, niemand zal ons
21465
opeischen.
21466
 
21467
--Hij heeft goed gesproken, zeide Uilenspiegel; want vermits de
21468
monnik afgebroken heeft met de wereld, dewelke vader en moeder,
21469
broeder en zuster, gade en vriendin is, vindt hij op Gods uur
21470
niemand, die hem opeischt. Nochtans, Excellentie, wil ik het doen:
21471
Bij het teekenen van de overgave van Gorkum, bepaalde kapitein
21472
Marinus dat die monniken vrij zouden wezen, gelijk al degenen,
21473
die genomen werden in de citadel en die er uitkwamen. Zij werden er
21474
echter zonder reden gevangen gehouden; ik hoor zeggen, dat zij zullen
21475
gehangen worden. Heer, ootmoediglijk richt ik mij tot u, om hen voor
21476
te spreken, want ik weet, dat soldatenwoord gulden woord is.
21477
 
21478
--Wie zijt gij? vroeg messire Lumey.
21479
 
21480
--Heer, antwoordde Uilenspiegel, ik ben Vlaming uit het schoone
21481
Vlaanderenland, boer, edelman, alles te zamen, en door de wereld ga
21482
ik aldus, om het goede en schoone te prijzen en volmondig te spotten
21483
met alles wat dwaas en verkeerd is. En u zal ik prijzen, als gij de
21484
belofte houdt, dewelke de kapitein heeft gesteld: Soldatenwoord is
21485
gulden woord!
21486
 
21487
Maar de schavuiten, die met het oog op plundering bij de Geuzen waren
21488
gekomen, zeiden:
21489
 
21490
--Heer, die is een verrader: hij heeft beloofd hen te redden; hij
21491
heeft hun brood, hesp, worst en bier gegeven, en ons niets.
21492
 
21493
Messire Lumey zeide toen tot Uilenspiegel:
21494
 
21495
--Vlaming, die het goede prijst en monniken spijst, gij zult met
21496
henzelven worden gehangen.
21497
 
21498
--Ik ben zonder vrees, antwoordde Uilenspiegel, soldatenwoord is
21499
gulden woord!
21500
 
21501
--Daar hebt gij u iets moois op den hals gehaald, sprak Lamme.
21502
 
21503
--De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel.
21504
 
21505
De monniken werden naar eene schuur gebracht, en Uilenspiegel met
21506
hen; daar wilden zij hem bekeeren met godgeleerde bewijsvoeringen;
21507
maar hij viel in slaap bij hunne reden.
21508
 
21509
Terwijl messire Lumey aan tafel zat, welke vol wijn en vol vleesch
21510
stond, kwam een bode van Gorkum, vanwege kapitein Marinus, met het
21511
afschrift van de brieven des Prinsen van Oranje, "lastende en bevelende
21512
aan al de voogden van steden en andere plaatsen, de geestelijken in
21513
gelijke veiligheid, zekerheid en privilege te houden als de andere
21514
standen des volks".
21515
 
21516
De bode vroeg om bij Lumey toegelaten te worden, ten einde hem,
21517
eigenhandig, het opschrift der brieven te geven.
21518
 
21519
--Waar is 't origineel? vroeg Lumey.
21520
 
21521
--Bij mijn meester Marinus, zeide de bode.
21522
 
21523
--En die boer zendt mij het afschrift! zeide Lumey. Waar is uw pas?
21524
 
21525
--Hier, heer, sprak de bode.
21526
 
21527
Messire Lumey las:
21528
 
21529
--"Mijnheer en meester Marinus Brand last al den ministers, stadhouders
21530
en officieren der Vereenigde Provinciën, vrijelijk door te laten enz."
21531
 
21532
Lumey sloeg met de vuisten op de tafel en scheurde den brief aan
21533
stukken; hij riep woedend uit:
21534
 
21535
--Verdoemd, waarmede bemoeit hij zich, die Marinus, die schooier,
21536
die vóór de inneming van den Briel nog geene graat van een haring te
21537
vreten had? Hij heet zich mijnheer en meester, en zendt bevelen aan
21538
mij! Hij last en beveelt! Zeg aan uw meester, dat, mits hij zulk een
21539
mijnheer en zulk een meester is, welk zoo goed lasten en bevelen kan,
21540
de monniken op staanden voet zullen opgeknoopt worden, en gij daarbij,
21541
als gij niet dadelijk opkraamt!
21542
 
21543
En met een schop onder de broek, smeet hij hem buiten de kamer.
21544
 
21545
--Drinken! riep hij. Hebt gij de verwatenheid van dien Marinus
21546
gezien? Ik ben woedend! Dat men de monniken dadelijk opknoope in
21547
hunne schuur, en dat men dien Vlaming voor mij brenge, nadat hij hun
21548
halsrecht bijgewoond heeft. We zullen eens zien of hij mij zal durven
21549
zeggen, dat ik slecht deed. Alle duivels! waarom zijn hier nog potten
21550
en glazen van doen?
21551
 
21552
En met groot gerucht sloeg hij de bekers en het vaatwerk kapot, en
21553
niemand durfde hem aanspreken. De knechten wilden de stukken oprapen,
21554
maar hij liet het niet toe; onmatig ledigde hij de eene flesch na de
21555
andere, en hij werd nog woedender, want hij liep met groote stappen
21556
de kamer op en neer, razend de scherven onder de voeten vertrappend.
21557
 
21558
Uilenspiegel werd vóór hem gebracht.
21559
 
21560
--Hewel, zeide hij hem, brengt gij mij miede van uwe vrienden,
21561
de monniken?
21562
 
21563
--Zij zijn gehangen, sprak Uilenspiegel, en een lafhertige beul,
21564
door baatzucht gedreven, heeft een hunner, na zijnen dood,
21565
den buik en de zijden geopend, om aan een apotheker het vet te
21566
verkoopen. Soldatenwoord is geen gulden woord meer!
21567
 
21568
Lumey, voort de scherven vertrappend, bulderde:
21569
 
21570
--Gij trotseert mij, armzalige nietdeug, maar gij ook zult gehangen
21571
worden, niet in eene schuur, maar schandelijk op de Markt, in het
21572
aanschijn van elkeen.
21573
 
21574
--Schande over u, sprak Uilenspiegel, schande over ons: soldatenwoord
21575
is geen gulden woord meer!
21576
 
21577
--Wilt gij zwijgen, ijzeren kop! riep messire Lumey.
21578
 
21579
--Schande over u, sprak Uilenspiegel, soldatenwoord is geen guldenwoord
21580
meer! Straf liever de nietdeugen, verkoopers van menschenvet!
21581
 
21582
Messire Lumey vloog naar hem toe en hief de hand op om hem te slaan.
21583
 
21584
--Sla, sprak Uilenspiegel, ik ben uw gevangene, maar ik heb geen
21585
schrik van u: Soldatenwoord is geen gulden woord meer!
21586
 
21587
Toen trok messire Lumey zijn degen en zeker had hij Uilenspiegel
21588
gedood, zoo Treslong zijn arm niet weerhouden had, zeggende:
21589
 
21590
--Medelijden! hij is moedig en dapper, en heeft geenerlei misdaad
21591
bedreven.
21592
 
21593
Lumey veranderde toen van gedachte en sprak:
21594
 
21595
--Dat hij vergiffenis vrage!
21596
 
21597
Maar Uilenspiegel bleef rechtstaan en sprak:
21598
 
21599
--Ik zal het niet doen.
21600
 
21601
--Dat hij ten minste zegge, dat ik geen ongelijk had, riep Lumey nog
21602
blakend van woede.
21603
 
21604
Uilenspiegel antwoordde:
21605
 
21606
--Ik lik de hielen der heeren niet: soldatenwoord is geen gulden
21607
woord meer!
21608
 
21609
--Dat men de galge oprichte, sprak Lumey, en dat men hem wegbrenge,
21610
dat zal woord van kemp voor hem wezen.
21611
 
21612
--Ja, antwoordde Uilenspiegel, en voor het vergaderde volk zal ik u
21613
toeroepen: Soldatenwoord is geen gulden woord meer!
21614
 
21615
De galge werd opgericht op de Groote Markt. De mare liep weldra door
21616
de stad, dat men Uilenspiegel ging hangen, den dapperen Geus. En het
21617
gemeen was tot weenens toe bewogen. En in groote menigte snelde het
21618
naar de Groote Markt; messire Lumey, te peerd, kwam er ook, daar hij
21619
zelf het teeken van de terechtstelling wilde geven.
21620
 
21621
Wrokkig keek hij naar Uilenspiegel op de ladder, gekleed voor den
21622
dood, in zijn hemd, de armen op zijn lichaam gebonden, de handen
21623
samengevouwen, het strop om den hals, met den hangman naast zich,
21624
welke gereed was om de straf te volbrengen.
21625
 
21626
Treslong zeide tot Lumey:
21627
 
21628
--Heer, schenk hem genade; hij is geen verrader, en nimmer zag men
21629
een man hangen omdat hij openhertig en meewarig was.
21630
 
21631
Toen de mannen en vrouwlieden uit 't volk de woorden van Treslong
21632
hoorden, riepen zij:
21633
 
21634
--Genade heer, genade, heb medelijden met Uilenspiegel.
21635
 
21636
--Die ijzeren kop heeft mij getrotseerd, sprak Lumey: dat hij berouw
21637
hebbe en zegge, dat ik wel gedaan heb.
21638
 
21639
--Wilt gij berouw hebben en zeggen, dat hij wel gedaan heeft? vroeg
21640
Treslong tot Uilenspiegel.
21641
 
21642
--Soldatenwoord is geen gulden woord meer, zeide Uilenspiegel.
21643
 
21644
--Steek het strop over zijnen hals, beval Lumey.
21645
 
21646
De hangman wilde gehoorzamen, doch een meideken, heel in 't wit
21647
gekleed, met een kroontje op 't hoofd, beklom als waanzinnig de
21648
trappen van het schavot, vloog Uilenspiegel om den hals en zeide:
21649
 
21650
--Die man is de mijne, ik neem hem tot echtgenoot!
21651
 
21652
En het volk juichte toe, en de vrouwlieden riepen:
21653
 
21654
--Leve, leve het meideken, dat Uilenspiegel redt van den dood!
21655
 
21656
--Wat beteekent die zotternij? vroeg messire Lumey.
21657
 
21658
Treslong antwoordde:
21659
 
21660
--Volgens de costumen en gebruiken van de stede, is het recht en wet,
21661
dat een jonge dochter, maagd of ongehuwd, een man van de koord redt,
21662
als zij hem aan den voet van de galge tot echtgenoot neemt.
21663
 
21664
--God is met hem, zeide Lumey; maak hem los!
21665
 
21666
Hij reed tot omtrent het schavot en zag het meideken druk bezig met
21667
Uilenspiegel's koorden door te snijden, terwijl de beul het heur
21668
wilde beletten, zeggende:
21669
 
21670
--Als gij ze doorsnijdt, wie zal ze betalen?
21671
 
21672
Maar het meideken luisterde niet.
21673
 
21674
Als hij heur zoo vlug en ijverig en liefdevol bezig zag, was hij
21675
verteederd.
21676
 
21677
--Wie zijt gij? vroeg hij.
21678
 
21679
--Ik ben Nele, zijne bruid, zeide zij, en kom uit Vlaanderen om hem
21680
te halen.
21681
 
21682
--Gij kwaamt in tijds, zeide Lumey op barschen toon.
21683
 
21684
En hij toog henen.
21685
 
21686
Treslong naderde toen en sprak:
21687
 
21688
--Brave Vlaming, wilt gij op onze schepen nog dienen, als gij
21689
getrouwd zijt?
21690
 
21691
--Ja, messire, antwoordde Uilenspiegel.
21692
 
21693
--En gij, meideken, wat zult gij doen zonder uwen man?
21694
 
21695
Nele antwoordde:
21696
 
21697
--Als gij wel wilt, messire, zal ik bij hem blijven op zijn schip en
21698
op de pijp spelen.
21699
 
21700
--Zeker, wil ik, antwoordde Treslong.
21701
 
21702
En hij gaf heur twee gulden voor de bruiloft.
21703
 
21704
En Lamme, die weende en lachte van blijdschap, zei:
21705
 
21706
--Hier zijn nog drie gulden: wij zullen lekker gastreeren; ik
21707
trakteer. Komt, we gaan naar den Gouden Kam. Hij is niet dood, mijn
21708
vriend! Vive le Geus!
21709
 
21710
En het volk juichte toe, en zij trokken naar den Gouden Kam, alwaar
21711
een groot feestmaal besteld werd, en Lamme smeet, door het venster,
21712
oortjes te grabbel naar 't volk.
21713
 
21714
En Uilenspiegel zeide tot Nele:
21715
 
21716
--Liefste, nu zijt ge bij mij. Hoezee! zij is hier, in levenden
21717
lijve, met hart en met ziel, mijn zoete vriendin. Ho! die zachte
21718
oogen en die schoone roode lippen, over dewelke nooit anders dan
21719
goede woorden kwamen! Zij redde mij 't leven, de welbeminde! Op onze
21720
schepen zult gij de pijp der verlossing bespelen. Herinnert gij u nog
21721
... doch neen.... Voor ons is thans blijdschap en vreugde, voor mij
21722
uw gezichtje, dat zoet is als de bloemen in de Zomermaand. Ik ben in
21723
het hemelrijk! Maar, zeide hij, gij weent....
21724
 
21725
--Zij hebben heur gedood, zeide zij.
21726
 
21727
En zij vertelde hem de rouwvolle mare.
21728
 
21729
En zij staarden elkander aan, en weenden van minne en van smerte.
21730
 
21731
En op het festijn aten en dronken zij, en Lamme keek hen jammerlijk
21732
aan.
21733
 
21734
--Laas, zuchtte hij, waar zijt gij, mijne vrouw?
21735
 
21736
En de priester kwam en trouwde Nele en Uilenspiegel.
21737
 
21738
En de morgenzon vond hen bij elkander in 't huwelijksbed.
21739
 
21740
En Nele rustte met heur hoofdje op den schouder van Uilenspiegel. En
21741
als zij ontwaakte in de zonne, zeide hij:
21742
 
21743
--Frisch gezichtje en zoet hertje, wij zullen de wrekers van Vlaanderen
21744
wezen!
21745
 
21746
Zij kuste hem op den mond en zeide:
21747
 
21748
--Dolle kop en sterke arm, God zegene de pijp en het zweerd!
21749
 
21750
--Ik zal u een soldatendos maken.
21751
 
21752
--Dadelijk? vroeg zij.
21753
 
21754
--Dadelijk, antwoordde Uilenspiegel; maar wie dan zegt, dat aardbeziën
21755
lekker zijn, 's morgens? Uw mond is veel zoeter!
21756
 
21757
 
21758
 
21759
 
21760
IX.
21761
 
21762
Evenals hunne vrienden en gezellen, hadden Uilenspiegel, Lamme en
21763
Nele, den kloosters het goed teruggenomen, dat deze vergaard hadden,
21764
door middel van begankenissen, valsche mirakelen en andere Roomsche
21765
mommerijen, ten koste van 't onnoozele volk. Dit was in strijd met
21766
de bevelen van den Zwijger, den prins van de vrijheid, maar het
21767
geld diende voor de kosten des oorlogs. Lamme Goedzak vergenoegde
21768
zich niet met het geld, doch hij roofde nog in de kloosters hespen,
21769
worsten, bottels bier, flesschen wijn; niet zelden kwam hij terug met
21770
eene weitasch vol gevogelte, kalkoenen, ganzen, kapoenen en kiekens
21771
op den buik en met eenige monnikenverkens en kloosterkalveren achter
21772
zich aan een touw. En dit krachtens het oorlogsrecht, naar hij zeide.
21773
 
21774
Vol blijdschap bij elke verovering, bracht hij zijn buit naar het
21775
vaartuig om er lekker mee te smullen; maar hij deed bitter zijn
21776
beklag, dat de kok zoo weinig ervaren was in de edele konsten van
21777
koken en braden.
21778
 
21779
Nu, dien dag hadden de Geuzen een lekker glaasje op de zege gedronken,
21780
en ze zeiden tot Uilenspiegel:
21781
 
21782
--Gij staat steeds met den neus in den wind, om tijdingen van het
21783
vasteland te vernemen; gij kent al de krijgsavonturen: zing ze ons
21784
eens. Maar Lamme moet op de trom slaan en de bevallige pijpster zal
21785
naar de maat van het lied spelen.
21786
 
21787
En Uilenspiegel zeide:
21788
 
21789
--Op een frisschen, helderen Meimorgen, vond Lodewijk van Nassau
21790
dewelke Bergen meende binnen te rukken, zijne voetknechten en zijne
21791
ruiters niet meer. Eenige vertrouwden hielden eene poort geopend
21792
en eene brug was neergelaten, opdat hij de stede kon nemen. Maar
21793
de poorters bemachtigden de brug en de poort. Waar zijn de soldaten
21794
van graaf Lodewijk? De poorters gaan de brug ophalen. Graaf Lodewijk
21795
blaast op den horen.
21796
 
21797
En Uilenspiegel zong:
21798
 
21799
 
21800
    Waar zijn uw voetgangers? Waar uw ruiters?
21801
    Verdwaald in het bosch, alles vertredend,
21802
    Dorre twijgjes en bloeiende klokjes.
21803
    Vrouw Zon doet blinken
21804
    Roode strijdlustige wezens
21805
    En glansende manen van rossen.
21806
    Graaf Lodewijk steekt den hoorn.
21807
    Ze hooren 't. Slaat zacht de trom.
21808
 
21809
    In gestrekte vaart, met schuimend gebit,
21810
    Bliksemren, wolkenren,
21811
    Een hoos van kletterend staal!
21812
    Zij vliegen, de zware ruiters!
21813
    Spoed, spoed! Ter hulp!
21814
    De brug gaat op.... De spoor
21815
    In den bloedenden buik der paarden.
21816
    De brug gaat op: verloren stad.
21817
 
21818
    Er vóór reeds. Is het te laat?
21819
    Te vierklauw, met schuimend gebit!
21820
    Chaumont, op zijn gelen vos,
21821
    Springt op de brug die terugvalt.
21822
    Gewonnen stad! Hoort gij
21823
    Op Bergens plaveien,
21824
    Bliksemren, wolkenren,
21825
    Een hoos van kletterend staal?
21826
 
21827
    Leve Chaumont en de gele vos!
21828
    Klaroent uw vreugd uit, slaat op de trom;
21829
    Hooimaand is 't, de weiden geuren.
21830
    De leeuwerik stijgt, tiereliert in de lucht:
21831
    Leve de vrije vogel!
21832
    Slaat op de trom der glorie.
21833
    Leve Chaumont en de vos!
21834
    Alhier, te drinken!
21835
    Gewonnen stad. Leve de Geus!
21836
 
21837
 
21838
En de Geuzen zongen op de schepen:
21839
 
21840
Christus, zie uwe soldaten. Zegen onze wapenen, Heer. Leve de Geus.
21841
 
21842
En Nele met heur lachend gezichtje speelde op de pijp, en Lamme
21843
sloeg op de trom, en naar omhoog, naar den hemel, den tempel Gods,
21844
verhieven zich gouden kelken en lofzangen van vrijheid. En de baren,
21845
helder en frisch, suisden welluidend rondom het schip als meerminnen,
21846
 
21847
 
21848
 
21849
 
21850
X.
21851
 
21852
Eens, in de Oogstmaand, op een zwaren en warmen dag, was Lamme
21853
droefgeestig. Zijn blijde trom zweeg en sliep stil, de stokken
21854
staken weemoedig uit de opening zijner tassche. Uilenspiegel en
21855
Nele, glimlachend van blijde minne, koesterden zich in de zonne; de
21856
matrozen op kijkuit in de marsen, floten of zongen, en tuurden naar
21857
de wijde zee, om te weten of zij geene prooi aan den gezichteinder
21858
zagen. Treslong ondervroeg hen, en steeds antwoordden zij: Niets!
21859
 
21860
En Lamme, bleek en afgemat, zuchtte jammerlijk. En Nele zei hem:
21861
 
21862
--Hoe komt het, Lamme, dat gij zoo treurig gestemd zijt?
21863
 
21864
En Uilenspiegel zei hem:
21865
 
21866
--Gij wordt mager, mijn jongen.
21867
 
21868
--ja, zeide Lamme, ik ben treurig en mager. Mijn hert verliest zijne
21869
vroolijkheid, en mijn goede tronie heure frischheid. Ja, lacht maar met
21870
mij, gijlie, die, na duizenden gevaren, elkander terugvondt. Spot maar
21871
met den armen Lamme, die, getrouwd zijnde, leeft als een weduwnaar,
21872
terwijl deze hier--zeide hij, naar Nele wijzend--heuren man moest
21873
ontrukken aan de kussen der koorde, welke toch zijne laatste
21874
minnaresse zal wezen. Zij deed wel, God zij geloofd; maar dat ze
21875
niet lache met mij. Ja, Nele, mijne vriendin, gij moet met den armen
21876
Lamme niet spotten. Mijne vrouw lacht voor tien, laas! gijlie vrouwen
21877
zijt ongevoelig voor eens andermans leed. Ja, mijn hert is treurig,
21878
het is getroffen door het zweerd der verlatenheid; en niets zal het
21879
kunnen versterken, dan zij.
21880
 
21881
--Of een lekkere stoverije, zeide Uilenspiegel.
21882
 
21883
--Ja, zeide Lamme, waar is het vleesch hier op dit treurig schip? Op
21884
de bodems des konings hebben zij viermaal vleesch in de week--als er
21885
geene vasten in valt--en driemaal visch. Wat aangaat de visch, ik mag
21886
verdoemd zijn als die bloedlooze vezelen iets anders doen dan nutteloos
21887
mijn arm bloed ontsteken, dat binnenkort in water zal vergaan. De
21888
Spanjolen hebben bier, kaas, soep en goede dranken. Ja, om hunne
21889
magen te streelen, hebben zij alles: beschuit, peperkoek, bier, boter,
21890
gerookt vleesch; ja alles: gedroogde visch, kaas, mosterdzaad, zout,
21891
boonen, erwten, gort, azijn, olie, vet, hout en kolen. Ons komt men
21892
verbieden het beestiaal te nemen van wie hoegenaamd, 't zij poorter,
21893
abt of edelman. Wij eten haring en drinken kort bier. Laas! niets heb
21894
ik nog: noch liefde der vrouw, noch goeden wijn, noch dobbel bruinbier,
21895
noch lekkere spijzen. Waar is hier onze vreugde?
21896
 
21897
--Ik ga het u zeggen, Lamme, antwoordde Uilenspiegel. Oog om oog, tand
21898
om tand: te Parijs hebben ze, in den Bartholomeusnacht, tienduizend
21899
vrije herten gedood in de stad alleen; de koning zelf schoot naar zijn
21900
volk! Ontwaak, Vlaming, grijp naar de bijl, zonder genade! Dáár ligt
21901
onze vreugde. Tref de vijanden, 't zij Roomschen of Spanjaards, overal
21902
waar gij ze vindt. Denk thans niet aan uwen buik. De slachtofferen,
21903
doode en levende, allen ondereen, werden gebracht naar den stroom
21904
en met gansche karrevrachten in 't water gestort. Hoort gij, Lamme,
21905
dooden en levenden, allen ondereen? Negen dagen lang was de Seine rood
21906
van het bloed, en de raven vielen bij zwermen op de stad neder. Te
21907
La Charité, te Rouaan, Toulouse, Lyon, Bordeaux, Bourges, Meaux was
21908
de slachting afgrijselijk. Ziet gij die benden volgekropte honden
21909
liggen omtrent de lijken? Hunne tanden zijn moede. De vlucht van de
21910
raven is log, zoodanig is heure maag overlast met het vleesch van de
21911
slachtofferen. Hoort gij, Lamme, de stemme der zielen, die dorsten
21912
naar wraak? Ontwaak, Vlaming. Gij spreekt van uwe vrouw. Ik geloof
21913
niet dat ze ontrouw is, maar enkel waanzinnig, en zij bemint u nog
21914
steeds, arme vriend: zij bevond zich niet te midden dier hofdamen,
21915
dier wulpsche vampieren, welke, den nacht zelven der slachting, met
21916
heur fijne handjes de lijken ontblootten. En zij lachten van genot,
21917
die adellijke hoeren! Verheug u, mijn vriend, niettegenstaande uwe
21918
visch en uw kort bier. Is de nasmaak van haring wat flauw, flauwer nog
21919
is de reuk van die laagheid! Zij, die gemoord hebben, gastreeren nu;
21920
en met hunne handen, waar nog bloed aan kleeft, ziet men ze vette
21921
ganzen voorsnijden, om de vleugels, de billen en de stuit te bieden
21922
aan schoone freules van Parijs. Zoo even tastten die jonkvrouwen naar
21923
ander vleesch, naar koud vleesch!
21924
 
21925
--Ik zal nimmermeer klagen, zeide Lamme rechtstaande: haring is zalm,
21926
kort bier is malvezij voor vrije herten! Vive le Geus!
21927
 
21928
En Uilenspiegel sprak:
21929
 
21930
 
21931
    Leve de Geus! Niet weenen broeders.
21932
    In puinen en bloed
21933
    Bloeit de roos der vrijheid.
21934
    Is God met ons, wie tegen?
21935
 
21936
    Zegeviert de hyena,
21937
    Dra komt de leeuw.
21938
    Met één klauwslag werpt hij haar, gescheurd, ten gronde.
21939
    Oog voor oog, tand voor tand. Leve de Geus.
21940
 
21941
 
21942
En de Geuzen op de schepen zongen:
21943
 
21944
 
21945
    De hertog bescheert ons het eigenst lot.
21946
    Oog voor oog, tand voor tand,
21947
    Wond voor wond. Leve de Geus!
21948
 
21949
 
21950
 
21951
 
21952
XI.
21953
 
21954
Het was een stikdonkere nacht; de storm loeide in de zwarte, sombere
21955
wolken; Uilenspiegel stond met Nele op het dek van het schip en sprak
21956
tot heur:
21957
 
21958
--Al onze vuren zijn uitgedoofd. Wij zijn vossen, die des nachts
21959
azen op Spaansch wild, 't is te zeggen op hunne twee en twintig
21960
bodemen, rijke schepen waarop lanteernen flikkeren, welke voor hen
21961
ongelukssterren zijn. En wij, wij zullen ze overvallen.
21962
 
21963
Nele sprak:
21964
 
21965
--Deze nacht is een tooveraarsnacht. De hemel is zwart als de monding
21966
der hel, de bliksemschichten flikkeren als de grimlach van Satan, de
21967
verre storm bromt met een dof geloei, de meeuwen vliegen met schelle
21968
kreten voorbij; de zee rolt heure lichtende golven als zilveren
21969
slangen. Thijl, mijn geliefde, kom mee in de wereld der geesten! Neem
21970
het tooverpoeder!
21971
 
21972
--Zal ik de Zeven zien, liefste?
21973
 
21974
En zij aten het tooverpoeder.
21975
 
21976
En Nele sloot Uilenspiegel's oogen, en Uilenspiegel sloot Nele's
21977
oogen. En zij zagen een verschrikkelijk schouwspel.
21978
 
21979
Hemel, aarde en zee waren vol mannen, vrouwlieden, kinderen, die
21980
wrochten, dobberden, liepen of droomden. De zee slingerde hen, de
21981
aarde droeg hen. En zij krielden als palingen in eene ben.
21982
 
21983
Op tronen in 't midden van den hemel, zaten zeven mannen en
21984
vrouwen, met een flikkerende ster op het voorhoofd; maar zij waren
21985
zoo onduidelijk, dat Nele en Uilenspiegel alleen hunne sterren
21986
onderscheiden konden.
21987
 
21988
De zee steeg omhoog tot den hemel en rolde in heur schuim de ontelbare
21989
menigte schepen mede, welker masten en touwen tegen elkander stieten,
21990
braken, verpletterden naar gelang van de onstuimige bewegingen der
21991
golven. Toen verscheen een schip te midden van al de anderen. Zijne
21992
buitenhuid was van vlammend ijzer. Zijne kiel was van staal,
21993
scherp als een mes. Het water schreeuwde, zuchtte als zij het
21994
doorkliefde. Grijnzend zat de Dood op de achterplecht van het schip,
21995
met zijne zeis in eene hand en in de andere een zweep, met dewelke
21996
hij de zeven personages sloeg. Een derzelven was een treurige,
21997
magere, trotsche, stilzwijgende vrouw. In eene hand hield zij een
21998
schepter en, in de andere, een zweerd. Naast haar zat eene vrouw met
21999
vuurroode wangen schrijlings op eene geit; met heur bloote borsten,
22000
heur halfgeopend kleed, heur wulpsche oogen, strekte zij zich ontuchtig
22001
uit naast een oude jodin, die roestige nagelen opraapte, en een dikke,
22002
opgezwollen vrouw, die nederviel telkens dat zij heur rechthielp,
22003
terwijl een magere man beiden razend sloeg. Noch de dikke vrouw,
22004
noch hare roodwangige gezellin sloegen weder. Midden onder hen zat
22005
een monnik worsten te eten. Eene vrouw, die ten gronde lag, kroop als
22006
eene slang tusschen de anderen. Zij beet de oude jodin ter oorzake
22007
van hare nagelen, de opgeblazen vrouw omdat zij te veel genoegen had,
22008
de roodwangige vrouw ter oorzake van den vochtigen glans heurer oogen,
22009
den monnik om zijne worsten, en de magere vrouw ter oorzake van haren
22010
schepter. En allen vochten weldra met elkander.
22011
 
22012
Toen zij voorbijvoeren, was het gevecht verschrikkelijk op de zee,
22013
in den hemel en op de aarde. Het regende bloed. De schepen werden
22014
geslecht met bijlen, met bussen, met kanonnen. De stukken vlogen in
22015
de lucht, te midden van den rook van het kruit. Op de aarde stieten
22016
de heiren tegen elkander als muren van staal. Steden, dorpen, oogsten
22017
brandden onder kreten en tranen; hooge torens, als kantwerk van steen,
22018
wierpen hunne schaduwen op het midden van 't vuur en vielen neder,
22019
als gevelde eiken, met een vreeselijk gekraak. Eene menigte zwarte
22020
ruiters, dicht bijeengedrongen als benden mieren, met het zweerd in
22021
de hand, de pistool in de vuist, sloegen de mannen, de vrouwlieden
22022
en kinderen. Eenigen kapten bijten in 't ijs en smeten de grijsaards
22023
levend onder de schotsen; anderen sneden de borsten der vrouwen af en
22024
strooiden peper in de gapende wonden; anderen nog hingen de kinderen
22025
in de schoorsteenen op. Zij, die moede van slaan waren, verkrachtten
22026
een meideken of eene vrouw, dronken, dobbelden, en roerden stapels
22027
goudstukken--vrucht van de plundering--met hunne handen, waaraan nog
22028
bloed kleefde.
22029
 
22030
De met sterren gekroonde zeven riepen: "Genade voor de arme wereld!"
22031
 
22032
En de spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van duizenden
22033
nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood zwaaide met zijne zeis.
22034
 
22035
--Hoort gij ze? sprak Uilenspiegel; zij zijn de roofvogelen der
22036
arme menschen. Zij leven van de kleine vogelen, die de goeden en
22037
eenvoudigen zijn.
22038
 
22039
En de met sterren gekroonde Zeven riepen: "Liefde, gerechtigheid,
22040
goedertierenheid!"
22041
 
22042
En de zeven spoken grijnsden. En hunne stemmen geleken op die van
22043
duizenden nachtuilen, die te gelijk krassen. En de Dood sloeg hen
22044
met zijne zweep.
22045
 
22046
En het schip vaarde op den vloed en sneed alles in twee: booten,
22047
vaartuigen, mannen, vrouwlieden, kinderen. Op de zee weergalmde het
22048
gejammer der slachtofferen, die riepen: "Genade!"
22049
 
22050
En het roode schip ging over hen allen heen, terwijl de grijnzende
22051
spoken krasten als nachtuilen.
22052
 
22053
En de Dood dronk dit water, hetwelk rood zag. van bloed.
22054
 
22055
En toen het schip in de nevelen verdwenen was, hield het gevecht op
22056
en verzwonden de met sterren gekroonde Zeven.
22057
 
22058
En Uilenspiegel en Nele zagen anders niets meer dan den pikzwarten
22059
hemel, de holle, bruisende zee, de donkere wolken, die voortgejaagd
22060
werden boven het lichtende water en, dichter bij, bleekroode sterren.
22061
 
22062
Het waren de lanteernen van de twee en twintig bodemen der vloot. De
22063
zee en de donder lieten een dof gerol hooren.
22064
 
22065
En Uilenspiegel trok zachtjes aan de wacharmklok en riep:--De
22066
Spaanjaard! De Spanjaard! Hij stevent op Vlissingen!
22067
 
22068
En de kreet werd herhaald door geheel de Geuzenvloot.
22069
 
22070
En Uilenspiegel zeide tot Nele:
22071
 
22072
--Een grijze tint kleurt de zee en den hemel. De lanteernen flikkeren
22073
nog slechts zwak; de ochtendschemering breekt aan, de wind wordt
22074
frisscher, de baren werpen heur schuim over 't dek van de schepen, een
22075
felle regen valt, doch eindigt weldra, de zon verrijst in volle gloor
22076
en verguldt de toppen der golven: dat is uw glimlach, Nele, frisch als
22077
het krieken van den morgen, zacht als de straal van de rijzende zon.
22078
 
22079
De twee en twintig bodemen varen voorbij; op de schepen der Geuzen
22080
hoort men trommels en pijpen; Lumey roept: "In name des Prinsen,
22081
op jacht!" Ewoud Pietersen Worst, schout-bij-nacht, roept: "In name
22082
van Zijne Hoogheid, den Prins van Oranje en messire den admiraal, op
22083
jacht!" Op al de schepen: op de Johanna, den Zwaan, de Anne-Mie den
22084
Geus, het  Eedverbond, den Egmond, den Hoorn, den Willem de Zwijger,
22085
roepen al de kapiteins: "In name van Zijne Hoogheid, den Prins van
22086
Oranje en messire den admiraal, op jacht!"
22087
 
22088
--Op jacht! Vive Le Geus! roepen de soldaten en de matrozen.
22089
 
22090
De hulk van Treslong, op dewelke Uilenspiegel diende, en den-Briel
22091
genaamd, van dichtbij gevolgd door de Johanna, den Zwaan en den
22092
Geus, bemachtigt vier Spaansche bodemen. De Geuzen werpen al wat
22093
Spaansch is in 't water, nemen de Nederlanders gevangen, ledigen
22094
de vaartuigen als eierdoppen en laten ze, zonder masten of zeilen,
22095
dobberen in de reede. Daarna achtervolgen zij de achttien andere
22096
bodemen. De wind waait geweldig uit het gat van Antwerpen, de muur
22097
der snelle vaartuigen buigt in het water van den stroom, onder 't
22098
gewicht van de zeilen, die gezwollen staan als de kaken eens monniks
22099
bij den wind die waait uit de keuken; de Spaansche bodemen varen snel;
22100
de Geuzen achtervolgen ze tot in de reede van Middelburg, onder het
22101
vuur van de forten. Daar ontstaat een bloedig gevecht; de Geuzen,
22102
met hun enterbijlen in de hand, springen op het dek van de schepen,
22103
welke weldra vol liggen met afgekapte armen en beenen, die men, na het
22104
gevecht, bij manden in den vloed werpen moet. De forten schieten naar
22105
hen; zij lachen er mee, en onder den kreet van: "Vive le Geus", nemen
22106
zij in de Spaansche bodemen, kruit, kanonnen, kogels en koren. Als
22107
de vaartuigen geledigd zijn, verbranden zij die; dan varen zij naar
22108
Vlissingen, en laten ze walmen en uitbranden in de reede.
22109
 
22110
Van daar zullen zij mannen zenden, die Zeelands en Hollands dijken
22111
zullen doorsteken, nieuwe schepen zullen helpen maken, en namelijk de
22112
vliebooten van honderd veertig ton, die tot twintig gegoten ijzeren
22113
stukken voeren.
22114
 
22115
 
22116
 
22117
 
22118
XII.
22119
 
22120
Het sneeuwt op de schepen. Heinde en ver is de lucht wit, en zonder
22121
ophouden valt de sneeuw immer door in het zwarte water, in hetwelk
22122
zij smelt.
22123
 
22124
Het sneeuwt op het land: wit zijn de wegen, ook wit de flauwe schimmen
22125
der ontbladerde boomen. Geenerlei gerucht is te hooren, tenzij het
22126
verre gelui van Haarlems klokken, die het uur slaan, en van den
22127
blijden beiaard, die in de dikke lucht zijn gesmoorde tonen zendt.
22128
 
22129
Luidt niet, klokken; speel uw zachte, eenvoudige deuntjes niet,
22130
beiaard: don Frederik nadert, de zoon van den bloedigen hertog. Hij
22131
komt op u af, gevolgd van vijf en dertig vendels Spanjaarden, uwe
22132
doodvijanden, Haarlem, o stede van vrijheid; twee en twintig vendels
22133
Walen, achttien vendels Duitschers, achthonderd peerden, een machtig
22134
geschut volgen hem. Hoort gij op de wagens het geknars van het doodend
22135
ijzer? Falkonetten, slangen, donderbussen met wijden mond, dat alles
22136
is voor u, Haarlem. Luidt niet, klokken; werp uw blijde tonen niet
22137
meer in de met sneeuw bezwangerde lucht, lustige beiaard.
22138
 
22139
--Wij, klokken, zullen luiden; ik, beiaard, ik zal zingen en mijn
22140
stoute tonen werpen in de met sneeuw bezwangerde lucht. Haarlem is de
22141
stad van de dappere harten, de kloekmoedige vrouwen. Van de hoogte
22142
heurer torens ziet zij, zonder vrees, de zwarte drommen der beulen,
22143
als helsche mieren naderen, met golvende bewegingen: Uilenspiegel,
22144
Lamme en honderd Watergeuzen zijn binnen heure muren. Hunne vloot
22145
kruist op het meer.
22146
 
22147
--Laat ze komen! zeggen de inwoners; wij zijn maar poorters, visschers,
22148
zeelieden en vrouwen. De zoon van den hertog van Alva wil, naar hij
22149
zegt, om onze stede binnen te komen, geen andere sleutels dan zijne
22150
donderbus. Dat hij, als hij kan, die zwakke poorten opene: daarachter
22151
zal hij mannen vinden. Luidt, klokken; werp uw blijde tonen in de
22152
met sneeuw bezwangerde lucht, beiaard!
22153
 
22154
... Wij hebben slechts zwakke muren en onze grachten zijn gemaakt naar
22155
de oude wijs. Veertien donderbussen braken hare zes en veertigponders
22156
naar de Kruispoort. Stelt mannen daar, waar steenen ontbreken. De
22157
nacht komt, een ieder werkt, 't is alsof het kanon zich hier nimmer
22158
hooren liet. Naar de Kruispoort hebben zij zeshonderd tachtig bommen
22159
geschoten; naar Sint-Janspoort, zeshonderd vijf en zeventig. Die
22160
sleutels openen niet, want ziet, daarachter verheft zich een nieuw
22161
bolwerk. Luidt, klokken; werp, beiaard, uw blijde tonen in de
22162
bezwangerde lucht!
22163
 
22164
... Het kanon beschiet, beschiet altoos de muren, steenen springen er
22165
af, muurvlakken storten neer. De bres is breed genoeg om eene compagnie
22166
in front door te laten. Zij schreeuwen: "Bestorming! doodt! doodt!" Zij
22167
wagen de beklimming, zij zijn met tienduizend; laat ze komen over
22168
de grachten met hunne bruggen. Onze kanonnen staan gereed. Daar is
22169
de kudde, die moet sterven. Groet hen, kanonnen der vrijheid! Zij
22170
groeten: de kettingkogels, de stormhoepels, de brandende pikkransen
22171
vliegen en fluiten, boren en kappen in het gros der belegeraars, die
22172
nederzijgen of in wanorde vluchten. Vijftienhonderd dooden vervullen
22173
de grachten. Luidt, klokken, en gij, beiaard, werp uw blijde tonen
22174
in de bezwangerde lucht!
22175
 
22176
... Komt terug ter bestorming! Zij durven niet. Zij beginnen opnieuw
22177
te schieten en te mineeren. Wij ook, wij kennen de kunst van de
22178
mijn. Steekt, steekt de wiek aan onder henzelven; loopt, wij krijgen
22179
een prachtig vuurwerk te zien. Vierhonderd Spanjolen vliegen in de
22180
lucht! Dat is de weg niet naar de eeuwige vlammen. O, wat blijde
22181
dans bij het zilveren geluid onzer klokken, bij de lustige muziek
22182
van den beiaard!
22183
 
22184
... Ze weten dus niet, dat de prins waakt over ons, dat ons, alle
22185
dagen, langs goedbewaakte wegen, sledevrachten koren en buskruit
22186
geworden; koren voor ons, buskruit voor hen. Waar zijn hunne zeshonderd
22187
Duitschers, die wij doodden en verdronken in 't Haarlemmermeer? Waar
22188
zijn de elf vendels, die wij hun namen, de zes donderbussen en de
22189
vijftig ossen? Wij hadden één ringmuur, nu hebben wij er twee. De
22190
vrouwen zelven vechten mede, en Kenau Hasselaar voert heure dappere
22191
zusteren aan. Komt, beulen, komt in onze straten, de kinderen zullen
22192
u de knieën doorsnijden met hunne mesjes. Luidt, klokken, en gij,
22193
beiaard, werp uw blijde tonen in de bezwangerde lucht!
22194
 
22195
... Maar het geluk is met ons niet. De vloot van de Geuzen wordt
22196
verslagen op het meer. Zij zijn verslagen, de troepen, die de Prins van
22197
Oranje ons zond. Het vriest, het vriest bitter. Geene hulp meer! Sedert
22198
vijf maanden, wederstaan wij met duizend man tegen tienmaal zooveel. Nu
22199
moeten wij met de beulen onderhandelen. Maar zal hij van onderhandeling
22200
willen hooren, die bloedige hertog, die onzen val heeft gezworen? Laat
22201
ons een uitval wagen met al onze soldaten: misschien banen zij zich een
22202
weg door de vijandelijke drommen. Maar de vrouwen staan aan de poorten,
22203
uit vrees dat men heur alleen de stede late bewaken. Luidt niet meer,
22204
klokken; werp uw blijde tonen in de lucht niet meer, beiaard.
22205
 
22206
... Nu zijn wij in de Zomermaand, het hooi riekt lekker, het koren
22207
rijpt in de zonne, de vogelen zingen: vijf maanden lang hadden wij
22208
honger; de stede is in rouw; wij zullen allen uit Haarlem trekken, de
22209
busschutters aan 't hoofd om den weg te banen, de vrouwen, de kinderen
22210
en de magistraat daarachter, gevolgd door het voetvolk, dat waakt op de
22211
bres. Een brief, een brief van den zoon van den bloedigen hertog! Is
22212
't de dood, dien hij ons meldt? neen, 't is het leven aan allen,
22213
die zijn in de stede. O, onverbeide genade, o leugen wellicht! Zult
22214
ge nog zingen, blijde beiaard? Zij komen de stede binnen....
22215
 
22216
Uilenspiegel, Lamme en Nele hadden den dos van de Duitsche soldaten
22217
aangetrokken, die met hen, ten getale van zeshonderd, opgesloten
22218
waren in het Augustijnerklooster.
22219
 
22220
--Vandaag zullen wij sterven, zei Uilenspiegel stille tot Lamme. En aan
22221
zijne borst drukte hij het liefelijke lichaam van Nele, die huiverde
22222
van schrik.
22223
 
22224
--Laas! mijne vrouw, nimmermeer zal ik ze zien, zeide Lamme.
22225
 
22226
Maar wellicht redden die kleederen van Duitsche soldaten ons 't leven?
22227
 
22228
Uilenspiegel schudde het hoofd om te bedieden, dat hij aan geene
22229
genade geloofde.
22230
 
22231
--Ik hoor het gerucht van de plundering niet, zeide Lamme.
22232
 
22233
Uilenspiegel antwoordde:
22234
 
22235
--Volgens de overeenkomst, hebben de poorters de plundering en
22236
het leven afgekocht, mits de somme van tweehonderd veertigduizend
22237
gulden. Binnen twaalf dagen moeten zij honderdduizend gulden in
22238
klinkende munte betalen, en de rest drie maanden later. Aan de vrouwen
22239
werd bevolen de wijk te nemen in de kerken. Zij gaan ongetwijfeld de
22240
slachting beginnen. Hoort gij de galgen en schavotten optimmeren?
22241
 
22242
--Ha! wij zullen sterven! sprak Nele; ik heb honger.
22243
 
22244
--Ja, sprak Lamme stille tot Uilenspiegel, de zoon van den bloedigen
22245
hertog heeft gezeid, dat wij, uitgehongerd zijnde, gedwee naar de
22246
strafplaats zullen tiegen.
22247
 
22248
--Ik heb zoo'n honger! sprak Nele.
22249
 
22250
's Avonds kwamen soldaten, en zij deelden een brood voor zes man uit.
22251
 
22252
--Driehonderd soldaten werden gehangen op de Markt, zeiden zij. Weldra
22253
is 't uwe beurt. Geuzen en galgen hooren immer bijeen.
22254
 
22255
Den volgenden avond, kwamen zij nog met een brood voor zes man.
22256
 
22257
--Vier hoogpoorters, zeiden zij, werden onthalsd. Tweehonderd acht
22258
en veertig soldaten werden twee aan twee gebonden en in de zee
22259
gesmeten. De krabben zullen vet zijn dees jaar. Gij hebt geen goede
22260
tronie, gijlie, sedert den 7n van Hooimaand, dat gij hier zijt. Wat
22261
zijn zij slokkers en dronkaards, die inwoners der Nederlanden! wij,
22262
Spanjaarden, generen ons met eenige vijgen voor ons avondmaal.
22263
 
22264
--'t Is zeker daarom, antwoordde Uilenspiegel, dat gij overal bij
22265
de poorters uw vier eetmalen met vleesch, gevogelte, vla, wijn en
22266
confituur eischt; en melk om het lichaam van uwe muchachas te wasschen,
22267
en wijn om de pooten uwer peerden te baden?
22268
 
22269
Den 18n van Hooimaand zeide Nele:
22270
 
22271
--Mijne voeten zijn nat; wat is dit?
22272
 
22273
--'t Is bloed, zeide Uilenspiegel.
22274
 
22275
's Avonds kwamen de soldaten opnieuw met hun brood voor zes man.
22276
 
22277
--Daar waar de koorde niet volstaat, doet het zweerd het werk, zeiden
22278
zij. Drijhonderd soldaten en zeven en twintig poorters, die de stede
22279
meenden te ontvluchten, wandelen nu in de helle, met hun hoofd onder
22280
hunnen arm.
22281
 
22282
's Anderen daags stroomde het bloed opnieuw in het klooster; de
22283
soldaten kwamen geen brood brengen, maar alleenlijk naar de gevangenen
22284
kijken en zeggen:
22285
 
22286
--De vijfhonderd Walen, Engelschen en Schotten, die gisteren onthalsd
22287
werden, hadden een betere tronie. Dezen hebben honger, gewis; doch
22288
wie dan zou sterven van honger, ten ware de Geus?
22289
 
22290
En, inderdaad, allen bleek, mager ontdaan en bibberend van koorts,
22291
stonden zij daar lijk spoken.
22292
 
22293
Den 16n van Oogstmaand, om vijf uren's avonds, kwamen de soldaten
22294
lachend binnen en zij gaven hun brood, kaas en bier. Lamme sprak:
22295
 
22296
--Dit is ons doodmaal.
22297
 
22298
Te tien uren kwamen vier vendrigs; de hoplieden deden de poorten van
22299
vier kloosters openen en bevalen den gevangenen gevieren achter de
22300
pijpen en trommels te gaan, tot aan de plaats, waar men hen zou doen
22301
stilstaan. Sommige straten waren rood van 't bloed; en zij stapten naar
22302
't Galgeveld.
22303
 
22304
Hier en daar waren de weiden bemorst met plassen bloed; overal was er
22305
bloed op de muren gespat. De raven kwamen bij zwermen van alle kanten;
22306
de zonne verborg zich in een bed van dampen, de hemel was nog helder,
22307
en in het diepste deszelven ontwaakten schuchter de sterren. Eensklaps
22308
hoorden zij een hertverscheurend gehuil.
22309
 
22310
De soldaten zeiden:
22311
 
22312
--Die daar schreeuwen, zijn de Geuzen van het fort Fuike, buiten de
22313
stad; men laat ze sterven van honger.
22314
 
22315
--Wij ook, zeide Nele, wij gaan sterven.
22316
 
22317
En zij weende.
22318
 
22319
--De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel.
22320
 
22321
--Ha! zeide Lamme in 't Vlaamsch,--de soldaten van het geleide
22322
verstonden die mannelijke taal niet,--ha! zeide Lamme, had ik dien
22323
bloedigen hertog onder handen en kon ik hem, tot zijne kroenge er van
22324
berst, alle die koorden, galgen, pijnbanken, foltertuigen, gewichten
22325
en Spaansche leerzen doen eten; kon ik hem doen drinken al het bloed,
22326
dat door hem werd vergoten; kon ik, na duizenden folteringen, hem het
22327
hert uit de borst rukken en hem dit rot en giftig ingewand rauw doen
22328
eten! Dan zou hij voorzeker, van het leven naar den dood tiegend,
22329
in de solferkolk vallen, alwaar de duivel het hem zonder ophouden
22330
gelieve te doen eten en nog te doen eten. En aldus tot in de eeuwigheid
22331
der eeuwigheden!
22332
 
22333
--Amen! zeiden Uilenspiegel en Nele.
22334
 
22335
--Maar ziet gij niets? vroeg zij.
22336
 
22337
--Neen, sprak Uilenspiegel.
22338
 
22339
--In 't Westen zie ik, zeide zij, zeven mannen en vrouwen in eenen
22340
kring gezeten. Een der mannen is gekleed in het purper en draagt
22341
een gouden kroon op het hoofd. Hij schijnt de hoofdman der anderen,
22342
die allen in lompen en vodden gehuld zijn. In het Oosten zie ik een
22343
andere groep van zeven komen: insgelijks aangevoerd door iemand, ook
22344
gekleed in het purper, doch zonder kroon op het hoofd. En zij gaan
22345
op tegen die van het Westen. En zij vechten tegen hen in de wolken;
22346
maar nu zie ik niets meer.
22347
 
22348
--De Zeven, zei Uilenspiegel.
22349
 
22350
--Ik hoor, zeide Nele, omtrent ons in het loover, eene stem, zacht
22351
als een ademtocht, neuren:
22352
 
22353
 
22354
    Door den krijg en het vuur
22355
    Door de lansen en zwaarden,
22356
        Zoek;
22357
    In den dood en het bloed
22358
    In de puinen en tranen,
22359
        Vind.
22360
 
22361
 
22362
--Anderen dan wij zullen de verlossers van Vlaanderen wezen, antwoordde
22363
Uilenspiegel. De nacht is zwart, en 'k zie de Spaansche huurlingen
22364
fakkels aansteken. Wij zijn omtrent het Galgeveld. O, mijn zoete
22365
vriendinne, waarom zijt gij niet ginder gebleven? Hoort gij niets
22366
meer, Nele?
22367
 
22368
--'t Doet, zeide zij, een wapengekletter in het koren. En ziet gij,
22369
op de gindsche heuvelen, aan het einde van den wegel, dien wij begaan,
22370
den rooden gloed niet van fakkels, die flikkeren op het staal van
22371
de wapenen? Ik zie de lichtjes van de wieken der bussen. Slapen
22372
onze wachters of zijn zij met blindheid geslagen? Hoort gij dien
22373
donderslag? Ziet gij de Spanjolen vallen onder de kogels? Hoort
22374
gij: "Vive le Geus!" Met de piek vooruit, stormen zij den
22375
wegel op. Langsheen de heuvelen dalen zij beneden met zwaaiende
22376
bijlen.... Vive le Geus!
22377
 
22378
--Vive le Geus! riepen Lamme en Uilenspiegel.
22379
 
22380
--Daar, zei Nele, daar zijn soldaten, die ons wapenen langen. Neem aan,
22381
Lamme, neem aan, mijn beminde. Vive le Geus!
22382
 
22383
--Vive le Geus! riepen al de gevangenen.
22384
 
22385
--De bussen houden niet op met schieten, zeide Nele, de Spanjolen
22386
vallen als vliegen, verlicht als ze zijn door den gloed van de
22387
toortsen. Vive le Geus!
22388
 
22389
--Vive le Geus! riepen de wakkere redders.
22390
 
22391
--Vive le Geus! riepen Uilenspiegel en de gevangenen. De Spanjolen
22392
zijn omsloten in eenen kring van vuur. Slaat dood! Slaat dood! Geen
22393
enkele ontsnappe! Slaat dood! geene genade, geen kwartier! En nu
22394
trekken wij, met pak en zak, naar Enkhuizen. Wie heeft de zijden en
22395
lakensche kleederen van onze beulen? Wie heeft hunne wapenen?
22396
 
22397
--Allen! Wij allen! riepen zij. Vive le Geus!
22398
 
22399
En, inderdaad, zij trokken naar Enkhuizen, alwaar zij de met hen
22400
verloste Duitschers deden blijven, om de stede te bewaken.
22401
 
22402
En Lamme en Nele en Uilenspiegel keerden naar hunne schepen terug. En
22403
weer zongen zij op de vrije zee: Vive le Geus!
22404
 
22405
En zij kruisten in de reede van Vlissingen.
22406
 
22407
 
22408
 
22409
 
22410
XIII.
22411
 
22412
Daar was Lamme weder vroolijk gestemd. Hij kwam geerne aan land,
22413
en joeg toen ossen, schapen en ganzen op, lijk anderen jacht maken
22414
op hazen, herten en ortolanen.
22415
 
22416
En hij was niet alleen voor die voedzame jacht. Het deed deugd de
22417
jagers te zien terugkomen met Lamme aan hunne spits: het hoornvee
22418
trokken zij voort, terwijl zij het gewold en gevederd vee vóór zich
22419
dreven en op de punt hunner gaffels kiekens, kapoenen en kalkoenen
22420
droegen, niettegenstaande het verbod van den Prins.
22421
 
22422
En toen gastreerde men blijde op de schepen. En Lamme sprak:
22423
 
22424
--De geur der sausen stijgt tot in den hemel, alwaar hij de santen
22425
verblijdt, die geerne ons maal kwamen deelen.
22426
 
22427
Terwijl zij in de reede kruisten, kwam eene koopvaardijvloot van
22428
Lissabon, welker gezagvoerder niet wist, dat Vlissingen in de macht
22429
der Geuzen gevallen was. Men beveelt hem het anker te werpen, de vloot
22430
wordt omsingeld. Vive le Geus! Pijpen en trommen bevelen de entering;
22431
de kooplieden hebben kanonnen en pieken, bijlen en bussen.
22432
 
22433
Bommen en kogelen regenen op de schepen der Geuzen. Hunne busschutters,
22434
verborgen in de schans rondom den grooten mast, vellen, zonder gevaar
22435
voor zich zelven, bij elk schot eenen man neer. De kooplieden vallen
22436
als vliegen.
22437
 
22438
--Helpt mij, vrienden! zeide Uilenspiegel tot Lamme en Nele. Daar
22439
zijn specerijen, juweelen, kostbaarheden, suiker, muskaatnoten,
22440
kruidnagelen, gember, realen, dukaten, schoone, blinkende gouden
22441
lammeren. Daar zijn meer dan vijfhonderd duizend geldstukken. De
22442
Spanjool betaalt de kosten des oorlogs. Laat ons drinken! Zingen wij
22443
de misse der Geuzen, dat is het gevecht!
22444
 
22445
En Uilenspiegel en Lamme liepen overal rond lijk leeuwen. Buiten het
22446
bereik van de kogels, speelde Nele op de pijp, in de schans. Heel de
22447
vloot werd genomen.
22448
 
22449
Als de dooden geteld werden, vond men er duizend langs de zijde der
22450
Spanjaards, driehonderd langs den kant van de Geuzen; onder hen bevond
22451
zich de kok van de vlieboot den Briel.
22452
 
22453
Uilenspiegel vroeg om voor Treslong en de matrozen te spreken, hetwelk
22454
Treslong hem geerne toestond. En hij hield hun de volgende rede:
22455
 
22456
--Messire kapitein en gij, maats, wij hebben daar vele specerijen
22457
geërfd, en Lamme, onze dikzak, hier tegenwoordig, vond steeds dat
22458
de arme doode, die dáár ligt,--God hebbe zijne ziel,--niet ervaren
22459
genoeg was in de konsten van zieden en braden. Zoo gij hem als
22460
kok wildet aanstellen, zou hij u hemelsche stoverije en goddelijke
22461
soezels bereiden.
22462
 
22463
--Wij willen, zeiden Treslong en de anderen; Lamme zal de kok van het
22464
schip zijn. Hij zal den grooten pollepel voeren, om de scheepsjongens
22465
van zijne sausen te jagen.
22466
 
22467
--Messire kapitein, gezellen en vrienden, sprak Lamme, ik ween van
22468
geluk, want die groote onderscheiding verdien ik niet. Doch, vermits
22469
gij u tot mijne onweerdigheid wilt richten, neem ik de edele bediening
22470
aan van meester in de konsten van zieden en braden op de wakkere
22471
vlieboot den Briel; doch ik bid u ootmoediglijk mij wel te willen
22472
belasten met het opperbevelhebberschap over de keuken, zoodanig dat
22473
uw kok--dat ben ik,--bij recht, wet ende macht, een iegelijk kunne
22474
beletten eens andermans portie te komen eten.
22475
 
22476
Treslong en de anderen riepen:
22477
 
22478
--Leve Lamme! gij hebt recht, wet ende macht!
22479
 
22480
--Doch, zeide hij, nog een nederige bede moet ik u doen: ik ben vet,
22481
groot en struisch, diep is mijn buik, diep mijne maag; mijn arme
22482
vrouw--God geve ze mij weder--placht mij altijd twee portiën te geven,
22483
in stede van eene: verleent mij dezelfde gunste.
22484
 
22485
Treslong, Uilenspiegel en de matrozen zeiden:
22486
 
22487
--Gij krijgt dobbel rantsoen, Lamme.
22488
 
22489
En Lamme, die plotseling weemoedig werd, zeide:
22490
 
22491
--Mijne vrouw, mijn liefste vriendin! als iets vermag mij over onze
22492
scheiding te troosten, zal het, bij het uitoefenen mijner bediening,
22493
het aandenken wezen aan uw goddelijke keuken in onze halle vol liefde.
22494
 
22495
--Gij moet den eed afleggen, mijn zoon, zei Uilenspiegel. Men brenge
22496
den grooten pollepel en den grooten koperen ketel, op dewelken Lamme
22497
moet zweren.
22498
 
22499
--Bij God, sprak Lamme, dewelke mij helpe, zweer ik getrouwheid aan
22500
Zijn Hoogheid den Prins van Oranje, gezeid den Zwijger, dewelke in naam
22501
des konings de provinciën Holland en Zeeland bestiert, getrouwheid aan
22502
messire Lumey, admiraal-bevelhebber onzer edele vloot, en aan messire
22503
Treslong, schout-bij-nacht en kapitein van het schip den Briel;
22504
ik zweer, volgens de costumen en gebruiken der groote koks uit de
22505
oudheid en naarvolgens de schoone boeken met platen, die zij over
22506
de edele kookkunst nagelaten hebben, zoo goed als mij mogelijk is,
22507
de vleezen, kiekens, ganzen, mitsgaders kalkoenen te bereiden, die
22508
Fortuna ons zal zenden; ik zweer te zullen voeden: den gezegden messire
22509
kapitein Treslong, zijn stuurman, wezende mijn vriend Uilenspiegel,
22510
en u allen, bootsman, loods, schieman, maats, soldaten, kanonniers,
22511
keldermeester, scheepsmaker, lijfjonker van den kapitein, chirurgijn,
22512
hoornblazer, matrozen en wie ook genaamd. Is het gebraad te rauw,
22513
heeft het gevogelte geen smakelijk uitzicht; verspreidt de soep een
22514
flauwen geur, wat de voorbode is eener slechte spijsvertering; zet
22515
de geur van de sausen u niet aan in de keuken te dringen, behoudens
22516
mijn oorlof nochtans; maak ik u niet allen blijmoedig en wel te pas,
22517
dan zal ik mijn edel ambt nederleggen, mij onbekwaam oordeelende
22518
langer in de keuken te tronen. Zoo helpe mij God en zijne santen in
22519
deze wereld en ook in de andere!
22520
 
22521
--Leve onze kok, riepen zij, de koning der keuken, de keizer der
22522
stoverije. 's Zondags krijgt hij drij portiën in stede van twee!
22523
 
22524
En Lamme werd kok op den Briel. En terwijl zijn lekkere soep op het
22525
vuur stond, ging hij fier, met den pollepel op den schouder, eene
22526
handwijl aan de keukendeur staan.
22527
 
22528
En 's Zondags kreeg hij zijne drij portiën.
22529
 
22530
Als de Geuzen met den vijand handgemeen werden, bleef hij geerne
22531
in zijne braderij; doch van tijd tot tijd klom hij naar boven, om
22532
eenige malen zijne bus af te vuren, na hetwelk hij schielijk weer
22533
naar beneden ging, om op zijne gerechten te passen.
22534
 
22535
Als een trouw kok en een dapper soldaat, werd hij hertelijk bemind
22536
door een iegelijk.
22537
 
22538
Maar niemand mocht in zijne keuken komen. Want dan werd hij uiterst
22539
grammoedig, en sloeg hij met zijnen pollepel gelijk de duivel op
22540
Geeraard.
22541
 
22542
En wederom werd hij geheeten: Lamme de Leeuw.
22543
 
22544
 
22545
 
22546
 
22547
XIV.
22548
 
22549
Bij zonneschijn, bij regen, bij sneeuw, bij hagel, 's winters en
22550
's zomers, dobberen de schepen der Geuzen op het ruime sop.
22551
 
22552
Alle zeilen bijgezet, gelijk zwanen, blanke zwanen der vrijheid.
22553
 
22554
Wit voor de vrijheid, blauw voor de grootheid, oranje voor den Prins,
22555
is de standaard der fiere bodems.
22556
 
22557
Alle zeilen bijgezet! alle zeilen bijgezet, varen de wakkere schepen;
22558
de golven klotsen er tegen, de baren besproeien ze met schuim.
22559
 
22560
Zij varen, zij wiegen, zij vliegen op den stroom, de fiere schepen
22561
der Geuzen, met de zeilen in 't water, snel als de wolken gejaagd
22562
door den Noordenwind. Hoort gij hoe hun voorsteven klieft door de
22563
baren? God der vrije mannen, vive le Geus!
22564
 
22565
Huiken, vliebooten, boeiers, poonen, vlug als de wind, die het orkaan
22566
met zich voert: als de wolk, die den bliksem met zich draagt. Vive
22567
le Geus!
22568
 
22569
Boeiers en poonen, platboomde vaartuigen glijden op den vloed. De
22570
golven zuchten onder hunne kiel, als zij recht vóór zich stevenen, met
22571
den moorddadigen muil hunner slang open op de voorplecht. Vive le Geus!
22572
 
22573
Alle zeilen bijgezet! alle zeilen bijgezet, varen de wakkere schepen;
22574
de golven klotsen er tegen, de baren besproeien ze met schuim.
22575
 
22576
Bij dag en bij nacht, bij regen, bij hagel en sneeuw, varen zij
22577
op de wateren. Christus lacht hen toe in de wolk, in de zon, in de
22578
sterre. Vive le Geus!
22579
 
22580
 
22581
 
22582
 
22583
XV.
22584
 
22585
De bloedige koning kreeg tijding van hunne zegepralen. De dood beloerde
22586
dien beul, wiens lichaam opgevreten werd door de wormen. Door de gangen
22587
van 't kasteel van Valladolid sleepte hij, ziekelijk en terugstootend,
22588
zijn gezwollen voeten en zijn loodzware beenen. Nimmer neurde hij een
22589
liedeken, de wreedaardige beul; als de Oosterkim kleurde, lachte hij
22590
niet, en als de zonne zijn rijk verlichtte als met een glimlach des
22591
Heeren, voelde hij geen de minste vreugd in zijn hert.
22592
 
22593
Maar Uilenspiegel, Lamme en Nele zongen als lijsters, waagden bestendig
22594
hun leven; God schiep den dag en zij gingen er door, en zij vonden
22595
meer genoegen in het uitdooven van eenen brandstapel, dan de zwarte
22596
koning vreugde smaakte in het verbranden van gansch eene stad.
22597
 
22598
In dien tijd ook was Willem de Zwijger, Prins van Oranje, gedwongen
22599
messire Lumey, graaf van der Marck, zijnen graad van admiraal te
22600
ontnemen, uit oorzake van de ijselijke wreedheden, die hij bedreef. Hij
22601
benoemde messire Bouwen Ewoutsen Worst in zijne plaats. Hij zag mede
22602
naar middelen uit om den boeren het koren te betalen, dat de Geuzen
22603
hadden genomen; om de gedwongen schattingen terug te geven, die
22604
door dezen gelicht waren; om den Roomschen, gelijk een iegelijk, de
22605
vrije beoefening van hunnen godsdienst te schenken, zonder vervolging
22606
of nadeel.
22607
 
22608
 
22609
 
22610
 
22611
XVI.
22612
 
22613
Op de schepen der Geuzen, onder den helderen hemel, op de schuimende
22614
golven, weerklinken pijpen en doedelzakken, klokken de flesschen,
22615
rinkelen de klinkaards, flikkeren de bussen der geweren.
22616
 
22617
--Nu, sprak Uilenspiegel, slaat op de trom van de zege, slaat de
22618
trom van de vreugde! Vive le Geus! Spanje is verslagen, de vampier
22619
is getemd. Aan ons de zee, Brielle is genomen! Aan ons heel de kust
22620
van Nieuwpoort tot Helder, met Oostende, Blankenberge, de Zeeuwsche
22621
eilanden, de monden der Schelde, de monden der Maas, de monden van
22622
den Rijn! Aan ons Texel, Vlieland, Terschelling, Ameland, Rottum en
22623
Borkum.... Vive le Geus!
22624
 
22625
... Aan ons Delft, Dordrecht! 't Is een loopend vuur. God houdt de
22626
vuurlont. De beulen verlaten Rotterdam. Het vrije geweten, lijk een
22627
leeuw met klauwen en tanden van gerechtigheid, neemt het graafschap
22628
Zutfen, de steden Deutekom, Doesburg, Goor, Oldenzaal en, in de Veluwe,
22629
Hattem, Elburg en Harderwijk.... Vive le Geus!
22630
 
22631
... 't Is klaar, 't is als de bliksem: Kampen, Zwolle, Hasselt,
22632
Steenwijk vallen in onze handen met Oudewater, Gouda en Leiden.... Vive
22633
le Geus!
22634
 
22635
... Aan ons Buren, Enkhuizen! Ja, Amsterdam, Schoonhoven, Middelburg
22636
zijn nog in onze macht niet. Doch alles komt op tijd voor geduldige
22637
klingen.... Vive le Geus!
22638
 
22639
... Laat ons Spaanschen wijn drinken! Laat ons drinken uit de
22640
kelken, uit dewelke zij het bloed van de slachtoffers dronken: Wij
22641
gaan langs de Zuiderzee, langs stroomen, rivieren en vaarten; wij
22642
hebben Noord-Holland, Zuid-Holland en Zeeland; wij zullen ook Oost-
22643
en West-Friesland nemen; Brielle zal de wijkplaaats wezen voor onze
22644
vloot, de bakermat der vrijheid.... Vive le Geus!
22645
 
22646
... Hoor, Vlaanderen, geliefde vadergrond, hoor den kreet van wrake
22647
weerklinken! Men slijpt de wapenen, men zet de zweerden aan op den
22648
steen. Allen bewegen zich, trillen als de snaren eener harp bij den
22649
warmen ademtocht, adem van de zielen, die stijgt uit de putten, uit
22650
de brandstapels, uit de bloedige lijken der slachtofferen. Allen:
22651
Henegouwen, Brabant, Luxemburg, Limburg, Namen, Luik, de vrije,
22652
vurige stede, allen! Het bloed kiemt en rijst. De oogst is rijp voor
22653
de zeis.... Vive le Geus!
22654
 
22655
... Aan ons de Noordzee, de wijde zee van het Noorden! Aan ons de
22656
goede kanonnen, de slanke schepen, het stoutmoedige heir van de
22657
dappere zeelieden: edelen, poorters en arbeiders, die de vervolging
22658
ontvluchten. Aan ons, allen, die vereenigd opstaan voor het werk van
22659
de vrijheid.... Vive le Geus!
22660
 
22661
... Waar zijt gij, Philippus, bloedige koning? Gedekt met den heiligen
22662
hoed,--geschenk van den paus,--vloekt en tiert gij. Slaat op de trom
22663
van vreugde!... Vive le Geus! Laat ons drinken!
22664
 
22665
... De wijn stroomt in de gouden kelken. Drinkt blijde een
22666
heildronk. De priesterkleeren, dewelke die ruwe mannen bedekken,
22667
zijn nat van het roode druivensap; de Roomsche banieren wapperen in
22668
den wind. Eeuwige muziek! komaan, pijpen, doedelzakken, trommels,
22669
zingt nu de lofzang der zege.... Vive le Geus!
22670
 
22671
 
22672
 
22673
 
22674
XVII.
22675
 
22676
Toen was men in de Wintermaand, dat is de maand van de wolven. Een
22677
scherpe regen viel als naalden in den vloed neder. De Geuzen kruisten
22678
in de Zuiderzee. Bij trompetgeschal ontbood messire de admiraal op
22679
zijn schip de gezagvoerders der hulken en vliebooten, en samen met
22680
hen ook Uilenspiegel.
22681
 
22682
--Nu, zei de admiraal, eerst tot dezen sprekend, de Prins wil uw
22683
goede en trouwe diensten erkennen en benoemt u tot gezagvoerder op
22684
het vaartuig den Briel. Hier hebt gij uwe aanstelling op perkament.
22685
 
22686
--God zegene U, heer admiraal, antwoordde Uilenspiegel; ik zal zoo
22687
goed gezag voeren als mij mogelijk is, en aldus gezag voerende, hoop
22688
ik wel, met Gods hulp, Spanje het gezagvoerderschap te ontnemen over
22689
Vlaanderen en Holland: ik wil zeggen over Zuid- en Noord-Nederland.
22690
 
22691
--Goed zoo, zei de admiraal. En nu, voegde hij er bij, tot al de
22692
aanwezigen sprekend: moet ik u zeggen, dat die van het katholieke
22693
Amsterdam van zins zijn Enkhuizen te belegeren. Zij zijn nog het IJ
22694
niet uitgevaren: wij zullen kruisen vóór deze vaart, zoodat wij ze
22695
sluiten, en elken bodem overvallen, die zijnen romp in de Zuiderzee
22696
durft vertoonen.
22697
 
22698
Zij antwoordden:
22699
 
22700
--Wij zullen ze in den grond boren!... Vive le Geus!
22701
 
22702
Toen Uilenspiegel weder op zijn schip was gestegen, deed hij zijne
22703
matrozen en soldaten vergaderen op het dek en deed hun kond van de
22704
woorden des admiraals.
22705
 
22706
Zij antwoordden:
22707
 
22708
--Wij hebben vleugelen, dat zijn onze zeilen; schaatsen, dat zijn de
22709
kielen onzer schepen; reuzenhanden, dat zijn onze enterhaken. Vive
22710
le Geus!
22711
 
22712
De vloot vertrok en kruiste vóór Amsterdam, op eene mijl van het
22713
strand, zoodanig dat geen schip kon binnen- of buitenvaren, als zij
22714
het niet wilde.
22715
 
22716
Den vijfden dag hield het op met regenen; de wind woei scherper in
22717
den helderen hemel; die van Amsterdam verroerden zich niet.
22718
 
22719
Eensklaps zag Uilenspiegel zijn vriend den kok op het dek stormen
22720
en den scheepsjongen--een jongen snaak, ervaren in de Fransche en
22721
in de Vlaamsche taal, maar nog meer in het smullen--achternazetten,
22722
met zijn grooten houten pollepel in de hand.
22723
 
22724
--Nietdeug, zeide Lamme, duchtig met zijnen stoklepel slaande,
22725
dacht gij dan, zonder eenige straf, voorbarig mijne stoverije op te
22726
peuzelen? Klim hoog in den mast en zie of er nog geene beweging komt
22727
op de schepen van Amsterdam; wilt ge wèldoen?
22728
 
22729
Maar de jongen antwoordde:
22730
 
22731
--Wat zult ge mij geven?
22732
 
22733
--Meent gij, dat ik u zal betalen vóór dat gij gewerkt
22734
hebt? Dievengebroed, als gij niet omhoog klimt, laat ik u geeselen. En
22735
uw Fransch zal u niet redden.
22736
 
22737
--'t Is een schoone tale, zeide de knaap, tale van minne en van oorlog.
22738
 
22739
En hij klom in den mast.
22740
 
22741
--Wel luiaard? vroeg Lamme.
22742
 
22743
De scheepsjongen antwoordde:
22744
 
22745
--Ik zie niets in de stad noch op de schepen.
22746
 
22747
En beneden gekomen, sprak hij:
22748
 
22749
--Betaal mij nu.
22750
 
22751
--Houd het gestolene voor uwe moeite, antwoordde Lamme; maar het zal
22752
niet gedijen: voorzeker spuwt gij het uit.
22753
 
22754
De jongen, die weder in den mast was geklommen, riep eensklaps:
22755
 
22756
--Lamme! Lamme! daar sluipt een dief in uwe keuken!
22757
 
22758
--Daar is geen nood van, antwoordde Lamme, de sleutel steekt in
22759
mijne tassche.
22760
 
22761
Toen nam Uilenspiegel zijnen vriend ter zijde en sprak:
22762
 
22763
--Lamme, die groote kalmte van Amsterdam verontrust mij. Zij voeren
22764
iets in hun schild.
22765
 
22766
--Ik dacht er aan, zeide Lamme. Het water vervriest in de kruiken in de
22767
schapraai; de kiekens zijn hard als hout; de worsten gansch berijmd;
22768
de boter is als steen, de olie geklonterd, het zout droog als zand
22769
in de zonne.
22770
 
22771
--Vorst is op handen, zeide Uilenspiegel. Zij zullen, in grooten
22772
getale, ons komen beschieten met donderbussen.
22773
 
22774
Hij begaf zich naar het admiraalschip en zei daar wat hij vreesde;
22775
de vlootvoogd antwoordde:
22776
 
22777
--De wind blaast uit Engeland: we krijgen sneeuw, maar geen vorst:
22778
keer terug naar uw schip.
22779
 
22780
En Uilenspiegel ging henen.
22781
 
22782
's Nachts woedde een hevige sneeuwstorm; maar weldra blies de wind
22783
uit Noorwegen, de zee vroor toe, zij was effen als een vloer. De
22784
admiraal zag dit schouwspel.
22785
 
22786
In de vrees, dat die van Amsterdam de schepen in brand zouden steken,
22787
beval hij den soldaten hunne schaatsen in gereedheid te houden,
22788
voor het geval dat zij buiten en rondom de schepen moesten vechten,
22789
en den kanonniers de kogels bij hoopen naast de affuiten te leggen,
22790
de stukken te laden en de lonten gedurig in brand te houden.
22791
 
22792
Maar die van Amsterdam kwamen niet.
22793
 
22794
En aldus zeven dagen lang.
22795
 
22796
Tegen den avond van den zevenden dag beval Uilenspiegel, dat een goed
22797
festijn gegeven werd aan de matrozen en soldaten, om hen te wapenen
22798
tegen den scherpen wind, die woei uit het Noorden.
22799
 
22800
Maar Lamme zeide:
22801
 
22802
--Er blijft ons niets meer over dan beschuit en kort bier.
22803
 
22804
--Vive le Geus! zeiden zij. Dit zal ons een vastenfestijn zijn,
22805
in afwachting van het uur van 't gevecht.
22806
 
22807
--Dat nog zoo gauw niet zal slaan, zeide Lamme. Die van Amsterdam
22808
zullen komen om onze schepen te verbranden, maar dezen nacht nog
22809
niet. Eerst zullen ze te hoop moeten komen rondom het vuur, en daar
22810
menigen beker warmen wijn ledigen,--God verleene er u,--vervolgens,
22811
als zij tot middernacht zullen beraadslaagd hebben met kalmte,
22812
verstand en geduld, zullen zij beslissen morgen te besluiten of zij,
22813
al dan niet, ons de toekomende week zouden aanvallen. Morgen zullen
22814
zij, opnieuw onder het drinken van warmen wijn,--God verleene er
22815
u,--opnieuw met kalmte, geduld en volle kannen beslissen dat zij een
22816
anderen dag zullen vergaderen, ten einde uit te maken of het ijs, al
22817
dan niet, een groote menigte kan dragen. En zij zullen het ijs doen
22818
onderzoeken door deskundigen, dewelke hunne besluiten op perkament
22819
zullen neerschrijven. Als zij die ontvangen en gelezen hebben, zullen
22820
zij daarover verslag maken, waaruit zal blijken, dat het ijs een halve
22821
el dik is, dat het sterk genoeg is om eenige honderden soldaten met
22822
donderbussen en veldgeschut te dragen. Vervolgens opnieuw bijeenkomend,
22823
om met kalmte en geduld, onder het drinken van menigen beker warmen
22824
wijn te beraadslagen, zullen zij berekenen of het, om den wille van
22825
den schat van Lissabon, dien wij hebben gekaapt, raadzaam is onze
22826
schepen te bestormen of wel te verbranden. En, aldus besluiteloos,
22827
maar dralend, zullen zij nochtans beslissen dat zij onze schepen
22828
moeten nemen, en geenszins verbranden, niettegenstaande al het leed
22829
en de schade, die zij ons daarmee zouden doen.
22830
 
22831
--Gij spreekt goed, antwoordde Uilenspiegel; maar ziet eens die
22832
vuren aansteken in de stad en al die lieden haastig rondloopen met
22833
lanteernen in de hand?
22834
 
22835
--'t Is van groote koude, zei Lamme.
22836
 
22837
En, zuchtend, voegde hij er bij:
22838
 
22839
--Alles is opgegeten. Geen ossevleesch, geen pekelvleesch, geen
22840
gevogelte meer; geen wijn meer, laas! noch goed dobbel bier; niets
22841
dan beschuit en kort bier. Wie komt er mee?
22842
 
22843
--Waar gaat gij? vroeg Uilenspiegel. Niemand mag het schip verlaten.
22844
 
22845
--Mijn vriend, zeide Lamme, thans zijt gij kapitein en
22846
gezagvoerder. Zonder uwe toestemming zal ik het schip niet
22847
verlaten. Doch gelief te bedenken, dat onze laatste worst er
22848
eergisteren aan was; dat, in dezen harden tijd, keukenvuur de vreugd
22849
van de goede maats is. Wie onzer is niet bereid den geur van goede saus
22850
op te snuiven, of een lekker glaasje te drinken, hetwelk vroolijkheid
22851
en goeden wil voor een ieder baart? Nu, kapitein en trouwe vriend,
22852
ik durf het u zeggen: ik vreet mij het hert op, ik eet niet; ik, die
22853
voor de rust ben, die niet geerne moord, tenzij een malsche gansch,
22854
een vet kieken, een smakelijken kalkoen; ik volg u in de vermoeienissen
22855
des oorlogs. Zie gindsche lichten, 't zijn die eener rijke hoeve,
22856
goed voorzien van groot en klein vee. Weet gij wie daar woont? 't Is
22857
die schipper van Friesland, die messire Dandelot verried en achttien
22858
arme heeren en vrienden naar het nog Spaanschgezinde Enkhuizen
22859
bracht, dewelke door zijn toedoen op de Peerdenmarkt--dat is de
22860
Kleine Zavel--te Brussel, onthalsd werden. Die verrader, die Slosse
22861
heet, ontving van den hertog twee duizend florijnen als prijs zijns
22862
verraads. Met het geld van het bloed kocht hij, als een ware Judas,
22863
de hoeve, die gij daar ziet, en zijn groot vee, en de velden in 't
22864
ronde, dewelke gedijen en bloeien; ik zeg, dat hij schatrijk wordt
22865
met zijnen grond en zijn vee.
22866
 
22867
Uilenspiegel antwoordde:
22868
 
22869
--De assche klopt op mijn hert. Het uur van God is geslagen.
22870
 
22871
--En ook het uur van het eten, zeide Lamme. Geef mij twintig wakkere
22872
gasten, soldaten en matrozen, en ik breng u den verrader.
22873
 
22874
--Ik zelf wil hen aanvoeren, zeide Uilenspiegel. Wie voor de
22875
rechtveerdigheid is, volge mij. Doch allen niet, mijne vrienden;
22876
er zijn er maar twintig van doen; wie anders zou op het schip
22877
letten? Laat de dobbelsteenen beslissen. Goed, nu zijt gij twintig,
22878
komt mee. Riemt uwe schaatsen om en legt aan op Venus, de heldere
22879
sterre, die flikkert boven de hoeve van den verrader.
22880
 
22881
... Komt dus, vrienden; rijdend en glijdend, met de akst op den
22882
schouder, worden wij geleid door het glimmend licht van de heldere
22883
maan.
22884
 
22885
... De wind fluit en jaagt witte sneeuwvlagen vóór zich op het
22886
ijs. Komt, dappere mannen!
22887
 
22888
... Gij zingt noch gij spreekt; gij gaat, stilzwijgend, recht voor
22889
u uit op de sterre; uwe schaatsen krassen op 't ijs.
22890
 
22891
... Wie valt, sta aanstonds weer op. Wij naderen den oever: geen
22892
enkele menschelijke gedaante op de witte sneeuw, geen enkele vogel
22893
vertoont zich in de ijskoude lucht. Doet uwe schaatsen af.
22894
 
22895
... Hier zijn wij op 't land, hier zijn wij in de weide, riemt uwe
22896
schaatsen weer om. Wij zijn rondom de hoeve, houdt uwen adem in.
22897
 
22898
Uilenspiegel klopt op de deur, de honden bassen. Hij klopt nogmaals;
22899
een venster wordt geopend en de boer, die het hoofd buitensteekt,
22900
vraagt:
22901
 
22902
--Wie zijt gij?
22903
 
22904
Hij ziet niemand dan Uilenspiegel: de anderen zijn verborgen achter
22905
de keet.
22906
 
22907
Uilenspiegel antwoordde:
22908
 
22909
--Messire Bossu gelast u oogenblikkelijk bij hem, naar Amsterdam,
22910
te komen.
22911
 
22912
--Waar is uwe vrijgeleide? vroeg de baas, toen hij beneden was en de
22913
deur had geopend.
22914
 
22915
--Hier, antwoordde Uilenspiegel, hem de twintig Geuzen toonend,
22916
die achter hem het huis binnenstormden.
22917
 
22918
Toen sprak Uilenspiegel tot hem:
22919
 
22920
--Gij zijt schipper Slosse, de verrader, die Dandelot, Battenburg
22921
en andere heeren in eene hinderlaag loktet. Waar is de prijs van
22922
het bloed?
22923
 
22924
Over al zijn ledematen bevend, antwoordde de hoevenaar:
22925
 
22926
--Gij zijt de Geuzen, schenkt mij vergiffenis; ik wist niet wat
22927
ik deed. Ik heb hier geen geld in mijn huis; alles wat ik heb, zal
22928
ik geven.
22929
 
22930
Lamme sprak:
22931
 
22932
--Het is donker, geef ons keersen.
22933
 
22934
De baas antwoordde:
22935
 
22936
--Dáár hangen vetkeersen.
22937
 
22938
Toen eene keers aangestoken was, zeide, in den heerd, een van de
22939
Geuzen:
22940
 
22941
--Het is koud, laat ons vuur maken. Hier zijn schoone, dikke mutsaards.
22942
 
22943
En hij wees naar eene plank, op dewelke bloempotten stonden, waarvan
22944
al de planten verdroogd waren. Hij nam er eene bij den kop en schudde
22945
ze; de pot viel ten gronde, gevolgd door dukaten, realen, florijnen.
22946
 
22947
Daar is de schat, zeide hij, naar de andere bloempotten wijzend.
22948
 
22949
En, inderdaad, toen zij geledigd waren, vonden zij er tien duizend
22950
florijnen.
22951
 
22952
Als de boer dat zag, begon hij te weenen en te huilen.
22953
 
22954
Op dat geroep kwamen de knechts en meiden der hoeve toegeloopen in
22955
hun hemde. Daar de mannen hunnen meester wilden verdedigen, werden
22956
zij gevat en gebonden. Maar de dienstmaagden waren beschaamd, en
22957
vooral de jonge, en zij verborgen zich achter de mannen.
22958
 
22959
Lamme kwam toen vooruit, en hij sprak:
22960
 
22961
--Verrader, waar zijn de sleutels van den kelder, den stal en de
22962
schaapskooi?
22963
 
22964
--Schaamtelooze diepers, zeide de baas, gij zult gehangen worden
22965
totdat de dood er op volge!
22966
 
22967
Uilenspiegel antwoordde.
22968
 
22969
--Het is het uur van God, geef de sleutels!
22970
 
22971
Toen de Geuzen de hoeve geledigd hadden, reden zij op hunne schaatsen
22972
terug naar de schepen, lichte hallen van vrijheid.
22973
 
22974
--Ik ben de kok, zeide Lamme hen leidend; ik ben de kok. Stoot de
22975
wakkere sleden vooruit, beladen met wijn en met bier; drijft vóór u,
22976
met zeelen of anderszins, ossen, varkens en schapen. De duiven kirren
22977
in de kevies; de volgepropte kapoenen kijken beteuterd in de houten
22978
kooien, in dewelke zij zich niet kunnen verroeren. Ik ben de kok. Het
22979
ijs kraakt onder de schaatsijzers. Wij zijn nabij de schepen. Morgen
22980
speelt er muziek in de keuken. Laat de katrollen beneden. Bindt de
22981
banden om de koeien en ossen. 't Is een schoon schouwspel, ze aldus
22982
bij den buik te zien hangen; morgen zullen wij hangen met de tong aan
22983
hun vette stoverije. De katrol hijscht ze op tot boven het ruim. Het
22984
zijn karbonaden. Smijt maar overhoop in het ruim, eenden, kapoenen,
22985
ganzen en hoenders. Wie zal hun den nek omwringen? de kok. De deur
22986
is gesloten, de sleutel steekt in mijne tassche. God zij geloofd in
22987
de keuken! Vive le Geus!
22988
 
22989
Vervolgens begaf Uilenspiegel zich naar het admiraalschip, met Diederik
22990
Slosse en de andere gevangenen, die zuchtten en weenden uit vrees
22991
voor de koorde.
22992
 
22993
Messire Worst kwam bij het gerucht: hij bemerkte Uilenspiegel en
22994
zijne gezellen, verlicht door den rooden gloed van de toortsen.
22995
 
22996
--Wat wilt gij? zeide hij.
22997
 
22998
Uilenspiegel antwoordde:
22999
 
23000
--Dezen nacht namen wij, in zijne hoeve, Diederik Slosse, die de
23001
achttien in een hinderlaag deed vallen. Hier is hij. De anderen zijn
23002
onschuldige knechten en meiden.
23003
 
23004
Vervolgens langde hij hem een tassche, en hij sprak:
23005
 
23006
--Deze guldens groeiden in bloempotten in het huis des verraders:
23007
er zijn er tienduizend.
23008
 
23009
Messire Worst zeide hun:
23010
 
23011
--Gij misdeedt de schepen te verlaten; doch gezien den goeden uitslag,
23012
zal u vergiffenis worden geschonken. Welkom zijn de gevangenen en de
23013
tassche vol guldens, en eere aan u, dappere lieden, aan dewelken ik,
23014
volgens de rechten en costumen ter zee, het derde deel van den buit
23015
schenk; het tweede deel zal zijn voor de vloot, en het andere derde
23016
voor onzen hoofdman, den Prins van Oranje; knoopt den verrader op
23017
staanden voet op.
23018
 
23019
De Geuzen gehoorzaamden; daarna kapten zij eene bijt in het ijs,
23020
waarin zij het lijk smeten van Diederik Slosse.
23021
 
23022
Toen zeide messire Worst:
23023
 
23024
--Groeit er gras rond de schepen? Me dunkt, ik hoor hoenders kakelen,
23025
schapen blaten en runderen loeien?
23026
 
23027
--Dat zijn de gevangenen voor onzen mond, antwoordde Uilenspiegel;
23028
zij zullen hun rantsoen in stoverije betalen. Messire admiraal krijgt
23029
het beste stuk van dezelve.
23030
 
23031
... Wat deze knechten en meiden betreft, onder dewelken zich
23032
verscheidene lieftallige en poezele vrouwen bevinden, die ga ik weer
23033
op mijn schip brengen.
23034
 
23035
Toen zulks gedaan was, hield hij hun de volgende rede:
23036
 
23037
--Mannen en vrouwen, gij zijt hier op het beste schip van de
23038
wereld. Wij brengen er den tijd door met smullen; 't is een festijn
23039
zonder einde. Als 't u belieft van hier weg te gaan, kunt gij het
23040
doen, mits een rantsoen te betalen; verkiest gij te blijven, dan
23041
zult gij leven lijk wij: dapper werken en flink eten. Wat die lieve
23042
vrouwlieden betreft, ik geef haar bij gezagvoerderlijke macht de
23043
volle vrijheid van lijf: 't is te zeggen, dat het mij heel eender
23044
is of zij heure vrienden houden, die met haar op het schip kwamen,
23045
of eene keuze doen onder onze dappere Geuzen, hier tegenwoordig,
23046
om heur huwelijksch gezelschap te houden.
23047
 
23048
Maar al de lieftallige vrouwlieden bleven trouw aan heure vrienden,
23049
uitgenomen een enkele, dewelke glimlachend keek naar Lamme en hem
23050
vroeg of hij van heur wilde weten.
23051
 
23052
--God zegene u, liefste, zeide hij, maar ik ben reeds genomen.
23053
 
23054
--Hij is getrouwd, de dikzak, zeiden de Geuzen tot de spijtige schoone.
23055
 
23056
Maar zij keerde hen den rug toe en koos er een anderen, die, gelijk
23057
Lamme, een goede tronie en een dikken buik had.
23058
 
23059
Dien dag en den volgenden gastreerde men aan boord van de schepen
23060
met wijn, met vleesch en met gevogelte. En Uilenspiegel zeide:
23061
 
23062
--Vive le Geus! Blaas maar aan, scherpe Noordenwind, wij zullen de
23063
lucht met onzen adem verwarmen. Ons hert is van vuur voor het vrije
23064
geweten, van vuur onze maag voor het gebraad van den vijand. Laat
23065
ons wijn drinken, dat is de melk van de dapperen. Vive le Geus!
23066
 
23067
Nele dronk ook uit een grooten gouden beker; zij bloosde van koude,
23068
doch blijde bespeelde zij de pijp. En ondanks de koude, aten en
23069
dronken de Geuzen juichend en vroolijk op het dek van de schepen.
23070
 
23071
 
23072
 
23073
 
23074
XVIII.
23075
 
23076
Eensklaps zag heel de vloot op den oever zwarte drommen, onder
23077
dewelke toortsen flikkerden en wapens glinsterden; vervolgens werden
23078
de toortsen uitgedoofd, en heerschte volledigste duisternis.
23079
 
23080
De bevelen van den admiraal werden overgebracht, het sein tot
23081
waakzaamheid gegeven, en alle de vuren uitgedoofd; matrozen en soldaten
23082
gingen, met bijlen gewapend, op hun buik op het dek liggen. De wakkere
23083
kanonniers, met hunne lont in de hand, waakten omtrent de donderbussen,
23084
dewelke geladen waren met zakken kruit en met kettingkogels. Zoodra
23085
de admiraal en de kapiteins zouden roepen: "Honderd passen!"--wat
23086
de stelling van den vijand aanwees,--moesten zij vuren van voren,
23087
van achterboeg of van boord, naarvolgens hunne stelling op het ijs.
23088
 
23089
En men hoorde de stem van messire Worst, dewelke sprak:
23090
 
23091
--Ter dood, hij die luide durft spreken!
23092
 
23093
En de kapiteins zeiden hem na:
23094
 
23095
--Ter dood, hij die luide durft spreken!
23096
 
23097
Het uitspansel was vol sterren, doch zonder maan.
23098
 
23099
--Hoort gij, zeide Uilenspiegel tot Lamme stil als de adem van
23100
een spook. Hoort gij de stem van die van Amsterdam, en het ijzer
23101
hunner schaatsen krassen op 't ijs? Zij rijden snel. Men hoort hen
23102
spreken. Zij zeggen: "Die luie Geuzen liggen te slapen. Aan ons de
23103
schat van Lissabon". Zij steken hunne toortsen weer aan. Ziet gij
23104
hunne bestormingsladders en hunne leelijke tronies, en de breede
23105
linie van hun aanvalsfront? Zij zijn duizend en meer.
23106
 
23107
--Honderd passen! riep messire Worst.
23108
 
23109
En men hoorde een geluid als van een donder, en een jammerlijk gehuil
23110
op het ijs.
23111
 
23112
--Tachtig kanonnen bulderen tegelijk! zeide Uilenspiegel. Zij
23113
vluchten! Ziet gij de toortsen verwijderen?
23114
 
23115
--Achtervolgt ze! zeide admiraal Worst.
23116
 
23117
--Achtervolgt! zeiden de kapiteins.
23118
 
23119
Maar de vervolging duurde niet lang, daar de vluchtelingen honderd
23120
passen vóór waren en liepen als hazen.
23121
 
23122
En op de mannen, die kermden en reutelden op 't ijs, vond men goud,
23123
kleinoodiën, en ook koorden om de Geuzen te binden.
23124
 
23125
En, na deze zegepraal, zeiden de Geuzen tot elkaar: "Als God met ons
23126
is, wie zal tegen ons zijn?"
23127
 
23128
Nu, in den morgen van den derden dag, werd messire Worst ongerust,
23129
want hij verwachtte een nieuwen aanval. Lamme sprong op het dek en
23130
zeide tot Uilenspiegel:
23131
 
23132
--Breng mij bij dien admiraal, die u niet wilde gelooven toen gij
23133
vorst voorspeldet.
23134
 
23135
--Ga zonder dat men u leide, zeide Uilenspiegel.
23136
 
23137
Lamme toog henen, nadat hij de deur zijner keuken goed dichtgedaan
23138
had. De admiraal stond op het dek in de verte te turen, om te zien
23139
of hij geenerlei beweging bespeurde langs den kant van de stad.
23140
 
23141
Lamme naderde hem en sprak:
23142
 
23143
--Messire admiraal, mag een nederige kok u zijne meening laten kennen?
23144
 
23145
--Spreek, mijn jongen, zei de admiraal.
23146
 
23147
--Heer, zeide Lamme, het water ontdooit in de kruiken, het gevogelte
23148
wordt weder murw; de worst verliest hare schimmel van rijm; de boter
23149
wordt slap; de olie vloeibaar; het zout vochtig. Weldra valt de regen
23150
en zijn wij gered, heer admiraal.
23151
 
23152
--Wie zijt gij? vroeg messire Worst.
23153
 
23154
--Ik ben, zeide hij, Lamme Goedzak, kok op de vlieboot den Briel. En
23155
als al de groote geleerden, die sterrekijkers beweren te zijn, zoo
23156
goed in de sterren kunnen lezen als ik in mijne sausen, zouden zij
23157
ons kunnen zeggen, dat het dezen nacht zal dooien, met groot gedruisch
23158
van tempeest en van hagel; maar de dooi zal niet aanhouden.
23159
 
23160
En Lamme keerde terug bij Uilenspiegel, tot denwelken hij zei rond
23161
den middag:
23162
 
23163
--Wat heb ik voorspeld? De hemel wordt duister, de wind blaast
23164
geweldig; een warme regen valt; daar is reeds een voet water op 't ijs.
23165
 
23166
En 's avonds riep hij blijde uit:
23167
 
23168
--De Noordzee is gezwollen: het is het uur van den vloed; de hooge
23169
baren, die in de Zuiderzee komen, breken het ijs, hetwelk in groote
23170
stukken barst en springt op de schepen; het fonkelt en glinstert;
23171
daar is de hagel. De admiraal beveelt ons met onze vloot terug te
23172
trekken van vóór Amsterdam, en dit met zooveel water als ons grootste
23173
schip noodig heeft. Hier zijn wij in de haven van Enkhuizen. De zee
23174
vriest weer toe. Ik ben profeet, en 't is een gunst van den Heer.
23175
 
23176
En Uilenspiegel zeide:
23177
 
23178
--Wij zullen een glas drinken en Hem loven en danken.
23179
 
23180
En de winter verzwond en de zomer kwam.
23181
 
23182
 
23183
 
23184
 
23185
XIX.
23186
 
23187
In de Oogstmaand, als de volgepropte hennen doof blijven voor 't geroep
23188
van den haan, die heur zijne liefde toekraait, zeide Uilenspiegel
23189
tot zijne matrozen en soldaten:
23190
 
23191
--De bloedige hertog is te Utrecht; hij durft er een lieftallig
23192
plakkaat afkondigen, hetwelk onder meer genadige giften belooft:
23193
honger, dood, ondergang voor de inwoneren der Nederlanden, die zich
23194
niet onderwerpen. Alles wat nog recht staat, zegt hij, zal neergehaald
23195
worden, en Zijn Koninklijke Majesteit zal het land bevolken met
23196
vreemdelingen. Bijt, hertog, bijt! De vijl breekt de tanden der
23197
adderen; wij, wij zijn vijlen! Vive le Geus!
23198
 
23199
... Alva, het bloed maakt u dronken! Meent gij, dat wij uwe
23200
bedreigingen vreezen of aan uwe goedertierenheid gelooven? Uw
23201
roemrijke regimenten, wier lof gij door heel de wereld verkondigdet,
23202
uwe schepen, wier naam alleen uwen overmoed schetsen, bleven zeven
23203
maanden lang Haarlem beschieten, een zwakke stede, door heure poorters
23204
verdedigd. Zij zijn als gewone stervelingen in de lucht gesprongen,
23205
bij 't ontploffen der mijnen; poorters begoten ze edelmoedig met pik;
23206
eindelijk behaalden zij een roemvolle zege: zij keelden ontwapende
23207
vijanden. Hoort gij Gods uur slaan, bloedige beul?
23208
 
23209
... De stede verloor haar wakkere verdedigers, hare steenen zweetten
23210
bloed. Bij heure belegering verloor en verteerde zij twaalfhonderd
23211
tachtigduizend gulden. De bisschop is terug in de stede; met vlugge
23212
hand en vroolijke tronie herwijdt hij de kerken; don Frederik woont die
23213
wijdingen bij; de bisschop wascht hem de handen, dewelke voor God rood
23214
zullen blijven, en hij gebruikt het Avondmaal onder de beide gedaanten,
23215
wat aan het arme gemeen niet geoorloofd wordt. En de klokken luiden, en
23216
de beiaard werpt in de lucht zijn stille, welluidende tonen: 't is als
23217
een engelenkoor op een kerkhof. Oog om oog, tand om tand! Vive le Geus!
23218
 
23219
 
23220
 
23221
 
23222
XX.
23223
 
23224
Toen waren de Geuzen te Vlissingen, waar Nele koorts vatte. Gedwongen
23225
het schip te verlaten, werd zij ingenomen bij Peeters, een hervormde,
23226
op de Turfkaai.
23227
 
23228
Uilenspiegel, hoewel treurig, was toch blijde als hij dacht, dat de
23229
Spaansche kogels heur niet konden treffen in dat bed, waar zij zeker
23230
zou genezen.
23231
 
23232
En, met Lamme, was hij gedurig bij heur, om heur goed en liefdevol
23233
te verzorgen. En daar koutten zij met elkander.
23234
 
23235
--Trouwe vriend, zei Uilenspiegel eens, kent gij het nieuws?
23236
 
23237
--Neen, mijn zoon, zei Lamme.
23238
 
23239
--Hebt gij de vlieboot gezien, die laatst onze vloot kwam versterken,
23240
en weet gij wie daar alle dagen speelt op de vedel?
23241
 
23242
--Ten gevolge van de laatste verkoudheid, zeide Lamme, tuiten mijne
23243
beide ooren en ben ik wat doof. Waarom lacht gij, mijn zoon?
23244
 
23245
Maar Uilenspiegel vervolgde zijn rede en sprak:
23246
 
23247
--Eens hoorde ik heur een Vlaamsch liedeken zingen, en heure stem
23248
was zoo zoet als die van een engel.
23249
 
23250
--Laas! zeide Lamme, zij ook speelde op de vedel en zong.
23251
 
23252
--Kent gij de andere tijding? vervolgde Uilenspiegel.
23253
 
23254
--Neen, mijn zoon, antwoordde Lamme.
23255
 
23256
Uilenspiegel antwoordde:
23257
 
23258
--Bevel is ons gegeven, met onze booten de Schelde op te varen tot vóór
23259
Antwerpen, om daar vijandelijke schepen te kapen of te verbranden. Maar
23260
geen kwartier aan de mannen! Wat denkt gij daarvan, dikzak?
23261
 
23262
--Laas, zeide Lamme, zullen wij in deze droeve landen nooit van
23263
anders hooren dan van verbrandingen, verhangingen, verdrinkingen en
23264
andere uitroeiingen van 't arme menschdom? Wanneer zal de gezegende
23265
vrede komen, om rustig patrijzen te braden, kiekens te stoven en,
23266
te midden van de eieren, de pensen te doen sissen in de braadpan? Ik
23267
eet liever de zwarte; de witte zijn wat vet.
23268
 
23269
--Die zoete tijd zal komen, antwoordde Uilenspiegel, als wij, in
23270
Vlaanderens boomgaarden, aan de appelaars, pruimelaars en kerselaars,
23271
in stede van appels, pruimen en kersen, aan elken tak eenen Spanjaard
23272
zien hangen.
23273
 
23274
--Ha, zeide Lamme, kon ik maar mijne vrouw terugvinden, mijn
23275
teerbeminde, zeer geliefde, beminnelijke, zoete, trouwe vrouw! Want,
23276
weet, mijn zoon, dat ik nooit horens droeg of zal dragen; daarvoor
23277
was zij veel te ingetogen van aard; zij vluchtte den omgang met
23278
andere mannen; zoo zij van schoone kleederen hield, was het alleen
23279
uit vrouwelijke behoefte. Ik was heure keukenmeid, ik beken het
23280
volgeerne; waarom ben ik het niet meer! Doch ik was ook haar meester
23281
en echtgenoot.
23282
 
23283
--Zwijg toch met uw gesuf, zei Uilenspiegel. Hoort gij den admiraal
23284
roepen: "Licht de ankers!" en de kapiteins, die zijn commando
23285
herhalen? Wij moeten in zee steken.
23286
 
23287
--Waarom vertrekt gij zoo vroeg? zeide Nele tot Uilenspiegel.
23288
 
23289
--Wij gaan naar de schepen, antwoordde hij.
23290
 
23291
--Zonder mij? sprak zij.
23292
 
23293
--Ja, zei Uilenspiegel.
23294
 
23295
--Bedenkt gij niet, vroeg zij, hoe ongerust ik over u wezen zal?
23296
 
23297
--Liefste, sprak Uilenspiegel, mijn vel is van ijzer.
23298
 
23299
--Gij spot, zeide zij. Ik zie niets dan uw wambuis, dat van laken is,
23300
doch geenszins van ijzer; daaronder is uw lijf, dat van vleesch en been
23301
is, lijk het mijne. Wie zal u verbinden als gij gekwetst zijt? Moet
23302
gij moederziel alleen sterven, te midden van de strijders? Ik zal
23303
met u gaan.
23304
 
23305
--Laas, zeide hij, als de lansen, kogels, zweerden, aksten, hamers,
23306
mij sparen, maar op uw liefelijk lichaam vallen, wat moet ik, nietdeug,
23307
dan doen op de wereld zonder u?
23308
 
23309
Maar Nele zeide:
23310
 
23311
--Ik wil u volgen, er zal geen gevaar zijn; ik zal mij verbergen in
23312
de houten schansen, waar de busschutters staan.
23313
 
23314
--Als gij vertrekt, dan blijf ik; en men zal zeggen, dat uw vriend
23315
Uilenspiegel lafaard is en verrader; maar luister naar mijn lied:
23316
 
23317
 
23318
    IJzeren is mijn harentuit,
23319
    Daar schutte natuur mij mede.
23320
    Lederen is mijn eersten huid,
23321
    Stalen is mijn tweede.
23322
 
23323
    Laat de dood, de leelijke, wreede,
23324
    Loeren naar een ander buit.
23325
    Lederen is mijn eerste huid,
23326
    Stalen is mijn tweede.
23327
 
23328
    "Leven" steekt op mijn vendel uit,
23329
    Leven in 't licht der rede.
23330
    Lederen is mijn eerste huid,
23331
    Stalen is mijn tweede.
23332
 
23333
 
23334
En zingend toog hij henen, niet zonder den trillenden mond en de
23335
liefelijke oogen te kussen van de koortsachtige Nele, die lachte en
23336
weende te gelijk.
23337
 
23338
De Geuzen zijn vóór Antwerpen, zij kapen Alva's schepen tot in de
23339
haven. Zij komen in lichten dag in de stad, verlossen gevangenen en
23340
nemen paapschgezinden om tot rantsoen te dienen. Met geweld doen zij de
23341
poorters opstaan, en dwingen eenigen hunner hen sprakeloos te volgen,
23342
onder doodsbedreiging.
23343
 
23344
Uilenspiegel zeide tot Lamme:
23345
 
23346
--De zoon des admiraals is gevangen bij den schouteet; wij moeten
23347
hem verlossen.
23348
 
23349
Zij dringen in het huis van den schout en vinden den jongeling,
23350
dien zij zochten, in gezelschap van een dikbuikigen monnik, dewelke
23351
hem een grammoedige predikatie hield om hem terug te brengen in
23352
den schoot Onzer Moeder, de Heilige Kerk. Maar de jonge snaak
23353
vroeg of hij hem niets beters kon aanbieden. Hij gaat henen met
23354
Uilenspiegel. Ondertusschen grijpt Lamme den monnik bij zijne kap,
23355
en doet hem vóór zich gaan in de straten van Antwerpen, zeggende:
23356
 
23357
--Gij zijt honderd gulden weerd: maak uw pak en ga vóór. Waarom gaat
23358
gij zoo traag? Hebt gij lood in uwe schoenen? Wat rapper, spekzak,
23359
vleeschbank, soepketel!
23360
 
23361
De monnik antwoordde, in woede ontstoken:
23362
 
23363
--Goed, mijnheer de Geus, ik ga; maar, met al den eerbied, dien ik
23364
uwe schietbus verschuldigd ben, veroorloof ik mij te zeggen, dat gij
23365
zoo dik zijt als ik.
23366
 
23367
Maar Lamme stiet hem voort en sprak:
23368
 
23369
--Hoe vermeet gij u uw onnut, vadsig kloostervet te vergelijken met
23370
mijn Vlamingvet, dat eerlijk gekweekt werd door arbeid, vermoeienis
23371
en gevecht? Gauw wat, of ik jaag u voort met eene spoor op de punt
23372
van mijnen schoen.
23373
 
23374
Maar de monnik kon niet loopen, hij was gansch buiten adem, en Lamme
23375
insgelijks. En zoo kwamen zij op het schip.
23376
 
23377
 
23378
 
23379
 
23380
XXI.
23381
 
23382
Nadat de Geuzen, Rammekens, Geertruidenberg, Alkmaar hadden genomen,
23383
stevenden zij weder naar Vlissingen.
23384
 
23385
Nele, die genezen was, wachtte Uilenspiegel af aan de haven.
23386
 
23387
Hem ontwarend, riep zij:
23388
 
23389
--Thijl, mijn vriend Thijl, zijt ge niet gewond?
23390
 
23391
Uilenspiegel zong:
23392
 
23393
 
23394
    "Leven" steekt op mijn vendel uit,
23395
    Leven in 't licht der rede.
23396
    Lederen is mijn eerste huid,
23397
    Stalen is mijn tweede.
23398
 
23399
 
23400
--Laas! zeide Lamme, trekkebeenend: de kogels, granaten, kettingkogels
23401
regenen rondom hem, en hij voelt er niets van dan den wind. Gij zijt
23402
voorzeker een geest, Uilenspiegel, en gij ook Nele, want gij zijt
23403
beiden altijd jeugdig en luimig.
23404
 
23405
--Wat hebt gij aan uw been? vroeg Nele tot Lamme.
23406
 
23407
--Ik ben geen geest en zal het nooit wezen, sprak hij. Ik heb dan
23408
ook een bijlslag gekregen in mijne bil,--mijne vrouw had er zulke
23409
ronde en schoone!--zie, ik bloed. Laas! waarom is ze niet hier om
23410
mij te verzorgen?
23411
 
23412
Maar Nele antwoordde grammoedig:
23413
 
23414
--Waarom vraagt gij naar een meineedige vrouwe?
23415
 
23416
--Spreek geen kwaad van haar, antwoordde Lamme.
23417
 
23418
--Neem, zeide Nele, hier is balsem, dien ik meebracht voor
23419
Uilenspiegel; strijk hem op uwe wond.
23420
 
23421
Toen Lamme zijne wond verbonden had, werd hij blijgeestig, want de
23422
balsem stilde de bijtende smert; en zij klommen alle drie op het schip.
23423
 
23424
Toen Nele den monnik met gekluisterde handen op het dek zag wandelen,
23425
vroeg zij:
23426
 
23427
--Wie is die? Dien zag ik reeds; en ik meen hem te kennen.
23428
 
23429
--Gelijk hij waait en draait, is die honderd gulden rantsoen weerd,
23430
zeide Lamme.
23431
 
23432
 
23433
 
23434
 
23435
XXII.
23436
 
23437
Dien dag was 't kermis op de vloot van de Geuzen. Niettegenstaande
23438
het gure weder der Wintermaand, niettegenstaande regen en sneeuw,
23439
waren al de Geuzen op het dek van de schepen. De zilveren halvemanen
23440
flikkerden op de Zeeuwsche hoedekens.
23441
 
23442
En Uilenspiegel zong:
23443
 
23444
 
23445
    Leiden is ontzet, de bloedhertog
23446
    Wijkt uit de Nederlanden;
23447
    Klare klokken, klinkt,
23448
    Beiaards, schatert uw deuntjes uit;
23449
    Rinkelt, roomers en bottels.
23450
 
23451
    Kreeg de doghond slaag,
23452
    Staartneder, met bloedend oog,
23453
    Loopt hij de stokken weer in.
23454
    Zijn gescheurde muil
23455
    Hijgt en huivert.
23456
    Weg is de bloedhertog:
23457
    Rinkelt, roomers en bottels. Leve de Geus!
23458
 
23459
    Bijten wou hij zijn eigen.
23460
    De stokken brijzelden zijn gebit.
23461
    Met hangenden suffen kop,
23462
    Denkt hij aan dagen van moord en vraatlust.
23463
    Weg is de bloedhertog:
23464
    Slaat op de glorietrom,
23465
    Slaat op de krijgstrom!
23466
    Leve de Geus!
23467
 
23468
    Thans schreeuwt hij den duivel toe: "Koop
23469
    Mijn hondsche ziel voor één uur kracht".
23470
    "Uw ziel, roept de duivel,
23471
    Uw ziel of een boestring, dat 's eender."
23472
    Geen tand past op een tand.
23473
    De harde brokken moest ge maar laten.
23474
    Weg is de bloedhertog:
23475
    Leve de Geus!
23476
 
23477
    De straathondjes, scheef, scheel, schurftig,
23478
    Die leven en krepeeren op vuilnishoopen,
23479
    Heffen hun poot op, beurt om beurt,
23480
    Naar hem, die doodde uit moordzucht....
23481
    Leve de Geus!
23482
 
23483
    "Hij hield van vrouw noch vriend,
23484
    Van vreugd, noch zon, noch meester,
23485
    Slechts van de Dood, zijn bruid,
23486
    Die hem de pooten knakte,
23487
    Tot blijdans vóór de bruiloft;
23488
    Want heele menschen lust ze niet.
23489
    Slaat op de vreugdtrom.
23490
    Leve de Geus!"
23491
 
23492
    En de straathondjes mank,
23493
    Scheef, schurftig en scheel,
23494
    Heffen nog eens den poot op
23495
    Dat het ziedt en zout,
23496
    En met hen brakken en winden,
23497
    Rekels van Hongarije,
23498
    Van Brabant, Namen en Luxemburg.
23499
    Leve de Geus!
23500
 
23501
    En triestig, met schuimmuil,
23502
    Krepeert hij vóór zijn meester,
23503
    Die hem schopt met den voet,
23504
    Wijl hij te weinig beet.
23505
    Ter helle huwt hij Dood.
23506
    Hem heet zij: Mijn hertog;
23507
    Hij haar: Mijn inquisitie.
23508
    Leve de Geus!
23509
 
23510
    Klare klokken, klinkt,
23511
    Beiaard, schater uw deuntjes uit;
23512
    Rinkelt, roomers en bottels:
23513
    Leve de Geus!
23514
 
23515
 
23516
 
23517
 
23518
 
23519
 
23520
 
23521
VIJFDE BOEK.
23522
 
23523
 
23524
I.
23525
 
23526
Als Lamme's monnik gewaar werd, dat de Geuzen geenszins zijnen dood
23527
wilden, doch een rantsoen voor hem eischten, begon hij het hoofd op
23528
te steken.
23529
 
23530
--Ziet, zeide hij, terwijl hij met woede op het dek stapte en
23531
schuddebolde, ziet in welken afgrond van vuile, zwarte en afgrijselijke
23532
gruwelen ik gevallen ben, toen ik den voet in deze verdoemde kuip
23533
zette. Zoo ik hier niet was, zou ik, gezalfd door den Heer....
23534
 
23535
--Met hondenvet? vroegen de Geuzen.
23536
 
23537
--Honden zijt gij zelven, antwoordde de monnik, zijne rede vervolgend,
23538
ja, schurftige, drekkige straathonden, met het vel over de beenderen,
23539
die het lustige pad van Onze Moeder, de Heilige Roomsche Kerk, hebt
23540
verlaten om de schrale wegen van uwe havelooze Hervormde Kerk in te
23541
slaan. Ja! ware ik hier niet op uwen klomp, lang reeds had de Heer,
23542
Onze God hem doen verzwelgen in den diepsten afgrond der zee, met u,
23543
uw vermaledijde wapenen, uwe duivelsche donderbussen, uw zingenden
23544
kapitein, uw heiligschennende halvemanen, ja! tot in het diepste
23545
van den onpeilbaren bodem van het rijk Satans, waar gijlie niet
23546
zult branden, o neen! maar vervriezen, beven en sterven van koude,
23547
de eeuwigheid der eeuwigheden lang. Ja, de God des hemels zal aldus
23548
het vuur uitdooven van uwen goddeloozen haat tegen Onze Zoete Moeder,
23549
de Heilige Roomsche Kerk, tegen de genadige santen, de eerwaarde
23550
bisschoppen en de gezegende plakkaten, die zoo zachtmoedig en wijselijk
23551
uitgedacht zijn. Ja, en van het hoogste des hemelrijks zal ik u zien,
23552
paars lijk beeten, of wit lijk rapen, van koude. Zoo zij en zoo weze!
23553
 
23554
De matrozen, soldaten en scheepsjongens spotten met hem en schoten,
23555
met blaaspijpen, droge erwten naar hem. En met zijne handen beschermde
23556
hij zijn gelaat tegen die kogels.
23557
 
23558
 
23559
 
23560
 
23561
II.
23562
 
23563
De bloedige hertog had onze landen verlaten, en de heeren Medina Celi
23564
en Requesens regeerden ze met minder wreedheid. Vervolgens bestuurden
23565
de Staten-Generaal, in naam van den koning.
23566
 
23567
Die van Zeeland en Holland, bevoordeeld door de zee en de dijken,
23568
die hun natuurlijke wallen en vestingen zijn, openden ondertusschen,
23569
aan den God der vrijen, vrije tempelen, alwaar de paapschgezinde
23570
beulen naast hen hunne lofzangen konden aanheffen; en de Prins van
23571
Oranje, de edele Zwijger, hield zich druk bezig met het stichten van
23572
een stadhouderlijk en koninklijk huis.
23573
 
23574
Belgieland werd verwoest door de Walen, die ontevreden waren over
23575
de Pacificatie van Gent, dewelke, naar men zeide, allen haat moest
23576
uitdooven. En die Waalsche Paternosterknechten, met groote zwarte
23577
rozenkransen om den hals, van dewelke tweeduizend te Spienne,
23578
in Henegouw, werden gevonden, stalen twaalfhonderd, ja, tot twee
23579
duizend ossen en peerden, onder de beste, trokken door velden en
23580
sompen, ontvoerden vrouwen en meidekens, aten steeds zonder betalen,
23581
en verbrandden in de schuren de gewapende boeren, die niet gedwee de
23582
vrucht van hunne noeste vlijt lieten rooven.
23583
 
23584
En die van het volk zeiden tot elkander: "Don Juan gaat komen
23585
met zijne Spanjolen, en Zijne Groote Hoogheid zal komen met zijne
23586
paapschgezinde Franschen: en de Zwijger, dewelke gerust over Holland,
23587
Zeeland, Gelderland, het Sticht, Overijsel wil heerschen, staat bij
23588
geheime overeenkomst Belgieland af, opdat de heer van Anjou koning
23589
kunne worden van hetzelve".
23590
 
23591
Eenigen uit het volk behielden nochtans hun vertrouwen. "De heeren
23592
der Staten, zeiden zij, hebben twintig duizend goed gewapende mannen,
23593
met vele kanonnen en een goede ruiterij. Zij zullen al de uitheemsche
23594
soldaten wederstaan".
23595
 
23596
Maar de omzichtigen spraken: "De Heeren der Staten hebben twintig
23597
duizend man op papier, maar geenszins te velde; zij hebben geene
23598
ruiterij en laten, op eene mijl van hun kamp, hunne peerden stelen
23599
door de Paternosterknechten. Zij hebben geen geschut, want, terwijl
23600
wij er hier van doen hebben, hebben zij besloten honderd donderbussen
23601
met kogels en kruit te zenden aan don Sebastiaan van Portugal; en men
23602
weet niet waar de twee millioen daalders henen zijn, die wij in vier
23603
maal als beden en schattingen hebben betaald. De poorters van Gent en
23604
Brussel wapenen zich: Gent voor de hervorming en Brussel eveneens. Te
23605
Brussel spelen de vrouwen op de tamboerijn, terwijl heure mannen aan
23606
de vestingen werken. En het onversaagde Gent stuurt aan het lustige
23607
Brussel het kruit en de donderbussen, welke hem ontbreken, om zich
23608
te verdedigen tegen Malcontenten en Spanjaards.
23609
 
23610
"En elkeen, in de steden en op het platteland, ziet, dat men vertrouwen
23611
moet hebben noch in onze heeren noch in zoovele anderen. En wij,
23612
poorters en die van 't gemeen, zijn treurig in ons hert als wij
23613
zien, dat, terwijl wij ons geld gaven en bereid zijn ook ons bloed
23614
te geven, er geen vooruitgang komt voor het welzijn van den grond
23615
onzer vaderen. En Belgieland is bang en gram, omdat het geen trouwe
23616
hoofdmannen heeft, die het naar het gevecht brengen en naar de zege,
23617
met groote inspanning van de wapenen, die gereed zijn tegen de vijanden
23618
der vrijheid".
23619
 
23620
En de omzichtigen prevelden tot elkaar:
23621
 
23622
"In de Pacificatie van Gent bezwoeren de heeren van Holland en België
23623
de uitdooving van allen haat, wederkeerigen onderstand tusschen
23624
de Belgische Staten en de Nederlandsche Staten; verklaarden zij de
23625
plakkaten van geener weerde, alle verbeurdverklaringen opgeheven, den
23626
vrede tusschen de beide godsdiensten; zij beloofden alle hoegenaamde
23627
zuilen, zegeteekenen, opschriften en standbeelden te zullen afbreken,
23628
welke de hertog van Alva tot onze schande opgericht heeft. Doch in de
23629
herten der hoofden blijft alle haat woeden; edelen en geestelijken
23630
stoken verdeeldheid onder de Staten van het Verbond; zij krijgen
23631
geld om de soldaten te betalen, en houden het voor zich om te zuipen
23632
en te vreten; vijftien duizend gedingen wegens terugvordering van
23633
verbeurdverklaarde goederen blijven opgeschort; Lutheranen en Roomschen
23634
verbinden zich tegen de Calvinisten; de wettige erfgenamen vermogen
23635
niet, de roovers uit hunne goederen te drijven; het standbeeld van
23636
den hertog is nedergehaald, maar de beeltenis van de Inquisitie is
23637
in al de herten".
23638
 
23639
En het arme volk en de jammerende poorters wachtten steeds op den
23640
trouwen en wakkeren hoofdman, die hen zou brengen naar het gevecht
23641
voor de vrijheid.
23642
 
23643
En zij zeiden tot elkander: "Waar zijn de doorluchtige onderteekenaren
23644
van het Eedverbond, allen vereenigd, naar zij zeiden, voor het heil
23645
des Vaderlands? Waarom sloten die valsche lieden een zoo "heilig
23646
verbond", als zij het dadelijk daarna zouden verbreken? Waarom zich
23647
met zooveel gezwets vereenigen, de gramschap des konings verwekken,
23648
om daarna uiteen te gaan, als verraders en bloodaards? Met vijfhonderd
23649
als zij waren, groote en kleine heeren, als broeders vereenigd, konden
23650
zij ons van de Spaansche furie bevrijden; maar zij offeren België's
23651
heil op aan hun eigen welzijn, zooals ook Egmond en Hoorne deden.
23652
 
23653
... Laas! zeiden zij, nu zal don Juan komen, die heerschzuchtige
23654
vrouwengek, vijand van Philippus, maar nog grootere vijand van onze
23655
landen. Hij komt voor den paus en zich zelf. Edelen en geestelijken
23656
plegen verraad".
23657
 
23658
En zij beginnen een schijnoorlog. Op de muren van de straten en
23659
stegen van Gent en van Brussel, tot zelfs op de masten van de schepen
23660
der Geuzen, zag men toen uitplakken de namen van de legerhoofden
23661
en bevelhebbers van versterkte plaatsen, die verraad pleegden:
23662
die van den graaf van Liedekerke, dewelke zijn slot niet verdedigde
23663
tegen don Juan; van den provoost van Luik, dewelke de stede aan don
23664
Juan wilde verkoopen; van de heeren van Aerschot, van Mansfeld, van
23665
Berlaymont, van Rennenberg; van den Staatsraad, van George Lalaing,
23666
stadhouder van Friesland; van het legerhoofd, den heer van Rossignol,
23667
afgezant van don Juan, bemiddelaar tusschen Philippus en Jaureguy,
23668
den onbehendige, die moord wilde plegen op den Prins van Oranje; den
23669
naam van den aartsbisschop van Kamerijk, die de Spanjaards binnen
23670
de stede wilde laten komen; de namen der jezuïeten van Antwerpen,
23671
die drie tonnen gouds--dat maakt twee millioen gulden--boden aan
23672
de Staten om het kasteel niet af te breken, om het voor don Juan te
23673
behouden; van den bisschop van Luik; van de Roomsche predikanten, die
23674
de patriotten belaagden; van den bisschop van Utrecht, door de poorters
23675
om zijn verraad uit het Sticht verdreven; van de bedelorden, die te
23676
Gent konkelden ten voordeele van don Juan. Die van 's Hertogenbosch
23677
stelden aan de kaak den naam van den karmeliet Pieter, die, geholpen
23678
door zijnen bisschop en de geestelijkheid, zich sterk maakte de stede
23679
aan don Juan over te leveren.
23680
 
23681
Te Dowaai hingen zij echter den rector der Hoogeschool in beeltenis
23682
niet op, die insgelijks Spaanschgezind was geworden. Doch op de schepen
23683
der Geuzen las men, op den buik van groote poppen, die bij den hals
23684
aan de raas hingen, de namen van monniken, abten en prelaten; die van
23685
de achttienhonderd rijke vrouwen en dochters uit het begijnenhof van
23686
Mechelen, die, op eigen kosten, de beulen des vaderlands met vederen
23687
en goudborduurselen versierden, en voorzagen in hunlieder onderhoud.
23688
 
23689
En op die poppen, schandpalen voor de verraders, las men de namen
23690
van den markgraaf van Harrault, bevelhebber van de versterkte plaats
23691
Philippeville, die oorlogsmunitie en mondbehoeften vermorste, om
23692
naderhand de plaats aan den vijand te leveren, onder voorwendsel
23693
dat hij gebrek had aan leeftocht; dien van Belver, dewelke Limburg
23694
overgaf, alswanneer de stede het nog acht maanden volhouden kon; dien
23695
van den voorzitter van den Raad van Vlaanderen; van den magistraat
23696
van Mechelen, die zijne stede bewaarde voor don Juan, van de heeren
23697
van het Rekenhof van Gelderland, dat gesloten was uit hoofde van
23698
verraad; van die van den Raad van Brabant, van de kanselarij des
23699
hertogdoms; van den privaten raad en van den raad van financiën; van
23700
den hoogbaljuw en burgemeester van Meenen; van de slechte buren van
23701
Artesië, die ongehinderd twee duizend Franschen doorlieten, dewelken
23702
hier kwamen plunderen.
23703
 
23704
--Laas! zeiden de burgers tot elkaar, nu dat de hertog van Anjou den
23705
voet in onze landen gezet heeft, wil hij hier koning zijn; zaagt gij
23706
hem bij zijne inkomst in Bergen, klein, met groote heupen, een dikken
23707
neus, een gele tronie, een spottenden mond?
23708
 
23709
... 't Is een groote prins, liefhebber van buitengewone minnarijen;
23710
het moet een reus van een prins zijn, want men noemt hem: monseigneur
23711
en mijnheer Zijne Groote Hoogheid van Anjou.
23712
 
23713
Uilenspiegel was droomerig.
23714
 
23715
En hij zong:
23716
 
23717
 
23718
    De lucht is blauw, de lucht is klaar,
23719
    Rouwfloers over de vanen!
23720
    Rouw om 't gevest der degens!
23721
    Verbergt uw juweelen,
23722
    Uw spiegels gekeerd:
23723
    Ik zing het lied van den Dood,
23724
    Het lied der verraders.
23725
 
23726
    Ze hebben de fiere landen
23727
    Op den buik en de keel getrapt,
23728
    Brabant, Vlaanderen, Henegouw,
23729
    Antwerpen, Artoois, Luxemburg.
23730
    Adel en clerus verraden.
23731
    Vuig loon verlokt, verleidt.
23732
    Ik zing het lied der verraders.
23733
 
23734
    Als de vijand overal plundert,
23735
    Als de Spanjaard Antwerpen binnenrukt,
23736
    Trekken priesters, prelaten, legerhoofden
23737
    De straten der stede door,
23738
    Met zijden gewaden, vol goudstikkerij,
23739
    En tronies blinkend van goeden wijn,
23740
    Stellend hun schande ten toon.
23741
 
23742
    Door hen zal Inquisitie
23743
    Herrijzen in triomf;
23744
    En nieuwe titellui,
23745
    Zullen doofstommen vastzetten
23746
    Voor ketterij.
23747
    Ik zing het lied der verraders.
23748
 
23749
    Onderteekenaren van 't Eedverbond,
23750
    Lafhartige onderteekenaren,
23751
    Wezen uw namen gevloekt.
23752
    Waar blijft gij in 't uur des strijds?
23753
    Als raven volgt gij
23754
    Den drijf der Spanjaards.
23755
    Slaat op de rouwtrom.
23756
 
23757
    Belgenland, eenmaal
23758
    Veroordeelt u de toekomst,
23759
    Daar ge, gewapend, u plunderen liet.
23760
    Doch, toekomst, draal;
23761
    Zie de verraders aan 't werk:
23762
    Met twintig, met duizend,
23763
    Bekleeden ze alle posten,
23764
    De grooten stellen de kleinen aan.
23765
 
23766
    Het eens zijn ze 't
23767
    Om den weerstand te verhindren,
23768
    Door verdeeldheid en traagheid:
23769
    Hun verradersleus!
23770
    Rouwfloers over de spiegels,
23771
    Rouw om 't gevest der degens.
23772
    't Is het lied der verraders.
23773
 
23774
    Rebellen verklaren zij
23775
    Spanjolen en malcontenten,
23776
    Verbiedend hun bij te staan
23777
    Met brood en bed,
23778
    Met lood en kruit.
23779
    En wordt er een gevangen,
23780
    Om te hangen,
23781
    Dadelijk laten zij hem los.
23782
 
23783
    Staat op! roepen die van Brussel;
23784
    Staat op! roepen die van Gent
23785
    En het Belgische volk.
23786
    Arme lui, men wil u verpletteren,
23787
    Tusschen den koning en den paus,
23788
    Die tegen Vlaanderen
23789
    Een kruistocht predikt.
23790
 
23791
    Ze komen, de veile knechten,
23792
    Af op den reuk van het bloed;
23793
    Benden honden,
23794
    Slangen en hyena's,
23795
    Hongerig, dorstig.
23796
    Arme vadergrond,
23797
    Rijp voor verval en dood!
23798
 
23799
    Niet don Juan maakt het Farnese,
23800
    Des pausen lieveling,
23801
    Makkelijk in 't land,
23802
    Maar wie gij overlaaddet
23803
    Met goed en eere,
23804
    Wie uw vrouwen de biecht afnamen,
23805
    Uw dochters en uw kinderen!
23806
 
23807
    Die wierpen u ter aarde,
23808
    En de Spanjaard zet u
23809
    Het mes op de keel.
23810
    Een snoode spot was 't
23811
    Dat ze te Brussel
23812
    De komst van Oranje vierden!
23813
 
23814
    Toen men op de vaart
23815
    Die macht van vuurwerk zag,
23816
    Waar de vreugd uit sprankte en knalde,
23817
    En al die zegebooten,
23818
    Tafreelen en tapijten,
23819
    Arm België, dan vertoonde men
23820
    Een oude historie:
23821
    Joseph verkocht door zijn broeders.
23822
 
23823
 
23824
 
23825
 
23826
III.
23827
 
23828
Daar de monnik zag, dat men hem maar liet praten, maakte hij nog
23829
grooter misbaar, en de matrozen en soldaten, om hem nog meer op
23830
te hitsen, spraken kwaad van de Maagd, van de santen en van de
23831
godvruchtige praktijken der Heilige Roomsche Kerk.
23832
 
23833
En, in woede ontstoken, braakte hij duizend beleedigingen uit:
23834
 
23835
--Ja! schreeuwde hij, ja, ik ben hier wel in het hol van de Geuzen! Ja,
23836
dat zijn wel die verdoemde opvreters van de landen! En men zegt,
23837
dat de inquisiteur, de heilige man, te veel van die galgebrokken
23838
verbrand heeft! Integendeel: er blijft nog veel te veel van dat
23839
gebroed over. Ja, op die goede en brave schepen van Onzen Heer Koning,
23840
die vroeger zoo zindelijk waren en zoo goed geschrobd, wemelt nu dat
23841
ongedierte van Geuzen, ja, het stinkend ongedierte. Ja, allen zijn
23842
vuil, stinkend, afschuwelijk ongedierte, de kapitein, die zingt van
23843
's morgens tot 's avonds, de kok met zijn dikken, goddeloozen buik,
23844
en ook al de anderen, met hun heiligschennende halvemanen. Ja, als de
23845
koning zijne schepen met geschut zal doen kuischen, zal er voor meer
23846
dan honderdduizend gulden kruit en kogelen noodig zijn om die vuile,
23847
leelijke, stinkende besmetting te verdrijven. Ja, gij allen zijt
23848
geboren in de alkoof van vrouwe Lucifer, die veroordeeld was om te
23849
wonen met Satan, tusschen muren van ongedierte, onder gordijnen van
23850
ongedierte, op een bed van ongedierte. Ja, en dáár is het, dat zij,
23851
in hun afschuwelijke minnarijen, de Geuzen ter wereld brachten. Ja,
23852
en ik spuw op ulieden.
23853
 
23854
Bij die rede, zeiden de Geuzen tot elkander, zoodat hij het hoorde:
23855
 
23856
--Waarom onderhouden wij dien luien hond, dewelke niets doet dan
23857
beleedigingen braken? Wij zouden hem beter ophangen!
23858
 
23859
En dra brachten zij alles in gereedheid.
23860
 
23861
Toen de monnik zag, dat de koorde vastgeknoopt was en de ladder tegen
23862
den mast stond, en dat men zijne handen ging binden, zeide hij op
23863
jammerenden toon:
23864
 
23865
--Hebt medelijden met mij, heeren Geuzen, 't is de duivel der
23866
grammoedigheid, die spreekt in mijn hert, maar geenszins uw nederige
23867
gevangene, een arme monnik, die maar éénen hals heeft op deze wereld;
23868
genadige heeren, weest bermhertig: 't was niet gemeend; sluit mijnen
23869
mond, als gij wilt, met eene prop; aangenaam is dit niet, neen,
23870
maar om Godswil, hangt mij niet op!
23871
 
23872
Maar zij luisterden niet en trokken hem naar de ladder,
23873
niettegenstaande zijn heftigen wederstand. Toen huilde hij zoo
23874
schromelijk, dat Lamme zeide tot Uilenspiegel, die bij hem in de
23875
keuken was om hem op te passen:
23876
 
23877
--Mijn vriend! mijn vriend! zij hebben in den stal een verken gestolen
23878
en daar zijn ze bezig met het te kelen. Ho! de dieven! kon ik maar op!
23879
 
23880
Uilenspiegel klom op het dek en zag niets dan den monnik. Toen deze
23881
hem ontwaarde, viel hij op zijne knieën en riep, met de handen naar
23882
hem uitgestoken:
23883
 
23884
--Messire kapitein, kapitein van de wakkere Geuzen, geducht te land
23885
en ter zee, uwe soldaten willen mij ophangen, omdat ik zondigde met
23886
mijn tonge; dat is een onrechtveerdige straf, messire kapitein, want
23887
dan moesten al de advocaten, procureurs, predikanten en al de vrouwen
23888
met hennep begiftigd worden, en zou de wereld zekerlijk uitsterven;
23889
messire, red mij van de koorde: ik zal voor u bidden, gij zult niet
23890
verdoemd wezen; schenk mij vergiffenis. De spreekduivel sleepte mij mee
23891
en deed mij gedurig snateren: dit is een groot ongeluk voor mij. Dan
23892
verbittert zich mijn arme gal en doet ze mij allerhande dingen zeggen,
23893
die niet gemeend zijn. Genade, messire kapitein, en gij allen, mijne
23894
heeren, bidt voor mij.
23895
 
23896
Plotseling verscheen Lamme in zijn hemde op het dek, en hij zei:
23897
 
23898
--Kapitein en vrienden, wat ben ik blijde: 't was maar de monnik,
23899
dien ik hoorde schreeuwen, en geenszins het verken. Uilenspiegel,
23900
mijn zoon, ik heb een uitmuntend plan uitgedacht ten opzichte van
23901
Zijne Paterschap; schenk hem het leven, maar laat hem niet vrij, of
23902
hij speelt ons nog slechte poetsen op het schip: laat liever voor hem
23903
op het dek een enge, goed verluchte kooi maken, in dewelke hij slechts
23904
kan zitten en slapen, gelijk voor de kapoenen; laat mij hem spijzen,
23905
en hij worde gehangen als hij zooveel niet eet als ik wil.
23906
 
23907
--Hij worde gehangen, als hij niet eet, zeiden Uilenspiegel en
23908
de Geuzen.
23909
 
23910
--Wat schikt gij met mij te doen, dikzak? vroeg de monnik.
23911
 
23912
--Dat zult ge later gewaarworden, antwoordde Lamme.
23913
 
23914
En Uilenspiegel deed zooals Lamme wilde, en de monnik werd in de kooi
23915
gestoken, en elkeen kon hem op het gemak komen zien.
23916
 
23917
Lamme was terug in de keuken gekeerd; Uilenspiegel volgde hem daar
23918
en hoorde hem twisten met Nele:
23919
 
23920
--Ik leg mij te bed niet, zeide hij, neen, ik leg mij te bed niet;
23921
anderen zouden mijne sausen komen vermorsen; neen, ik blijf in mijn
23922
bed niet liggen lijk een kalf!
23923
 
23924
--Maak u niet boos, Lamme, zeide Nele, of uwe wond gaat opnieuw open,
23925
en gij sterft.
23926
 
23927
--Wel, zeide hij, dan sterf ik: ik ben moede van te leven zonder mijne
23928
vrouw. Is het niet hard genoeg voor mij, heur verloren te hebben, dat
23929
gij mij, den kok van het schip, nog wilt beletten zelf te zorgen voor
23930
den pot? Weet gij dan niet, dat geur van sausen en stoverije gezondheid
23931
baart? Zij voedt zelfs mijnen geest en pantsert mij tegen rampspoed.
23932
 
23933
--Lamme, zeide Nele, gij moet luisteren naar onzen raad en u laten
23934
genezen door ons.
23935
 
23936
--Ik wil mij laten genezen, sprak Lamme; maar dat geen andere, geen
23937
weetniet, geen leepoogige, stinkneuzige, etterige, slijmerige rabauw
23938
zich verstoute hier binnen te komen, om hier als kok te tronen in
23939
mijne plaats, en met zijn vuile vingeren mijne sausen te vermorsen,
23940
of ik sla hem den kop in met mijn houten pollepel, dewelke dan van
23941
ijzer zou zijn.
23942
 
23943
--Maar, zeide Uilenspiegel, gij moet toch een helper hebben, gij
23944
zijt ziek....
23945
 
23946
--Een helper, ik! zeide Lamme; ik, een helper! Om dat te zeggen,
23947
moet gij zoo vol ondankbaarheid zijn als eene worst, vol gekapt
23948
vleesch. Een helper, Thijl, en gij zijt het, die dit zegt tot mij,
23949
uwen vriend, die u zoo lang en zoo lekker gevoed heeft! Nu gaat mijne
23950
wond zeker weer open. Slechte vriend, wie anders hier zou uwe spijzen
23951
bereiden, dan ik? Wat zoudt gij beiden doen, als ik hier niet was om
23952
u, kapitein-hoofdman, en u, Nele, een of ander smakelijk gerecht voor
23953
te dienen?
23954
 
23955
--Wij zouden ons behelpen en zelven den pot koken, zeide Uilenspiegel.
23956
 
23957
--Den pot koken? zeide Lamme. Gij zijt goed om er van te eten, om zijn
23958
reuk op te snuiven; maar om hem gereed te maken, neen: arme vriend en
23959
kapitein-hoofdman, met al den eerbied, dien ik u verschuldigd ben,
23960
ik zou u in reepen gesneden weitasschen geven en gij zoudt ze eten
23961
voor vette darmen; laat mij, mijn vriend, hier kok blijven, of ik
23962
verdroog als een stok.
23963
 
23964
--Blijf dan kok, zeide Uilenspiegel; maar geneest gij niet, dan sluit
23965
ik de keuken en eten wij niets dan beschuit.
23966
 
23967
--Ha! mijn zoon, zeide Lamme, die weende van geluk, gij zijt goed
23968
als de Moeder Gods.
23969
 
23970
 
23971
 
23972
 
23973
IV.
23974
 
23975
Doch hij scheen aan de beterhand.
23976
 
23977
Alle Zaterdagen zagen de Geuzen hem het middel van den monnik meten,
23978
met een langen lederen riem.
23979
 
23980
Den eersten Zaterdag zeide hij:
23981
 
23982
--Vier voet.
23983
 
23984
Daarna mat hij zich zelven en sprak:
23985
 
23986
--Vier voet en half.
23987
 
23988
En hij scheen weemoedig.
23989
 
23990
Maar den achtsten Zaterdag, van den monnik sprekend, zeide hij vol
23991
blijdschap:
23992
 
23993
--Vier voet en drij kwart.
23994
 
23995
En als hij den monnik de maat nam, zeide deze grammoedig tot Lamme:
23996
 
23997
--Wat wilt ge van mij, dikzak?
23998
 
23999
Maar Lamme stak zijne tong uit naar hem en zeide geen woord.
24000
 
24001
En, zevenmaal daags, zagen de soldaten en matrozen hem met een of
24002
ander nieuw gerecht afkomen en hoorden zij hem zeggen tot den monnik:
24003
 
24004
--Hier zijn boonen met Vlaamsche boter: at gij er dergelijke in
24005
uw convent? Gij hebt een goede tronie: mager wordt men niet op
24006
de vloot van de Geuzen. Voelt gij geen kussen van vet in uwen rug
24007
groeien? Weldra hoeft gij, om te slapen, op geene matras meer te
24008
liggen.
24009
 
24010
Bij het tweede maal, zeide hij:
24011
 
24012
--Zie, hier zijn koekebakken naar de Brusselsche wijs; zie maar
24013
wat blonde, goudgele tint zij kregen in de oven: ziet gij de boter
24014
afdruipen? Zoo ook zal geschieden met het vet van uwen buik.
24015
 
24016
--Ik heb geen eetlust, zei de monnik.
24017
 
24018
--Maar gij moet eten, zei Lamme. Meent gij misschien, dat het
24019
heetekoeken van boekweitbloem zijn? 't Is zuivere tarwe, eerweerde
24020
vader, dikke, vette vader, 't is bloem van tarwemeel, vader met
24021
vierdubbele kin: ik zie de vijfde reeds aankomen, en mijn hert is
24022
verblijd. Eet!
24023
 
24024
--Laat mij met vrede, dikzak, zei de monnik.
24025
 
24026
Lamme, die grammoedig werd antwoordde:
24027
 
24028
--Ik beschik over uw leven: hebt gij liever de koorde dan een goede
24029
teil erwtensoep met stukjes geroosterd brood, zooals ik er u dadelijk
24030
eene zal brengen?
24031
 
24032
En toen Lamme met de teil kwam, vervolgde hij:
24033
 
24034
--Erwtensoep alleen is eigenlijk geen eetmaal: ik heb er dan ook een
24035
schotel knoedelen naar Duitsche wijs bijgevoegd: dat zijn balletjes
24036
deeg met krenten, in het kokend water geworpen; knoedelen zijn zware
24037
kost, doch kweeken spek. Eet zooveel als gij kunt: hoe meer gij eet,
24038
hoe liever ik u zie: gij moet den viesneus niet spelen, en niet blazen
24039
alsof gij meer dan uwe bekomst hadt: eet! Is het niet beter te eten
24040
dan hangen te bengelen aan eene koord? Laat uwe dij zien! zij wordt
24041
ook dikker; twee voet en zeven duim omtrek. Waar vindt men nog eene
24042
hesp, die zoo dik is?
24043
 
24044
Een uur naderhand kwam hij weer bij den monnik:
24045
 
24046
--Neem, zeide hij, hier zijn negen duifjes: men heeft ze opzettelijk
24047
geschoten voor u, de onschuldige dieren, die, onbevreesd, boven de
24048
schepen vlogen; versmaad ze niet; in hunnen buik stak ik een balletje
24049
boter, broodkruim, geraspte muskaatnoot, kruidnagelen gestampt in een
24050
koperen vijzel, dewelke blinkt als uw vel: mevrouw de zonne is gansch
24051
verheugd zich te mogen spiegelen in een zoo helder gezicht als het uwe;
24052
dat komt van het vet, van het goede vet, dat ik u bezorgde!
24053
 
24054
Voor den vijfden maaltijd, bracht hij een waterzoo.
24055
 
24056
--Wat denkt gij hiervan? vroeg hij hem. De zee draagt en spijst u;
24057
meerder zou zij niet kunnen doen voor Zijne Koninklijke Majesteit. Ja,
24058
ja, klaarblijkelijk zie ik de vijfde kin wassen, een weinigje meer
24059
links dan rechts; wij zullen dien benadeelden kant moeten aanvetten,
24060
want de Heer heeft gezeid: "Weest rechtveerdig jegens elkeen". Waarin
24061
zou de rechtveerdigheid anders bestaan, dan in een rechtmatige
24062
verdeeling van vet? Voor uw zesde maal breng ik u mosselen--die
24063
oesters der armen--zooals gij er nooit kreegt in 't convent; dommeriken
24064
laten ze koken en eten ze zóó op, doch dat is maar de inleiding der
24065
stoverije: als zij gekookt zijn, moet men ze uit heure schelpen nemen,
24066
heure tengere lichaampjes in een stoofpan leggen, dan zachtjes laten
24067
stoven met selder, muskaatnoot en kruidnagelen en de saus binden met
24068
bier en meel; de mosselen worden dan voorgediend met sneden geroosterd
24069
en geboterd brood. Zoo deed ik voor u. Waarom zijn de kinderen een
24070
zoo groote erkentelijkheid verschuldigd aan vader en moeder? Omdat
24071
zij hun eene schuilplaats en liefde, maar vooral omdat zij hun eten
24072
gaven: dienvolgens moet ge mij beminnen als uw vader en uwe moeder
24073
te zamen, en zijt ge mij dezelfde dankbaarheid verschuldigd als hun:
24074
maar zie toch zoo verbolgen naar mij niet.
24075
 
24076
... Als de mosselen gezakt zijn, breng ik u bierpap, goed gebonden met
24077
meel, goed gesuikerd, met veel kaneel. Weet gij waarom? Opdat uw vet
24078
doorschijnend zou worden en lustig op uw vel zou waggelen: als gij u
24079
verroert, ziet men het alreeds. Daar klinkt de taptoe: slaap in vrede
24080
zonder aan den dag van morgen te denken, in de zekerheid steeds uw
24081
vette eetmalen terug te vinden, alsmede uw verkleefden vriend Lamme,
24082
die ze u liefdevol zal geven.
24083
 
24084
--Ga henen, satansjong, en laat mij bidden, zeide de monnik.
24085
 
24086
--Bid, zeide Lamme, bid met begeleiding van een vroolijk gesnork:
24087
bier en slaap geven vet, goed vet. Ik, ik ben blijde!
24088
 
24089
En Lamme trok naar zijn bed.
24090
 
24091
En de matrozen en soldaten zeiden tot hem:
24092
 
24093
--Waarom toch wilt gij dien vuilen monnik, die u geenerlei goed wil,
24094
zoo rijkelijk spijzen?
24095
 
24096
--Laat mij begaan, zeide Lamme, ik verricht een schoon werk.
24097
 
24098
 
24099
 
24100
 
24101
V.
24102
 
24103
Toen Wintermaand was gekomen, de maand der donkere dagen, zong
24104
Uilenspiegel:
24105
 
24106
 
24107
    Monseigneur, Zijn Doorluchtige Hoogheid,
24108
    Rukt zijn mom af,
24109
    Willend heerschen over België.
24110
    De verspaanschte staten,
24111
    Doch niet verangevijnscht,
24112
    Beschikken over de belastingen.
24113
    Slaat op de trommel
24114
    Der angevijnsche davering!
24115
 
24116
    In hunne handen houden ze
24117
    Domeinen, accijns en renten,
24118
    't Benoemen der magistraten
24119
    En de ambten meteen.
24120
    Op de hervormden heeft hij 't gemunt,
24121
    Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,
24122
    Die in Frankrijk doorgaat voor atheïst.
24123
    O, de angevijnsche davering!
24124
 
24125
    Want koning wil hij worden
24126
    Door het zwaard en 't geweld,
24127
    Alleenheerschend koning voorgoed,
24128
    Die Monseigneur, en Doorluchtige Hoogheid.
24129
    Innemen wil hij door verraad,
24130
    Menig schoone stad en Antwerpen mee;
24131
    Signorkens en pagaders, vroeg opgestaan,
24132
    O, de angevijnsche davering!
24133
 
24134
    Niet op u, Frankrijk,
24135
    Werpt zich het volk, in blinde woede;
24136
    Niet uw edel lichaam treffen
24137
    Moorddadige wapenen;
24138
    Niet uw kinderen zijn het,
24139
    Wier lijken, hoop op hoop,
24140
    De Kipdorppoorte vullen.
24141
    O, de angevijnsche davering!
24142
 
24143
    Neen, niet uw kinderen zijn het
24144
    Die het volk van de schansen neergooit,
24145
    Anjou is 't, Zijn Doorluchtige Hoogheid,
24146
    Anjou is 't, de lijdelijke wufteling,
24147
    Die leeft van uw bloed, o Frankrijk,
24148
    En het onze wil drinken.
24149
    Maar tusschen beker en lippen....
24150
    O, de angevijnsche davering!
24151
 
24152
    Monsieur Zijn Doorluchtige Hoogheid,
24153
    Schreeuwt in een weerlooze stad:
24154
    Tue, tue, vive la messe!
24155
    Met zijn mooie lievelingen,
24156
    Wier oogen blinken
24157
    Van 't schandevuur, schaamteloos schuw,
24158
    Der ontucht zonder liefde.
24159
    O, de angevijnsche davering!
24160
 
24161
    Hen velt men, niet u, arm volk,
24162
    Op wien ze drukken met belasting,
24163
    Zoutgeld, hoofdgeld, 't eerstenachtrecht,
24164
    U misprijzend, daar ze u afpersen
24165
    Koorn, paarden, wagens,
24166
    Gij, die hun een vader zijt,
24167
    O, de angevijnsche davering!
24168
 
24169
    Gij, die hun een moeder zijt,
24170
    Zogend de brooddronkendheid
24171
    Dier moedermoorders, welke, in den vreemde
24172
    Uw naam bevlekken, o Frankrijk, overdaan
24173
    Met den smook van hun glorie,
24174
    Als ze hechten
24175
    Door woeste wapenfeiten....
24176
    O, de angevijnsche davering!
24177
 
24178
    Een bloempjen aan uw krijgskroon,
24179
    Een provincie aan uw grondgebied.
24180
    Laat den dwazen haan, ontucht en oorlog,
24181
    Den voet op den strot,
24182
    Fransch volk, manhaftig volk,
24183
    Den voet die verplet!
24184
    En al de volkeren krijgen u lief
24185
    Om de angevijnsche davering!
24186
 
24187
 
24188
 
24189
 
24190
VI.
24191
 
24192
In de Bloeimaand, als wanneer de Vlaamsche boerinnen 's nachts
24193
langzaam drie zwarte boonen achter zich over het hoofd werpen, om
24194
zich voor ziekte en dood te behoeden, ging Lamme's wond weder open;
24195
de kok had een zware koorts en vroeg, dat men hem zou leggen op het
24196
dek van het schip, rechtover de kooi van den monnik.
24197
 
24198
Uilenspiegel stond het geerne toe; doch uit vreeze, dat zijn vriend
24199
in eenen aanval der ziekte overboord zou vallen, deed hij hem stevig
24200
binden op zijn bed.
24201
 
24202
Zoodra Lamme een oogenblik bij zijn verstand was, vroeg hij of men
24203
den monnik niet vergat; en hij stak zijne tong naar hem uit.
24204
 
24205
En de monnik zei:
24206
 
24207
--Gij beleedigt mij, dikzak.
24208
 
24209
--Toch niet, zeide Lamme, ik wil u vetmesten.
24210
 
24211
De wind waaide zachtjes, de zonne was warm; Lamme leed aan de koorts,
24212
maar hij was stevig gebonden op zijn bed, opdat hij in zijne vlagen
24213
van ijlhoofdigheid niet overboord zou vallen; doch hij waande zich
24214
nog in de keuken en zei:
24215
 
24216
--Dat fornuis staat heel gereed. Aanstonds zal het ortolanen
24217
regenen. Vrouw, span de strikken in onzen boomgaard. Zoo zijt
24218
gij schoon, met uwe mouwen opgestroopt tot aan uwe ellebogen. Uw
24219
arm is wit, ik wil er in bijten, bijten met mijne lippen, dewelke
24220
fluweelen tanden zijn. Wien hoort dat schoon vleesch, die prachtige
24221
boezem, dien ik zie dwars door uw wit, fijnlinnen jakje? Die
24222
zoete schat is mijn! Wie zal de stoverije maken van hanekammetjes
24223
en kiekenstuiten? Niet te veel muskaatnoot, daarvan krijgt men
24224
koorts. Witte saus, tijm en laurier. Waar zijn de eierdooiers?
24225
 
24226
Vervolgens wenkte hij Uilenspiegel tot zich en zeide:
24227
 
24228
--Straks zal het wild regenen: ik zal u vier ortolanen meer geven
24229
dan aan de anderen. Gij zijt de gezagvoerder, maar verraad mij niet!
24230
 
24231
Toen hij de golven zachtjes tegen den wand van het schip hoorde
24232
klotsen, sprak hij verder:
24233
 
24234
--De soep kookt, mijn zoon, de soep kookt, maar met dat fornuis kan
24235
ik geen vuur krijgen.
24236
 
24237
Zoodra hij weer tot zijne zinnen kwam, vroeg hij naar den monnik.
24238
 
24239
--Waar is hij? Vet hij aan?
24240
 
24241
En als zijn blik op hem viel, stak hij zijne tong naar hem uit,
24242
zeggende:
24243
 
24244
--Het groote werk wordt voltooid.
24245
 
24246
Eens vroeg hij, dat men de groote waag op het dek zou brengen,
24247
dat men hem zelven op een schaal zou zetten en den monnik op de
24248
andere. Nauwelijks was de monnik erop, of Lamme steeg omhoog lijk
24249
een vuurpijl in de lucht en, hem vreugdevol beziende, zeide hij:
24250
 
24251
--Hij is zwaarder! hij is zwaarder! ik ben licht als een geest tegen
24252
hem: ik wil als een vogel de lucht klieven; ik heb mijn plan: neemt
24253
er hem af, dat ik beneden kunne; legt er nu de gewichten op: zet hem
24254
weder op de schaal. Hoeveel weegt hij? Driehonderd veertien pond. En
24255
ik? Tweehonderd twintig!
24256
 
24257
 
24258
 
24259
 
24260
VII.
24261
 
24262
In den nacht van den volgenden dag, bij de eerste ochtendschemering,
24263
werd Uilenspiegel gewekt door Lamme, die schreeuwde:
24264
 
24265
--Uilenspiegel! Uilenspiegel! help, laat heur niet vertrekken. Snijd
24266
de koorden door! snijd ze door!
24267
 
24268
Uilenspiegel klom op het dek en vroeg:
24269
 
24270
--Waarom roept gij? ik zie niets.
24271
 
24272
--Zij is 't, antwoordde Lamme, zij is 't, mijne vrouw, daar in die
24273
sloep, welke de vlieboot omvaart; ja, om de vlieboot, van welke die
24274
zangen en die vedeltonen kwamen.
24275
 
24276
Nele was ook op het dek geklommen.
24277
 
24278
--Snijd de koorden door, mijne vriendin, zei Lamme. Ziet gij niet,
24279
dat mijne wond genezen is? Heur zachte hand heeft ze verbonden; zij,
24280
ja, zij. Ziet gij ze rechtstaan in de sloep? Hoort gij? Zij zingt
24281
nog. Kom, mijne liefste, kom, ontvlucht uwen armen Lamme niet meer,
24282
die zonder u zoo moederziel alleen was op de wereld.
24283
 
24284
Nele nam zijne hand vast en legde de heure op zijn voorhoofd.
24285
 
24286
--Hij heeft nog koorts, sprak zij.
24287
 
24288
--Snijdt de koorden door, zei Lamme; geeft mij eene sloep! Ik ben
24289
levend, ik ben gelukkig, ik ben genezen!
24290
 
24291
Uilenspiegel sneed de koorden door: Lamme sprong in zijn wit linnen
24292
hooze, zonder wambuis, uit zijn bed, en wilde zelf de sloep in
24293
zee laten.
24294
 
24295
--Zie hem bezig, zeide Nele tot Uilenspiegel: zijne handen beven
24296
van ongeduld.
24297
 
24298
Toen de sloep gereed was, daalden Uilenspiegel, Nele en Lamme er in
24299
met eenen roeier, en deze wriggelde naar de vlieboot, die, verre in
24300
de reede, op anker lag.
24301
 
24302
--Zie, wat schoone vlieboot, zeide Lamme, die weldra, uit ongeduld,
24303
de plaats van den roeier ingenomen had.
24304
 
24305
De romp en de masten van de vlieboot kwamen slank uit op den frisschen
24306
morgenhemel, die, als verguld kristal, gekleurd werd door de rijzende
24307
zonne.
24308
 
24309
Terwijl Lamme dapper doorwrikte, vroeg Uilenspiegel hem:
24310
 
24311
--Zeg ons nu hoe gij ze terugvondt.
24312
 
24313
Lamme antwoordde met horten en stooten:
24314
 
24315
--Ik sliep, reeds aan de beterzijde. Eensklaps dof gerucht. Stuk hout
24316
klopt op het schip. Sloep! Op het gerucht een matroos toegeloopen:
24317
Wie daar? Een zoete stem, de heure, mijn zoon, de heure antwoordt:
24318
"Vrienden". Vervolgens grovere stem: "Vive le Geus: bevelhebber van
24319
vlieboot Johanna moet Lamme Goedzak spreken". Matroos laat de ladder
24320
beneden. De maan glom. Ik zie mannelijke gedaante op het dek klimmen:
24321
breede heupen, ronde knieën, breed bekken; vrouw, maar geen man, zei
24322
ik bij mij zelven: ik voel als eene roos die ontluikt en mijne kaak
24323
streelt: heure lippen, mijn zoon, en ik hoor heur zeggen, begrijpt
24324
gij? zij zelve, mij met kussen en tranen bedekkend--vloeibaar vuur,
24325
dat als balsem nederviel op mijn gelaat--zij zelve zeide mij: "Ik weet,
24326
dat ik misdoe, maar ik bemin u, mijn man! Ik heb voor God gezworen: ik
24327
verbreek mijnen eed, mijn man, mijn arme man! dikwijls ben ik gekomen
24328
zonder u te durven naderen; eindelijk stond de matroos het mij toe:
24329
ik verbond uwe wond, gij herkendet mij niet; maar ik heb u genezen,
24330
wees niet grammoedig, man! Ik ben u gevolgd, maar ik ben bevreesd,
24331
hij is op dit schip: laat mij vertrekken; zoo hij mij zag, zou hij mij
24332
verdoemen en zou ik branden in het eeuwige vuur!" Zij kuste mij nog,
24333
weenend en gelukkig, en vertrok, mijns ondanks, in spijt van mijne
24334
tranen: gij hadt mijne armen en beenen gebonden, mijn zoon, maar nu....
24335
 
24336
Dit zeggende, gaf hij krachtdadige riemslagen; het was als de gespannen
24337
koord van eenen boog, die den pijl in de lucht schiet.
24338
 
24339
Naarmate zij de vlieboot naderden, zeide Lamme:
24340
 
24341
--Daar staat zij op het dek, zij speelt op de vedel, mijn beminnelijke
24342
vrouw, met heur goudbruine lokken, heur bruine oogen, heur frissche
24343
koonen, heur bloote, ronde armen, heur witte handjes. Vlieg over den
24344
vloed, sloep!
24345
 
24346
Toen de kapitein van de vlieboot de sloep zag naderen en Lamme als een
24347
duivel wriggelen, liet hij eene ladder uitwerpen. Toen Lamme er dicht
24348
bij was, sprong hij van de sloep op de ladder, op gevaar af van in
24349
zee te vallen, zoodat de sloep meer dan drie vademen achteruit gleed;
24350
en, vlug als eene kat op het dek klaverend, liep hij naar zijne vrouw,
24351
die, buiten zich zelve van geluk, hem kuste en omhelsde, en zeide:
24352
 
24353
--Lamme! breng mij niet ten verderve; ik heb voor God gezworen,
24354
maar ik bemin u. Ha! lieve man!
24355
 
24356
Nele riep:
24357
 
24358
--'t Is Kalleken Huybrechts, het schoone Kalleken!
24359
 
24360
--Ik ben het, sprak zij, ja, Kalleken, maar schoon is ze niet meer!
24361
 
24362
En zij zette een jammerlijk gezicht.
24363
 
24364
--Wat hebt gij gedaan, vroeg Lamme, wat zijt gij geworden? waarom
24365
liet ge mij zitten? waarom wilt gij mij weder verlaten?
24366
 
24367
--Luister, zeide zij, wees niet grammoedig, ik zal u alles bekennen:
24368
wetende dat al de monniken mannen Gods zijn, vertrouwde ik mij aan
24369
een hunner; hij heet broer Cornelis Adriaensen.
24370
 
24371
Toen Lamme dit hoorde, riep hij uit:
24372
 
24373
--Wat, die smerige paap, wiens mond een rioolgat was, vol drek en vol
24374
modder, en die steeds dorstte naar het bloed der hervormden! Wat! die
24375
verdediger der brandstapels en der plakkaten! Ha! 't was die gemeene
24376
schavuit!
24377
 
24378
Kalleken sprak:
24379
 
24380
--Laster den man Gods niet!
24381
 
24382
--De man Gods! zeide Lamme, ik ken hem: het was de man van vuilnis en
24383
vuigheid. Wat rampspoed! mijn schoon Kalleken gevallen in de handen
24384
van dien ontuchtigen vuilbaard! Nader mij niet, of ik dood u; en ik,
24385
die heur zoozeer beminde! mijn arm bedrogen hert, dat ganschelijk
24386
heur was! Wat komt gij hier doen op onze schepen? waarom hebt gij mij
24387
opgepast? waarom liet ge mij niet sterven? Ga heen, ik wil u voor mijne
24388
oogen niet meer zien; ga heen, of ik smijt u in de zee. Mijn mes!...
24389
 
24390
Doch zij vloog om zijnen hals en sprak:
24391
 
24392
--Lamme, mijn man, ween niet: ik ben niet wat gij denkt: ik behoorde
24393
nooit aan dien monnik.
24394
 
24395
--Gij liegt, zeide Lamme weenend en knarsetandend tegelijk. Ha! nooit
24396
was ik jaloersch, doch nu ben ik het! Ongelukkige drift, grammoedigheid
24397
en liefde, behoefte aan dooden en worgen. Uit mijne oogen! neen,
24398
blijf! Ik was zoo goed voor heur! De moordlust is meester in mij. Mijn
24399
mes! Ho! hier brandt, verteert, knaagt iets in mij; gij spot met
24400
mij....
24401
 
24402
Zoet en onderdanig, omhelsde zij hem weenend.
24403
 
24404
--Ja, zeide hij, ik ben belachelijk met mijne gramschap: ja, gij
24405
bewaardet mijne eer, die eer, die men dwaselijk hangt aan den rok
24406
eener vrouw. Daarom was het dus, dat gij uw zoetste lonkjes koost om
24407
mij te vragen of gij met uwe vriendinnen naar het sermoen mocht gaan?
24408
 
24409
--Laat mij spreken, zei de vrouw hem omhelzend: ik mag op staanden
24410
voet doodvallen, zoo ik u ooit bedroog.
24411
 
24412
--Wel, val dan dood, zeide Lamme, want gij gaat liegen!
24413
 
24414
--Luister, zeide zij.
24415
 
24416
--Spreek of zwijg, sprak Lamme, 't is mij eender.
24417
 
24418
--Broer Adriaensen, zeide zij, ging door voor een bespraakt predikant;
24419
hij stelde den geestelijken en den ongehuwden staat verre boven
24420
den anderen, als best geschikt om de geloovigen in het hemelrijk te
24421
brengen; zijne welsprekendheid was groot en onstuimig: daardoor bracht
24422
hij het verstand op hol van meerdere eerlijke vrouwen, onder dewelke
24423
ik telde, en ook van een groot aantal weduwen en meidekens. Vermits
24424
de ongehuwde staat zoo volmaakt was, bezwoer hij ons in denzelven te
24425
blijven: wij zwoeren, dat wij ons nimmermeer zouden laten trouwen....
24426
 
24427
--Behalve door hem ... zei Lamme weenend.
24428
 
24429
--Zwijg toch, zeide zij grammoedig.
24430
 
24431
--Komaan, sprak hij, voltooi uw werk: gij hebt mij een harden slag
24432
toegebracht, ik zal hem niet overleven.
24433
 
24434
--'t Doet, zeide zij, zoo ik altijd bij u blijf, man.
24435
 
24436
Zij wilde hem omhelzen en kussen, maar hij stiet heur van zich af.
24437
 
24438
--De weduwen, zeide zij, zwoeren vóór hem, nooit te zullen hertrouwen.
24439
 
24440
En Lamme aanhoorde heur, gedachteloos in zijn jaloersche droomerij.
24441
 
24442
Kalleken vervolgde, beschaamd, heure rede:
24443
 
24444
--Hij wilde, zeide zij, geen andere biechtelingen dan jonge en schoone
24445
vrouwen of meidekens: de anderen stuurde hij naar den paap heurer
24446
parochie. Hij stelde eene orde van godvruchtige vrouwen in, en deed
24447
ons allen zweren niemand anders tot biechtvader te zullen nemen dan
24448
hem: dat zwoer ik; mijne gezellinnen, beter onderricht dan ik, vroegen
24449
mij of ik mij wilde laten onderwijzen in de Heilige Geeseling en in de
24450
Heilige Boete: ik stemde toe. Er was te Brugge, op de Steenkappersrei,
24451
omtrent het Minderbroedersklooster, een huis bewoond door eene vrouw,
24452
genoemd Kalle de Naeyer, welke aan de meidekens kost en onderricht
24453
gaf, tegen een karolusgulden per maand: Broer Cornelis kon bij Kalle
24454
de Naeyer binnen, zonder oogenschijnlijk uit zijn klooster te komen,
24455
het was in dit huis dat ik ging, in een kleine kamer, in dewelke hij
24456
zich alleen bevond; daar gebood hij mij, hem al mijn natuurlijke en
24457
vleeschelijke neigingen te zeggen; eerst durfde ik niet, maar ten
24458
slotte gaf ik toe: ik weende en zeide hem alles.
24459
 
24460
--Laas! schreide Lamme, en alzoo ontving die zwijnachtige monnik uw
24461
zoete biechte!
24462
 
24463
--Hij zeide mij steeds, en dit is waar, mijn man, dat er boven de
24464
aardsche eerbaarheid een hemelsche eerbaarheid bestaat, door dewelke
24465
wij God onze wereldsche schaamte offeren, en dat wij aldus aan onzen
24466
biechtvader al onze geheime lusten moeten bekennen, en dan weerdig
24467
zijn de Heilige Geeseling en de Heilige Boete te ontvangen.
24468
 
24469
Eindelijk beval hij mij, naakt vóór hem te gaan staan, om op mijn
24470
lichaam, dat gezondigd had, de al te lichte kastijding mijner schulden
24471
te ontvangen. Eens gebood hij mij, mij te ontkleeden; ik viel in
24472
onmacht toen ik mijn hemde moest uitdoen: hij bracht mij weer tot
24473
mij zelve, door middel van fleschjes.--"'t Is goed voor deze reize,
24474
mijne dochter, sprak hij, kom binnen twee dagen terug en breng eene
24475
roede mee". Dit duurde lang, zonder dat hij ooit ... ik zweer het
24476
voor God en al zijne santen ... mijn man ... begrijp mij ... kijk
24477
naar mij ... zie of ik lieg: ik bleef zuiver en trouw ... ik beminde u.
24478
 
24479
--Arm zoet lichaam, zeide Lamme. O, vlek van schande op uw bruidskleed!
24480
 
24481
--Lamme, zeide zij, hij sprak in den naam Gods en onzer Moeder,
24482
de Heilige Kerk; moest ik hem niet aanhooren? Ik beminde u steeds,
24483
maar door schromelijke eeden had ik de Maagd gezworen mij aan u te
24484
onttrekken; ik was nochtans zwak voor u, Lamme. Herinnert gij u nog het
24485
gasthof te Brugge? Ik was bij Kalle de Naeyer, gij reedt daar voorbij
24486
op uwen ezel, met Uilenspiegel. Ik volgde u; ik had een schoone som
24487
gelds op zak, want ik verteerde niets voor mij zelve; ik zag, dat
24488
gij honger hadt: mijn hert trok naar u, ik had medelijden en liefde!
24489
 
24490
--Waar is hij nu? vroeg Uilenspiegel.
24491
 
24492
Kalleken antwoordde:
24493
 
24494
--Na een onderzoek, bevolen door den magistraat, en eene nasporing
24495
van de boozen, moest broer Adriaensen de stede Brugge verlaten,
24496
en hij nam de wijk naar Antwerpen. Op de vlieboot zeide men mij,
24497
dat mijn man hem gevangen nam.
24498
 
24499
--Wat! riep Lamme, die monnik dien ik vetmest, is....
24500
 
24501
--Hij zelf, antwoordde Kalleken, terwijl zij heur aangezicht met
24502
heure handen bedekte.
24503
 
24504
--Eene akst! eene akst! zeide Lamme, dat ik hem doode, dat ik het
24505
vet van dien geilen bok bij opbod verkoope! Gauw, laat ons naar het
24506
schip terugkeeren. De sloep! Waar is de sloep?
24507
 
24508
Nele sprak:
24509
 
24510
--Het is een eerlooze wreedheid eenen gevangene te dooden of te
24511
kwetsen.
24512
 
24513
--Gij beziet mij zoo verschrikkelijk, zeide hij, zoudt gij het mij
24514
beletten?
24515
 
24516
--Ja, zeide zij.
24517
 
24518
--Wel, sprak Lamme, ik zal hem geenerlei leed doen: laat mij hem
24519
slechts uit zijne kooi trekken. De sloep! Waar is de sloep?
24520
 
24521
Zij stapten weldra in de sloep. Lamme wrikte zoo vlug als hij kon en
24522
schreide tegelijk.
24523
 
24524
--Zijt gij droef, man? vroeg Kalleken hem.
24525
 
24526
--Neen, zeide hij, ik ben gelukkig: zult ge mij niet meer verlaten?
24527
 
24528
--Nooit! zeide zij.
24529
 
24530
--Gij waart zuiver en trouw, zegt gij; maar, zoet, lief Kalleken,
24531
ik leefde enkel om u weder te vinden, en nu zal, door de schuld van
24532
dien monnik, ons geluk vergiftigd zijn door jaloerschheid.... Zoodra
24533
ik droef zal wezen of enkellijk moede, zal ik u in verbeelding
24534
naakt zien, uw schoon lichaam onderwerpende aan die schandelijke
24535
geeseling. De lente onzer liefde was aan mij, doch de zomer aan hem;
24536
de herfst zal grauw zijn; weldra komt de winter en die zal mijn trouwe
24537
liefde begraven.
24538
 
24539
--Gij weent, zeide zij.
24540
 
24541
--Ja, sprak hij, wat voorbij is, komt nimmer terug.
24542
 
24543
Toen zei Nele:
24544
 
24545
--Als Kalleken trouw was, moest zij u weer alleen laten om uw leelijke
24546
woorden.
24547
 
24548
--Hij weet niet hoezeer ik hem altoos beminde, zei Kalleken.
24549
 
24550
--Zegt gij de waarheid? riep Lamme uit; kom, liefste, kom, mijne vrouw;
24551
geen grauwe herfst, en geen winter des doods meer!
24552
 
24553
En hij zag er blijde uit, en zij kwamen op het schip.
24554
 
24555
Uilenspiegel gaf de sleutels van de kooi aan Lamme, die deze opende;
24556
hij wilde den monnik bij een oor op het dek trekken, maar het ging
24557
niet; toen wilde hij hem zijdelings doen buitenkomen, maar het ging
24558
ook niet.
24559
 
24560
Wij moeten het kot uitbreken; de kapoen is gemest, zeide hij.
24561
 
24562
De monnik kwam er toen uit, keek met groote, verdwaasde oogen in
24563
het rond, hield met de beide handen zijn buik op, en viel op zijn
24564
achterste, ter oorzake van een hevige baar, die het schip ophief.
24565
 
24566
En Lamme zei tot den monnik:
24567
 
24568
--Zult ge mij nog dikzak heeten? gij zijt dikker dan ik! Wie diende
24569
u zeven eetmalen daags vóór? Ik! Hoe komt het, schreeuwer, dat gij
24570
nu zachtmoediger zijt jegens de arme Geuzen?
24571
 
24572
En, zijne rede vervolgend:
24573
 
24574
--Als gij nog een jaar in uwe kooi blijft, kunt gij er niet meer uit:
24575
bij de minste beweging lillen uwe kaken als verkensgelei; gij schreeuwt
24576
al niet meer; weldra zult gij niet meer kunnen blazen.
24577
 
24578
--Zwijg, dikzak, zeide de monnik.
24579
 
24580
--Dikzak, zei Lamme, in woede ontstekend, ik ben Lamme Goedzak;
24581
gij zijt broer Dikzak, Vetzak, Slokzak, Leugenzak, Modderzak; gij
24582
hebt vier duim spek onder uw vel; men ziet uwe oogen niet meer;
24583
Uilenspiegel en ik zouden, op ons gemak, huizen in uwen buik, die
24584
groot is als eene kerk. Gij heet mij dikzak, wilt gij eenen spiegel
24585
om Uwe Dikbuikigheid te bewonderen? Ik ben het, die u voed, gevaarte
24586
van vleesch en been. Ik heb gezworen, dat gij vet zult spuwen, dat
24587
gij vet zult zweeten, dat gij sporen van vet achter u zult nalaten,
24588
als eene keers, die smelt in de zonne. Men zei mij, dat de geraaktheid
24589
komt met de zevende kin: de zesde is in aantocht!
24590
 
24591
Vervolgens wendde hij zich tot de Geuzen:
24592
 
24593
--Aanschouwt dien hoereerder! sprak hij. Het is broer Cornelis
24594
Adriaensen, van Brugge: dáár preekte hij een nieuwe eerbaarheid. Zijn
24595
vet is zijne straf, en zijne straf is mijn werk. Nu, luistert,
24596
gij allen, matrozen en soldaten: ik ga u verlaten, u verlaten,
24597
Uilenspiegel, u verlaten, u ook, kleine Nele, om naar Vlissingen
24598
te tiegen, alwaar ik eenig goed bezit, en er te leven met mijn arme
24599
wedergevondene vrouw. Vroeger zwoert gij, mij alles toe te staan wat
24600
ik zou vragen....
24601
 
24602
--Dat is Geuzenwoord zeiden zij.
24603
 
24604
--Dus, zeide Lamme, aanschouwt dien hoereerder, dien broer Adriaensen,
24605
Vetlap-aensen van Bruggen; ik zwoer hem te doen sterven in zijn vet
24606
als een zwijn; maakt hem een grootere kooi, doet hem met geweld twaalf
24607
eetmalen daags verorberen in stede van zeven; geeft hem vetten en
24608
gesuikerden kost; hij lijkt reeds een os, maakt er een olifant van,
24609
en weldra zult gij hem de hoeken zijner kooi zien vullen.
24610
 
24611
--Wij zullen hem voortmesten, zeiden zij.
24612
 
24613
--En nu, vervolgde Lamme, tot den monnik sprekend, u ook, rabauw,
24614
dien ik doe voeden op kloosterwijs, in stee van u te doen hangen,
24615
u ook zeg ik vaarwel: en leef op hoop van vet en van geraaktheid!
24616
 
24617
Vervolgens zijne vrouw, zijn Kalleken, in de armen drukkend, voegde
24618
hij er bij:
24619
 
24620
--Kijk, gij moogt knorren of balken, maar ik neem ze mee, gij zult
24621
ze niet langer geeselen!
24622
 
24623
Maar de monnik, in woede ontstoken, zeide tot Kalleken:
24624
 
24625
--Gij keert dus terug naar uw leger van wellust, o zinnelijke
24626
vrouwe! Ja, gij gaat henen zonder mededoogen met den armen martelaar
24627
voor Gods woord, die u de heilige, zoete en hemelsche geeseling
24628
leerde. Wees gedoemd! Nooit schenke een priester u vergiffenis;
24629
de grond brande onder uwe voeten; suiker weze u zout; ossevleesch
24630
weze u kroengevleesch; brood weze u assche; de zonne weze u ijs,
24631
en sneeuw een hellevuur; de vrucht uws lichaams weze gevloekt;
24632
uwe kinderen wezen afschuwelijk: met de leden van een aap, een
24633
verkenshoofd grooter dan hun buik; lijden, weenen, zuchten weze uw lot
24634
in deze wereld en in de andere, in de helle die u wacht, de helle van
24635
zwavel en pik, die branden voor de wijven van uw slag; gij weigerdet
24636
mijn vaderlijke liefde: wees driemaal vermaledijd door de heilige
24637
Drievuldigheid; zevenmaal vermaledijd door de kandeleers der Ark;
24638
de biecht weze u verdoemenis; de hostie weze u doodelijk venijn; en,
24639
in de kerken, richte elke vloersteen zich op om u te verpletteren en
24640
u te zeggen: "Hier is de hoereerster; hier is de verdoemde; hier is
24641
de vermaledijde!"
24642
 
24643
En Lamme sprong op van geluk en riep blijde uit:
24644
 
24645
--Zij was trouw, de monnik heeft het gezegd! Leve Kalleken!
24646
 
24647
Doch zij, weenend en sidderend, zeide:
24648
 
24649
--O, Lamme, neem die verdoemenis over mij weg! Ik zie de helle! Neem
24650
de verdoemenis weg!
24651
 
24652
--Monnik, trek de verdoemenis in, gebood Lamme.
24653
 
24654
--Ik zal het niet doen, dikzak, antwoordde de monnik.
24655
 
24656
En de vrouw, bleek en sidderend, viel op de knieën en smeekte broer
24657
Adriaensen met de handen te zamen.
24658
 
24659
En Lamme zei tot den monnik:
24660
 
24661
--Trek de verdoemenis in of gij wordt gehangen: en, breekt de koorde,
24662
uit hoofde van uwe zwaarte, zoo wordt gij herhangen, totdat de dood
24663
er op volge.
24664
 
24665
--Gehangen en herhangen! zeiden de Geuzen.
24666
 
24667
--Als het zoo is, zei de monnik tot Kalleken, ga dan, ontuchtige
24668
vrouwe; ga dan met dien dikzak; ga, ik hef mijne verdoemenis op, maar
24669
God en al zijne santen houden u in het oog: ga met dien dikzak, ga!
24670
 
24671
En hij zweeg, blazend en zweetend.
24672
 
24673
Plotseling riep Lamme uit:
24674
 
24675
--Hij zwelt op, hij zwelt op! Daar is de zesde kin: de zevende kin
24676
is de geraaktheid!
24677
 
24678
... En nu, zeide hij tot de Geuzen, ik beveel u aan God, u,
24679
Uilenspiegel aan God, u allen, mijn goede vrienden, aan God, Nele
24680
mijne vriendin, aan God, de heilige zaak van de vrijheid: ik kan
24681
niets meer voor haar....
24682
 
24683
Vervolgens, als hij iedereen omhelsd had, zeide hij tot zijne vrouw
24684
Kalleken:
24685
 
24686
--Kom, het is het uur van onze wettige liefde.
24687
 
24688
Terwijl het bootje, dat Lamme en zijne welbeminde meevoerde, over
24689
het water gleed, riepen al de matrozen, soldaten en scheepsjongens
24690
met hunnen hoed zwaaiend:
24691
 
24692
--Vaarwel, broeder; vaarwel, Lamme; vaarwel, broeder, broeder en
24693
vriend!
24694
 
24695
En Nele wischte met heur liefelijken vinger eenen traan uit het oog
24696
van Uilenspiegel en zeide tot hem:
24697
 
24698
--Gij zijt droef, mijn vriend?
24699
 
24700
--Hij was goed, zeide hij.
24701
 
24702
--Ha! zeide zij, zal die oorlog dan nooit een einde nemen, zullen
24703
wij dan immer gedwongen zijn te leven in bloed en in tranen?
24704
 
24705
--Laat ons de Zeven zoeken, antwoordde Uilenspiegel: het is nakend,
24706
het uur der verlossing....
24707
 
24708
Volgens de belofte, die zij aan Lamme gedaan hadden, mestten de
24709
Geuzen den monnik voort in zijne kooi. Doch op zekeren dag werden
24710
zij het moede, en ze stelden hem in vrijheid tegen een rantsoen bij
24711
't gewicht; en hij bracht een mooien stuiver op, want hij woog toen
24712
driehonderd zeventien pond en vijf onsen, Vlaamsch gewicht.
24713
 
24714
En hij stierf als prior van zijn convent.
24715
 
24716
 
24717
 
24718
 
24719
VIII.
24720
 
24721
Te dien tijde vergaderden de heeren van de Staten-Generaal te
24722
's-Gravenhage, om Philippus, koning van Spanje, grave van Vlaanderen,
24723
van Holland enz., te oordeelen naarvolgens de door hem verleende
24724
charters en privileges.
24725
 
24726
En de griffier sprak als volgt:
24727
 
24728
--Het is een iegelijk bekend, dat een landvorst aangesteld is door
24729
God, als souverein en hoofd zijner onderdanen, om ze te verdedigen
24730
en te vrijwaren van alle beleediging, verdrukking en geweld, evenals
24731
een herder aangesteld is voor de verdediging en de hoede zijner
24732
kudde. Het is mede algemeen bekend, dat de onderdanen geenszins door
24733
God geschapen zijn ten gerieve des prinsen, om hem gehoorzaam te wezen
24734
in alles wat hij zou heeten, hetzij dat het vroom is of goddeloos,
24735
rechtveerdig of onrechtveerdig, noch om denzelven te dienen als
24736
slaven. Maar de vorst is vorst ten behoeve van zijne onderdanen,
24737
zonder dewelke hij niet kan wezen, om naar recht en rede te bestieren;
24738
om ze te behouden en te beminnen als een vader zijne kinderen, als
24739
een herder zijn kudde, en zijn leven te wagen om ze te verdedigen;
24740
doet hij het niet, zoo moet hij aanzien worden, niet voor eenen
24741
vorst, maar voor eenen dwingeland. Door oproeping van soldaten,
24742
door bullen van kruistocht en van kerkban, zond Philippus koning,
24743
vier uitheemsche legers af tegen ons. Welke zal zijne straf wezen,
24744
overeenkomstig de wetten en costumen van den lande?
24745
 
24746
--Hij weze vervallen, antwoordden de heeren der Staten.
24747
 
24748
--Philippus heeft zijne eeden verbroken; hij vergat de diensten, welke
24749
wij hem bewezen, de zegepralen, welke wij hem hielpen behalen. Toen
24750
hij zag, dat wij rijk waren, liet hij ons afzetten en bestelen door
24751
die van den raad van Spanje.
24752
 
24753
--Hij weze vervallen als ondankbare en dief, antwoordden de heeren
24754
der Staten.
24755
 
24756
--Philippus, vervolgde de griffier, stelde in de machtigste steden
24757
des lands bisschoppen aan, begiftigde en bevoordeelde dezelven met
24758
de goedingen der grootste abdijen; door de hulp van dezelven, bracht
24759
hij de Spaansche Inquisitie in onze landen.
24760
 
24761
--Hij weze vervallen als beul, verkwister van eens andermans goeding,
24762
antwoordden de heeren der Staten.
24763
 
24764
--Ten aanzien van de dwingelandij, vertoonden de edelen van de landen
24765
ten jare 1566 een verzoekschrift, bij hetwelk zij den souvereinen
24766
vorst smeekten zijn strenge plakkaten te verzachten en namelijk die
24767
op het stuk der inquisitie: hij weigerde steeds.
24768
 
24769
--Hij weze vervallen als een tijger, die hardnekkig is in de wreedheid,
24770
antwoordden de heeren der Staten.
24771
 
24772
De griffier vervolgde:
24773
 
24774
--Philippus wordt ernstig verdacht van, door die van zijnen raad
24775
van Spanje, heimelijk den beeldenstorm en de plundering der kerken
24776
te hebben bewerkt, ten einde, onder voorwendsel van misdaad en
24777
wanordelijkheden, vreemde legers tegen ons te kunnen afzenden.
24778
 
24779
--Hij weze vervallen als een werktuig des doods, antwoordden de heeren
24780
der Staten.
24781
 
24782
--Te Antwerpen deed Philippus de inwoneren slachten, en de Vlaamsche
24783
en vreemde kooplieden ten onder brengen. Hij en zijn raad van
24784
Spanje gaven, door heimelijke onderrichtingen, aan zekeren Roda,
24785
een beruchten rabauw, het recht zich hoofdman der plunderaars te
24786
verklaren, den buit op te garen, zijn naam, van hem, Philippus koning,
24787
te gebruiken, zijne zegelen na te maken en zich te gedragen als zijn
24788
landvoogd en stedehouder. De onderschepte koninklijke brieven, welke
24789
zich in onze handen bevinden, bewijzen het stuk. Alles is gebeurd
24790
met zijne toestemming en na overleg met den raad van Spanje. Leest
24791
zijne brieven: daarin looft hij het feit van Antwerpen, bekent hij een
24792
uitstekenden dienst ontvangen te hebben, belooft hij dien te zullen
24793
beloonen, zet hij Roda en de andere Spanjaards aan, voort te gaan op
24794
dien roemvollen weg.
24795
 
24796
--Hij weze vervallen als dief, als plunderaar, als moordenaar,
24797
antwoordden de heeren der Staten.
24798
 
24799
--Wij willen slechts het behoud van onze privileges, een eerlijken
24800
en verzekerden vrede, meer vrijheid, namelijk op het stuk van den
24801
godsdienst, welke hoofdzakelijk eene gewetenszaak is: van Philippus
24802
kregen wij niets dan leugenachtige verdragen, welke tweedracht
24803
moesten zaaien onder de provinciën, om ze de eene na de andere te
24804
onderwerpen en met haar te handelen als met Indië, door plundering,
24805
verbeurdverklaring, terdoodbrenging en inquisitie.
24806
 
24807
--Hij weze vervallen als moordenaar, die den moord van de landen
24808
beraamt, antwoordden de heeren der Staten.
24809
 
24810
--Hij deed de landen bloeden door den hertog van Alva en zijne
24811
trawanten, door Medina Celi, Requesens, de judassen der raden van
24812
State en van de provinciën; don Juan en Alexander Farnese beval hij
24813
met ongemeene en bloedige strengheid te werk te gaan (zooals weer
24814
blijkt uit zijne onderschepte brieven); hij sloeg in den rijksban Prins
24815
Willem van Oranje, betaalde drie moordenaars, in afwachting dat hij den
24816
vierden betaalt; deed in de landen kasteelen en vestingen oprichten,
24817
deed de mannen levend verbranden, de vrouwlieden en meidekens levend
24818
begraven; erfde hunne goedingen, verworgde Montigny, Bergen en andere
24819
heeren, in weerwil van zijn koninklijk woord; hij doodde zijn zoon
24820
Carlos; vergiftigde prins Ascoly, dien hij deed trouwen met dona
24821
Eufrasia, dewelke door hem was bezwangerd, ten einde den bastaard,
24822
die moest geboren worden, met zijne goederen te verrijken; veerdigde
24823
tegen ons een edict uit, hetwelk ons allen verraders verklaarde, ons
24824
lijf en goed ontnemend, en bedreef die in een kersten land ongekende
24825
misdaad, geen onderscheid te maken tusschen schuldigen en onschuldigen.
24826
 
24827
--Uit hoofde van alle wetten, rechten en privilegiën, weze hij
24828
vervallen, antwoordden de heeren der Staten.
24829
 
24830
En de zegels des konings werden gebroken.
24831
 
24832
En de zonne gloorde over land en zee, verguldde de gezwollen korenaren,
24833
rijpte de druiven en strooide op elke baar van de zee flikkerende
24834
perelen, het sieraad van Neerlands bruid: de Vrijheid.
24835
 
24836
Vervolgens werd de Prins, te Delft zijnde, door een vierden moordenaar
24837
met drie kogels in de borst getroffen. En hij stierf, volgens zijne
24838
spreuk: "Rustig onder de wreede baren".
24839
 
24840
Zijne vijanden zeiden van hem, dat hij, om koning Philippus te
24841
bestoken, en daar hij toch niet hoopte over de zuidelijke, katholieke
24842
Nederlanden te regeeren, deze bij geheim verdrag aangeboden had aan
24843
monseigneur Zijne Groote Hoogheid van Anjou. Doch deze was geenszins
24844
geboren om de telg Belgieland te verwekken bij de Vrijheid, dewelke
24845
niet houdt van buitensporige minnarijen.
24846
 
24847
En Uilenspiegel verliet met Nele de vloot.
24848
 
24849
En het Belgische vaderland zuchtte onder het juk, geworgd, gekneveld
24850
door de verraders.
24851
 
24852
 
24853
 
24854
 
24855
IX.
24856
 
24857
Toen was men in de maand van het rijpe koren; de lucht was drukkend,
24858
de wind zoel: onder den vrijen hemel, op een vrijen grond, konden
24859
maaiers en pikkers in de akkers vrijelijk het koren oogsten, dat zij
24860
gezaaid hadden.
24861
 
24862
Friesland, Drente, Overijsel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant,
24863
Noord- en Zuid-Holland; Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Duiveland
24864
en Schouwen, welke Zeeland uitmaken; heel de kust der Noordzee,
24865
van Knokke tot den Helder; de eilanden Texel, Vlieland, Ameland,
24866
Schiermonnikoog zouden, van de Wester-schelde tot de Ooster-Eems,
24867
het Spaansche juk afschudden; Maurits, zoon van den Zwijger, zette
24868
den oorlog voort.
24869
 
24870
Nog ten volle in het bezit van hunne jeugd, hunne kracht en hunne
24871
schoonheid,--want de liefde en de geest van Vlaanderen blijven immer
24872
jong,--leefden Uilenspiegel en Nele rustig in den toren van Veere,
24873
in afwachting, dat, na menigvuldige wreede beproevingen, de wind der
24874
vrijheid over het Belgische vaderland zou waaien.
24875
 
24876
Uilenspiegel had gevraagd om bevelhebber en wachter van den toren
24877
te worden benoemd, aanvoerende, dat hij, met zijne arendsoogen en
24878
hazenooren, zou kunnen zien en hooren of de Spanjaard het soms niet
24879
beproefde terug te komen naar de verloste landen en dat hij alsdan
24880
wacharm zou luiden.
24881
 
24882
De magistraat deed wat hij vroeg: om den wille van zijn goede diensten,
24883
gaf men hem een gulden daags, twee pinten bier, boonen, kaas, beschuit,
24884
alsmede drie pond vleesch in de week.
24885
 
24886
Aldus leefden Uilenspiegel en Nele getweeën heel goed; van verre zagen
24887
zij met vreugde de vrije Zeeuwsche eilanden: weiden en bosschen,
24888
kasteelen en vestingen, en de gewapende schepen der Geuzen, die de
24889
kusten bewaakten.
24890
 
24891
's Nachts klommen zij zeer dikwijls omhoog op den toren en, daar naast
24892
elkander gezeten, koutten zij over de harde gevechten, de schoone
24893
minnarijen van het verleden en ook van de toekomst. Van daar zagen zij
24894
de zee, welker lichtende golven zich braken en in schuim uiteenspatten,
24895
en als vurige spoken op de eilanden vielen. En Nele was verschrikt
24896
als zij in de polders dwaallichtjes zag, welke, zeide zij, zielen
24897
van arme dooden zijn. En al deze plaatsen waren slagvelden geweest.
24898
 
24899
De dwaallichtjes stegen op uit de polders, huppelden langshenen
24900
de dijken, keerden vervolgens terug naar de polders, alsof zij de
24901
lichamen niet wilden verlaten, uit welke zij kwamen.
24902
 
24903
Op zekeren nacht zei Nele tot Uilenspiegel:
24904
 
24905
--Zie hoe talrijk zij zijn in Beveland, en hoe hoog zij zweven in de
24906
lucht: langs den kant van de vogeleilanden zie ik er het meest. Wilt
24907
gij medekomen, Thijl? wij zullen ons strijken met de zalve, welke
24908
dingen toont, die onzichtbaar zijn voor de oogen der stervelingen.
24909
 
24910
Uilenspiegel antwoordde:
24911
 
24912
--Als 't die zalve is, die mij naar den grooten sabbat bracht, heb
24913
ik er geen vertrouwen meer in.
24914
 
24915
--Loochen de kracht der tooverije niet. Kom mee, Uilenspiegel.
24916
 
24917
's Anderen daags vroeg hij aan den magistraat, dat een trouw en
24918
scherpziend soldaat hem zou vervangen om den toren te wachten en te
24919
waken over het land.
24920
 
24921
En hij toog henen met Nele naar de vogeleilanden.
24922
 
24923
Terwijl zij stapten langs akkers en dijken, zagen zij kleine
24924
groene eilandjes, tusschen dewelke het zeewater stroomde, en, op de
24925
begraasde heuvelen, die zich tot het duin uitstrekten, een groote
24926
menigte kieviten, meeuwen en zeezwaluwen, die onbeweeglijk zaten
24927
en met hunne ruggen witte eilandjes uitmaakten; daarboven vlogen
24928
duizenden van die vogelen. De grond was vol nesten: Uilenspiegel,
24929
die zich bukte om een ei van den weg op te rapen, zag eene meeuw
24930
fladderend naar hem komen en een grooten schreeuw slaken. Op dien
24931
kreet kwamen meer dan honderd andere bij, die schreeuwden van angst
24932
en boven het hoofd van Uilenspiegel en de naburige nesten vlogen,
24933
doch zij durfden hem niet naderen.
24934
 
24935
--Uilenspiegel, zeide Nele, die vogelen vragen genade voor hunne
24936
eieren.
24937
 
24938
Vervolgens begon zij te beven, en zij zeide:
24939
 
24940
--Ik ben bang, de zonne gaat onder, de hemel is wit, de sterren
24941
ontwaken, dit is het uur van de geesten. Zie, die roode uitwasemingen
24942
rakelings zweven langs den grond; Thijl, mijn beminde, wie is
24943
het helsche monster, dat aldus in de wolken zijn vurigen muil open
24944
doet? Zie, langs den kant van Philips-land, waar de koninklijke beul,
24945
uit wreedaardige heerschzucht, tweemaal achtereen zooveel arme menschen
24946
liet dooden, zie die dwaallichtjes dansen; 't is de nacht in denwelken
24947
de zielen der arme mannen, die gedood werden in de gevechten, het
24948
koude voorgeborchte des vagevuurs verlaten, om zich te komen warmen
24949
in de zoele lucht van de aarde: dit is het uur, waarop gij alles
24950
moogt vragen aan Christus, welke de God van de goede tooveraars is.
24951
 
24952
--De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel. Kon Christus maar
24953
die Zeven toonen, wier in den wind gesmeten assche ons Vlaanderen en
24954
heel de wereld gelukkig zou maken.
24955
 
24956
--Ongeloovige, zeide Nele, gij zult ze zien met de zalve.
24957
 
24958
--Misschien, als een geest wil nederdalen uit de koude sterre, zei
24959
Uilenspiegel, met den vinger naar Sirius wijzend.
24960
 
24961
Bij dat gebaar hechtte een dwaallichtje, dat rondom hem fladderde,
24962
zich vast aan zijn vinger, en hoe meer hij het los wilde maken,
24963
hoe vaster het er aan bleef gehecht.
24964
 
24965
Doch terwijl Nele beproefde Uilenspiegel los te maken, kreeg zij ook
24966
haar dwaallichtje aan de toppen heurer vingeren.
24967
 
24968
Uilenspiegel sloeg op het zijne en sprak:
24969
 
24970
--Antwoord! zijt gij de ziel van eenen Geus of van eenen Spanjool? Zijt
24971
gij de ziel van eenen Geus, ga dan naar het hemelrijk; zijt gij die
24972
van eenen Spanjool, keer terug naar de helle, die u braakte.
24973
 
24974
Nele zeide hem:
24975
 
24976
--Beleedig nooit de zielen, al waren het zielen van beulen.
24977
 
24978
En, terwijl zij heur dwaallichtje op den top van heuren vinger deed
24979
dansen, zeide zij:
24980
 
24981
--Lichtje, liefelijk lichtje, welke miede brengt gij uit het land van
24982
de zielen? Wat doen zij? Eten en drinken zij, hoewel zij geen mond
24983
hebben? Want gij ook hebt er geen, bevallig lichtje! ofwel, nemen
24984
zij slechts in het gezegende hemelrijk de menschelijke gedaante aan?
24985
 
24986
--Hoe kunt gij, sprak Uilenspiegel, aldus uwen tijd verliezen met
24987
te spreken tot dat droef vlammetje, dat geene ooren heeft om u te
24988
aanhooren, en geenen mond om u te woord te staan?
24989
 
24990
Maar zonder naar hem te luisteren;
24991
 
24992
--Lichtje, zeide Nele, antwoord al dansend, want ik ga u driemaal
24993
ondervragen: eenmaal in den naam Gods, eenmaal in den naam der Heilige
24994
Maagd, en eenmaal in den naam der sylphen, die de boden zijn tusschen
24995
God en de menschen.
24996
 
24997
Zij deed het, en het lichtje danste drie keeren.
24998
 
24999
--Trek uwe kleederen uit; ik zal hetzelfde doen: hier is de zilveren
25000
doos met de tooverzalve, zei Nele tot Uilenspiegel.
25001
 
25002
--'t Is mij eender, antwoordde Uilenspiegel.
25003
 
25004
Toen zij zich ontkleed en met zalve bestreken hadden, legden zij zich
25005
naast elkander op het gras.
25006
 
25007
De meeuwen kloegen; de donder rammelde dof in het zwerk, waarin een
25008
helle flits flikkerde; de wassende maan toonde tusschen twee vluchtige
25009
wolken nauwelijks hare twee gulden horens; Nele's en Uilenspiegel's
25010
dwaallichtjes gingen met de anderen dansen in den beemd.
25011
 
25012
Plotseling werden Nele en heur vriend gegrepen met de groote hand
25013
van eenen reus, dewelke ze in de lucht smeet als sneeuwballen, ze
25014
weder opving, ze tusschen zijne handen ineenrolde en kneedde met
25015
zijne vingeren, ze smeet in de waddenplassen tusschen de duinen, en
25016
ze er weder uittrok, vol zeewier. En terwijl de reus ze vervolgens
25017
ronddroeg in het luchtruim, zong hij met eene stem, die al de meeuwen
25018
der eilanden van schrik deed ontwaken:
25019
 
25020
 
25021
    Lezen willen luizedwergen
25022
    Met ziekelijk troebel oog,
25023
    Wat wij zoo weigerlijk bergen:
25024
    De teekenen heilig en hoog.
25025
 
25026
    Lelie, luis, het eerwaarde,
25027
    Lelie, vloo, de geheimenis,
25028
    Die in hemel, lucht en aarde
25029
    Met zeven nagels vernageld is.
25030
 
25031
 
25032
En inderdaad, Uilenspiegel en Nele zagen op het gras, in de lucht en
25033
in den hemel, zeven lichtende koperen tafelen, bevestigd door middel
25034
van zeven vlammende nagelen. Op de tafelen stond geschreven:
25035
 
25036
 
25037
    Onder den mesthoop kiemt de plant.
25038
    Is zeven slecht, zeven is goed.
25039
    Kolen vormen diamant,
25040
    Dwaze doctoren, leerlingen vroed.
25041
    Is zeven slecht, zeven is goed.
25042
 
25043
 
25044
En de reus stapte voort, gevolgd door al die dwaallichtjes, die,
25045
gonzend als krekelen, zeiden:
25046
 
25047
 
25048
    Kijkt toe wie de macht hier torst,
25049
    Der pausen paus, der vorsten vorst;
25050
    Wie Caesar aan den leiband houdt,
25051
    Kijkt toe, hij is van hout!
25052
 
25053
 
25054
Eensklaps veranderden zijne trekken, hij scheen magerder, treuriger,
25055
grooter. In eene hand hield hij eenen schepter en in de andere een
25056
zweerd. Hij hiet Hooveerdigheid.
25057
 
25058
En Nele en Uilenspiegel ten gronde smijtend, zeide hij:
25059
 
25060
--Ik ben God!
25061
 
25062
En daar kwam naast hem, op eenen ezel gezeten, een dikke, roodwangige
25063
meid, nauwelijks gekleed, met bloote borsten, en wulpsche oogen:
25064
zij heette Onkuischheid; vervolgens kwam een oude jodin, die schalen
25065
van meeuweneieren opraapte: zij heette Gierigheid; dan een dikke,
25066
vraatzuchtige monnik, die worsten verslond, zich volpropte met
25067
pensen en gedurig mommelde als de zeug, op dewelke hij zat: het was
25068
de Gulzigheid; vervolgens kwam de Traagheid, trekkebeenend, bleek
25069
en opgezwollen, met doffe oogen, die de Gramschap met een prikstok
25070
voor zich dreef. Jammerend en badend in tranen, viel de Traagheid van
25071
vermoeienis op heure knieën; vervolgens kwam de magere Nijd, met een
25072
slangekop en hoektanden, die de Traagheid beet omdat zij te veel heur
25073
gemak zocht, de Gramschap omdat zij te levendig was, de Gulzigheid
25074
omdat zij te veel gegeten had, de Onkuischheid omdat zij te rood was,
25075
de Gierigheid ter oorzake van de schalen, de Hooveerdigheid omdat
25076
zij een purperen kleed en op het hoofd eene kroon droeg.
25077
 
25078
En de dwaallichtjes dansten rondom hen.
25079
 
25080
En, sprekend met stemmen als van kermende mannen, vrouwlieden,
25081
meidekens en kinderen, zeiden zij zuchtend:
25082
 
25083
--Hooveerdigheid, bron van heerschzucht, Gramschap, moeder der
25084
wreedheid, gij dooddet ons op slagveld, in gevangenis en door
25085
marteling, om uwe schepters en kronen te behouden! Nijd, gij vernieldet
25086
in hunne kiem velerlei edele en nuttige denkbeelden: wij zijn de zielen
25087
van de verdrukte uitvinders; Gierigheid, gij veranderdet in goud,
25088
het zweet en het bloed van het arme volk: wij zijn de geesten van
25089
de zwoegers, uwe slachtofferen; Onkuischheid, gezellin en boelin van
25090
den Moord, die samen Nero, Messalina en Philippus, koning van Spanje,
25091
verwektet, gij koopt de deugd om en betaalt de verleiding; wij zijn de
25092
zielen der dooden; Traagheid en Gulzigheid, gij bevuilt en onteert de
25093
wereld: wij moeten u van haar verjagen, wij zijn de zielen der dooden.
25094
 
25095
En men hoorde eene stem zeggen:
25096
 
25097
 
25098
    Onder den mesthoop kiemt de plant.
25099
    Is zeven slecht, zeven is goed.
25100
    Bij dwaze doctoren, leerlingen vroed;
25101
    Om asch te krijgen en tevens kool
25102
    Wat doet een vlooken op den dool?
25103
 
25104
 
25105
En de dwaallichtjes zeiden:
25106
 
25107
--Wij zijn het vuur, de weerwraak van de oude tranen, de smerten van
25108
het gemeen; de weerwraak op de heeren, die joegen op menschelijk wild;
25109
de weerwraak van de onnutte gevechten, van het in de gevangenissen
25110
vergoten bloed, van de levend verbrande mannen, de levend begraven
25111
vrouwlieden en meidekens; de weerwraak van het akelig en bloedig
25112
verleden. Wij zijn het vuur, wij zijn de zielen der dooden!
25113
 
25114
Bij die woorden werden de Zeven veranderd in houten standbeelden,
25115
waarbij zij hunne vroegere gedaante behielden.
25116
 
25117
En eene stem zeide:
25118
 
25119
--Uilenspiegel, verbrand het hout.
25120
 
25121
En Uilenspiegel, zich naar de dwaallichtjes wendend, zeide:
25122
 
25123
--Gij, die het vuur zijt, verricht uwe taak.
25124
 
25125
En de dwaallichtjes omringden in groote menigte de Zeven, welke
25126
verbrandden tot assche.
25127
 
25128
En het bloed vloeide bij stroomen.
25129
 
25130
En uit de assche kwamen zeven andere beelden te voorschijn; het
25131
eerste zeide:
25132
 
25133
--Ik was Hooveerdigheid, nu heet ik edele Fierheid.
25134
 
25135
De anderen spraken ook, en Uilenspiegel en Nele zagen Zuinigheid komen
25136
uit Gierigheid, Levendigheid uit Gramschap, Eetlust uit Gulzigheid,
25137
Wedijver uit Nijd, Droomerij van dichters en denkers uit Traagheid. En
25138
de Onkuischheid, op hare geit, veranderde in een schoone vrouw,
25139
die Liefde hiet.
25140
 
25141
En de dwaallichtjes dansten een blijden dans rondom dezelve.
25142
 
25143
Uilenspiegel en Nele hoorden toen duizend heldere, grinnikende stemmen
25144
van verborgen mannen en vrouwen, die zongen:
25145
 
25146
 
25147
    Als over land en wateren
25148
    Die Zeven, hervormd, zullen heerschen,
25149
    Menschen, hoofden hoog!
25150
    't Is het heil der wereld.
25151
 
25152
 
25153
En Uilenspiegel zeide:
25154
 
25155
--Nele, die geesten spotten met ons.
25156
 
25157
Maar een machtige hand greep Nele bij den arm en wierp heur in het
25158
luchtruim.
25159
 
25160
En de geesten zongen:
25161
 
25162
 
25163
    Raakt het Noorden,
25164
    Kussend het Westen,
25165
    Rampspoed is uit.
25166
    Vind de Zeven
25167
    En den Gordel.
25168
 
25169
 
25170
--Laas, zeide Uilenspiegel: Noord, West en Gordel.... Gij spreekt
25171
wel raadselachtig, heeren Geesten.
25172
 
25173
En grinnikend zongen zij:
25174
 
25175
 
25176
    't Noorden is Nederland,
25177
    België 't Westen.
25178
    Gordel is vriendschap,
25179
    Gordel verbond.
25180
 
25181
 
25182
--Dat is wijs gesproken, heeren Geesten, zeide Uilenspiegel.
25183
 
25184
En grinnikend zongen zij nog:
25185
 
25186
 
25187
    De gordel, arme,
25188
    Om Neerland en België,
25189
    Zal vriendschap wezen,
25190
    Vroom verbond.
25191
 
25192
    Met raad
25193
    En daad,
25194
    Met dood
25195
    En bloed,
25196
    Als 't moet,
25197
    Was de Schelde daar niet,
25198
    Arme, de Schelde.
25199
 
25200
 
25201
--Laas, zei Uilenspiegel, dat is dus ons veelbewogen leven: tranen van
25202
't menschdom en spotternij van 't lot.
25203
 
25204
Grinnikend hernamen de geesten:
25205
 
25206
 
25207
    Verbond
25208
    Met bloed
25209
    En dood,
25210
    Was de Schelde daar niet!
25211
 
25212
 
25213
En een machtige hand greep Uilenspiegel en smeet hem in het luchtruim.
25214
 
25215
 
25216
 
25217
 
25218
X.
25219
 
25220
Toen Nele ten gronde te recht kwam, zag zij niets anders meer dan
25221
de zonne, die opstond te midden van de gulden dampen, de toppen
25222
der grashalmen, die insgelijks als in goud gedoopt waren, en den
25223
zonnestraal, die de veeren der slapende meeuwen kleurde. Maar de
25224
meeuwen ontwaakten weldra.
25225
 
25226
Vervolgens bekeek Nele zich zelve, zij zag, dat ze naakt was, en ze
25227
trok in der haast heure kleederen aan; vervolgens zag zij Uilenspiegel,
25228
insgelijks naakt, en zij bedekte hem; zij dacht, dat hij sliep, en
25229
zij schudde hem; maar hij verroerde zich niet meer dan een doode;
25230
zij werd van schrik bevangen.
25231
 
25232
--Ha! zeide zij, heb ik mijnen vriend gedood met de tooverzalf? Ik
25233
wil ook sterven! Ha! Thijl, word wakker! Hij is als marmer zoo koud!
25234
 
25235
Uilenspiegel werd niet wakker. Een dag en een nacht liepen voorbij,
25236
en Nele, koortsachtig van smert, waakte bij heuren vriend Uilenspiegel.
25237
 
25238
In den morgen van den tweeden dag, hoorde Nele het geklingel eener bel,
25239
en zij zag een boer komen met eene spade op den schouder; achter hem
25240
gingen een burgemeester en twee schepenen met eene waskeers in de hand,
25241
de parochiepaap van Stavenisse en een koster, die een zonnescherm
25242
hield boven het hoofd van den paap.
25243
 
25244
Zij gingen, naar zij zeiden, het heilig oliesel toedienen aan den
25245
dapperen Jacobsen, die vroeger Geus was uit schrik, maar die, nu het
25246
gevaar voorbij was, vóór zijn dood terugkeerde tot den schoot der
25247
Heilige Roomsche Kerke.
25248
 
25249
Weldra waren zij dicht bij Nele, die schreide, en zij zagen het lichaam
25250
van Uilenspiegel uitgestrekt op het gras, met zijne kleederen aan.
25251
 
25252
Nele knielde neder.
25253
 
25254
--Meideken, zeide de burgemeester, wat doet gij bij dien doode?
25255
 
25256
Zij antwoordde, zonder de oogen te durven opslaan:
25257
 
25258
--Ik bid voor mijnen vriend, die hier viel, als door den bliksem
25259
getroffen. Nu ben ik alleen: daarom wil ik insgelijks sterven!
25260
 
25261
De parochiepaap blies van genoegen en zei:
25262
 
25263
--God zij geloofd, de Geus Uilenspiegel is dood! Boer, haast u en delf
25264
een graf; trek zijne kleederen uit, alvorens hem in de aarde te steken.
25265
 
25266
--Neen, zei Nele, rechtspringend, men zal ze hem aanlaten, hij zou
25267
koude hebben in den killen grond.
25268
 
25269
--Delf een graf, zeide de parochiepaap tot den boer, die de spade
25270
droeg.
25271
 
25272
--Ik wil wel, zeide Nele badend in tranen; daar zijn geene wormen in
25273
het schelpzand, hij zal schoon en gaaf blijven, mijn geliefde.
25274
 
25275
En, als waanzinnig, bukte zij zich over het lichaam van Uilenspiegel
25276
en kuste zij het met tranen en snikken.
25277
 
25278
De burgemeester, de schepenen en de boer hadden medelijden, maar de
25279
pastoor zeide en herhaalde gedurig met blijdschap:
25280
 
25281
--De groote Geus is dood, God zij geloofd!
25282
 
25283
De boer dolf vervolgens een graf, legde Uilenspiegel er in en bedekte
25284
hem met zand. En de parochiepaap las over het graf de gebeden der
25285
dooden: allen knielden neder rondom het graf; doch plotseling zag men
25286
onder het zand een groote beweging, en Uilenspiegel keek rond zich,
25287
niesde en schudde het zand uit zijn haar, en greep den pastoor bij
25288
de keel en zeide:
25289
 
25290
--Ketterbeul, gij begraaft mij levend in mijnen slaap. Waar is
25291
Nele? Hebt gij ze ook in de aarde gedolven? Wie zijt gij?
25292
 
25293
De parochiepaap riep:
25294
 
25295
--De groote Geus verrijst op deze wereld! Heere God! wees mijne
25296
ziele genadig!
25297
 
25298
En hij vluchtte weg als een hert voor de honden.
25299
 
25300
Nele kwam bij Uilenspiegel.
25301
 
25302
--Kus mij, liefste, zeide hij.
25303
 
25304
Toen keek hij opnieuw rondom zich; boer en koster waren op den loop
25305
gegaan met den pastoor, en hadden, om rapper te loopen, spade,
25306
waskeersen en zonnescherm ten gronde geworpen; burgemeester en
25307
schepenen hielden van schrik hunne ooren vast en lagen te jammeren op
25308
't gras.
25309
 
25310
Uilenspiegel ging tot hen en schudde hen.
25311
 
25312
--Begraaft men, zeide hij, Uilenspiegel, den geest, Nele, het hert
25313
van Vlaanderen? Neen! Vlaanderen kan ook slapen, maar sterven,
25314
nooit! Kom, Nele.
25315
 
25316
En hij toog henen met heur en zong zijn zesde liedeken, maar niemand
25317
weet waar hij zijn laatste zingen zal....
25318
 
25319
 
25320
                                 EINDE.
25321
 
25322
 
25323
 
25324
 
25325
 
25326
 
25327
 
25328
AANTEEKENINGEN
25329
 
25330
 
25331
[1] Deze Voorrede werd, met een bepaald aantal platen, gevoegd in de
25332
eerste Fransche uitgave. (Lacroix-Verboeckhoven & Co.)
25333
 
25334
[2] Die bewering is nauwkeurig. Aan een Vlaamsch boekje van den
25335
uitgever Van Paemel, getiteld: Het aerdig leven van Thyl Uylenspiegel,
25336
ontleende de dichter een aantal hoofdstukken van het Eerste Boek van
25337
zijn werk.
25338
 
25339
[3] Over afleiding en beteekenis van het woord "Uilenspiegel"
25340
verschillen wij--en zeker de meeste Vlamingen met ons--teenemaal met
25341
Ch. de Coster. Omstandige, langdradige dissertatiën daaromtrent zullen
25342
wel overbodig zijn, en hooren ook in dit boek niet te huis. Zoo wij
25343
deze Voorrede in de Vlaamsche uitgave brachten, was het dus enkel
25344
met het inzicht het werk van Charles De Coster te eerbiedigen, en
25345
het, in zijn geheel, den Vlaamschen lezer aan te bieden. (Noot van
25346
den Vertaler.)
25347
EOT;
25348
}